Part 4
Daarop kreeg Pip een pak slaag, ondanks Judy's herhaalde bekentenis, dat alles haar schuld was, en Pip niets gedaan had. Zij herinnerde zich, dat zij er met nieuwsgierigheid aan dacht, of zij even voorbeeldig als Pip zou gekastijd worden, zoo toornig was haar vaders gezicht, toen hij den jongen op zijde duwde en naar haar stond te kijken, zijne rijzweep in de hand.
Maar hij gooide deze neer en legde zijne hand zwaar op haar schouder, dien zij vergeefs poogde terug te trekken.
"Aanstaanden Maandag," zeide hij langzaam--"aanstaanden Maandagmorgen ga je naar de kostschool. Esther, wees zoo goed na te zien, of Helen's kleederen in orde zijn voor de kostschool--aanstaanden Maandagmorgen gaat zij er heen."
HOOFDSTUK V.
AANSTAANDEN MAANDAGMORGEN.
Een koffer stond in de vestibule, en een groot, dikwijls gebruikt valies, en er hingen adressen aan, waarop te lezen stond: "Miss Helen Woolcot, adres de Dames Burton, Mount Victoria."
In de kinderkamer werd het ontbijt in gedrukte stemming gebruikt. Meg's blauwe oogen waren rood en gezwollen van het schreien, en zij snoof nu en dan hoorbaar, terwijl zij bezig was koffie te schenken. Pip stond met de handen in de zakken op het haardkleed treurig naar een zeker bord te kijken, en dankte voor eten of drinken; de Generaal zat vroolijk met zijn drinkkroes op zijn bord te slaan; en Bunby at suffend zijn boterham op.
Judy, bleek en met droge oogen, zat aan de tafel, en Nell en Baby hadden zich ieder aan een harer armen vastgeklampt. Gedurende de drie dagen, die tusschen dien noodlottigen Donderdag en dezen treurigen morgen verloopen waren, had zij koppig willen toonen, dat zij zich de geheele zaak niet aantrok. Nooit was hare stemming opgewekter, haar oog schitterender, hare tong scherper geweest, dan gedurende dezen tusschentijd; en zij had tegen iedereen beweerd, en in het bijzonder tegen haar vader, dat zij zich het verblijf in eene kostschool heerlijk dacht, en zich op haar vertrek verheugde.
Maar dezen morgen was zij ineengezakt. De dagen te voren had haar vurig, kinderlijk hart haar gezegd, dat haar vader toch niet zóó wreed zou kunnen zijn, dat het niet in ernst zijn plan kon wezen haar onder vreemden te zenden, ver weg van het oude, vervallen Misrule en van al haar broeders en zusters; hij zeide het alleen maar om haar schrik aan te jagen, dit praatte zij gedurig zich zelve voor, en zij zou hem toonen, dat zij geen lafhartig klein kind was.
Maar Zondagavond, toen zij een koffer naar beneden zag brengen en dien zag volpakken met hare kleederen en voorzien worden van haar naam, was het alsof een koude hand zich om haar hart sloot. Maar, zeide zij tot zich zelve, hij liet dit alles geschieden om haar te doen gelooven, dat zij werkelijk vertrekken moest.
En nu was het morgen geworden, en zij kon zich niets meer diets maken. Esther was bij haar bed gekomen, en had haar treurig gekust, met eene bezorgde en teedere uitdrukking op haar lief aangezicht. Zij had haar man gesmeekt zoo innig als zij nog nooit gesmeekt had, het vonnis der arme Judy te vernietigen, maar de kapitein was onvermurwbaar. Zij en alleen zij was de belhamel bij alle ondeugende streken, de anderen zouden zich behoorlijk gedragen, wanneer zij er niet meer was om hen tot allerlei stoutigheden aan te zetten, en gaan moest zij. Bovendien zeide hij, zou het tot haar eigen heil zijn. Hij had eene uitmuntende school voor haar gekozen; de directrices er van waren vriendelijk, maar streng, en Judy's karakter liep gevaar bedorven te worden door gebrek aan eene strenge leiding. Dit was inderdaad in zeker opzicht waar.
Judy ging plotseling rechtop in haar bed zitten, bij het gezicht van Esther's bekommerd gelaat.
"Er is niets aan te doen, lieve kind, schik je naar vaders wil!" zeide zij vriendelijk. "Maar je zult gaan als een moedig meisje, nietwaar, Ju?--Jij hebt tot nu toe altijd, zooals Pip zegt: de huik naar den wind kunnen hangen."
Judy verkropte een hevigen snik, en haar arm klein gezicht werd bleek en angstig.
"Het is goed, Esther! Toe, ga maar gerust ontbijten," zeide zij met eene stem, die alleen maar een weinig beefde; "zou je den Generaal bij mij willen laten, Esther? Ik zal hem mede naar beneden brengen!"
Esther zette haar klein, dik zoontje op het kussen en ging heen met een blik vol liefde en zorg.
En Judy nam het kleine ventje in hare armen, en trok de beddelakens over hun beider hoofd, en hield hem stevig, bijna wanhopig een minuut of twee tusschen hare armen gekneld, en verborg haar gezicht in zijn zacht, dik nekje en kuste hem tot hare lippen pijn deden.
Hij verweerde zich dapper tegen deze gewelddadige handelwijze, en protesteerde ten laatste, met een woedenden kreet, tegen gesmoord te worden. Dus wierp zij het dek weg en stapte uit bed, en liet hem tusschen de kussens rondkruipen, en uit een gaatje in een er van de veertjes plukken.
Zij kleedde zich haastig en zenuwachtig, maakte het haar met meer zorg dan gewoonlijk op, en ging toen met den Generaal naar de kinderkamer. Alle anderen waren hier, en klaarblijkelijk waren zij met Esther over haar aan het spreken. De drie meisjes keken bedroefd en verontwaardigd; Pip was juist terecht gezet, omdat hij oneerbiedig over zijn vader had gesproken, en zag gemelijk voor zich uit; en Bunby, niet wetende wat hij anders zou doen in zulk een hachelijk oogenblik, was vliegen gaan vangen en trok haar wreedaardig de vleugels uit.
Het was een somber ontbijt. De bel weerklonk als teeken dat de koffie beneden klaar was, en Esther moest dus de kinderen alleen laten. Een ieder presenteerde Judy van alles, wat op de tafel stond, en sprak haar beleefd toe. Zij scheen niet meer hun gelijke te zijn, maar een persoontje, dat niet zoo lichtvaardig behandeld kon worden terwille der waardigheid, die het groote verdriet haar gaf. Hare japon was nieuw--een keurig, blauw serge kleedje, direct uit de handen der naaister; hare laarzen waren glimmend gepoest, hare kousen zonder luchtgaatjes. Dit alles werkte er toe mede, om haar eene Judy te maken geheel verschillend van de slordige en drukke Judy van een paar dagen geleden, die gewoonlijk aan het ontbijt kwam, er uit ziende, alsof hare kleederen met eene hooivork op haar geworpen waren.
Baby wijdde zich ééne minuut aan hare gort, maar toen overstelpten haar hare aandoeningen, en, met een zwakken klaagtoon, liep zij om de tafel naar Judy, en hing zich snikkend aan haar arm. Dit verstoorde het evenwicht van het geheele gezelschap. Nell pakte den anderen arm en wiegde zich heen en weer in een aanval van troosteloosheid. Meg's tranen droppelden in haar kopje; Pip duwde zijn hiel in het vloerkleed, en begreep maar niet, wat zijne oogen scheelden; en zelfs begon Bunby minder smaak in zijn boterham te krijgen.
Judy zat zwijgend voor het bord, dat zij ongebruikt weggeschoven had, en dat zij met eene uitdrukking van diepe wanhoop op haar jong gezichtje aanstaarde. Zij zag er uit als eene miniatuur koningin uit eene tragedie, die op het punt is, naar de plaats der terechtstelling gebracht te worden.
Bunby liet zich van zijn stoel glijden, dekte zijn kop koffie met den schotel van wege de vliegen, en verliet met plechtigen stap de kamer. Een oogenblik later kwam hij terug met eene zuurflesch, waarin een groote, groene kikvorsch zat.
"Hem mag je houden voor jou alleen, Judy!" zeide hij, op bijna hartbrekend droevigen toon. "Je zult op school misschien nog wel eens om hem lachen."
Zelfopoffering kan niet verder gaan, want deze kikvorsch was de lieveling van Bunby's hart.
Dit prikkelde de anderen; ieder haalde een geschenk en legde het als souvenir op Judy's altaar. Meg bracht een armband, gemaakt van haar van een gestorven lievelingspony, Pip gaf zijn zakmes met drie messen, Nell een muskuspot dien zij een jaar lang begoten en verzorgd had, Baby eene pop met gebroken neus, de Benjamin van hare groote poppenfamilie.
"Doe alles in den koffer, Meg--bovenin is nog plaats, denk ik," zeide Judy met verstikte stem, diep getroffen door deze geschenken. "O, Bunby, beste jongen! doe een kurk op de flesch met den kikkert, hij zou eens verloren kunnen gaan, tusschen al die kleeren!"
"Ja wel," zeide Bunby. "Je zult goed op hem passen, nietwaar, Judy? O, lieve hemel! O! O!"
Toen kwam Esther de kamer binnen, nog altijd met een bekommerd gelaat.
"De dogcart is voor," zeide zij. "Ben je klaar, Judy, beste meid? Mijne lieve Judy, houd je nu dapper, vrouwtje!"
Maar Judy was bleek als eene doode, en scheen niet te begrijpen, wat er om haar gebeurde. Zij liet toe dat Esther haar den hoed opzette, haar in haar nieuw manteltje hielp en haar de handschoenen in de hand gaf. Zij liet zich door de geheele familie kussen, half de trap afdragen door Esther, weer door de meisjes zoenen, toen door de twee goedhartige dienstboden, die ondanks hare pekelzonden voor haar eene warme genegenheid koesterden.
Esther en Pip tilden haar in den dogcart, en zij zat ineen gedoken en scheef op de bank, en keek met oogen, die waarlijk tragisch waren in hunne groote wanhoop, naar de groep in de veranda. Haar vader kwam naar buiten, hij knoopte zijne overjas dicht, en zag haar blik.
"Wat is dat voor gekheid?" zeide hij driftig "Esther--groote Hemel! stel jij je ook al zoo dom aan?"--groote tranen schitterden in de mooie oogen zijner vrouw. "Waarachtig, men zou kunnen denken, dat ik het kind meeneem om opgehangen te worden, of haar naar een verbeteringsgesticht ging brengen."
Een luide, hikkende snik kwam over Judy's witte lippen.
"Als u mij thuis zou willen laten blijven, vader, zal ik u nooit meer boos maken; u kan me voor straf slaan, zoo hard u maar wil."
Het was hare laatste poging, hare laatste hoop, en zij beet op hare arme, trillende lip, tot deze bloedde, terwijl zij op antwoord wachtte.
"Laat haar hier blijven--o! toe, laat haar hier blijven! We zullen altijd zoet zijn!" klonk het in koor uit de veranda. En: "Laat haar hier blijven, John!" riep Esther, op een toon, even smeekend als die der kinderen.
Maar de kapitein sprong in den dogcart, en nam de teugels in eene uitbarsting van woede van Pat over.
"Ik geloof, dat jelui allemaal bezeten zijt!" schreeuwde hij. "Zij zal het daar ginds uitstekend hebben, ik heb drie maanden vooruit voor haar betaald, en dat verzeker ik jelui, ik gooi mijn geld niet voor niets weg!"
Hij gaf het paard een tikje met de zweep, en een minuut later was de dogcart aan gene zijde van het hek, en het kleine, ongelukkige gezichtje kon niet meer gezien worden.
HOOFDSTUK VI.
HOE SCHOON IS DE LEEFTIJD VAN ZESTIEN JAAR.
Meg had altijd mooi haar gehad, maar een paar maanden geleden had zij zich ponyhaar geknipt, en begon dit iederen avond in papillottenpapier te wringen. En in hare latafel stond een jampotje gevuld met havermeel, dat zij in haar waschwater gebruikte, want zij had gelezen, dat dit een uitstekend middel was om het teint te verfraaien. En iederen avond smeerde zij hare handen met vaseline in en sliep met oude glacé-handschoenen aan. En haar geld gaf zij uit aan een zeker water, dat de kleine bruine vlekjes zou wegwisschen, die de zon op haar gelaat getooverd had, en het, hoe dan ook, een zeker karakter gaven.
Al deze dingen waren het gevolg hiervan, dat Meg zestien was, en dat zij eene vriendin gevonden had, die zeventien jaren telde.
Aldith MacCarthy leerde Fransch bij denzelfden leeraar, naar wien Meg nu tweemaal in de week ging, en nadat chocolaadjes en haarlinten gegeven en aangenomen, en familieconfidenties gedaan en aangehoord waren, ontstond er eene innige vriendschap tusschen haar.
Aldith had drie volwassen zusters, die zij in alle opzichten naäapte, en bezat veel meer kennis van de wereld dan de eenvoudige, romantische Meg.
Zij leende Meg romans en novellen, evenals tijdschriften voor jonge dames, en het jonge meisje verdiepte er zich met groote belangstelling in, verbaasd over de nieuwe wereld, waarin zij werd binnengeleid; want Charlotte Yonge en Louise Alcott en Miss Wetherell waren tot nu toe uitsluitend hare lectuur geweest.
Meg begon rooskleurige droomen te droomen van den tijd, waarin haar mooi, glanzend haar "in eene eenvoudige wrong" zou worden opgestoken of boven haar voorhoofd zou worden gelegd als "eene kroon, even schoon als die eener koningin," want dit waren de twee manieren, waarop de heldinnen in de novellen het haar kapten. Een gevlochten varkensstaartje was al zeer weinig romantisch. Dit was de reden waarom zij, als eene soort van voorbereidende maatregel, ponyhaar geknipt had, en het einde van hare vlecht begon te krullen. Haar vader staarde haar aan, en zeide, dat zij er uit zag als een winkelmeisje, toen hij deze veranderingen voor het eerst opmerkte, en Esther vertelde haar, dat zij een dom schepsel was, maar de spiegel en Aldith stelden haar weer gerust.
De zorg, die nu aan de beurt kwam, was die van steelsgewijze hare japonnen langer te maken, welke in de periode waren van nog niet lang en niet meer kort te zijn. In de eenzaamheid van hare slaapkamer nam zij twee of drie van hare rokken van den band, voorzag ze aan den bovenkant van eene reep voering om ze te verlengen, en naaide eene strook onder om hare lijfjes, ten einde de voering te bedekken. Hierdoor werden hare rokken een goeden twee duim langer, wat haar een lang, slank figuurtje gaf, zooals zij zelve zeer goed wist.
In geen van deze dingen stak eigenlijk kwaad.
Maar Aldith begon hare taille langzamerhand geheel onmogelijk te vinden.
"Je hebt minstens drie-en-twintig, Marguerite," zeide zij eens, vol ongehuichelden schrik.
Zij noemde hare vriendin nooit Meg, want deze naam was "te familiaar en volstrekt niet welluidend."
Meg keek van hare eigen taille naar het dunne, elegante middeltje van hare vriendin, en zuchtte diep.
"Wat moest ik eigenlijk hebben?" zeide zij neerslachtig; en Aldith had geantwoord, "achttien--of negentien hoogstens, Marguerite! Ware symmetrische bevalligheid kan nooit bereikt worden met een middel van drie-en-twintig duim in omtrek."
Aldith had niet alleen feiten opgemerkt en vergelijkingen gemaakt, zij had hare vriendin ook praktischen raad gegeven, en had haar getoond, hoe zij handelen moest. En iederen avond en iederen morgen trok Meg haar corsetveter steviger aan, en perste haar fijn, teeder lichaam in eene steeds engere ruimte. Zij had reeds een omtrek van een-en-twintig duim bereikt, hetgeen zuiver twee duim winst beteekende, en zij had al hare japonnen ingenomen.
Maar zij speelde 's avonds niet meer mede cricket, en wilde aan geen enkel spel meedoen, waarbij hard loopen te pas kwam, zeer tot misnoegen der anderen. Niemand, die het zachte gezichtje, liefelijk als een bloesem, zag, en de vriendelijke, kalme oogen, zou gegist hebben welk eene marteling er verdragen werd onder het nu sierlijke, goed zittende japonlijfje. Vlug wandelen was eene ware kwelling; bukken, bijna folterpijn; maar zij verdroeg dit alles met een heldenmoed, eene waarlijk edele zaak waardig.
"Hoe lang zal ik daar nu nog mede moeten voortgaan, Aldith?" vraagde zij eens met zwakke stem, na eene Fransche les gedurende welke zij zich bijna niet had kunnen goed houden. En het andere meisje antwoordde onverschillig: "O, je moet nu natuurlijk niet ophouden, je zult eens zien, over een poosje voel je er niets meer van."
Na deze verzekering zette Meg hare pijn veroorzakende pogingen voort.
Esther, de eenige, die in deze zaak eenigen invloed had kunnen hebben, had niets gemerkt, en, had zij dit wel gedaan, dan zou zij er zich nog niet ernstig over bekommerd gemaakt hebben, want het was eerst vier jaar geleden sedert ook zij zestien geweest was, en een "dun middeltje" voor haar het begeerlijkste van de geheele wereld geweest was.
Eens had zij zonder bijgedachte gezegd:
"Wat krijg je een goed figuurtje, Meg! De nieuwe naaister maakt zeker beter dan Miss Quinn!" en de dwaze Meg, het hart kloppend van vreugde, had zich voorgenomen, hare pogingen te verdubbelen.
De lynx-oogige Judy zou alles zeker spoedig ontdekt hebben, en zou haar lachend beschaamd hebben, maar ongelukkig voor Meg's gezondheid was zij op school,--er waren reeds bijna drie maanden sedert haar vertrek verloopen.
Aldith woonde ongeveer twintig minuten wandelen van Misrule, en dus waren de twee meisjes veel samen. Tweemaal in de week gingen zij per stoomboot naar de stad om in beleefd Fransch te leeren vragen: "Heeft de jonge dochter van den bakker den gelen hoed, de bruine handschoenen, en de parasol van de nicht van den aannemer?"
En tweemaal in de week, nadat zij zonder den minsten samenhang geantwoord hadden: "Neen, maar de chirurgijn had bier, mosterd, en de tafelgong," vertoonden zich Aldith en hare vriendin op de wandelplaats, waar de Sydneysche jeugd en beau-monde gewoonlijk wandelde,--het "Block."
"Nu zullen wij eens gaan zien, hoeveel hoeden ik kan laten afnemen!" zeide Miss Aldith, wanneer zij zich op weg begaven, en bij het einde van den tocht zuchtte Meg: "Hoe heerlijk moet het zijn, zooveel heeren te kennen als jij!"
Somtijds gebeurde het, dat een of twee jonge lieden bleven staan, en de meisjes aanspraken, en dan stelde Aldith hen plechtig aan Meg voor, dikwijls evenwel meende deze, die, niettegenstaande al hare dwaasheid, scherp genoeg opmerkte, iets beschermends, min of meer spotachtigs in de manieren der heeren waar te nemen. En werkelijk was dit dikwijls zoo; het waren hoofdzakelijke heeren, die Aldith tehuis op een danspartijtje of bij het tennisspel had leeren kennen, en die deze jonge dame een vroeg rijp kind vonden, voor wie het hoogst gewenscht was, dat zij nog eenige jaren van de school zou profiteeren.
Eens op een dag kwam Aldith op Misrule--houding, gebaren, stem, alles sprak van eene hooge, geheimzinnige gewichtigheid. "Kom mede naar den tuin, Marguerite!" zeide zij, zonder de minste notitie van Baby te nemen, die, met groote moeite, hare oudste zuster had overgehaald, haar het altijd even boeiende verhaal van de drie kleine varkentjes te vertellen.
"O, neen, bij het haar van mijn baard aan mijn kin, ik zal proesten en blazen tot je huisje valt in," was nog maar tweemaal gezegd geworden, en het spannendste gedeelte moest nog komen.
Baby keek op met verontwaardigde oogen.
"Ga weg, Aldiff!" zeide zij.
"Miss MacCarthy, Baby!" verbeterde Meg vriendelijk, Aldith's half verachtelijken glimlach opmerkende.
"Aldiff!" herhaalde Baby koppig. Toen scheen zij berouw te hebben, en sloeg een kleinen arm liefkoozend om haar zusters hals.
"Ik zal aan Miff MacCarfy zeggen, dat je eerst verder moet vertellen."
"O, zend haar weg, Marguerite!" zeide Aldith ongeduldig. "Ik heb je een zeer belangrijk geheim mee te deelen, en ik heb buitendien haast."
Meg was dadelijk een en al belangstelling.
"Ga nu heen, Baby!" zeide zij, en kuste het teleurgestelde gezichtje; "ga met Bunby met de ark spelen, ik zal het vertelseltje van avond of morgen uit vertellen."
"Maar ik wil nu het eind hooren!" zeide Baby volhoudend.
Meg schoof haar vriendelijk op zijde. "Neen, ga nu heen, klein zusje--ga nu heen als eene beste meid, en ik zal je morgen ook nog van Roodkapje vertellen."
Baby keek naar de bezoekster harer zuster.
"Je bent een akelig spook, Aldiff MacCarfy," zeide zij langzaam en met nadruk, "en ik heb een hekel aan je, en wij allen hebben een hekel aan je, behalve Meg, en Pip zegt, dat je het naarste wicht ben, dat bestaat, en ik wou, dat er een groote reus kwam, die blazen zou en proesten, tot je midden in de zee lag."
Aldith lachte, een klein tartend, wijs lachje, dat de maat van Baby's woede deed overloopen. Zij strekte hare kleine hand uit en gaf den arm der jonge dame in zijn mousselinen mouw een fijn welbestudeerd kneepje, dat Pip haar geleerd had. Toen holde zij als eene dwaze de groene grasvelden over naar het boschje, dat zich aan gene zijde bevond.
"Onuitstaanbaar!" pruttelde Aldith boos, en Meg moest zich uitputten in verontschuldigingen en vriendelijke woordjes, om haar weer in een goed humeur te brengen, en haar over te halen, het zeer belangrijke geheim te vertellen. Ten laatste, evenwel, werd het haar geopenbaard, en wel met indrukwekkende plechtigheid. Aldith's oudste zuster was verloofd! O, was dat niet hemelsch? was het niet romantisch?--en met den mijnheer met den blonden snor, die in den laatsten tijd zoo dikwijls bij hen aan huis was geweest.
"Ik wist, dat het zoo zou gaan--ik heb het al lang zien aankomen. O, men kan niet gemakkelijk iets voor mij verbergen!" zeide Aldith. "Ik herken ware liefde dadelijk. Maar voor mijzelve zou ik zeker de voorkeur geven aan een donkeren snor, jij ook niet, Marguerite?"
"Ja-a!" zeide Meg. Hare meening in dit opzicht was nog nauwelijks gevestigd.
"Gitzwart, met zeer stijfstaande uiteinden," vervolgde Aldith peinzend, "en eene militaire houding en heel lange, zwarte wimpers."
"Dat zou ook mijn smaak zijn," zeide Meg, opeens vol vuur. "Zooals Guy Deloraine in "Angelina's eerzuchtige Droomen.""
Aldith sloeg haar arm inniger om hare vriendin.
"Zou het niet hemelsch zijn, Marguerite, als jij en ik--eens geëngageerd waren?" zeide zij, als in droomerige verrukking. "Denk eens aan, hoe zalig het zijn moet als een donkere knappe man met trotsche, zwarte oogen, smoorlijk verliefd op je is, je op de handen draagt, je cadeaux geeft en met je uitgaat--o, Marguerite, wat moet dat goddelijk zijn!"
Meg keek peinzend voor zich uit. "Daar zijn wij, geloof ik, toch nog niet oud genoeg voor!" zeide zij met een zucht.
Aldith wierp haar hoofd achterover. "Dat is onzin; Clara Allison is niet ouder dan zeventien, en denk aan eens je eigen stiefmoeder. Eene menigte meisjes zijn al getrouwd als zij zestien zijn, Marguerite! en mijne zuster Beatrice werd ten huwelijk gevraagd, toen zij nog maar vijftien was."
Deze woorden schenen indruk op Meg te maken. Zij keek stil voor zich uit.
Toen stond Aldith op om heen te gaan. "Denk er aan, dat je morgen op tijd aan de boot bent," zeide zij, terwijl zij naar het hek wandelden; "en, Marguerite, kleed je nu eens heel netjes aan--trek je koornbloemen-blauwe japon aan,--en zie eens of Mrs. Woolcot je niet een paar handschoenen zou willen leenen, je grijze paar ziet er niet meer zeer frisch uit, vind je zelf ook wel?"
"Neen, neen zeker niet!" zeide Meg blozend.
"En Mr. James Graham komt altijd terug met onze boot, en de twee Courtney's ook--Andrew Courtney zeide aan Beatrice, dat hij je een heel aardig persoontje vond; hij merkt je dikwijls op, zegt hij, omdat je altijd zoo bloost."
"Ik kan daar toch heusch niets aan doen!" zeide Meg op ongelukkigen toon. "Aldith, hoe moet het lint op mijn hoed genaaid worden? Ik wilde het er opnieuw opzetten."
"O, vierkante lussen, min of meer stijf, en goed op zijde!" zeide het orakel. "Ik ben blij, dat je den hoed onder handen neemt, beste! hij zag er heusch erg slordig en verlept uit."
Meg bloosde weer.
"Ben je al klaar met je Fransch?" zeide zij, en opende het hek.
"Ik zal het er maar voor houden!" zeide Aldith onverschillig. Toen hief zij haar kin omhoog.
"Die zedige meisjes Smith schijnen er altijd eene eer in te stellen, om geen fouten te maken; en Janet Green, wier hoeden altijd vier modes ten achteren zijn, ook; ik vergis mij liever eens een paar maal, als was het alleen maar om te laten zien, dat ik niet hard behoef te leeren, en later onderwijzeres worden."
Maar juist in dit oogenblik struikelde zij, en viel in hare volle lengte op zeer onbevallige wijze neer, dwars over het modderige pad.
Een stuk touw en Baby's wraak waren hier de oorzaak van.
HOOFDSTUK VII.
"WAT ZEGT GE VAN EEN VERLIEFD HART?"