Part 3
"Jelui gluiperts!" snikte hij, toen de anderen van alle kanten waren komen aanloopen, verschrikt door zijne luidruchtige klachten, "jelui gemeene kinderen!--Ik heb--geen kip--gehad! En ik heb--al de slaag--gekregen! Jelui gluiperts--o--o! a--a!o--o! Ik bloed overal, dat weet ik zeker!"
Zij konden er niets aan doen, dat zij even moesten lachen; Bunby was altijd zoo onuitsprekelijk komiek als hij zich maar even bezeerd had; maar toch zochten zij hem zoo goed mogelijk te bedaren, en beproefden te weten te komen, wat er gebeurd was.
Esther kwam thans de kamer binnen, zij zag er zeer ontstemd uit.
"Nu?" zeiden zij als uit één mond.
"Jelui zijt de lastigste kinderen, die ik ooit gezien heb!" zeide zij boos.
"Maar de pantomime--gauw, Esther--heb je het hem gevraagd?" riepen zij ongeduldig.
"De pantomime! Hij zegt, dat hij nog liever hemel en aarde zou willen bewegen om de voorstelling te verhinderen, dan dat een van jelui er ook maar iets van te zien zou krijgen--en jelui hebt dat dubbel en dwars verdiend! Meg, wat ik je bidden mag--doe Baby droge kleeren aan, kijk eens naar haar; en, Judy, als je nog het minste voor mij voelt, doe dan die japon uit. Bunby, stoute jongen, ik zal je vader roepen, als je niet ophoudt met zulk een leven te maken. Nell, neem den Generaal die schaar af, hij zal zich de oogen nog uitsteken."
De jonge stiefmoeder leunde achterover in haar stoel, en keek met een tragischen blik om zich heen. Zij had haar echtgenoot nog nooit zoo hevig vertoornd gezien, en haar mooie mond trilde, toen zij er aan dacht, hoe hij haar voor alles scheen aansprakelijk te stellen.
Meg was niet van hare plaats opgestaan; het water droop langzaam uit Baby's kleederen en maakte een plas op den grond, Bunby stootte nog steeds een krampachtig gesnik uit, Judy was aan het fluiten, en de Generaal, nu beroofd van de schaar, begon zijn eigen vuil schoentje af te likken met zijne lieve, kleine, roode tong.
Een snik wrong haar de keel dicht, twee tranen welden er in hare oogen, en liepen haar langs de zachte, liefelijke wangen.
"Jelui zijt met je zevenen, en ik ben nog maar twintig!" zeide zij jammerend, "O! het is te erg--werkelijk, het is te erg!"
HOOFDSTUK IV.
DE GENERAAL IN DE KAZERNE.
Het was een dag na "de gebeurtenissen van het vorige hoofdstuk" zooals in vertelselboeken zou te lezen zijn. En Judy zat, met eene toornige uitdrukking van spijt in hare oogen, op de tafel der kinderkamer, hare knieën tot haar kin opgetrokken, en hare magere bruine handen om hare beenen gevouwen.
"Het is eene schandelijke behandeling," zeide zij, "eene onvergevelijke, schandelijke behandeling! Waarvoor zijn vaders eigenlijk op de wereld, dat zou ik wel eens willen weten!"
"O Judy!" zeide Meg, die, verdiept in haar boek, in een stoel gedoken zat. Maar zij zeide het werktuigelijk, en alleen omdat dit--zij was immers drie jaren ouder dan Judy--haar plicht was.
"Denk eens aan de heerlijke dagen, die wij zouden kunnen hebben, als hij er niet was!" ging Judy voort, met kalme onverschilligheid. "Minstens drie keer op een dag zouden we kip eten, en zeven avonden van de week naar de pantomime gaan."
Nell maakte de opmerking, dat het geene gewoonte was op den eersten dag der week eene voorstelling bij te wonen, maar Judy liet zich niet uit het veld slaan.
"Ik zou dan eene soort van kerkelijke pantomime willen hebben," zeide zij peinzend,--"mooie afbeeldingen en van allerlei, dat betrekking heeft op het Heilige Land, en eene liefelijke muziek, en mooie kinderen in het wit, die lofliederen zingen, en schitterende kleuren overal, en geen collecteschalen waar je je laatste geld op moet leggen--o! en geen preeken of litaniën natuurlijk!"
"O Judy!" murmelde Meg, een blad omslaande. Judy opende hare handen en sloot ze weer, nog vaster dan te voren. "Zes billetten weggegooid--dertig kostbare shillings--en dat alleen omdat wij een vader hebben!"
"Hij heeft ze naar de familie Digby-Smith gezonden," vertelde Bunby ongevraagd, "en op de enveloppe had hij geschreven: "Met beleefde groeten.--J. C. Woolcot.""
Judy steunde. "Ik zie de zes afschuwelijke kleine Digby-Smith's al in de komedie zitten, en met hunne zes afschuwelijke oogjes naar onze pret kijken!" zeide zij bitter.
Bunby, die veel mathematisch gevoel had, verklaarde gaarne te willen weten, waarom zij er niet door hun twaalf afschuwelijke kleine oogjes naar zouden gekeken hebben, en Judy lachte en sprong van de tafel, nadat zij den misdadigen wensch had uitgesproken, dat de kleine Digby-Smith's allen over de leuning van de loge zouden mogen duikelen, eer het gordijn opging. Meg deed haar boek dicht met een haastigen slag.
"Is Pip al weg? Vader zal vreeselijk boos zijn. O hemel wat heb ik toch een garnalen-geheugen!" zeide zij. "Waar is Esther? heeft iemand Esther gezien?"
"Maar lieve Meg!" zeide Judy. "Het is minstens twee uur geleden, dat Esther uitgereden is, je stond er zelf bij! Zij is naar Waverly--zij is nog naar je toe gekomen, en heeft je gezegd, dat zij er op rekende, dat jij voor de jas zou zorgen, en je zeide: "Mevrouw, u zal tevreden zijn!""
Meg, die zich nu alles herinnerde, keek met een verschrikten blik rond. "Moest ik de jas schoonmaken?" vraagde zij angstig, terwijl zij haar mooi, zwart haar uit haar voorhoofd streek. "O, kinderen! wat moest ik ook weer doen?"
"De jas schoonmaken met benzine, haar strijken terwijl zij nog vochtig was, haar in eene koele plaats ophangen om haar warm te houden, en haar bakken tot ze bruin wordt," zeide Judy vlug. "Dat heb je toch zeker gehoord, Margaret? Esther heeft zooveel moeite gehad om je alles uit te leggen."
"Wat zal ik beginnen?" zeide zij, en werkelijk sprongen er tranen in haar oogen. "Wat zal vader zeggen? O, Judy, je hadt mij wel eens kunnen helpen herinneren."
Nell sloeg haar arm om haar zusters hals. "Zij plaagt je maar wat, Megsie; Esther heeft alles al gedaan en heeft de jas in de vestibule klaar gelegd--je hebt haar alleen maar aan Pip te geven. Pat moet van middag met den dogcart naar de stad gaan om de kussens van de achterbank te laten repareeren, en Pip gaat mee, dat is alles, en er wordt nu ingespannen; je bent niet te laat."
Het was de jas, die Bunby naar zijn beste weten bedorven had, die al deze drukte veroorzaakte. Zij behoorde, als ik reeds zeide, tot het gala-uniform van den kapitein, en hij moest haar dien zelfden avond op een diner in de kazerne dragen. Esther was den geheelen morgen bezig geweest, haar af te sponsen en schoon te maken en had toen zij wegging, gezegd, dat het kleedingstuk in den middag naar de kazerne moest gebracht worden.
De dogcart kwam op dit oogenblik met een breeden boog naar de voordeur gereden, Pip mende, en Pat keek uit de hoogte op hem toe. Zij namen het pak dat de jas bevatte, aan, legden het zorgvuldig onder de bank, en waren op het punt weer te vertrekken, toen Judy zich op de veranda vertoonde, den Generaal onhandig in hare armen houdend.
"Jij gaat ook mee, Fizz, er is nog een bergplaats, er is geen eene reden waarom je niet zoudt meegaan," zeide Pip op eens.
"O!" riep Judy, en hare oogen begonnen te schitteren. Zij deed haastig een stap vooruit en lichtte één voet op, om in te stappen.
"O, wacht eens even!" protesteerde Pip, "je zult iets over die japon moeten aantrekken, meisje!--zij is vol jam en vlekken!"
Judy vloog de vestibule in, en kwam terug met haar regenmantel; zij zette den Generaal één oogenblik op den grond, terwijl zij den mantel aantrok, tilde haar broertje toen weer op, en gaf hem Pip aan.
"Hij zal ook mee moeten," zeide zij, "ik heb Esther beloofd, dat ik hem geen seconde uit het oog zou verliezen; in den laatsten tijd begint zij erg bezorgd voor hem te worden--ik geloof, dat zij denkt, dat hij nog eens zal breken."
Pip bromde een paar minuten, maar de Generaal stootte een onweerstaanbaar, verrukt lachje uit, en hield zijne armpjes omhoog, dus nam hij hem aan en hield hem vast, terwijl Judy in het rijtuigje klom.
"Wij kunnen met den tram naar de Kade teruggaan, en dan met een boot naar huis komen," zeide zij, terwijl zij het kindje tusschen zich en haar broer op de bank drukte. "De Generaal vindt het wat heerlijk op het water!"
En zij reden weg, de verwaarloosde oprijlaan uit, het hek door, en toen den weg op, Pip, Judy met de glinsterende oogen, de Generaal, die zijn duim zat te verslinden, en, Pat, weer glimlachend, omdat hij de teugels weer in handen had.
Een frissche wind kwam van de rivier door den gordel van gomboomen waaien, die hare oevers omgaf, en deed het jonge, roode bloed snel door hunne aderen stroomen; hij stoeide met Judy's krullen, en gaf eene warme roode tint aan hare bruine wangen; hij maakte den Generaal onrustig en weerspannig, zoodat hij kraaide en om zich heen sloeg, en bracht Pip er toe, zijn hoed achter op zijn hoofd te zetten en vroolijk een liedje te fluiten.
Dit duurde zoo voort, tot zij de stad bijna bereikt hadden en genoodzaakt waren zich naar de eischen der welvoegelijkheid te schikken.
Zij ontmoetten een ruiter, die toen hij hun zag, zijn paard stapvoets liet loopen. Pip nam zijn hoed af met een sierlijken zwaai, en Judy glimlachte vriendelijk en blijkbaar aangenaam verrast, want de ruiter was een oude kolonel, dien zij reeds jaren kenden, en wiens opgeruimdheid en vrijgevigheid zij met reden dankbaar konden herdenken.
"Wel, mijn kleine meid,--wel, Pip, mijn jongen!" zeide hij, goedhartig glimlachend, terwijl zijn paard om den dogcart danste,--"en de Generaal ook al? Waar gaan jelui heen?"
"Naar de kazerne, ik heb een pak bij me voor den ouden heer!" antwoordde Pip. Judy sloeg het trappelende paard met bewonderende oogen gade. "En dan gaan we weer naar huis."
Het gelukte den kolonel, niettegenstaande de onrustige bewegingen van het paard, zijne hand in zijn zak te steken. "Hier hebben jelui iets waarmede je je zelf ziek kunt maken onder weg," zeide hij, en gaf hun twee halve kronen, "maar zend me niet de doktersrekening!"
Hij streelde de wang van den Generaal met zijn rijzweep, knikte Judy toe, en hield zijn onrustig paard niet langer tegen.
De kinderen keken elkander met schitterende oogen aan.
"Kokosnoten," zeide Pip, "en taartjes en koffie, en de rest bewaren we voor een voetbal?" Judy schudde het hoofd.
"Wat zou ik daaraan hebben?" zeide hij. "Je zoudt den voetbal op school bewaren. Ik stem voor jujubes, en roomijs, en een wassen pop."
"Een wassen grootmoeder!" riep Pip verontwaardigd. "Zoo gek zal je toch niet zijn!" Toen voegde hij er bijna met eerbiedige bewondering bij: "Wat een geluk dat je altijd poppen verfoeid hebt, Fizz!"
Judy sprong plotseling op hare plaats omhoog, zoodat de Generaal bijna omvergeworpen werd, en de koetsier een stroom van verwijten over haar uitstortte. "Ik weet al iets!" riep zij, "en we zijn al bijna halverwege: o! dat zal heerlijk zijn!"
Pip verzocht haar, duidelijk hare plannen mee te deelen.
"Laten we gaan naar het Bondi-Aquarium,--daar kunnen we op rolletjesschaatsen rijden, varen, in den draaimolen zitten, ook in de Montagne russe, alles even goedkoop!" antwoordde zij vlug en beknopt.
"Goede hemel!" Pip floot zacht, terwijl hij het voorstel overwoog. "Er kon dan zelfs nog wat overschieten voor den voetbal." Toen betrok zijn gezicht.
"Maar we hebben het kleine kind bij ons--Waarom heb je hem mee gebracht? Dat is nu weer echt meisjesachtig, om alles te bederven!"
Judy keek verlegen voor zich. "Ik had hem heelemaal vergeten!" zeide zij boos. "Kunnen wij hem niet ergens heenbrengen? Kunnen wij niet aan iemand vragen, om op hem te passen, terwijl wij naar het Aquarium gaan? Het zou vreeselijk vervelend zijn, als wij ons plan moesten opgeven om hem. En het begint ook al te regenen, we zouden hem niet mee kunnen nemen."
Zij waren nu aan den voet van den heuvel gekomen, waarop de kazerne staat, en Pat zeide hun, dat zij uit moesten stappen en het overige van den weg te voet afleggen, want anders zou de dogcart onmogelijk vóór den avond weer in orde kunnen zijn.
Pip sprong op den grond en nam den Generaal, als een bundeltje uit den wagen, en Judy volgde hem voorzichtig, het kostbare pakket dat de jas bevatte, in hare armen. En zij wandelden stilzwijgend den heuvel van asphalt op naar het hek, dat toegang gaf tot de officierswoningen.
"Nu?" zeide Pip op klagenden toon, toen zij den top bereikten. "Gauw wat, heb je niets bedacht?"
Wanneer zijne zuster, evenals nu, hare wenkbrauwen optrok, en hare lippen vast toekneep, kon hij er zeker van zijn, dat zij eene ingewikkelde moeielijkheid trachtte op te lossen.
"Ja," zeide Judy eindelijk kalm. "Ik heb een plan, dat wel lukken zal, denk ik." En toen vervolgde zij met plotselinge opgewondenheid:
"Wie is de vader van den Generaal? dat zou ik wel eens willen weten! Is het niet gepast en behoorlijk, dat vaders naar hunne zoons omzien? En verdient hij niet, dat wij hem kwaad met kwaad vergelden, nu hij de kaarten van de pantomime heeft weg gegeven? En is het Aquarium niet veel te verrukkelijk om er niet heen gaan?"
"Nu?" zeide Pip, zijn trager verstand kon zulk eene vlugge redeneering niet volgen.
"Ik ben alleen maar van plan den Generaal een paar uren in de kazerne achter te laten, tot wij terug komen, want volgens mij is zijn vader de aangewezen persoon om op hem te passen." Judy nam vastberaden het kleine dikke handje van den Generaal, en opende het hek.
"Nu," sprak Pip, "ik geloof, dat we bezig zijn, er ons leelijk in te werken. Laten wij dat maar liever niet doen!"
"Wel waarom niet?" antwoordde Judy uitdagend. "Het zal nog wel niet zoo slecht afloopen, en, in ieder geval, wij moeten iets voor het Aquarium overhebben. Kijk eens hoe het regent; het kind zou de kroep of rheumatiek kunnen krijgen, als wij hem mee namen! Daar staat vader te praten met een man dicht bij het tennisveld; ik zal stilletjes langs de veranda loopen, en naar zijne eigen kamer gaan, en de jas en den Generaal op zijn bed leggen; dan zal ik tegen een soldaat zeggen, dat hij vader moet gaan vertellen, dat zijne pakketten gekomen zijn, en terwijl dat gebeurt, vlieg ik hierheen terug, en nemen wij den tram, om naar het Aquarium te komen."
Pip floot wederom zachtjes. Hij was gewend aan overmoedige voorstellen van deze zuster van hem, maar dit overtrof alle vroegere. "Maar," zeide hij, niet recht op zijn gemak, "maar Judy, wat zal hij uitvoeren twee uren lang met ons kleine ventje?"
"Dat is zijn zaak," antwoordde Judy gevat. "Het zou wat moois zijn, als een vader zijn eigen kind niet twee uren lang zou kunnen bezighouden. Naderhand, als we in het Aquarium geweest zijn, komen we terug om hem te halen, en dan kunnen we vader zeggen, dat het zoo regende, en dat we het beter vonden hem niet mede te nemen uit angst voor rheumatiek, en dat we zulk eene haast hadden om den tram nog te krijgen, en dat wij omdat hij niet in zijne kamer was, den Generaal maar zoolang op zijn bed hadden gezet. Nu, Pip, dat is toch alles heel eenvoudig!"
Pip keek nog altijd niet heel opgewekt. "Ik vind, dat wij het liever niet moeten doen, Fizz!" zeide hij nog eens; "hij zal woedend zijn!"
Judy keek hem vol ongeduld aan. "Ga eens kijken of de tram al komt," zeide zij; en, verheugd een oogenblik uitstel te winnen, liep hij het pad af, en keek in de richting, vanwaar de tram moest komen. Toen hij zich omdraaide was zij verdwenen.
Hij stopte zijne handen in zijne zakken en wandelde verscheiden malen het pad op en neer, "Fizz zal ons nog eens allemaal doen ophangen!" gromde hij, en keek donker naar de deur in den muur door welke zij verdwenen was.
Hij schoof zijn hoed naar achteren en beschouwde zijne laarzen, er over peinzende, welke de gevolgen van dit nieuwe misdrijf zouden zijn. Opeens hoorde hij een lichten voetstap naast zich.
"Ga nu mee!" zeide Judy, en trok hem bij de mouw. "Alles is in orde, ga nu mee en laten we pret maken; heb je het geld goed bij je gestoken?"
Het was één uur, toen zij het hek uit gingen en van den heuvel naar de halte van den tram keken.
En het was half vijf toen zij uit een naar de stad rijdenden tram sprongen en het hek weer binnen gingen, om het hun toevertrouwde te halen.
Welk een heerlijken middag hadden zij gehad! Eenmaal in het Aquarium, had zelfs Pip zijn geweten tot zwijgen gebracht, en was er uitsluitend op bedacht geweest, zooveel mogelijk plezier te hebben. En Judy gedroeg zich als een klein dol wezen. Een shilling van haar geld gaf ze aan de Montagne russe, de vlugge, bedwelmende beweging vond zij "hemelsch." De eerste rit maakte Pip duizelig en draaierig, zoodat hij een tweeden zorgvuldig vermeed, en naar Judy bleef kijken, die telkens weer opnieuw vertrok, en hem uit het ranke kleine wagentje vroolijk toe wuifde terwijl hij duizend angsten voor haar uitstond. Daarop huurden zij ieder een paar rolletjesschaatsen, en vielen zich bont en blauw op het asphalt. Toen gingen zij in de draaimolen zitten, maar Judy vond dit een laf vermaak na de Montagne russe, en weigerde er verder geld voor uit geven; zij vergenoegde zich met naar Pip te kijken, die rond vloog, en beproefde hem telkens zoo lang mogelijk hard loopend bij te houden. Zij eindigden den middag met een eene langdurige inspectie van de visschen, deden zich te goed aan geleitaartjes van twijfelachtige verschheid, en kochten voor twee stuivers aardnoten. En, zooals ik reeds zeide, was het half vijf toen zij het pad opsnelden naar het bovenste hek der kazerne.
"Ik hoop maar, dat hij zoet geweest is!" zeide Judy, terwijl zij den knop omdraaide. "Neen, Pip jij gaat ook mede,"--want dit jonge mensch scheen zich te willen terugtrekken. "Als je twintig schoppen of slagen over twee verdeelt krijgt elk maar tien!"
Zij liepen langs de steenen veranda en bleven bij eene deur stil staan.
Eene kleine groep jonge officieren stond daar dicht bij te praten en te lachen.
"Op mijn woord, het was even amusant als eene comedie, om te zien hoe Wooly zijn jongsten spruit stevig vast hield, hem in een rijtuig stopte, er zelf ook in ging en dit alles met een innig verontwaardigd gezicht."
Een andere blies den rook van zijne sigaar in de lucht. "Het was een grappige kleine baas," zeide hij. "Hij balde zijne vuistjes en duwde er een in het oog van zijn WelEdelgestrengen; en toen schopte hij zijn schoentje uit, en wij haastten ons allen om het op te rapen, en het was vuil en versleten, en de oude Wooly werd langzaam geheel rood tot achter zijne ooren, toen hij beproefde, het zijnen zoon aan te trekken."
Eene kleine gestalte stapte opeens naar het midden der groep,--eene kleine gestalte met een onmogelijk korten en kalen ulster, dunne, met zwarte kousen bekleede beenen, en een grooten hoed, die een overvloed van krullen overschaduwde.
"U spreekt over mijn vader," zeide zij, het hoofd in den nek, zeer uit de hoogte, "ik begrijp niet, waarom u zich vroolijk maakt. Is mijn vader hier, of hoorde ik u zeggen, dat hij is heengegaan?"
Twee der heeren keken min of meer verlegen, de derde groette beleefd.
"Het spijt mij, dat u ons gesprek gehoord heeft, Miss Woolcot!" zeide hij op wellevenden toon. "Maar, er is geen onherstelbaar kwaad verricht, nietwaar? Ja, uw vader is in een rijtuig vertrokken. Hij kon niet begrijpen, hoe de kleine jongen op zijn bed kwam, en, daar hij hem hier niet goed kon houden, veronderstel ik, dat hij hem naar huis gebracht heeft."
Iets als eene uitdrukking van berouw kwam in Judy's heldere oogen.
"Ik vrees mijn vader in ongelegenheid gebracht te hebben!" zeide zij kalm. "Ik heb mijn broertje hier gebracht, omdat ik niet wist, waar ik hem een paar uur lang zou laten. Maar ik had er op gerekend, hem zelf naar huis te brengen. Is mijn vader al lang weg?"
"Ongeveer een half uur," zeide de officier, die zijn best deed niet te glimlachen over de ouderwetsche manieren van het kleine meisje.
"O, dank u wel. Wij zullen hem misschien nog kunnen opvangen. Kom, Pip!" en, ernstig en uit de hoogte groetend, draaide zij zich om, en liep met haar broeder weer langs de veranda en door het hek naar buiten.
"Daar hebben we ons ook mooi ingewerkt!" zeide hij. Judy knikte.
"Het is zoo ongeveer het allerergste, wat wij ooit in ons leven uitgevoerd hebben. Stel je vader voor in een rijtuig met dat kleine kind! O goede hemel!"
Judy knikte nogmaals.
"Kan je niet spreken?" zeide hij ongeduldig. "Jij hebt ons dit alles op den hals gehaald--ik vond het niet goed, dat we het deden; maar natuurlijk, ik zal je niet verlaten. Alleen moet je nu zoo gauw mogelijk een uitweg bedenken."
Judy beet op drie vingertoppen van haar rechter handschoen, en keek treurig voor zich uit.
"We kunnen niets beginnen, Pip!" zeide zij langzaam. "Ik had niet gedacht, dat het zoo zou eindigen. Ik geloof, dat het 't beste is, als we maar dadelijk naar huis gaan en ons overleveren om gestraft te worden. Hij zal te woedend zijn, om naar eene verontschuldiging te luisteren, en dus moeten we ons maar goed houden, en afwachten, wat hij doen zal. Het spijt mij vreeselijk, dat ik oorzaak ben, dat de officieren om hem hebben kunnen lachen."
Pip kon zich niet langer goedhouden. Hij noemde haar een ezel en een stommeling en een idioot, omdat zij dit gedaan had, en zij zeide in het geheel niets terug.
Zij namen den tram, en begaven zich naar Sydney, en daarop naar de boot. Zij kropen in een hoekje, dat zoo ver mogelijk van de kajuit verwijderd was, en praatten met grooten ernst over den stand der zaken. Na eene poos stond Pip op en liep wat rond om tot andere gedachten te komen, tot hij opeens terug kwam met een doodsbleek, strak gelaat.
"Hij is op de boot!" fluisterde hij doodelijk ontsteld.
"Waar--waar--waar? wat--wat--wat?" riep Judy.
"In de kajuit, hij kijkt zoo nijdig als een spin, en houdt den armen kleinen Generaal zoo stevig vast, alsof hij bang was, dat hij weg zal vliegen."
Judy keek verschrikt rond.
"Kunnen we ons niet verstoppen? Als hij ons maar niet te zien krijgt! Het zou nu toch niets geven, of we hem vraagden, den Generaal aan ons te geven. We zijn ingerekend, Pip--hij geeft geen kwartier."
Pip bromde iets; Judy stond op.
"Laten we naar de machine kruipen," zeide zij, "en eens kijken of hij er erg boos uitziet."
Zij liepen met groote voorzorg over het dek, en posteerden zich zóó, dat zij konden zien zonder gezien te worden. De lieve kleine Generaal zat naast zijn ernstigen vader, die den rug van zijn wollen jasje stevig vast hield. Hij zoog op zijn vuil handje, en wierp nu en dan verlangende blikken naar zijn bruinleeren schoentje, waarop hij, zooals hij wist, heerlijk zou kunnen bijten. Een paar maal had hij het uitgetrokken en naar zijn mond gebracht, maar zijn vader was tusschenbeide gekomen, en had het kleedingstuk weer, op de plaats, waar het behoorde te zijn, dichtgeknoopt. Hij zou ook wel heel gaarne van die akelige bank zijn gegleden, en over het dek hebben gekropen, en hebben onderzocht, wat er al zoo onder de banken te kijk was, en waar dat proestende geluid van daan kwam; maar hij voelde een ijzeren greep aan zijn jasje, dien geen spartelen of wringen kon losser maken. Geen wonder dat het arme kind ongelukkig keek!
Eindelijk legde de boot aan niet ver van Misrule, en de kapitein stapte aan wal, zijn morsig zoontje stevig in zijne armen dragend. Hij wandelde langzaam den rooden weg op, dien de dogcart een zes of zeven uur geleden met zulk een opgewekten spoed afgelegd had, en Judy en Pip volgden op een eerbiedigen--een zeer eerbiedigen--afstand. Bij het hek zag hij hen, en wenkte hen toornig met een breeden zwaai, naderbij te komen. Judy werd zeer bleek, maar gehoorzaamde dadelijk, en Pip, die zijn best deed, zich goed te houden, maakte de achterhoede uit.
Later herinnerde Judy zich slechts zeer onduidelijk hetgeen gedurende het eerstvolgende halve uur gebeurde. Zij wist, dat er een stormachtig tooneel plaats gegrepen had, waarbij Esther en de geheele familie haar overstelpt had met verwijten en berispingen.