Part 13
"Judy!" riep eene smartelijke stem, en Pip duwde hen op zijde en viel naast haar neer.
"Judy, Judy, Judy!"
Het licht flikkerde nog eens op in hare oogen. Zij kuste hem eenmaal, tweemaal met hare bleeke lippen; zij gaf hem hare beide handen, en haar laatsten glimlach.
Toen streek de wind over hen allen, en, met eene plotselinge rilling, ging zij heen.
HOOFDSTUK XXII.
HET LAATSTE HOOFDSTUK.
"Zij scheen voor 't verdergaan des tijds Een wezen, niet bestand."
"Zij heeft nu geen gevoel, geen kracht, Zij hoort, noch ziet nu meer; Maar wordt nu door de aardsche kracht Al draaiende in 't rond gebracht Met boom en rots en steen."
Zij gingen weer naar huis, zes kinderen, en Esther, die voortaan ernstiger zou zijn, daar zij den prijs, die voor het leven van haar kleinen, aangebeden zoon betaald was, nimmer zou kunnen vergeten. De lucht van Yarrahappini scheen als een zware last op hen te drukken.
Toen dus de kapitein, die ijlings uit Sydney vertrokken was om zijn arm klein meisje nog voor het laatst te zien, vraagde of zij liever naar huis zouden willen gaan, antwoordden zij allen: "Ja!"
Er was een groen grasveld op den top van een heuvel achter het woonhuis, en een groep acacia's, nu donkergroen, maar teeder getint en bevallig in het voorjaar.
Daar legden zij kleine Judy neer. Om het grasperk liet Mr. Hassal hooge, witte palen zetten; het grafje bevond zich aan den kant der boomen.
De plek geleek op een klein kerkhof in een kinderland, waar er maar één gestorven was.
Of op een mooi groen veld, met een klein bed.
Meg was verheugd, dat de verhevenheid naar het oosten gekeerd was; de zon zonk achter haar weg--zoolang zij leefde kon zij niet meer naar de oranje en gele en purperen tinten zien, die bij zonsondergang den hemel kunnen kleuren. Maar ver in het oosten steeg de zon in stille majesteit op, en het licht kwam langzaam naar den heuveltop in teeder rose en trillend blauw en lichtend grijs, maar nooit in harde, gele vlammen, die heete tranen in de oogen doen springen.
Toen zij Judy's rustplaats op den laatsten dag vaarwel zeiden, werd deze kalm en liefelijk door den maan beschenen.
Allen plukten eenige halmpjes van de versche zoden, en gingen toen heen. Niemand schreide, de kalme witheid der maan, de bleeke, stralende sterren, de matte wind, die door de takken ruischte, hielden hunne tranen terug tot zij het hek achter zich gesloten en haar op den stillen heuveltop alleen gelaten hadden.
Zij gingen terug naar Misrule, een ieder om den levensdraad weer op te nemen, en het weefsel voort te zetten, waaraan, God zij dank, moet worden gewerkt, want anders zouden dagelijks de harten breken.
Meg was ouder geworden; zij zou nooit meer zóó jong zijn als zij was, voor die roode zonsondergang zijn beeld in haar hart grifde.
In hare oogen was een dieper licht gekomen; zulke tranen, als zij geweend had, verhelderen het oog, tot het leven eene duidelijker, meer omvattende beteekenis krijgt.
Nellie en zij gingen den eersten Zondag na hunne terugkomst naar de kerk. Aldith zat een paar banken verder, wuft als altijd, gekleed in een kleurig toiletje, en coquet glimlachend naar de bank der Courtney's kijkend, en naar de Graham's, die vlak achter dezen zaten.
Wat was Meg van haar vervreemd! Het scheen jaren geleden, dat zij al hare aandacht aan den laatsten smaak voor hoeden gewijd had, aan den snit van eene robe cloche en de beste methode om de handen blank te maken. Jaren geleden, dat zij schuchtere pogingen had gedaan om zich met flirten te vermaken. Jaren geleden, bijna, dat zij op Yarrahappini het blauwe lint gegeven had, dat een grooteren invloed had dan zij ooit vermoedde.
Alan keek naar haar van uit zijne bank--naar de kleine gestalte in het treurige zwart der rouw, naar de vlecht, die het glanzende haar samenvatte, maar welker eind niet meer gekruld was, naar den zwaarmoedigen trek om de jonge lippen, den ernst der blauwe oogen. Hij kon het zich bijna niet voorstellen, dat dit hetzelfde onnadenkende meisje was, die den brief geschreven had, en door de duisternis was komen sluipen om zijn weinig galanten jongeren broeder te ontmoeten. Hij nam hare hand in de zijne, toen de kerk uit was; zijne grijze oogen, die plotseling vochtig werden, vulden door hun warmen blik de enkele woorden van deelneming aan, die hij stamelend uitsprak.
"Laten wij altijd vrienden blijven, Miss Meg!" zeide hij, toen zij bij het hek van Misrule afscheid namen.
"Gaarne!" antwoordde Meg.
En deze hartelijke, oprechte vriendschap werd van schoone beteekenis in hun beider leven, zij steunde Meg en maakte den jongen man zachter.
Pip werd weer vroolijk en opgeruimd als vroeger, zooals het ook den jongen met het gevoeligste hart gaan zal, dank zij zijne jeugd; maar somtijds kreeg hij plotseling een aanval van zwaarmoedigheid, en dan verdween hij, er zich niet om bekommerende, of een spel cricket of voetbal in vollen gang was, of wel hij stond van tafel op, als het rumoer het hevigst was.
Bunby vertoonde aan de wereld een even morsig gezicht als vroeger, en handen die zelfs nog smeriger waren, want in hem had zich in den laatsten tijd eene neiging tot het machinevak geopenbaard, en in zijn vrijen tijd maakte hij drukpersen--of wat daarvoor moest doorgaan--en vreeswekkende en wonderbaarlijke machines, van een oude kachel en eenige potten en roestige pannen, die hij voor het lot weggeworpen te worden, gered had.
Maar hij vertelde nu niet meer zooveel leugentjes, de ondergaande zon had zelfs in zijn jong hart een straal geworpen, en wanneer hij op het punt was te zeggen: "Ik niet, ik ben het niet geweest, het was niet mijne schuld!" dan verrees een rijkdom van donkere krullen voor zijn oog, juist zooals hij ze dien avond had uitgespreid gezien, toen hij zijne blikken er niet van af had durven wenden.
Hare beenen waren op het oogenblik een der hoofdonderwerpen van Baby's gedachten, want zij was juist van korte kousjes tot lange gepromoveerd, en allen, die zich deze gebeurtenis in hun eigen leven herinneren, zullen begrijpen hoe gewichtig zij voor haar was.
Nell scheen iederen dag mooier te worden. Pip had de handen vol met zijne pogingen om haar voor inbeelding te behoeden; wanneer broederlijke op- en aanmerkingen iets kunnen baten, dan moet zij wel altijd even nederig van zich zelf gedacht hebben, als wanneer zij vuurrood haar en een hemelwaarts strevenden neus gehad had.
Esther zeide, dat zij wenschte ergens een paar jaren te kunnen koopen, een ernstig uiterlijk en groote hoeveelheden waardigheid--dan zou er eenige kans zijn, dat Misrule eindelijk bij zijn deftigen doopnaam "Rivierzicht" genoemd werd.
Maar vreemd genoeg scheen niemand met dien wensch in te stemmen.
De kapitein rookte nooit meer zijn sigaar in de veranda op zijde van het huis; het slecht onderhouden grasveld deed hem altijd denken aan eene kleine gestalte in een rose japonnetje met een gedeukten hoed, die in het blakerende zonlicht stond te maaien. Judy's dood deed hem zijne zes overblijvende kinderen dierbaarder zijn dan ooit, maar hun zijne genegenheid op hartelijker wijze toonen dan vroeger--daartoe kon hij toch niet komen.
De Generaal werd iederen dag aardiger en liever. Het is geene overdrijving, wanneer ik zeg, dat zij allen dit kleine wezentje in zijne koninklijke jonkheid aanbaden, want het leven was hem tweemaal geschonken geworden, en de tweede maal was het Judy's gave, en daarom onschatbaar.
Mijne pen heeft zich moeielijk en langzaam bewogen onder het schrijven van deze twee laatste hoofdstukken; zij weigert licht en vrij over het papier te glijden, en dus zal ik haar, uit vrees u anders treurig te stemmen, ter zijde leggen.
Een ander maal, als dit u welkom zou zijn, zal ik u gaarne van mijne kleine Australiërs verder vertellen, een gering aantal jaren overspringend.
Tot dien tijd, vaarwel en tot weerziens!
AANTEEKENING
[1] Naam van de vrouw van Punch (Jan Klaassen).
End of Project Gutenberg's Zeven kleine Australiërs, by Ethel Turner