Zeven kleine Australiërs

Part 12

Chapter 124,152 wordsPublic domain

"Goede hemel! Dat verwondert me niets!" zeide de dienstbode. "Hij is den laatsten tijd veel te matig geweest; ik denk, dat hij geprobeerd heeft nuchter te blijven zoolang de logés er zijn, maar dat kan hij toch niet volhouden! Wie heeft nu de sleutels?"

"Mevrouw Hassal," zeide hij. "Jij haar gaan helpen--hij zal vandaag wel niet naar de magazijnen omzien, Mr. Gillet--hi, hi, ha, ha!"

Dat was er dus met hem gebeurd in die drie dagen, gedurende welke zij hem niet gezien had! Zij had gehoord, dat hij in opdracht van Mr. Hassal naar de naastbijwonende buren gereden was, maar had er niet aan gedacht, dat hem zoo iets zou overkomen zijn. Den vijfden dag had zij hem in de verte gezien, eens, toen hij uit de magazijnen kwam en eens toen hij buiten zijne eigen deur stond te rooken, en geen van beide keeren had zij iets buitengewoons aan hem waargenomen, alleen misschien, dat zijne schouders iets meer gebogen waren.

Den zesden dag had de picnic plaats.

Even luchthartig en vroolijk als de anderen kon zij niet zijn, nu zij zoo teleurgesteld, nu haar vertrouwen in de menschen zoo geschokt was.

Wat was hij zwak, dacht zij; hoe karakterloos! Al haar medelijden had plaats gemaakt voor eene jeugdige, diepe verontwaardiging.

Zij had hem ternauwernood hare hand gereikt, toen zij elkander in den morgen ontmoet hadden, en was gedurende den langen rit opzettelijk koud en uit de hoogte tegen hem.

Na den lunch geraakte het gezelschap verspreid. Judy nam den Generaal en ging met hem naar den kant der boomen; Pip en Bunby hielden zich bezig met sprinkhanen vangen; Baby en Nell plukten wilde bloemen. Meg knielde neer om de lepels en vorken in te pakken en de overgeschoten eetwaren weer in de manden te leggen, om ze voor de mieren te beveiligen.

"Dat zal ik wel doen--u ziet er zoo warm uit, Miss Meg; blijf u maar kalm zitten!" zeide Mr. Gillet.

"Dank u, ik wil het liever zelf doen," antwoordde Miss Meg, met ijskoude kalmte.

Zij keek hem niet aan, maar hare lippen stonden zoo strak, dat hij kon vermoeden hoe toornig de blik harer heldere, blauwe oogen zijn moest.

Hij bood niet nogmaals zijne diensten aan, maar bleef haar met eene raadselachtige uitdrukking op het gelaat aan zitten staren, terwijl zij het een en ander inpakte. Toen zij bijna gereed was, haalde hij iets uit zijn zak te voorschijn.

"Dit moet ik u terug geven," zeide hij, en overhandigde haar het blauwe lint, keurig opgevouwen, maar daar, waar het gestrikt was geweest, kreukels vertoonende.

Zij nam het aan zonder hare oogen op te slaan, verkreukelde het in hare hand, en stak het in haar zak.

"Ik had bijna gehoopt, dat u het mij zou hebben laten behouden, ondanks alles"--zeide hij, "als een talisman voor de toekomst, maar uwe lippen zijn te streng, Miss Meg, dan dat ik deze hoop langer zou kunnen koesteren."

"Het zou even vruchteloos zijn, als het geweest is!" antwoordde zij stijf. Maar hare handen bewogen zich zenuwachtig, en zij pakte de resten van een ham en van een confiturentaart samen in een mand.

"Dus behoef ik mij geene illusies te maken?" zeide hij.

"Het zou tot niets leiden!" herhaalde Meg, terwijl zij sinaasappels en bananen met eene verhoogde kleur opraapte.

Hij begrijpt niet, hoe slecht hij geweest is, hij denkt, dat alles maar dadelijk vergeven en vergeten moet zijn, dacht zij.

Hij ledigde langzaam den trekpot op den grond, sloot hem met zijn zwart geworden deksel, en bond er eene courant om heen. Toen keek hij weer naar haar, en de wijze, waarop haar zijdeachtig haar op haar voorhoofd viel, deed hem aan zijn gestorven zusje denken.

"Ik smeek u mij het lint terug te geven, Miss Meg!" zeide hij.

Megs hart en hoofd kampten een hevigen strijd; haar hart was gevoelig en warm, en zeide haar, het lint te voorschijn te halen, en het hem dadelijk te geven; het hoofd sprak, dat hij zwaar gezondigd had, en dat zij hem haar misnoegen moest laten blijken, zelfs wanneer zij hem ten laatste zijn verzoek zou toestaan. Het hoofd behaalde de overwinning.

"Mijn invloed is klaarblijkelijk vruchteloos,--dat eindje lint zou in de toekomst toch niets baten!" zeide zij zeer koud.

Hij leunde tegen den boom en gaapte, alsof het onderwerp hem verder geene belangstelling inboezemde.

"U heeft gelijk!" zeide hij.

Meg had min of meer een gevoel van verslagenheid.

"Als u werkelijk veel aan het lint gelegen is, kan u het natuurlijk hebben!" zeide zij uit de hoogte.

Zij nam het uit haar zak, en reikte het hem toe.

Maar hij deed geene poging het aan te nemen.

"Behoud het en bind er uw haar weer mede vast, juffertje!" zeide hij. "Inderdaad, ik geloof ook niet, dat het van eenig nut zou zijn."

Meg ging met gloeiende wangen voort, alles, op te bergen, en hij stopte zijne pijp en rookte, en sloeg haar al dien tijd lui gade.

"Het is wel vreemd," zeide hij, meer alsof hij bij zich zelf eene opmerking maakte, dan dat hij tot haar sprak, "maar de vrouwen, die er het zachtst uitzien, zijn bijna altijd het hardst."

Meg opende haar mond om te spreken, maar vond geene woorden, dus sloot zij hem weer, en begon voor de vierde maal Mevrouw Hassal's vorken te tellen.

"Zou u het mij kwalijk nemen, Miss Meg, als ik u een raad gaf, in ruil voor alles, wat u voor mij deed?" zeide hij, nam zijne pijp uit zijne mond en keek naar het zilveren beslag, alsof hij de daarop gegraveerde letters wilde ontcijferen.

"Zeker niet!"

Zij legde het pakje neer en keek met kalme, verwonderde oogen tot hem op. "Zeg wat u wil, ik zal het gaarne aanhooren."

Hij ging rechtop zitten, en speelde met het uiteinde van een riem, terwijl hij sprak.

"U heeft broers," zeide hij, "eens zullen zij dingen doen, die minder goed zijn,--want alleen vrouwen als u, Miss Meg, en engelen kunnen altijd het rechte pad blijven bewandelen. Wees niet te hard voor hen. Doe geene poging, om hen het onderscheid te laten merken tusschen uwe deugd en hunne verdorvenheid. Zij zullen het duidelijk genoeg zien, maar het zal hun niet aangenaam zijn, als gij er hen opmerkzaam op maakt. Wees vriendelijk en vergevensgezind--zij zullen zich zoo rampzalig gevoelen, als ge maar kunt wenschen. De wereld heeft een eigenaardigen afkeurenden blik, en een onuitputtelijken schat van liefdelooze woorden--zou men niet kunnen volstaan, met er haar het monopolie van te laten?"

"O!" zuchtte Meg. Hare wangen waren donkerrood, en alle hoogheid was uit hare houding verdwenen.

Hij wond met groote zorg den riem om niets en ging met zachte stem voort:

"Veronderstel, dat Pip den een of anderen dag iets zeer verkeerds deed, en dat de wereld steenen op hem wierp, tot hij gewond en gebroken was. En veronderstel, dat hij, diep treurig, thuis kwam bij zijne zusters. En Meg, die alles wat slecht is, verafschuwt, werpt nog eenige kleine steentjes op hem, opdat de pijn hem eene les zou geven, welke hij niet meer zou kunnen vergeten. En Judy, die bedenkt, dat hij haar broer is en verdriet heeft, slaat hare armen om hem heen, en spreekt hem moed in, en helpt hem weer den strijd met de wereld beginnen, en voegt hem geen hard woord toe, noch ziet hem met een boozen blik aan, want zij denkt, dat die hem reeds genoeg worden toegevoegd. Welke zuster denkt u, Miss Meg, zal den meesten invloed hebben?"

Meg's kleine, liefelijke mond trilde, hare oogen waren strak neergeslagen, omdat de tranen er uit zouden gesprongen zijn, als zij zou hebben opgekeken.

"O!" zeide zij nogmaals. "O, wat ben ik slecht geweest--o!"

Zij bedekte het gelaat met hare handen, want een der snel opgewelde tranen trilde aan hare wimpers.

Mr. Gillet legde den riem en de pijp neer, en keek naar haar met een zachten, teederen blik.

"Ik ben meer dan tweemaal zoo oud als u, Miss Meg, bijna oud genoeg om uw vader te zijn,--u vergeeft mij, nietwaar, dat ik u dit alles heb gezegd? Ik dacht aan mijn zusje, dat gestorven is. Ik had nog eene zuster, die was een jaar ouder, maar zij was hardvochtig--ééns maar ging ik naar haar toe. Zij is eene der beste vrouwen van Engeland nu, maar hare woorden zijn streng. Mijne kleine Miss Meg, ik kan de gedachte niet verdragen, dat u misschien ook hardvochtig zou worden."

Dikke tranen waren tusschen de vorken gevallen. Meg schreide, omdat zij wel moest bedenken, welk een hatelijk schepsel zij was. Eerst had Alan haar de les gelezen, en over zijn zusje gesproken, en nu ook deze man.

Hij gaf een verkeerden uitleg aan haar zwijgen.

"Ik heb het recht niet, zoo tot u te spreken, omdat mijn leven alles behalve onbevlekt is geweest, dat denkt u op het oogenblik, nietwaar, Miss Meg?" zeide hij zeer treurig.

Meg liet hare handen vallen.

"O neen!" zeide zij. "O! hoe kan u op die gedachte komen? Ik vind het alleen zoo vreeselijk, dat ik zoo slecht geweest ben!" Zij greep in haar zak en nam er het lint uit.

"Wil u het terugnemen?" zeide zij.--"O, neem het, ik gevoel me anders zoo schuldig. O, ik bid u, neem het!"

Zij keek naar hem met vochtige, smeekende oogen, en strekte de hand met het lint naar hem toe.

Hij nam het, streek het glad, en legde het in zijn zakboek.

"God zegene u!" zeide hij, en de toon waarop hij deze woorden uitte, deed Meg snikken.

HOOFDSTUK XX.

JUDY.

Over het gras vloog eene kleine, lichte gestalte, Judy in een rose japonnetje met hare woeste krullen dansende om haar gelaat.

"Wil u zoo graag een zonnesteek krijgen--waar is dan toch uw hoed, Miss Judy?" vraagde Mr. Gillet.

Judy schudde hare donkere haren.

"Dat kan ik heusch niet zeggen," antwoordde zij,--"de Generaal wil eene banaan, en als jelui alle sinaasappels opgegeten hebt, bezwijk ik binnen de eerste vijf minuten!"

Meg schoof den mand met vruchten over het servet naar haar toe, en beproefde hare oogen door den rand van haar hoed te verbergen.

Maar Judy's schitterende, donkere kijkers hadden de vochtige wimpers op het eerste gezicht ontdekt.

"U heeft zeker allerlei domme gedichten zitten voorlezen, waardoor Meg is gaan schreien!" zeide zij, met een uitdagenden blik van Mr. Gillet naar het boek op het gras. "U beiden moest u schamen, hoort dat nu thuis op een picnic? In ieder geval heeft het sinaasappelen uitgespaard!"

Zij nam een half dozijn groote sinaasappelen uit den mand, evenals vier of vijf bananen, en liep met vluggen tred terug naar de boomgroep, waar de Generaal in zijn linnen jurkje, juist kon gezien worden.

Hij zat kalm in den grond te wroeten en de aarde in zijn kleinen, rooden mond te stoppen, toen zij met de bananen terugkwam.

Hij keek met een allerliefsten glimlach tot haar op.

"Baby!" zeide zij, en wierp zich op hem in een van hare ontstuimige buien van teederheid--"baby!"

Zij kuste hem wel vijftig maal; het gevoel van liefde, dat zij voor dit kleine, dikke, vuile ventje koesterde, overstelpte haar somstijds.

Toen trok zij hem op hare knie en veegde met een punt van zijn jurkje zooveel mogelijk de aarde uit zijn mond.

"Narna," zeide hij, zich losworstelende, tot hij weer op den grond zat; dus ontdeed zij eene groote gele banaan van de schil, en gaf hem die in zijne kleine hand.

Hij at er iets van, en kneep de rest stijf tusschen zijne handjes, daarop keek hij er vol genoegen naar, hoe het moes in kleine, op wurmen gelijkende rolletjes tusschen zijne dikke vingertjes te voorschijn kwam.

Toen smeerde hij het in zijn gezichtje, en wreef het zelfs over zijn haar, terwijl Judy met haar vijfden sinaasappel bezig was.

Dus moest zij hem natuurlijk klappen geven, omdat hij zoo vies was, of voorwenden dit te doen, wat op hetzelfde neerkwam. En toen moest hij haar slaan, hetgeen niet bij voorgewende klappen bleef.

Hij sloeg haar met een stok, dien hij bij zich vond, hij beukte op haar gezicht en rukte aan haar haar en liet zich zelf telkens op haar neervallen, en dit alles zoo vol ijver en met zulk een grooten ernst, dat zij, ook wanneer hij haar werkelijk pijn deed, niets kon doen dan lachen.

"Dood?" zeide hij ten laatste angstig. En zij begon luid te schreien, het gezicht in de handen en met schokkende schouders, zooals het voor eene boetvaardige berouwhebbende past. En toen sloeg hij zijne armpjes om haar hals, en pakte haar, en zeide "Ju-Ju" met een gedempt stemmetje, en klopte haar op de wangen, en gaf haar wel honderd stijve, natte zoentjes met zijn open mondje, tot zij weer bijgekomen was.

Daarop speelden zij krijgertje, en de Generaal viel wel twintig maal op den grond, en schramde zijne knieën en zijne handen, en hief zich weer op, en waggelde weer verder.

Plotseling bleef Judy stil staan; een insect was bezig zich in haar pols te boren. Alleen de twee zwarte pooten staken nog buiten haar huid uit, en geruimen tijd trok zij en trok zij zonder eenig gevolg. Toen brak het insect in tweeën, en zij moest de eene helft laten waar zij was, in de hoop dat grootmama er haar later wel van zou kunnen bevrijden.

Twee of drie minuten lang was zij bezig geweest met hare pogingen, om het dier te verwijderen, en toen zij opkeek was de Generaal een eindje verder, en liep weg zoo vlug als zijne kleine dikke beenen dit toelieten, altijd denkende, dat zij achter hem aan kwam. Juist, toen zij weer begon te loopen, keek hij om, met schitterende, ondeugend kijkende oogjes, en een lachend gezichtje, dat o! zoo vuil was.

En toen--ach God!

Het is zoo hard dit te moeten schrijven. Mijne pen vertelde tot nu toe slechts zonnige tafereelen, en nu!

"Jij kleine ondeugd!" riep Judy, en deed, alsof zij zeer vlug liep. Toen scheen de geheele wereld voor hare oogen te draaien.

Een boom stortte neer, een van de zware, hooge stammen, die reeds lang geene bladeren meer droegen. Hij had den geheelen dag staan wankelen, door en door vermolmd; nu kwam een windvlaag opzetten, die hem neerstrekte. Een woesten, schorren kreet stootte Judy uit, toen snelde zij voort, met uitgestrekte armen op het kleine ventje af, dat met lachende oogen en lippen vlak op zijn dood afliep.

De slag deed de boomen rondom schudden, de lucht scheen te splijten.

Zij hadden het gehoord--al de anderen--den wilden kreet, en toen het dreunende gekraak.

Hoe trilden hunne knieën! hoe bleek waren hunne gezichten, toen zij allen naar de plaats, vanwaar het geluid gekomen was, snelden.

Zij wentelden hem van de kleine lichaampjes af--den langen zilverachtigen stam, waarop de gom droog en dood in streepen kleefde. Judy lag met het gelaat naar den grond en uitgestrekte armen.

En onder haar lag de Generaal, een beetje verdrukt, hoogst verbaasd, maar volkomen ongedeerd.

Meg sloot hem één oogenblik in haar armen, maar zette hem toen neer, en voegde zich bij de anderen, die vlak om Judy stonden.

O dat kleine, donkere, stille hoofd, dat onbeweeglijke lichaampje in zijn rose, verkreukt kleedje, die kleine, magere, uitgestrekte handen!

"Judy!" zeide Pip, met smeekende, hevig angstige stem.

Maar het eenige antwoord was de wind in de kronen der boomen en de hijgende ademhaling der anderen.

Mr. Gillet begreep, dat hij handelend op moest treden. Hij ging met Pip naar de hut van den drijver, en zij namen de deur uit hare lederen hengsels en droegen deze de heuvel af.

"Ik zal haar optillen," zeide hij, en sloeg zijne armen om de kleine gestalte, lichtte haar langzaam, langzaam, zachtjes op, en legde haar op de deur met het gelaat naar den hemel gericht.

Maar zij kreunde--o, hoe kreunde zij!

Pip, die, bij het eerste teeken van leven zijn keel als het ware had voelen dichtknijpen, kon zich bijna niet meer goed houden, toen deze korte, jammerende tonen over hare lippen kwamen.

Zij hieven de draagbaar op, en brachten haar naar de kleine hut op den top van den heuvel.

En toen sprak Mr. Gillet, buiten de deur, tot Pip en Meg, die beiden verslagen, door den schrik geheel verdoofd, schenen.

"Het zal uren duren, voor wij hulp kunnen krijgen, en het is nu vijf uur!" zeide hij. "Pip, er woont een dokter te Boolagri, tien mijlen van hier. Haal hem--loop den geheelen weg door hard. Ik zal terug naar huis gaan--dat is veertien mijlen. Miss Meg, ik kan niet in een ommezien terugzijn. Ik zal een rijtuig halen, de ossenkar gaat te langzaam, en schudt te veel, hij kan niet dienen, ook al kwam hij dadelijk terug, U moet bij haar blijven, en haar water geven als zij daarom vraagt--dat is alles wat u voor haar doen kan."

"Zou zij dood gaan?" zeide Meg.

Hij dacht aan alles wat zou kunnen gebeuren alvorens hij hulp bracht, en durfde haar niet onvoorbereid achterlaten.

"Ik denk, dat haar ruggegraat gebroken is," zeide hij zeer kalm. "Als dit zoo is, dan is er geene hoop meer."

Pip snelde den weg op, waarlangs hij den dokter bereiken kon.

Mr. Gillet gaf nog een paar aanwijzingen, toen keek hij naar Meg.

"Alles hangt van u af; u moet kalm en bedaard blijven!" zeide hij. "Verleg haar niet, blijf gedurig bij haar."

Hij begaf zich naar den weg, die naar beneden leidde.

Zij vloog hem achterna.

"Zou zij sterven terwijl u weg is?--en er niemand anders dan ik bij haar blijft?"

Hare oogen staarden hem woest, vol doodelijken angst aan.

"God weet het!" zeide hij, en ging verder.

Het kwam hem bijna te wreed voor, het jonge meisje alleen achter te laten, haar alleen zulke vreeselijke uren te laten doorbrengen.

"Help mij, goede God!" steunde zij, terwijl zij terugijlde, maar niet naar de zware, laaghangende wolken keek. "Help mij, goede God! God, help mij, help mij!"

HOOFDSTUK XXI.

TOEN DE ZON ONDERGING.

Welk een zonsondergang!

Van af den voet van den met gras begroeiden heuvel strekte zich een vurig roode hemel uit, met purperen donzige wolken, die in banken boven elkaar gestapeld waren, tot waar de wegstervende gloed in het verbleekende blauw wegsmolt. De boomgroep was zwart van kleur geworden, en strekte sombere, roerlooze, scherp tegen den oranjekleurigen achtergrond uitkomende armen uit. De wind was geheel gaan liggen, en de lucht drukte op alles, warm en bezwaard met de beklemmende vreemde stilte van het bosch.

En op den top van den heuvel, in de deur van de kleine, bruine hut, hare wijdgeopende oogen naar den heerlijk schoonen hemel geslagen, lag Judy te sterven. Zij was nu zeer rustig, hoewel zij druk gesproken had--gesproken over allerlei. Zij zeide hun, dat zij volstrekt geene pijn had.

"Maar ik zal sterven, als ik opgelicht word," zeide zij.

Meg zat naast haar, neergehurkt op den grond. Zij had hare oogen niet van het gezichtje afgewend, dat daar lag op een kussen van regenmantels, zij had hare bleeke lippen geen enkele maal geopend om een woord te zeggen.

Daarbuiten stonden onbeweeglijk de ossen en hunne gestalten teekenden zich tegen den hemel af.--Judy zeide, dat zij er uit zagen als opgezette dieren, die gephotografeerd moesten worden. Zij glimlachte daarbij even, maar Meg zeide: "O, doe dat niet!" en kromp ineen.

Twee der mannen waren weggegaan, om hulp te zoeken, die zij toch niet zouden vinden; de anderen stonden op eenigen afstand, en praatten met gedempte stem tot elkander.

Er was voor hen niets te doen. De bruine man had gesproken--iets wat zelden gebeurde.

Hij had den Generaal in slaap gesust, en hem op het leger gelegd en de blauwe deken om hem heen geslagen. En toen had hij warme, sterke thee gezet, en had met tranen in zijne oogen de kinderen gevraagd, daarvan te drinken, maar geen enkele wilde dit doen.

Baby was op den grond in slaap gevallen, hare armen stijf om Judy's rijglaars geslagen.

Bunby stond, met eene uitdrukking van ontzetting op zijn bleek gelaat, achter de draagbaar. Zijne oogen waren op het haar van zijn zusje gevestigd, maar hij durfde niet naar haar gezicht kijken, uit angst voor wat hij daar zou zien. Nellie was geen oogenblik kalm, nu eens liep zij naar de haag en keek den weg af, waarover reeds de schaduwen van den avond zweefden, dan wierp zij zich achter de hut met het gelaat op den grond en riep: "Maak haar beter, God! God, maak haar beter, maak haar beter! O! kunt ge haar niet beter maken?"

De schaduwen rondom de kleine woning namen diepere tinten aan, de omtrekken der buffels waren niet meer zichtbaar, slechts eene onduidelijke zwarte massa lag daar tusschen de hut en den hemel. Achter de boomen verglom het vurige schijnsel; hier en daar waren nog gele, lichtende vlammen, maar de gloeiende zonneschijf was weggedoken, en de purperen, luchtige sluier zonk in het niet.

De kreet van een pluvier verbrak de stilte, wild, klagend, snijdend was het geluid. Meg huiverde en ging rechtop zitten. Judy's voorhoofd werd vochtig, zij sperde de oogen wijd open, hare lippen beefden.

"Meg!" zeide zij met eene fluisterende stem, die de lucht doorkliefde; "o, Meg, ik ben zoo bang! Meg, ik ben zoo bang!"

"God!" zeide Megs hart.

"Meg, zeg iets. Meg, help mij! Wat wordt het al donker, Meg; Meg, ik kan niet sterven! O, waarom komen zij nog niet?"

Nellie vloog weer naar de haag, om daarop te fluisteren:

"Maak haar beter, God--o, ik smeek u, God!"

"Meg, ik kan niets bedenken om te zeggen. Kan jij niet iets zeggen, Meg? Zijn er geen gebeden voor de stervenden in het gebedenboek?--Ik ben het vergeten. Spreek toch, Meg!"

Meg's lippen bewogen, maar het was haar niet mogelijk een woord te uiten.

"Meg, ik ben zoo bang! Ik kan aan niets anders denken, dan aan "wat wij eenmaal zullen ontvangen", en dat is vergiffenis, nietwaar? En in het Onze Vader komt ook niets voor, dat mij kan helpen. Meg, ik wilde, dat wij naar de Zondagsschool gegaan waren en daar van allerlei geleerd hadden. Wat wordt het al donker, Meg! O, Meg, houd mijne handen vast!"

"In den hemel zal het--niet--donker zijn!" spraken Megs lippen.

Zelfs wanneer zij iets zeggen kon, was het niets dan een gestamelden, vroeger gehoorden zin, dien zij murmelde.

"Als er alles van goud en edelgesteenten is, dan wil ik er liever niet heen!" Het kind begon nu te schreien. "O, Meg, ik wil liever blijven leven! Hoe zou jij het vinden, Meg, om te sterven, als je nog maar dertien jaar bent? Hoe eenzaam zal ik zijn zonder jelui allen. O, Meg! o, Pip, Pip! o, Baby! Nell!"

De tranen stroomden over hare wangen, hare borst hijgde.

"O, zeg iets, Meg!--zeg een gezang op!--spreek toch!" De halve inhoud van het boek der "Oude en Nieuwe gezangen" dwarrelde door Megs gedachten. Welk kon zij uitkiezen, dat rust zou brengen in die koortsachtige oogen, die met zulk een angstigen smeekenden blik op haar gelaat gevestigd waren?

Toen opende zij de lippen:

""Kom slechts tot Mij, gij moeden, Dan geef 'k u zoete rust O, gij--""

"Ik ben niet moede, ik verlang niet naar rust!" zeide Judy, op jammerenden toon.

En Meg begon weer:

""Mijn God, mijn Vader, als ik dwaal, Ver weg, langs 's levens doornig pad Leer mij dan de gelaten taal: Uw wil geschiede!""

"Dat is voor oude menschen," zeide de matte, zangerige stem. "Hij kan niet verwachten, dat ik dit zal zeggen!"

Toen herinnerde Meg zich het schoonste van alle gezangen, en zeide het eerste en het laatste couplet zonder een oogenblik te haperen, op:

""Verlaat mij niet, snel valt de avondstonde, De duisternis groeit aan; o Heer, verlaat mij niet. Als andre hulp ontbreekt, en alle bijstand vliedt, Helper der hulploozen, mijn God, verlaat mij niet!

Houd Gij Uw kruisbeeld voor mijn brekend oog, Schijn door de duisternis, en richt mijn oog ten hemel! De dageraad breekt aan, en 't ijdele aardrijk vliedt In leven en in dood, o Heer, verlaat mij niet!"

"O, en Judy, liefste, wij vergeten, dat moeder in den hemel is, Judy je zult niet alleen zijn! Herinner je je moeders oogen niet, mijn kleine Judy?"

Judy werd kalm, en steeds kalmer. Zij sloot de oogen, zoodat zij de toenemende duisternis niet bespeuren kon.

Megs armen waren om haar heen geslagen, Megs wang was tegen haar voorhoofd gevlijd, Nell hield hare handen vast, Baby hare voeten, Bunby's lippen waren op hare lokken. Zoo gingen zij met haar recht op de Groote Vallei af, waar zelfs geen licht is voor aarzelende kindervoeten.

De schaduwen waren koud, en legden zich kil om hunne harten; zij konden den wind van de onbekende wateren op hunne voorhoofden voelen; maar alleen zij, die op het punt stond naar genen oever over te steken, hoorde het zachte geklots der golven.

Juist toen het water hare voeten bespoelde vertoonde zich eene gestalte in de deur.