Part 10
Er vertoonde zich aan hun oog een goed onderhouden grintweg, bloembedden met palmhegjes er om, een rijkdom van rozestruiken, die vooral Meg verheugde, en twee geschoren, nu zeer natte tennisgrasvelden.
En toen het huis.
De veranda trok al hun aandacht, want deze was zoo bijzonder groot, zoo groot als eene gewone kamer, en er stonden sofa's en stoelen, en tafeltjes hier en daar, hangmatten hingen in de hoeken, en eene dichte, groene kruipende plant met verregende vlinderbloemen slingerde zich tegen een buitenmuur.
"He!" zeide Pip. "He! wat ben ik stijf! Neen maar, wat begin je daar nu?"
Want Esther had haar zoontje op zijn knie gezet, gleed uit het rijtuig en liep de trap, die naar de veranda leidde, op. Daar stond een klein oud dametje, met eene heel groot huishoudschort voor. Esther sloot haar in hare armen, en zij kusten elkander en hielden elkander omstrengeld, tot zij beiden begonnen te schreien.
"Mijn lief klein meisje!" snikte de oude dame, terwijl zij met bevende hand Esther's natte haren en nog natter wangen betastte.
En Bunby, die ook dadelijk uitgestapt was keek van de slanke gestalte zijner stiefmoeder naar het kleine figuurtje van hare moeder en lachte.
Esther snelde terug naar het rijtuig, nam den Generaal van Pip aan, en, weer de treden opspringende, legde zij hem in haar moeders armen.
"Is hij niet een dikkertje!" zeide Bunby, deelende in haar trots. "U moet eens naar zijn beentjes zien!"
De oude dame zat één oogenblik neer in den natsten stoel, dien zij vinden kon, en drukte hem tegen zich aan.
Maar hij balde zijne verkleumde vuistjes, vocht zich vrij, en schreeuwde om Esther.
Mr. Hassal had de rijtuigen nu ledig gepakt, en kwam de trap op.
"Zou je hun niet eens iets te eten geven, moedertje?" zeide hij, en de oude dame liet in haar schrik haar kleinzoon bijna vallen.
"Ach! ach!" zeide zij, "waar zijn mijne gedachten? Wel, wel! Dat ik daarvoor niet eerder gezorgd heb!"
Tien minuten later hadden zij allen drooge kleederen aan, en zaten in de warme eetkamer met grooten eetlust te ontbijten.
"Wat had ik een honger!" zeide Bunby. Hij had den mond vol geroosterd brood, en was bezig zijn vierde ei te openen, terwijl hij een schotel in het oog hield, waarvan het eene gedeelte met honig, het andere met geslagen room gevuld was.
"Die lieve oude borden!" Esther nam het hare op, toen zij het leeggegeten had en keek vol liefde naar de blauwe rozen, die er op geschilderd waren. "En als ik bedenk, dat den laatsten keer, dat ik er van een at, ik..."
"Een bruidje was," zeide de oude dame, "en den sluier hadt je toen weggeslagen, en iedereen keek naar je, want je sneedt de taart. Twee zijn er sedert dien tijd maar gebroken--en, het is waar ook, Hannah, het dienstmeisje, dat gekomen is na Emily, heeft den hengsel van het suikermandje gebroken en een stuk uit de spoelkom geslagen."
"Waar zat vader toen?" vraagde Meg. In hare gedachten bevolkte zij de kamer met bruiloftsgasten, de ham en de coteletten, het geroosterde brood en de eieren en de schalen met vruchten, waren veranderd in eene groote, hooge, witte taart met zilveren bladeren.
"Juist waar Pip nu zit," zeide mevrouw Hassal, "en hij hielp Esther met de taart, omdat zij haar met zijn sabel sneed. Wat heb je toen een groot gat in het tafelservet gemaakt, Esther, het was mijn beste damasten met de convolvulus-bladeren, maar ik heb het natuurlijk gestopt!"
Baby had haar kop omgeworpen, en de koffie liep nu over haar heen en over haar bord en over Bunby, die naast haar zat.
Zij barstte in tranen uit van vermoeidheid, en omdat zij zenuwachtig was door al het nieuwe, dat haar omringde. Zij gleed van haar stoel en onder de tafel. Meg tilde haar op.
"Mag ik haar naar bed brengen?" zeide zij. "Zij schijnt doodelijk vermoeid."
"Mag ik ook naar bed?" sprak Nellie, terwijl zij haar ontbijt verder liet staan en haar stoel naar achteren schoof. "Ik heb zulk een slaap!"
"En ik dan!" Bunby at in vliegende haast alles wat op zijn bord lag en stond op. "En die akelige koffie loopt in mijne laarzen!"
En dus, juist toen de zon begon te glimlachen en de tranen van den hemel weg te jagen, gingen zij allen naar bed om de schade van den onrustigen nacht in te halen, en het was zes uur en weer theetijd voor een van hen de oogen opende.
HOOFDSTUK XVI.
YARRAHAPPINI.
Yarrahappini in den zonneschijn, dien zonneschijn, die den zilveren draad van den thermometer tot 100° doet stijgen!
In de verte teekende zich aan drie zijden met eene zachte blauwe lijn eene heuvelreeks met bosschen af. En in den omtrek van het woonhuis waren de boomen krachtig en heerlijk groen, en de bloemen prijkten met een rijkdom van kleuren.
Maar de vlakte, die zich daartusschen uitstrekte, was bruin. Haar bedekte verzengd gras, hier en daar afgewisseld door een plek vaalgroene halmen, terwijl kleine boschjes de ruggen der heuvels, die eenige afwisseling brachten in de rechte lijn der velden, bedekte, en weer in de hellingen verdwenen, waar gras en doorngewas welig groeiden. Het hoofdstation bestond uit een klein dorp op den top van een heuvel. Jaren geleden, toen Esther niet grooter was dan haar kleine Generaal nu, had er alleen eene ruw getimmerde woning gestaan op den heuveltop, met een paar hutten van boomschors als bijgebouwen.
En Mr. Hassal was van den morgen tot den avond in het zadel geweest, en had harder gewerkt dan twee van zijne drijvers samen, en mevrouw Hassal had hare liefhebberijen laten rusten, hare handwerken, hare guitaar, haar schilderdoos, en had geschrobd en gekookt en gewasschen als menige vrouw van een landbezitter vóór haar gedaan had, tot de angstig verbeide wolmarkt hun betere dagen bracht.
Toen verrees eene groote, steenen woning juist tegenover het kleine, oude buitenhuis met zijn door flesschen afgeperkt tuintje, waar nooit iets aristocratischers te zien was geweest dan de snuitjes van biggetjes en scharlakenroode geraniums. Het was een zeer mooi buitenhuis, met eene menigte luchtige kamers, vele vensters en een diepe veranda. Het kleine roode gebouwtje was keuken, buitendien bevatte het kamertjes voor de twee dienstmeisjes, en aan het groote woonhuis was het met eene overdekte gang verbonden.
Een honderd ellen ver weg stond eene woning, die twee vertrekken bevatte, en bewoond werd door den zoon van een Engelschen baronet, die tegen zeventig pond in het jaar en vrijen kost, de boeken van Yarrahappini hield en het opzicht voerde over de magazijnen.
Nog wat verder stonden twee hutten van boomschors, zij waren tegen elkaar aan gebouwd. Tettawonga, een oude, kromme inboorling, woonde in de eene, en voerde weinig meer uit, dan rooken, en iederen morgen vertellen, wat hij van het weer dacht. Twintig jaar geleden had hij meegeholpen om een stevig fundament te maken voor het roode woonhuis, dat geheel gereed gebouwd daarheen was gebracht op een grooten, door ossen getrokken wagen.
Voor vijftien jaar had hij met zijn tomahawk een van twee struikroovers, die zich in Yarrahappini poogden te nestelen, in de afwezigheid van den eigenaar gedood, en had hij de kleine bevende mevrouw Hassal en Esther naar eene veilige plaats gebracht, was teruggegaan, en had den anderen een slag op het hoofd gegeven, die hem bedwelmde, tot hulp kwam opdagen.
Zoo had hij zich natuurlijk een recht verworven op de hut en het dagelijksch rantsoen en de pijp, die nooit van zijne lippen kwam.
Twee werklieden van de bezitting woonden in de andere hut, wanneer zij niet uit waren naar veraf gelegen weiden.
Vlak bij het huis was een groot, waterdicht gebouw, met eene zware, van een hangslot voorziene deur.
"O, laten we daar eens ingaan," zeide Nell, aangetrokken door de grootte van het hangslot; "het ziet er uit als een huis, waarin schatten geborgen worden, uit een boek. Mogen we er niet in, grootmamaatje?"
Zij waren bezig alle gebouwen te verkennen--de zes kinderen in een troepje, mevrouw Hassal, die zij allen "grootmamaatje" noemden, zeer tot haar genoegen, en Esther met den jongen.
"Je moet het gaan vragen aan Mr. Gillet," zeide de oude dame, "hij bewaart de sleutels van het voorraadshuis. Kijk, hij woont aan den overkant in dat huisje naast het waterreservoir, en spreekt beleefd, kinderen, alsjeblieft!"
"Zulk een beschaafd man," zeide zij zachtjes tot Esther, "zoo knap, zoo welgemanierd, als hij alleen maar niet zoo dronk."
Meg en Judy gingen, met Baby achter haar aan rennende, zoo vlug als hare korte beentjes het haar veroorloofden.
"Binnen!" zeide eene stem, toen zij klopten.
Meg aarzelde zenuwachtig, en een man opende de deur. Een groote, magere man, met rustelooze, zwaarmoedige oogen, een bruin, breed voorhoofd, en zorgvuldig geknipten baard.
Judy deelde mede, dat mevrouw Hassal hen gezonden had om de sleutels, als hij er niet tegen had.
Hij verzocht haar binnen te komen en te gaan zitten, terwijl hij naar het gevraagde zocht.
Meg was verwonderd over de kamer, gelijk hare blauwe oogen duidelijk te kennen gaven, want zij had alleen maar van hem hooren spreken als van den magazijnmeester. Er was een boekenrekje, waarop zij Shakespeare en Browning en Shelley en Rosetti en Tennyson, William Morris en vele anderen zag, waarvan zij vroeger nooit gehoord had. Er hingen aardig in een lijst gezette photographieën en gravures van Engelsche en Europeesche tafereelen aan de muren. Er was een klein geëmailleerd zilveren vaasje op een hoekje, en eenige bloemen met lange ranken bloeiden daarin. De tafel met de overblijfselen van het ontbijt er op, was even keurig op kleine schaal als die, welke zij zooeven had verlaten, in het groote woonhuis.
Hij kwam uit de binnenkamer terug met de sleutels. "Ik was bang, dat ik ze op eene verkeerde plaats gelegd had," zeide hij. "De middelste past op het hangslot, Miss Woolcot; de dikke koperen is voor de twee kisten, en de lange stalen voor de kast."
"Dank u vriendelijk; ik vrees, dat wij u bij het ontbijt gestoord hebben!" zeide Meg, terwijl zij opstond en eene kleur kreeg, omdat zij dacht, dat hij hare verbazing over het boekenrekje had opgemerkt.
Hij deed, alsof hij hare verlegenheid niet merkte en hield de deur voor haar open, met eene buiging, waar wel iets hoffelijks in was. Althans, dit vond Meg, terwijl zij vol verbazing er over peinsde, hoe het kon, dat men gezouten vleesch bij den centenaar en kisten vol meel bezat. Hij keek haar na, toen zij over het gras liepen--ten minste hij keek naar Meg in haar luchtig mousselinen japonnetje met licht blauw ceintuur, Meg met haar strooien zonnehoed en haar glanzende vlecht van kroezend haar, die tot op haar middel hing.
Judy's lange zwarte beenen en verkreukt batist kleedje hadden niets schilderachtigs.
Mevrouw Hassal maakte het hangslot van het voorraadshuis open. Welk een koor van "o's!" en "hè's!" rees er op uit de kinderen.
Baby had nog nooit in haar leven zooveel suiker bij elkaar gezien; naar haar gezichtje te oordeelen, was zij wel gaarne een paar uur alleen in deze groote kamer geweest.
En dan de krenten! Er was een groote houten kist boordevol--het zouden wel ongeveer vijftig pond zijn, dacht mevrouw Hassal, toen zij er haar naar vraagden.
Bunby nam stil een handvol weg en stopte die in zijn zak, terwijl iedereen bezig was naar den berg van kaarsen te kijken.
"Zelf gemaakt, liefje, natuurlijk!" zeide de oude dame. "Wel, ik zou er niet toe kunnen overgaan eene gekochte kaars te gebruiken, evenmin als gekochte zeep!"
Zij liet hen de groote staven van zuiver ruikende, gele zeep zien, en fijnere, lichter gekleurde voor de waschtafel.
Hammen en zijden spek hingen in groot aantal aan de balken. "Dit zijn schapenhammen," zeide zij, wijzende naar een gedeelte. "Die heb ik voor de drijvers."
Pip wenschte te weten, of het de bedoeling was, dat het magazijn hun moest dienen voor hun geheele leven, er was genoeg; hij was verbaasd te hooren, dat het iedere zes maanden opnieuw voorzien werd.
"Twintig tot dertig man, dat zijn dus de grenswachters en drijvers op verschillende gedeelten der bezitting, en tweemaal dit aantal in scheer- of drijfjachttijd, om niet te noemen de daglooners, die iederen dag hier werken--het is, alsof men een leger voedt, kinderen!" zeide zij. "En dan moest ik toch ook zorgen, voor jelui allen genoeg voorraad te hebben--vooral voor Bunby."
Zij knipoogde schalks met hare kleine, grijze oogen, toen zij naar dien kleinen jongen keek.
"U kan ze terugkrijgen," zeide Bunby, half pruilend. Hij haalde een half dozijn krenten uit zijn zak te voorschijn. "Ik had niet gedacht, dat het u iets kon schelen, bij zulk eene menigte; wij hebben maar eene flesch vol thuis."
Waarop de oude dame hem op zijn hoofd tikte, een blik openmaakte, en zijne handen met vijgen en dadels vulde.
"En moet u iederen dag voor al die mannen koken?" zeide Meg, benieuwd welke keukenkachel daar groot genoeg voor zijn kon.
"Neen, schatje!" antwoordde de oude dame. "Wel neen! Iedere man zorgt voor zich zelf in zijne eigen hut; zij krijgen zelfs niet eens brood, alleen porties meel, om voor zich zelf hun twaalfuurtje te bereiden. Ook geven wij hun eene bepaalde hoeveelheid vleesch, thee, suiker, tabak, kaarsen, zeep en nog het een en ander."
"Waar bewaart u de wol en zulke dingen?" zeide Pip, wiens geest zich verheven gevoelde boven de zelfgemaakte kaarsen; "ik kan geen enkele loods of iets dergelijks ontdekken."
Mevrouw Hassal deelde hem mede, dat die op een mijl afstand stonden, bij het riviertje, waar de schapen op een bepaalden tijd van het jaar gewasschen en geschoren werden. Maar de hitte was te groot, dan dat zelfs Pip verlangde, om juist nu er heen te gaan; dus namen zij Mr. Hassal in beslag, verlieten grootmama met Esther, den Generaal en Baby, en gingen naar de uit baksteen gebouwde stallen in de nabijheid.
Daar waren drie of vier voertuigen met kappen, maar in het geheel geen paarden, deze waren verderop in de weiden. Zij liepen over het grasveld den heuvel op. Een half dozijn paarden gaven gehoor aan een eigenaardig gefluit van Mr. Hassal; de andere waren wilde, ongetemde dieren, die de manen schudden en op het zien van menschen naar de verst afgelegen gedeelten, waar de boomen groeiden, vluchtten.
Pip koos er een uit, een grijs, met lange harddraverspooten, en een smallen mooien kop; hij was wat trotsch, dat hij verstand van paarden had! Judy koos een zwart, met roodachtige, beweeglijke oogen, maar Mr. Hassal stond het haar niet toe, daar het een wisselvallig temperament had, en dus moest zij zich tevreden stellen met een bruin diertje, met zachten, satijnachtigen neus.
Meg vraagde om een "heel erg mak" op fluisterenden toon, zoodat Judy en Pip haar niet konden hooren, en kreeg een oud beestje, dat mevrouw Hassal achttien jaar geleden gedragen had. Ieder dier was bestemd om geheel ter beschikking te staan van het jonge volkje, gedurende hun verblijf te Yarrahappini. Maar de ritjes moesten plaats hebben voor het ontbijt of na de thee (werd hun gezegd), als zij er eenig genoegen van verwachtten; het was anders te warm om paard te rijden. Nellie was teleurgesteld in de schapen, uitermate teleurgesteld. Zij had verwacht, groote, sneeuwwitte dieren te vinden, die tam zouden zijn, en haar zouden toelaten, linten om hunne nekken te strikken, en hen rond te leiden.
Van den heuveltop zag zij den volgenden morgen het eene omheinde grasveld na het andere, elk met eene bruine, langzaam bewegende massa; zij rende naar beneden, door den zonneschijn, met Bunby, om ze van dichterbij te bekijken.
"O, hoe jammer!" riep zij uit, en ware tranen van teleurstelling sprongen haar in de oogen, toen zij de groote, luie dieren met hunne lange, vuile, gehavende vachten zag.
"Wacht maar een tijdje, vrouwtje!" zeide Mr. Hassal. "Wacht maar, tot dat wij ze baden!"
HOOFDSTUK XVII.
DE RUNDEREN VAN YARRAHAPPINI.
"De wilde stugge kudde te drijven in de omheining ... Met een loopend vuur van zweepen en vurig hoefgetrap ...."
Pip kan nauwelijks slapen op een nacht, een maand na hunne aankomst, daar hij dacht aan de vee-drijfjacht, die op het programma stond voor den volgenden dag. Hij was aan het zoeken geweest naar de eene of andere nieuwe bezigheid, want hij was een jongen, voor wien afwisseling het zout van het leven was. In het begin was hij er zeker van geweest, nooit het konijnenschieten vervelend te gaan vinden. Mr. Hassal had hem het "aardigste, bovenste beste geweertje" gegeven, en Tettawonga was den eersten dag met hem uitgegaan, en had zijne opgetogenheid, dat hij er twee geschoten had, met groote minachting bejegend.
"In de boschjes, konijn genoeg. Jager kan gaan naar het noorden, naar het zuiden, jager kan gaan waarheen hij wil. Bah, ieder goed prikkeldraad doet, elk goed vergif doet. Bah!"
Maar Pip kon niet zoo spoedig ontmoedigd worden en dacht werkelijk, dat hij den Yarrahappinischen staat een groot voordeel gedaan had, door die twee zachte, vlugge, bruine diertjes te schieten. Hij nam ze mee naar huis, en liet ze vol trots aan de meisjes zien, maakte zijn volkomen schoon geweer schoon, en ging den volgenden dag met zijne uitvallen voort.
Tettawonga nam zijne pijp van zijne lippen, toen hij hem weer zag, en lachte, een luiden, gichelenden lach, die Pip rood deed worden van drift.
"Morgen en morgen weer! Konijn nu gauw weg gaat. Jongen komt met groot geweer, konijn dadelijk bang is, gaat onder den grond. Ha, ha, hi, hi!"
Pip begreep zijn gebrekkig Engelsch genoeg om te weten, dat met hem den draak gestoken werd, en zeide hem boos: "zijn zottepraat voor zich te houden."
Daarop schouderde hij het geweer, waarop hij zoo overmatig trotsch was, en ging naar den anderen kant van de prikkeldraadomheining, waar het gelukkig jachtterrein was van het kleine knaagdier, dat Mr. Hassal belette rijk te worden.
Hij schoot er dien dag vijf, den volgenden vier, den daarop volgenden zeven, maar na een tijdje begon het hem te vervelen, en ging hij op vogels jagen, met meer plezier, maar minder zekerheid van de vangst.
Iederen dag was tot aan den rand gevuld met genietingen, en was het alleen maar niet zoo ontzaglijk warm geweest, dan zou die eerste maand te Yarrahappini er een geweest zijn, van volkomen tevredenheid en geluk.
En nu was er de vee-drijfjacht!
Het ontbijt werd op den morgen van de groote gebeurtenis zeer vroeg gebruikt; tegen half zes was het reeds afgeloopen, en Pip, in een koorts van rusteloosheid, vertelde aan Mr. Hassal, dat hij er zeker van was, dat zij te laat zouden zijn, en alles misloopen.
Judy had ijverig gepleit, om toestemming te krijgen mede te gaan, maar iedereen zeide, dat hiervan geene sprake kon zijn--het werd zelfs in twijfel getrokken, of het verstandig was Pip toe te staan het gevaar onder de oogen te komen, dat onafscheidelijk is van het drijven van het wildste gedeelte der kudde, dat van veraf gelegen weiden was opgejaagd.
Maar hij had zoo naar den dag verlangd, en zich zoo doelmatig gekleed, dat Mr. Hassal niet het hart had, hem thuis te laten.
Hij kwam naar beneden om te ontbijten in een baaien hemd en een oude, saaien broek, om zijn middel vastgemaakt met een lederen gordel, in welken een ontbloot dolkmes, pas geslepen, los weg was gestoken. Geen overreding kon hem er toe brengen eene jas te dragen, noch het mes in de scheede te bergen.
Het grijze paard werd om het huis naar de trap der veranda gebracht, evenals Mr. Hassal's prachtig rijdier. Mr. Gillet zat op een goed onderhouden appelschimmel; hij had drie zweepen met houten handvat, twee van wel zestien voet lang, de derde was korter, en deze bood hij Pip aan.
Het gelaat van den jongen gloeide. "Hoera, Fizz!" riep hij uit, en hij stond in de stijgbeugels op en zwaaide de zweep om zijn hoofd. "Wat zou je er voor geven, om van plaats te ruilen?"
Hij drukte de sporen in de zijden van het paard en stortte zich holderdebolder in een wilden galop den heuvel af.
Het was anderhalve mijl naar de omheinde grasvelden voor de kudden, en daar heerschte de grootste opgewondenheid.
Pip kon niet begrijpen van waar al die mannen gekomen waren. Er waren wel twintig of dertig drijvers; scheerders, die niets te doen hadden; twee inboorlingen, buiten Tettawonga, die rookte en slaperig en vergenoegd toekeek, en verscheidene andere werklieden der bezitting.
Op het eerste omheinde grasveld waren vijfhonderd stuks vee, die daar den nacht te voren in gedreven waren, en die nu den aanblik van een zee van wildzweepende staarten en hoorns aanboden.--Wat een hoorns!--groote, gekromde, angstverwekkende hoorns, waarmede zij elkander openreten en woedend bevochten, daar zij zagen, dat zij niet bij den gemeenschappelijken vijand konden komen.
In het eerste oogenblik voelde Pip zich een weinig afkeerig de veilige plaats op den rug van zijn paard te verlaten. Het gedreun van de hoeven en hoorns, de wilde aanvallen, gedaan door de wanhopige dieren op de omheining, deden hem verwachten, deze iedere minuut krakend te zien bezwijken.
Maar al de anderen waren gaan zitten op de bovenste dwarslat van de omheining, en keken neer op de verwoede dieren; daarom maakte hij ten slotte zijne teugels aan een boom vast en trad omzichtig vooruit, om dit voorbeeld te volgen.
Op een plotseling signaal van Mr. Hassal lieten de mannen zich aan beide zijden aan den binnenkant der omheining zakken. Het doel was een tweehonderd stuks vee in de aangrenzende versterkte omheining, van welke het hek wijd open stond, te drijven. Pip was hoogst verwonderd over den moed der mannen; voor een oogenblik had zijn hart in zijn keel geklopt, toen de eene stier na den anderen zich een weg door hen trachtte te banen; maar de lucht weergalmde van zweepgeklap en van het geluid van stokslagen, en het eene beest na het andere trok naar het midden terug, den kop druipend van bloed.
Toen holde een ontzaglijk groot zwart dier, met een gebrul, dat den grond scheen te doen trillen, woest springend naar het hek; de geheele kudde kwam achter hem aan. Bliksemsnel vormden de mannen achter hen eene rij, schreeuwend, gillend, klappend met de zweepen, om ze vooruit te drijven. Pip vloog op, en hitste ze aan, geheel buiten zich zelven van opwinding. Toen hield hij zijn adem weer in.
Mr. Hassal en een van de inboorlingen slopen behoedzaam vooruit, langs den doorgang, door welken de onstuimige stroom van hoorns en ruggen zich stortte. Een half dozijn krachtige slagen van de mannen, en de laatste aanvoerder deinsde één oogenblik achteruit, de troep achter zich terugdringend.
In dit oogenblik hadden de twee mannen de sluitboomen dichtgeschoven en de kudde was in twee gedeelten verdeeld.
Wederom twee rijen drijvers, zweepgeklap, gebrul, bloed, hoorns, huiden, en hoeven in de lucht, en een veertig- of vijftigtal was binnen de derde omheining geborgen,--eene lange, nauwe ruimte met eene opening aan het eind, leidende naar de eindafdeeling.
Pip leerde van Mr. Gillet het doel van deze afscheiding: sommige der dieren waren bijna waardeloos, men had hen aan een opkooper toegewezen voor een paar pond het stuk, enkel de waarde van de hoorns, de huid en het vleesch. Andere waren voortreffelijke, vette beesten, gereed voor den slager en de markt van Sydney. En andere weer bleken buitengewoon schoone dieren van groote waarde als fokvee, en moesten in een afzonderlijk perk gebracht worden.
De man bij den laatsten doorgang verrichtte bet hoogst gewichtige werk van het uitkiezen. Hij was gewapend met een korten, dikken stok, en terwijl de andere mannen de dieren naar hem toe dreven, besliste hij bliksemsnel tot welke klasse zij behoorden. Een hevige slag op den neus, eene vlugge opeenvolging van harde slagen tusschen de oogen, en het meest woeste beest deinsde verblind terug waarheen de drijver het zond. Den geheelen dag werd het werk voortgezet, en juist toen de groote, warme, purperen schaduwen schuin over de vlakten begonnen te vallen, verzekerden zij den laatsten sluitboom, was het gevecht afgeloopen, en waren de dieren in de voor hen bestemde perken.