Zes maanden op Cuba—Havana De Aarde en haar Volken, 1908

Chapter 4

Chapter 43,591 wordsPublic domain

Men zou de cubaansche spoorwegen te veel eer bewijzen, als men ze met den naam van spoorwegnet betitelde, want zij beslaan met elkander niet meer dan 2371 kilometer. Toch behooren zij aan veertien maatschappijen van verschillende nationaliteit, cubaansche, spaansche, engelsche en amerikaansche. Tusschen de steden en de omliggende plaatsjes komen en gaan de treinen omstreeks driemaal per dag, op het land éénmaal daags, en in het binnenland slechts twee of driemaal in de week. De locomotieven en spoorwegrijtuigen zijn al zeer primitief, en alleen op de westelijke lijn, van Pinar del Rio en op de oostelijke, van Santiago, is voor eenig comfort gezorgd; wat echter nog niet heel veel wil zeggen. Want op de laatste lijn, die 869 kilometer lang is, staan in de groote sombere waggons niet anders dan houten of matten stoelen, en een paar draaibare rieten leunstoelen, waarin men het landschap op zijn gemak kan waarnemen. Door Havanna, Matanzas, en Santa Clara rijden bespottelijke ouderwetsche locomotieven, met eertijds roode en groene, vervelooze kasten van waggons, waarin de reizigers onbarmhartig worden heen en weergeschud. Komt men in minder dichtbevolkte streken, dan wordt het nog veel erger; als station doet daar dikwijls een planken loodsje dienst, of zelfs een oude spoorwegwaggon. Het is ieder geraden, zijn biljet met amerikaansch geld te betalen; geeft men spaansche munt, dan krijgt men zijn kaartje eerst na langdurige berekeningen van den beambte aan het loket.

In de coupés zitten blanken, creolen, mulatten en negers broederlijk bijeen. Onder de reis worden u door kooplieden fransche romans ter lezing aangeboden, en aan de stations, waar de trein stilhoudt, wordt men overvallen door troepen kleine negerjongens met couranten, bananen, chinaasappelen, suikerriet, mango's, meloenen, kokosnoten, geconfijte vruchten, guava-gelei, koekjes, verfrisschende dranken van allerlei kleur, die _gaseoza_ worden genoemd, en cigaren; dikwijls ook bontgekleurde vogeltjes, en bouquetjes gardenias. Intusschen vallen bedelaars u lastig met hun gejammer, en als er dan nog muziek bijkomt, is het aan de stations een leven als een oordeel. Daar het reizen per spoor zeer duur is (14 centimes per kilometer) doet men het verstandigst, zich, als het maar eenigszins kan, van een ander vervoermiddel te bedienen.

Gelukkig doen de stoombooten te Cuba de meeste belangrijke plaatsen aan. Op de lijst der stoomvaartmaatschappijen staan aangegeven:

1. Twee wekelijksche diensten naar de noordelijke en zuidelijke havens der westelijke provincie.

2. Twee wekelijksche diensten naar de noordelijke havens der oostelijke provinciën.

3. Een wekelijksche dienst, en een andere, tweemaal per week, naar de zuidelijke havens der oostelijke provinciën.

Er zijn vijf stoomvaartmaatschappijen, twee cubaansche, een spaansche, en twee amerikaansche. Zeer druk is het verkeer met de Vereenigde Staten; dagelijks varen stoombooten naar Keywest; om den anderen dag naar Tampa en Mobile; tweemaal 's weeks naar New-York; viermaal 's weeks naar Jamaica; tweemaal in de maand naar Haïti en Porto-Rico; en eens per maand naar Frankrijk, Spanje en Duitschland; terwijl Liverpool wordt aangedaan door de koopvaardijstoomschepen.

Nog slechts voor kort zijn nauwkeurige kaarten vervaardigd van het uitgestrekte eiland. De verbindingen met het binnenland waren gebrekkig, en de bewoners kenden zelf de grenzen niet van hun eigendom. Onder het spaansche bewind vergenoegden zich de beambten met een bepaald punt op het papier vast te stellen, en daaromheen een willekeurige oppervlakte te teekenen van eigen vinding. Zoodoende ontstond een denkbeeldige verdeeling van den grond, die in de verte niet met de werkelijkheid overeenkwam, waardoor natuurlijk herhaaldelijk processen ontstonden, die thans nog voortduren. In 1898 werd voor het eerst, door toedoen van Amerikanen, een kaart van het geheele land gepubliceerd, op een schaal van 1/500 000; nadat reeds een uitvoerig ontwerp was verschenen op 1/132 500, vervaardigd door den Cubaan Pichardo, die het werk van een honderdtal landmeters had verzameld en geschift. Thans zal binnenkort een volledige kaart verschijnen, opgemaakt door de cubaansche regeering naar gegevens, haar verstrekt door ambtenaren van de afdeeling publieke werken, aan wie de kadastrale opmeting van den bodem is opgedragen. Langzamerhand worden, met behulp van ingenieurs van alle nationaliteiten, de vroeger begane fouten verbeterd. Indertijd vond men het voldoende, alleen de kustlijn getrouw weer te geven, en de opmeting van het binnenland aan onbevoegden over te laten; hoewel toch de oudste eigendomsconcessie reeds van 1514 dateerde.

Het eiland Cuba heeft een oppervlakte van 118 832 vierkante kilometer, een lengte van bijna 1230 en een breedte van 40 tot 200 kilometer. De bevolking bedroeg in 1775, 171 620 zielen; in 1841, 1 007 624, in 1887 1 631 687, in 1899 1 572 797, in 1903 1 653 486, en dit getal is thans nog aangroeiend.

Deze bevolking bestaat uit 1 052 497 blanken, 505 443 negers of mulatten, en 14 857 chineezen. De verhouding tusschen beide seksen is ongeveer gelijk. Slechts 40 percent der bewoners leven van handenarbeid. Zij zijn verdeeld over 83 gemeenten, gelegen in zes provinciën, waarvan de kleinste, maar dichtstbevolkte Havanna is.

De provincie Havanna is ongeveer 57 kilometer breed en 107 kilometer lang. De helft van deze oppervlakte, 't zij heuvelachtig of vlak, is met bosch bedekt.

Op mijn eerste uitstapje buiten de stad in oostelijke richting, vertrok ik van het station Villanueva. De trein stoomde langzaam door een drukbevolkte wijk, en daarna sneller langs den botanischen tuin en de Quinta de los Molinos. Weldra bespeurden wij aan de verspreide palmen en het dichte struikgewas, dat wij de stad achter ons hadden gelaten, en kort daarna hielden wij stil, eerst bij het vroolijke dorp Campo Florido, en toen te San Miguel, een plaatsje waar zeer veel suikerriet wordt verbouwd. Jaruco, dat van het begin der vorige eeuw dagteekende, is sedert den 18den Februari 1896, toen de opstandelingen er 136 huizen verwoestten, eigenlijk een bouwval gebleven. Doch de heerlijke omstreken, waar cactus, palmen en kokosboom welig tieren, zullen wel weder nieuwe bewoners lokken naar het plaatsje, dat nu slechts 1700 inwoners telde. Verder spoorden wij langs het dorp Bainoa, met zijn houten kerkje, gelegen te midden van bananenplantages en suikerrietvelden, en daarna volgde Aguacate, een aardig plaatsje van 6000 inwoners. Aan den horizon zagen wij thans lage heuvels verrijzen, en door fraaie bosschen en langs begroeide hellingen zetten wij onzen tocht voort naar Madruga, liet einddoel van dit uitstapje, op 87 kilometer afstand van Havanna gelegen, een allerbekoorlijkst plaatsje met zijn hellende straten, zijn square, en het hoog gelegen hotel, waar men van de veranda een uitzicht heeft als op een belvedère. De 2000 inwoners beklagen zich zeer over het nadeel, dat de oorlog hun heeft toegebracht. Zij zouden echter een aanzienlijk voordeel kunnen trekken uit een minerale bron van een temperatuur van 27°, die hier in de nabijheid ontspringt en in 1866 het eigendom van de gemeente is geworden; terwijl een heuvel, vlak daarbij gelegen, de Jiquima, zeer geschikt zou zijn voor de oprichting van een Sanatorium. Men heeft van daar een prachtig uitzicht op de heuvels van Grillo en Industria. Op de Jiquima was ook een monument opgericht voor 46 Cubanen, die hier waren gesneuveld.

Bij het volgende uitstapje, dat ik maakte, ditmaal in een zuidelijke richting, van Havanna uit, maakte ik gebruik van de guagua, en had door dit vervoermiddel gelegenheid, beter al de bijzonderheden van een der schoonste wegen op Cuba te kunnen waarnemen. Eerst kwamen wij door het dorp Luyano, omringd door weiden met grazend vee; daarna bereikten wij door een boschrijke vallei het dichtbelommerde San Francisco de Paula, en vervolgens een tweede dorp, Cotorro. Na het verrukkelijk gelegen gehuchtje Cuatros Caminos liep de weg twee uren lang tusschen de prachtigste laurierboomen, terwijl aan beide zijden een heerlijk landschap zich uitstrekte van lachende velden en weelderig groen. Wij kwamen hier veel karretjes met melk en bananen tegen. Wel honderdvijftig van die voertuigjes, elk beladen met tweeduizend liter melk, of groote hoeveelheden bananen, komen elken morgen aan in Havanna, na van het dorp José de las Lajas een nachtelijken tocht te hebben volbracht van 26 kilometer. Ik rustte uit van den langen rit in een zeer goede herberg te Campamento Cubano, een plaatsje van twee duizend inwoners, dat een zeer welvarenden indruk maakte. Om zes uur begaven wij ons weer op weg, en trokken door velden van bananen, suikerriet, maïs en tabak naar Loma Candela, een plateau, waar men een uitzicht heeft over een twintig kilometer breede vruchtbare vallei, die zich uitstrekt tot aan de zee, welke men van hier flauw kan onderscheiden. Guines, het volgende plaatsje waar wij stilhielden, scheen mij een modelstadje toe. Ik vernam, dat een der bewoners, Francisco Arango y Parreno, er twee en dertig scholen had opgericht. Dat getal scheen wel wat groot voor een kleine stad, doch de toedracht der zaak werd mij duidelijk, toen ik hoorde, dat gebrek aan de noodige ruimte de oorzaak was geweest, dat de leerlingen in een zoo groot aantal verschillende lokalen werden geborgen. De vruchtbaarheid van den bodem is hier verbazingwekkend. Geregeld tweemaal in het jaar wordt er geoogst. Vooral tomaten worden hier in groote hoeveelheid verbouwd, en jaarlijks worden 200 000 kisten van deze vruchten verzonden. Zestig van Cuba's grootste grondeigenaren zijn Amerikanen, die een levendig handelsverkeer onderhouden met de Vereenigde Staten, al laten zij inlandsche arbeiders werken op hun bezittingen. Door de toenemende belangrijkheid van dit bloeiende plaatsje scheen er sprake van te zijn, dat het door middel van een kanaal met de zee zou worden verbonden. Van het goedgebouwde station ging hier een lijn naar het zuidwesten, door suikerrietvelden en palmbosschen, waartusschen witte huisjes lagen verstrooid, naar de dorpen San Nicolas, Vegas en Palos. Toen wij dertig kilometer van Guines en honderdtwee kilometer van Havanna waren verwijderd, moesten wij terugkeeren, als wij ons vooraf vastgesteld reisplan wilden volgen en nog eenige van de mooiste punten in oogenschouw zouden nemen. Meer en meer bespeurden wij, dat wij ons van de beschaafde streken verwijderden, de omgeving werd steeds schilderachtiger, maar ook landelijker, tot wij eindelijk ophielden in het armoedige plaatsje San Felipe, waar ik een onrustigen nacht doorbracht, daar een luidruchtige troep acrobaten van een reizend circus den geheelen nacht aan het rumoer maken was in een aangrenzend vertrek, zoodat ik geen oog dichtdeed.

Toch vertrok ik reeds weder den volgenden dag, na mijn terugkomst te Havanna, van het station Villanueva, om thans een tocht naar het noordwesten te ondernemen, waar ik de suikerrietvelden en de fabriek van Toledo bezichtigde, en het hospitaal van Mazorra, waar ook krankzinnigen worden verpleegd. Door de vlakte van Rincon spoorden wij verder langs San Antonio, een plaatsje van 8178 inwoners, dat een kerk met twee torens, een grot, en een badinrichting rijk was, Ceiba, een middelpunt voor verschillende culturen, en Guanajay, een schilderachtig stadje met oude huizen, waarvan echter ook vele in den vrijheidsoorlog waren verwoest.

Thans bleef mij nog slechts een laatste onderzoekingstocht over, ditmaal naar het zuiden. Weer strekten zich naar alle zijden de velden uit van tabak en suikerriet, maïs, mango- en banaanboomen, tot wij stilhielden bij den heuvel van Cacahual, waar Maceo en Gomez begraven liggen. Béjucal, het volgende plaatsje, heeft rechte, breede straten en een aardig marktplein met palmen beplant, waarop een standbeeld van de Gerechtigheid prijkt. In de gezellig ingerichte club, het Liceo, woonde ik een zeer merkwaardige vertooning bij. Een der inwoners, een dokter, die veel artistieken aanleg bezat, had een ballet laten instudeeren door zestien jongens en zestien meisjes, de eerste, verkleed als russische soldaten, met hun sabels manoeuvreerende, en de laatste als japansche geisha's, zwaaiend met haar parasols. Het stadje, dat slechts zesduizend inwoners telt, bloeit zeer door de tabaksfabrieken en kweekerijen van vruchtboomen.

Te midden van de liefelijkste natuurtooneelen zette ik mijn tocht voort tot aan het eindpunt, dat ditmaal aan zee was gelegen, Batabano Surgidero, een plaatsje van vierduizend inwoners, dat voornamelijk zijn welvaart te danken heeft aan de visscherij, vooral van sponzen, die hier in groote menigte worden aangetroffen.

De geheele kust van Cuba, zoowel in het noorden als in het zuiden, is verbazend rijk aan verschillende sponzensoorten.

Daar men vroeger bij de vangst zonder eenigen regel of overleg te werk ging, en hierdoor veel voordeel liet verloren gaan, is thans bepaald, dat op de Noordkust de visscherij van 1 Maart tot 31 Mei moet worden gestaakt tusschen Cardenas en Nuevitas, en op de Zuidkust tusschen San Antonio en Cienfuegos. Op de ondiepe plaatsen worden sponzen gevonden van acht centimeter doorsnede, doch op twintig meter diepte treft men kolossaal groote exemplaren aan, soms wel tot een doorsnede van vijfenzeventig centimeter.

Om de sponzen los te maken, begeven zich twee personen in een kleine boot, een van de twee ligt plat op den buik in den achtersteven en heeft in de linkerhand een emmer met doorzichtigen bodem, die de weerkaatsing van het water in de diepte laat waarnemen, en in de rechter een langen stok met een haak, waarmede hij de sponzen van den bodem losmaakt, en naar boven haalt. Deze visscherij kan slechts plaats hebben bij stil weer, wat trouwens regel is te Cuba, waar de zee slechts bewogen wordt door zuidwestewinden en door stroomingen, veroorzaakt door rivieren die zich in zee uitstorten.

Honderdvijftig booten worden voor deze visscherij gebruikt. Zij doen tochten van veertig dagen en zijn bemand met zeven matrozen, terwijl ook een of meerdere eigenaars zich aan boord bevinden. Gemiddeld brengt de vangst van elk dezer booten omtrent 2500 francs op, waarvan een vierde het onderhoud der bemanning bekostigt, en de helft besteed wordt aan hun loon. Het overblijvende vierde deel is de winst van den eigenaar.

De tien of vijftien opkoopers (_compradores_) verdienen ongeveer 800 francs in de maand. Zij hebben hun eigen lokaal, waar de sponzen worden gekeurd en geprijsd, en dikwijls ziet men 's morgens tusschen halfzeven en tien een geheele straat vol liggen met partijen sponzen van 50 tot 200 dozijn, die van 150 tot 2000 francs waard zijn. Drie dagen worden de sponzen in de zon gedroogd, en dan weggeborgen, om naar grootte en kwaliteit te worden gesorteerd. De natuurlijke gaan naar Engeland en Frankrijk; in Amerika, Spanje, Rusland en Griekenland geeft men aan de gebleekte de voorkeur. Vele handelshuizen verzenden jaarlijks voor 130 000 tot 780 000 francs aan sponzen, terwijl de prijzen sedert 1903 nog voortdurend stijgende zijn.

In een kleine havenplaats aan de zuidkust van het eiland begaf ik mij op een morgen aan boord van een wit stoombootje, dat zachtjes door het stille water gleed. Voor ons strekte zich de effen, zonnige zeespiegel uit, hier en daar zoo doorschijnend helder, dat men diep tot op den bodem kon zien. Voor drie kwart is Cuba omringd door een zeer ondiepe zee, tot op vijfentwintig, of zelfs vijftig kilometer van de kust.

Rondom het groote eiland liggen dan ook een buitengewoon groot aantal kleinere; in 't geheel ongeveer 950; waarvan 230 tegenover het midden der kust aan de noordzijde liggen. Vier daarvan, Romano, Coco, Turiguano en Guajaba zijn zeer langgerekt van vorm. Vijftig andere eilandjes, die te samen de Colorados genoemd worden, bevinden zich aan de westkust. Aan de zuidkust liggen tweehonderd eilanden, die twee groepen vormen, het Perk der Koningin en het Labyrinth der twaalf Mijlen genoemd. Toen wij een nauwen doorgang waren doorgevaren, tusschen de eilandjes Mal Païs, Buena Vista, Redondo en Cruz, kwamen wij eindelijk in open zee, en kregen anderhalf uur geen land in het gezicht. Daarna echter rezen opnieuw groene kusten op, en wij naderden een archipel van tachtig kleine eilanden. Weldra zagen wij een in nevelen gehulde lage bergreeks verrijzen, waarin zich langzamerhand zes toppen duidelijker afteekenden. Daarvoor strekte zich een vlakte uit. Dit was het Pijnboomeneiland. In negen uren hadden wij den overtocht van 142 kilometer afgelegd. Onze boot voer een rivier met dichtbegroeide oevers op, en legde aan bij een oud gebouwtje, het station Jucaro.

Het Pijnboomeneiland is 52 kilometer lang, van het noorden naar het zuiden gemeten, en 72 kilometer van het oosten naar het westen. 't Is een zeer merkwaardige streek. Het landschap, de bewoners, alles droeg er een eigenaardigen stempel. De bodem is er schraal en vertoont weinig plantengroei op zijn zandige en steenachtige vlakten, waaruit zich hier en daar kalkrotsen verheffen. Op sommige plaatsen worden marmeraderen aangetroffen, en uit diepe grotten ontspringen bronnen, die rijk zijn aan ijzer en magnesiumzouten.

Twee kleine heuvelreeksen, die evenwijdig loopen, doorsnijden het eiland, en enkele toppen daarin bereiken een hoogte van vierhonderd meter. De lucht is er zuiver en droog, en vol van den heerlijken geur der dennenbosschen, en de temperatuur is er zeer gematigd.

Verbazend veel Amerikanen komen zich hier metterwoon vestigen. Ik hoorde, dat in den laatsten tijd 3000 nieuwe bewoners naar deze streken waren verhuisd.

De havenplaats en meteen de miniatuurhoofdstad van het eilandje is Nueva Gerona, met een kerk en een goed hôtel, dat echter niet druk bezocht was. De gezonde ligging en de nabijheid van een warme alkalische bron, die magnesiumzouten bevat, zullen het aantal inwoners, dat thans 500 bedroeg, wel spoedig doen stijgen. De verkoop van het land in kleine stukken trekt ook veel vreemdelingen naar deze streken. Stukken grond van 13 1/2 H.A. zijn verkocht voor honderd dollars, als de bodem schraal was; voor tweehonderd, tot soms duizend dollars, waar het vruchtbare plekken gold, in de buurt van rivieren en heuvels gelegen. Een vereeniging "the Isle of Pines Company", die een trust heeft gevormd met de "Fruit and Vegetables growing Association" heeft voor twee millioen dollars zich het bezit der beste stukken gronds verzekerd. Ik hoorde, dat een kooper, een voormalig directeur van een amerikaansch blad, een concessie had verworven van negenhonderd hectaren grond voor ooftkweekerij.

Een ander voorbeeld kan den lezer een denkbeeld doen vormen van de uitgaven, die een bescheiden onderneming van dien aard vereischt, en de winst, die zij kan afwerpen. Ik bezag o.a. een bezitting, 13 1/2 H.A. groot, waarvan de eigenaar 28 bijenkorven hield, jaarlijks 3000 ananassen en 7000 tomaten oogstte, en een kweekerij bezat van 300 grootere en 2500 jonge oranjeboomen, welke laatste weldra vrucht zouden dragen. Hij was een flinke, voortvarende man, die na drie jaren arbeids de gemaakte onkosten, op 3650 francs na, reeds had teruggewonnen.

Zijn honig had hem 1040 francs opgebracht, zijn ananassen 1560 francs, de tomaten 8320 fr., en een paard, dat hij kon missen, had hij verkocht voor 520 francs. Zijn inkomsten hadden dus in die drie jaren 11 440 francs bedragen.

Daartegenover stonden de uitgaven, die in het geheel beliepen 15 090 francs. Hiervan waren besteed: 130 francs voor onkosten van aankoop, 21 francs belasting, 520 fr. voor den grond; 1560 francs aan ijzerdraad voor omheiningen, 1560 fr. arbeidsloon; 780 fr. voor werktuigen; 625 fr. voor twee wagens; 1040 fr. voor twee paarden; 2490 fr. voor het onderhoud dezer dieren; 520 fr. aan hout; 260 fr. voor meubels en gereedschappen; 40 fr. voor correspondentie; 52 fr. voor een keukenkachel; 3754 fr. en 156 fr. respectievelijk voor voedsel en kleeding van twee personen.

In het volgende, dus het vierde jaar, zou nu voor het eerst de eigenlijke verdienste beginnen. Toch had de eigenaar zelf zijn huis gebouwd, zoowel als de bijgebouwen en den put, en zijn vrouw hielp hem naar haar beste vermogen. Zij waren erop bedacht, zoo zuinig mogelijk te zijn; en toch waren geen van beiden aan dit soort leven gewend, want hij was décorateur en stoffeerder geweest in Boston, en zij was de weduwe van een duitsch officier. Zij werkten verbazend hard en pakten bijv. zelf hun tomaten in, in den maneschijn. De vrouw bakte n. b. ook nog brood en koekjes, die veel aftrek vonden in de buurt, en hielp zoodoende nog hun inkomsten vergrooten. Nadat ik die aardige kleine kolonie, Riverside genaamd, had bezichtigd, vond ik geen der andere bezittingen, die ik later in oogenschouw nam, zoo aantrekkelijk meer.

Santa Fé, een dorp van 400 inwoners, bezit twee ijzerhoudende bronnen, een alkalische en een warme bron van 32°. In zijn omlijsting van mangoboomen en altijd groene dennen maakte het een schilderachtigen indruk. Voor kort was er dan ook een soort van winterverblijf opgericht, en in de omstreken woonden wel 600 Amerikanen, die hierheen waren gekomen na het tractaat van Parijs, waarbij het eilandje als amerikaansch grondgebied was verklaard, hoewel het later weder aan Cuba werd afgestaan. Zoolang niet beslist was, aan wien het zou toebehooren, was het kleine Pijnboomeneiland er treurig aan toe, daar de uitvoer van zijn producten door deze onzekerheid werd belemmerd. Sedert het Congres besliste dat het aan Cuba zou worden afgestaan, bleven de amerikaansche kolonisten er wel gevestigd, doch hun uitvoer naar de Vereenigde Staten is nog niet zoo aanzienlijk, als zij wel zouden wenschen. En toch is het een bij uitstek gunstig gelegen plekje gronds, waar ooftbouw en veeteelt kunnen bloeien, terwijl er marmer, mahonie- en ebbenhout gevonden wordt.

Naar Havanna teruggekeerd, was ik zeer tevreden over den uitslag van mijn bezoek aan dit eilandje, dat aangename herinneringen achterliet. Ik bleef ditmaal trouwens slechts een nacht in de stad en ging den volgenden morgen reeds weer op reis. Van het station Cristina vertrok ik per trein naar Jesus del Monte, in de westelijke provincie gelegen.

Bij Calabazar reden wij over een hooge spoorbrug. Het volgende station, Santiago de las Vegas, is een der middelpunten van de tabaksindustrie. De stad telt 7151 inwoners. Ik zag in 't voorbijgaan de kerk met twee torens, en aardige huisjes met verandas. Daarna spoorden wij door een vlakte, beplant met maïs, tabak, suikerriet (voor de fabriek Fajaldo) en prachtige palmen, onder welker schaduw de liefelijke dorpjes Guira en Alquizar waren gelegen. Daarop volgde dicht struikgewas, waartusschen zware ceiba's verspreid stonden, en een bosch van slanke palmen. Wij waren hier 71 kilometer verwijderd van Havanna, aan het begin van de groote landtong, die in het Spaansch Vuelta Abajo (Lage Bocht) heet, en die aan liefhebbers van rooken waarschijnlijk bij name bekend is.