Zes maanden op Cuba—Havana De Aarde en haar Volken, 1908

Chapter 3

Chapter 33,514 wordsPublic domain

Werkelijk trof men niet ver van daar het bedoelde kamp aan. Er werden eenige geweerschoten gewisseld, en de Cubanen, die voor de overmacht moesten wijken, lieten enkele dooden op het veld achter. Toen eene van de vrouwen, die in een gesneuvelden soldaat haar eigen man herkende, zich onder tranen van wanhoop op zijn lijk wierp, liet de luitenant alle twaalf vrouwen oogenblikkelijk fusilleeren, en moet zich zelf later over deze daad van ruw geweld hebben verhoovaardigd. Ook uit dezen tijd dateert de moord der acht studenten in de medicijnen, wier grafteeken ik zag op het kerkhof bij San Ambrosio. Zij hadden planten gezocht op een begraafplaats te Havanna, en werden zonder den minsten grond beschuldigd het graf te hebben ontwijd van een journalist, een voormalig aanhanger der spaansche partij, die in een duel met een Cubaan was gedood. Zonder nader onderzoek werden deze jongelieden ter dood gebracht, waarvan de oudste nog slechts twintig en de jongste niet meer dan zestien jaren telde. Ondanks dit alles wisten de opstandelingen zich niet alleen staande te houden, maar wapenen en zelfs kanonnen te verschaffen, die zij, zooals Cespedes had voorspeld, op den vijand veroverden. Ook uit Amerika werden wapens gezonden, maar vele Cubanen bedienden zich van pieken en de _machete_, een inheemsche sabel. In kleine troepen bestookten zij den vijand, dien zij bij voorkeur aanvielen van uit een hinderlaag, terwijl zij in de dichte bosschen een voor vreemden bijna ontoegankelijke schuilplaats vonden. De kleine, sterke en vlugge cubaansche paarden, waarmede zij volkomen waren vertrouwd, bewezen hun hierbij goede diensten.

Er was een tijd, dat het leger der opstandelingen uit 45 000 welgewapende soldaten bestond, terwijl niet minder dan 150 000 sterke mannen, vol toewijding voor de zaak der vrijheid, bereid stonden om de gevallenen te vervangen. Tien volle jaren hielden zij zich tegenover Spanje staande. Al spoedig hadden zij besloten, zich te vereenigen onder een geregeld bestuur, met een wetgevende kamer van afgevaardigden, een uitvoerend bewind, en een rechterlijke macht. In de hoop de Vereenigde Staten gunstig voor zich te stemmen, volgden zij in de regeling van hun bestuur het voorbeeld der groote republiek.

Den 10den April 1869 kwam de volksvertegenwoordiging van Cuba bijeen te Guaimaro, een plaatsje in het binnenland.

Haar eerste werk was de afkondiging der federale republiek, waarna beraadslaagd werd over de wetten volgens welke het land gedurende den vrijheidsoorlog zou worden geregeerd, en Carlos Manuel Cespedes als president der republiek gekozen.

Reeds hadden Peru, Chili, Bolivia en Mexico Cuba als een zelfstandige mogendheid erkend, doch het was voor de Cubanen van het grootste belang, dat ook de Vereenigde Staten hen als zoodanig zouden beschouwen, zoowel wegens den zedelijken steun, dien zij hierdoor zouden ontvangen, als om de materieele hulp, die zij uit Amerika konden verwachten. De buitengewone gezant der nieuwe republiek, Moralès Lemus had meermalen een onderhoud met president Grant te Washington, doch stuitte steeds op onoverkomelijke bezwaren. Spanje had zich aan het gezag van Isabella II onttrokken, en met de liberale regeering te Madrid stonden de Vereenigde Staten op vriendschappelijken voet. Toch veronderstelde men te Washington, dat Spanje wel bereid zou zijn van Cuba afstand te doen tegen een som van honderd millioen piasters.

Spanje onttrok zich echter aan de onderhandelingen, hoewel het bij de vergeefsche pogingen om den opstand op Cuba te dempen, reeds 100 000 man verloren had. Al kon dus Amerika niet rechtstreeks ingrijpen, noch het Congres, noch het volk verborgen hun sympathie voor de zaak der opstandelingen. Te New York vormde zich zelfs een comité, dat wapenen en munitie naar Cuba zond, leeningen sloot, en ijverig opkwam voor de belangen der Cubanen.

Deze "junta" bezat o. a. haar eigen schepen, die de waakzaamheid moesten verschalken van het spaansche eskader, als zij de opstandelingen wapenen wilden verschaffen; 't geen des te moeilijker was, daar de rebellen slechts meester waren van een gedeelte van het binnenland.

In 1873 werd een dezer schepen, de _Virginius_, door een Spaanschen kruiser vermeesterd, nadat het reeds zijn geheele lading wapens in zee geworpen had. Ondanks deze voorzorg werd de bemanning, 61 man sterk, tot den laatste toe gedood. Stervende riepen zij nog: Leve het vrije Cuba! Hun bloedige hoofden werden op pieken door de straten van Santiago rondgedragen.

Al wekte deze gruweldaad een storm van verontwaardiging in Amerika, nog achtte de regeering het tijdstip niet gekomen om tusschenbeide te treden. Eerst het verlies van het amerikaansche pantserschip Maine in 1898 werd de aanleiding tot den Spaansch-amerikaanschen oorlog, waaruit de republiek Cuba zegevierend te voorschijn trad. Zooals bekend is, trad de nieuwe republiek in 1902 onder de bescherming harer machtige naburen op, aanvankelijk onder gunstige voorteekenen; doch spoedig maakten inwendige verdeeldheden een nieuwe tusschenkomst van Amerika noodzakelijk, thans niet tusschen Spanje en Cuba, doch tusschen de cubaansche regeering en het volk, dat zij vertegenwoordigde.

De republiek Cuba wordt bestuurd door een president, een vice-president en zes ministers. De wetgevende macht is toevertrouwd aan 24 senatoren en 64 afgevaardigden, die in April en November telkens veertig dagen zitting houden. De rechterlijke macht berust bij een hoogst gerechtshof te Havanna, en dertien gerechtshoven in de provinciën. Ook staat onder haar beheer de stedelijke politie, en op het land de guardia rural, die 4000 man telt, benevens 800 artilleristen. Deze gewapende macht staat ook ter beschikking van 83 gemeentebesturen en zes provinciale gouverneurs. Het geheele regeeringssysteem staat (krachtens het amendement Platt) onder de gewapende bescherming van twee amerikaansche kuststations.

In den beginne scheen alles zeer goed te zullen gaan; de Kamers legden hare wetsvoorstellen voor aan den President, die zijn veto mocht uitbrengen, tenzij eene wet een meerderheid verkreeg van twee derde der stemmen van de volksvertegenwoordiging. Dank zij de gelukkige samenwerking van het hoofd van den Staat met hen, die hem ter zijde stonden, werd veel goeds tot stand gebracht; zoowel door maatregelen tot bevordering van de volksgezondheid, en door de instelling van een sanitaire- en veiligheidspolitie, als door de oprichting van nieuwe scholen, het aanleggen van wegen (in 14 jaren breidde zich het net van wegen over het eiland uit van 590 tot 4053 K.M.), en de verbetering van den post- en telegraafdienst. Ook werden met het buitenland voordelige tractaten gesloten. Zoo werd een overeenkomst aangegaan met de Vereenigde Staten, waarbij producten uit Cuba in de amerikaansche havens werden ingevoerd met 20 percent reductie, op voorwaarde, dat de amerikaansche waren in Cuba een reductie van 30 percent zouden genieten. Door deze overeenkomst, aangegaan voor den tijd van vijf jaren, nam de invoer van amerikaansche waren in Cuba verbazend toe, zonder dat daardoor de handel van Cuba met Europa schade leed.

Een leening van 175 millioen francs werd gesloten, om aan 30 000 strijders voor Cuba's vrijheid schadeloosstelling te verschaffen voor het verlies van hun grond, die gedurende den vrijheidsoorlog verwoest was. Hierdoor geraakte de landbouw tot vernieuwden bloei; de levensmiddelen werden goedkooper en bij de algemeene welvaart nam de bevolking toe, toen helaas aan den politieken hemel zich wolken vertoonden.

Twee partijen waren allengs ontstaan; ter eener zijde de voorstanders van amerikaansche denkbeelden en al wat amerikaansch was, en daar tegenover de liberale partij, die onder de leus "Cuba aan de Cubanen", Amerika openlijk vijandschap had gezworen. Een heftige pennestrijd werd van weerszijden gevoerd door bekwame journalisten, waaronder vooral de mulat Juan Alberto Gomez uitmuntte.

Eindelijk, den 23sten September 1905, moest de verkiezing van nieuwe kamerleden plaats hebben. Door list en bedrog gelukte het der gematigde partij een groote meerderheid te verkrijgen, waarop de liberalen handelend optraden, en onder hun drie leiders, generaal José Miguel Gomez, senator Alfredo Zayas en Juan Gualberto Gomez naar Havanna trokken. De regeering, die overrompeld werd en niet voldoende troepen tot hare beschikking had, wilde geen nieuwe verkiezingen doen plaats hebben, en moest tegen wil en dank aftreden.

Zonder hoofd kon de republiek echter niet blijven, en toen de pogingen van president Roosevelt om beide partijen te verzoenen vruchteloos bleken, maakten de Vereenigde Staten (krachtens het amendement Platt) gebruik van hun recht om vrede te stichten, en benoemden tot gouverneur van Cuba den heer Taft, die thans zijn taak aan den heer Magoon heeft overgedragen. Deze zal waarschijnlijk zijn ambt bekleeden totdat het opnieuw aan het volk vergund wordt, zijn eigen vertegenwoordigers te kiezen en zoo in waarheid een republiek te worden. Het is voor Cuba te hopen, dat de moeilijkheden op vreedzame wijze worden opgelost, en het land een betere toekomst te gemoet gaat.

Toen Christoffel Columbus Cuba voor het eerst aanschouwde, verklaarde hij het voor het schoonste eiland, dat hij ooit had gezien. Ik aarzel niet, die uitspraak van den ontdekker te beamen; ook op mij maakte het een onuitwischbaren indruk.

De gesteldheid van den bodem is vol afwisseling. In de omstreken van Havanna grenzen kleine vlakten aan lage heuvels, het vlakke westelijk deel sluit zich aan bij een hoogen bergketen, die in een hoogvlakte eindigt; het midden van het land is gedeeltelijk moeras, gedeeltelijk golvende laagvlakte, waartusschen verspreide heuvelen verrijzen, terwijl het Oosten gevormd wordt door vlakten, rivieren, een bergketen en een hoog heuvelland.

Ook de geologische formatie van den bodem is zeer afwisselend. In het Westen is kalk- en kleigrond; de tabaksplantages liggen op een bodem, waar kalk, klei, kwarts, kiezel en ijzer wordt gevonden. In het midden des lands, waar suikerriet wordt verbouwd, is de bodem kalk, vermengd met klei of ijzer; òf kalk boven een laag zand, twee samenstellingen, die de roode en de zwarte aarde vormen. In het bergachtige Oosten, waar zich de uitgestrekte grasvlakten bevinden, op welke het vee graast, is de bodem een mengsel van kalk, klei en kiezel. In de hoogere streken is de grond hier en daar vulkanisch, en men ziet er granietvormingen, waarin marmer, bruinsteen, koper, ijzer, goud, steenkool, lood, zink, graphiet, en asbest worden aangetroffen. Ook ontspringen hier bronnen, die ijzer en magnesium bevatten.

De grond is uiterst vruchtbaar. Bijzonder veelvuldig wordt hier een boom aangetroffen met een lichtgekleurde schors en zware takken; de _oreodoxa regia_, of roem der bergen, ook bekend onder den naam Koningspalm. Naast dezen boom, die alleenstaand of in groepen voorkomt, zag ik ook andere palmsoorten, de kleine _criolla_, die een fleschvorm heeft; de _coroio_, met een zeer dikken stam, de _hata_, een gedrongen boom met een breedgespreide kruin, de _cana_, die fier haar waaiervormige bladertrossen omhoog heft, en een zeer slanke palmsoort, de _juraguana_, die rank en puntig als een ijzerdraad omhoogschiet.

In de tabaksplantages staan de frischgroene planten in geregelde rijen geschaard, en daarnaast prijkt het teere lichtgroen van het suikerriet. Ook maïs en andere graangewassen worden verbouwd, zoowel als groenten en tomaten. Ik zag ook een groote verscheidenheid van grassoorten; de _paral_ in de lagere, de _guinea_ in de hoogere streken; de _millo_, een soort riet en de _pitilla_, een zeer fijn gras, dat in de savanna groeit.

In de bosschen der laagvlakte tieren ceders, mahonie-, ebbenhout en campêcheboomen; in de bergen veel varens en bamboesoorten. In het dichte kreupelbosch vond ik de _cupey_, een soort klimop, terwijl zich op open plekken hier en daar een zeer merkwaardige boom vertoonde, de _ceiba_, met een hoogen, effen, gladden stam en een breedvertakte kruin, die bedekt is met woekerplanten. Zelfs in de dorste streken groeit struikgewas, zooals de _paratejos_ en _vacabueys_, met stekelige bladeren. Kokos, mango- en oranjeboom groeien in vruchtbaarder bodem, terwijl kweekerijen worden aangelegd van ananas, bananen, koffie- en cacaoboomen, en van geneeskrachtige kruiden.

Die overvloedige plantengroei is niet alleen aan de gesteldheid van den grond, maar ook aan een uiterst gunstig klimaat toe te schrijven. Ten eerste valt in October en April rijkelijk regen, en is de lucht in de andere maanden van het jaar verzadigd van vocht; ten tweede wisselt de temperatuur in de bergen tusschen 11° en 28°, en in de vlakten tusschen 13° en 40°. De winter, die van October tot Mei, en de zomer, die van Mei tot October duurt, verschillen niet veel in warmte. In het laatste jaargetijde stijgt de thermometer tot ongeveer 33°; doch des avonds valt dan ook meestal regen, die de lucht afkoelt. Gedurende den winter waait de wind uit het Noorden, en in den zomer wisselt een zachte Zuidenwind (_virason_), die van 10 tot 3 uur overdag waait, af met een lichte bries uit het Noorden (_di tierra_) die des avonds om acht uur opsteekt en des morgens om drie uur gaat liggen. In December en Januari daalt de thermometer, bij droog weder, niet onder 9°. Deze ligging tusschen zeewinden, uit het Noorden en het Zuiden, draagt ertoe bij, de lucht hier bijzonder gezond te doen zijn. Ook wordt de zuiverheid der atmospheer bevorderd door de aanwezigheid van een menigte gieren, zwarte vogels met rooden hals, welke zich voeden met allen afval, die anders de lucht verontreinigen zou.

De kleine rieten hutjes, die overal in Cuba in het veld verspreid staan, geven het land een schilderachtig voorkomen. Het boerenhuis, _bohio_ genaamd, bestaat uit twee vertrekken, die door gevlochten palmwanden gescheiden zijn; het dak is met bladeren gedekt. Van buiten ziet zulk een gebouwtje er niet zeer stevig uit; maar van binnen is het zeer behagelijk ingericht. Al is de keukenhaard wel wat primitief, in de slaapkamers zijn de muskieten-gordijnen om de bedden met bevallige zwier geplooid, en in het woonvertrek prijkt dikwijls een moderne naaimachine. Daar het bouwen van zulk een huisje niet meer dan 25 pesos, of honderd francs behoeft te kosten, verhuizen de bewoners zonder veel bezwaar, om zich op een andere plantage opnieuw in te richten.

De bewoners van het platteland zijn huiselijk van aard; waarschijnlijk een gevolg van reactie na de lange jaren van onrust en oproer, toen overal de indringers moesten worden geweerd. Thans genieten deze lieden dubbel van het rustige besef hunner veiligheid.

Omtrent het begrip arbeid huldigt men hier geheel andere opvattingen dan in Europa. De bewoner van Cuba werkt niet harder dan volstrekt noodzakelijk is; en de vruchtbaarheid van den bodem is zoo groot, dat de landbouwer eigenlijk gedurende acht maanden van het jaar niets behoeft uit te voeren. Wat hij verbouwt verkoopt hij zelden, doch indien dit eens gebeurt, weet hij er een aardig voordeeltje aan te behalen. De verkregen winst is echter spoedig weer gevlogen; want geld uitgeven en inkoopen doen is de geliefkoosde bezigheid van mannen en vrouwen beide. Uren brengen de boeren ook door in café's, waar zij domino, kaart, schaak en biljart spelen, en praatjes maken in 't oneindige. Want de Cubanen zijn eerste babbelaars, en alsof ze voor tijdverdrijf nog niet genoeg hebben aan het zingen van smachtende en dartele liedjes, aan guitaar en mandoline, aan wals en danzon, vullen ze een groot aantal ledige uren met hun aanhoudend gebabbel. De eindelooze woordenstroom wordt slechts nu en dan afgebroken door de gebruikelijke uitroepen: _que tal que va, hombre, regular_, en _Ave Maria purissima_. Tijdens mijn verblijf te Cuba hield de politiek en de schadevergoeding, uitgekeerd aan de voormalige strijders voor 's lands vrijheid, voornamelijk de gemoederen bezig.

Over geldelijke aangelegenheden maken zij zich uiterlijk nog al warm; maar in den grond nemen zij die zaken toch niet zwaar op.

Werken is dan ook eigenlijk overbodig voor lieden, die niets noodig hebben dan een Panamahoed, dien ze jaren achtereen dragen, eenvoudige linnen kleeding en het voedsel dat hun stukje grond in overvloed oplevert, terwijl de dagelijksche uitgaven van een geheel gezin niet meer bedragen dan vier francs. Ik spreek natuurlijk slechts van de bevolking op het platteland, die een gemakkelijk leventje leidt, nooit haast heeft, en alles liefst maar uitstelt tot morgen. "Manana!" zeggen zij.

Van paardrijden houden zij bijzonder veel. Telkens ontmoet men in 't wit gekleede ruiters, met hun Panamahoed en de _guayavera_, een soort van fijn geplooid hemd, met zakken, dat in geheel westelijk Cuba gedragen wordt. Zij zitten zeer goed te paard, op hun zadel met ronden knop, en met de voeten in stijgbeugels, die van voren met leer zijn bekleed. De paarden hebben een eigenaardigen gang, die geen draf en geen galop is, maar een geregeld sukkeldrafje, waarbij ze zich zoo zacht en gelijkmatig voortbewegen, dat de ruiter, naar men zegt, een vol glas water in de hand kan dragen, zonder een druppel te storten. Die cubaansche paardjes zien er soms bemodderd en ontoonbaar uit; maar kunnen verbazend lange afstanden afleggen; altijd wanneer men ze behoorlijk rust gunt in de stations of herbergen, die op geregelde afstanden langs de wegen zijn geplaatst.

De meest voorkomende van deze inrichtingen is de _bodega_, een soort van open tent, met een toonbank, waar wijn, bier, vruchten etc. te krijgen zijn, en waar men rusten en iets gebruiken kan. Op de vaste pleisterplaatsen zijn uitgebreider inrichtingen van dien aard, die _tienda mixta_ heeten, en waar bijv. ook kleedingstoffen worden verkocht, of zelfs wel meubelen en toilet-artikelen. In het laatste geval draagt zulk een magazijn den naam van _almacen_; de klanten zitten er op tabouretten en worden geholpen door bedienden in hemdsmouwen. Dergelijke winkels vindt men echter alleen in vrij belangrijke plaatsen.

De steden en dorpen zien er aantrekkelijk uit; de wit en blauw geschilderde huisjes geven een frisch en levendig aanzien. De hoofdstraat is meestal een met gras begroeide rechte laan, zonder plaveisel, en dus, als het regent, onbegaanbaar voor de voetgangers, die dan maar een heenkomen moeten zoeken onder enkele planken afdakjes, die ter beschutting zijn aangebracht en behooren tot de deftigste huizen, welke toch altijd met riet gedekt zijn. Is zulk een gebouwtje een hôtel, dan staan onder dat afdak gedekte tafeltjes, dikwijls door wijnvlekken ontsierd, en in de slaapkamers, door lage beschotten gescheiden, gewone veldbedden met een zeildoek bespannen.

In de kleine steden dragen de rechthoekig elkaar kruisende straten fraai klinkende namen van vrijheidshelden, Marti, Maceo, Gomez ... Daar is dan ook de hoofdstraat geplaveid en het marktplein versierd met palmen en bloemperken. Druk is het in die kleine plaatsjes altijd; over dag verdringen zich ruiters en rijtuigen, soms met ossen bespannen, want de bewoners zijn verbazend lui, en zullen geen voet verzetten als het eenigszins te vermijden is. Des avonds is de straatverlichting (door gas of electrisch licht) zeer voldoende.

Nog eer de kerkklokken het Angelus hebben geluid, beschouwt men hier het dagwerk als afgedaan; de heeren liggen languit te rusten in hun fauteuil; de dames spelen nog een uurtje piano, eer het tijd wordt naar de komedie te gaan. Want in den schouwburg is altijd iets te zien of te hooren, dank zij de vele reizende muziek- en tooneelgezelschappen. Ook trekken wel tien of vijftien circustroepen het land door, die vooral onder de zwarte bevolking grooten opgang maken. En dan, niet te vergeten, de steeds zich herhalende bals en danspartijen, waarvan de jeugd gretig gebruik maakt, en waarbij een menigte billets-doux worden gewisseld, die na de thuiskomst worden gelezen en genoten.

Op het land echter is men niet zoo afkeerig van zich eens te verplaatsen, als in de stad. Ondanks het gebrek aan paarden en muilezels, waarvan het aantal in de jaren van oorlog zeer verminderd is, doen de Cubanen toch zeer dikwijls lange tochten te paard. Een vreemdeling kan hier voor een centen, d.i. 26.40 francs, plus omstreeks zes francs per dag voor voedsel en verzorging, een paard huren.

De weinige wegen, die het eiland doorsnijden, bieden heerlijke, afwisselende uitzichten aan en zijn beplant met schaduwrijke boomen. De weg van Cotorro naar San José de las Lajas is bijv. over een lengte van veertien kilometer door prachtige laurierboomen begrensd. Doch deze weg is, behalve die van San Cristobal, eigenlijk de eenige in de provincie Havanna die voor voertuigen berijdbaar is.

Behalve deze schaarsche verkeersmiddelen vindt men in Cuba niet anders dan de meest primitieve voetpaden, die door velden en akkers, of door bosch en struikgewas slingeren. Rivieren moet men doortrekken op de plaatsen waar zij 't gemakkelijkst doorwaadbaar zijn. En de bodem is natuurlijk, al naar het jaargetij, niet anders dan dik stof, of taai slijk, om niet te spreken van de plekken, waar scherpe rotspunten het gaan nog bezwaarlijker maken.

Het is jammer, dat het land in dit opzicht zoo achterlijk is gebleven. Voor vijf jaren besloeg het net van wegen slechts 256 kilometer, en dat der spoorwegen 1505 kilometer, terwijl verschillende lijnen, halverwege voltooid, aan hun lot waren overgelaten. Door tusschenkomst van Amerikanen werden in vier jaren 150 kilometers wegen hieraan toegevoegd, en bovendien een spoorweglijn van 542 kilometer aangelegd van Santa Clara naar San Luis.

Maar er blijft nog veel te doen over. Plannen bestaan, om 4053 kilometer wegen te laten aanleggen, die in veertien jaar gereed zullen zijn. Het werk wordt echter vertraagd door gebrek aan middelen. Het blijft bij plannen beramen, en misschien zal het nog lang duren, eer Cuba in het bezit is van behoorlijke verkeerswegen, waarop trouwens de landelijke bevolking, aan den tegenwoordigen toestand gewend, niet eens zeer nadrukkelijk aandringt.

Een ouderwetsch vervoermiddel, dat nog in het geheele eiland wordt gebruikt, is de _volanta_, een houten bak, met laag uitgesneden zijden, een vertikale voorplank en een lage, breede achterbank, beschermd door een zware leeren kap. Dat gevaarte is met riemen op een los onderstel met zeer hooge wielen bevestigd, om zoodoende den reiziger eenigszins te vrijwaren voor de geweldige schokken, waaraan het voertuig is blootgesteld door de oneffenheid van den bodem.

De _guagua_ is een lang soort tentwagen, die aan alle zijden goed overdekt is, en waarin men voor slecht weder dus wel is beschut; maar men komt er slechts heel langzaam mee voort, ondanks het vijftal paarden of muilezels, die het toestel trekken.