Zes maanden op Cuba—Havana De Aarde en haar Volken, 1908

Chapter 2

Chapter 23,500 wordsPublic domain

De nationale schouwburg, die 4000 plaatsen voor toeschouwers bevat, en in 1837 werd gebouwd, onder den gouverneur Tacon, wijkt in geen enkel opzicht af van andere dergelijke gelegenheden in tropische landen: breede gangen en goede ventilatie weren er de overgroote hitte. De schouwburgzaal is vrij eenvoudig, en sober wat de versiering betreft. Er komen veel buitenlandsche sterren van de eerste grootte; zoo spaansche als italiaansche en fransche, o. a. Guerrero, Tetrazzini, Reiter, Thuillier, Duse, Coquelin, Réjane en Sarah Bernhardt. Op zulke avonden betaalt men 10 francs alleen voor entrée, en nog 10 of 15 francs bovendien voor een plaats in de stalles of in een loge.

In een kleiner theater, het Alhambra, worden aardige pittige revues vertoond, waarin de vaderlandslievende geest der Cubanen ruimschoots gelegenheid tot uiting vindt.

In het Palatino-park, een zeer aantrekkelijke plaats van bijeenkomst, waar de jeugd zich gaarne gaat vermaken, wordt in een groote zaal vol belangstellende en ijverig weddende toeschouwers, Jai Alaï gespeeld, ('t geen "vroolijk spel" beteekent); het is een soort spaansch balspel, dat veel behendigheid vereischt.

Op een andere uitgestrekte vlakte spelen jongelieden baseball, een spel van amerikaanschen oorsprong.

Natuurlijk wordt er veel gefietst, ook door negers, en reeds hebben op den weg van de hoofdstad naar San Cristobal automobielwedstrijden plaats gehad, die levendige geestdrift wekten; zoodat voor den eerstvolgenden wedstrijd reeds schitterende prijzen werden uitgeloofd, vier bekers, meerdere kunstvoorwerpen, en een prijs van de stad Havanna van 100 000 francs.

Dames nemen aan al deze spelen in de open lucht hier weinig deel, en spelen zelfs niet geregeld tennis.

Natuurlijk vond ik het verreweg het meest interessant, ook eens een gezellige bijeenkomst onder de lagere klassen der bevolking te kunnen bijwonen. Onder deze is men gewoon onderscheid te maken tusschen negers en mulatten; hoewel het van zelf spreekt, dat zij, die niet in slavernij geboren zijn, of wier uiterlijk in niet al te sterke mate het negertype vertoont, zich gaarne bij de laatstgenoemden scharen, en niet willen toegeven, dat zij zwarten zijn. Zoowel negers als mulatten hebben hun eigen clubs; in het geheel wel een dertig in getal. Ik genoot eens het voorrecht, een invitatie te ontvangen van de Gardenia-club, waar ik aan den ingang door een majestueuze negerin werd verwelkomd. In een zaal met een uitstekend orkest en een mooien Pleyel vond ik de heeren in onberispelijke gekleede jassen en de dames in groot toilet eendrachtig bijeen.

Sommige der donkergekleurde schoonen waren in het rood gekleed, droegen puntige mutsen, een houten sabel, en een herkenningsteeken, waarop de naam Jeanne d'Arc stond te lezen; ik kon echter, ondanks mijn herhaald aandringen, niet van haar gedaan krijgen, mij te vertellen wat dit beduidde. De avond verliep in de grootste orde, onder dansen, muziek, en geregelde pauzen, en men beijverde zich blijkbaar, op het punt van étiquette niet voor het deftigste blanke gezelschap onder te doen.

Men danste de _habanera_ en den _rigodon_; maar ook een amerikaanschen dans, Two Steps, met begeleiding van de bekende Hiawatha; onze walsen en de muziek van Strauss worden weinig gedanst en gespeeld; daar men in dit warme klimaat de voorkeur geeft aan een langzamer tempo, zooals bij den geliefkoosden _Danzon_. Bij dezen dans zijn alle bewegingen rustig en ingehouden; een paar polka-passen; een langzame pirouet, de dansers komen bijna niet van hun plaats, en men kan gerust tusschen de dansende paren doorwandelen, die met ernstige gezichten tegenover elkaar hun figuren uitvoeren. De eenige, curieuse beweging, die dezen overigens vrij plechtstatigen danspas verlevendigt, is een soort van onverwachte schok met de heupen, die soms een bijna komischen indruk maakt, vooral daar de muziek, die dezen dans begeleidt, allerwonderlijkst vreemd en grillig is, en eigenlijk op een vreemdeling den indruk maakt, alsof ieder instrument op zijn eigen houtje speelt, met de bedoeling, zooveel leven te maken als maar eenigszins mogelijk is. Men zou denken dat zij het zoo geen tien minuten achtereen konden volhouden, en gelukkig namen dan ook de muzikanten om het kwartier een poos rust. Zij bedienden zich voor het maathouden van een opzettelijk hiertoe vervaardigd instrument, de _guïro_, een langwerpige kalebas, aan het eene eind omgebogen, uitgehold, gedroogd, en in de dwarste geribd door inkervingen, waarover met een vischgraat, of een ijzeren staafje wordt gestreken. De artist, die het speeltuig hanteerde, sloeg soms tot afwisseling de maat met een paar stukken hout; doch keerde dan weer tot zijn instrument terug, dat een scherp, hortend geluid gaf, en aan een afrikaansche tam-tam deed denken. De _danzon_, die bij de volksklasse zeer in trek is, wordt echter in aristocratische kringen niet gedanst.

In het Parque Central en het Malicon komen tweemaal 's weeks de burgerlieden, zoowel als de meer beschaafden, luisteren naar de muziekuitvoeringen van het stedelijk orkest; en daar had ik gelegenheid allerliefste jonge meisjes te zien en mooie gezichtjes te bewonderen, met groote oogen, fijne trekken, een matte, maar fluweelige gelaatstint, prachtig zwart haar en een meer gevulde dan slanke gestalte. Zij droegen gracieuse, lichte toiletjes, maar in den regel geen hoed. Behalve die twee avonden, waarop zij zich buitenshuis mogen vermaken, en een enkele maal een wandeling, blijven zij meestal binnen haar vier muren opgesloten en voeren daar weinig uit. Het grootste gedeelte van den dag wordt besteed aan in een makkelijken stoel zitten babbelen, eens in de geïllustreerde tijdschriften bladeren, of een vertaalden roman lezen van Dumas, Daudet of de Maupassant.

Tot afwisseling wordt wel eens een half uurtje piano gespeeld, Strausz-walsen, amerikaansche operettes; zelden een klassiek stuk. Wat beide haar harten en hoofdjes het meest in beslag neemt en ledige uren vult, is het opstellen van geheimzinnige briefjes, die aan de hoede eener in dergelijke zaken bedreven negerin worden toevertrouwd en mededeelingen bevatten van gelukkig nog al onschuldigen aard. Dikwijls ook komen de jeugdige aanbidders der schoonen haar een bezoek brengen; in deftige kringen worden zij dan in den salon ontvangen, onder het waakzaam oog eener voorzichtige mama, die echter wel eens behoefte heeft aan een middagslaapje; behoort het paartje tot den burgerstand, dan wordt het gesprek desnoods gevoerd door de belemmerende tralies van een of ander achtervenster. Zoo gaan voor de jonge dames van Havanna de dagen voorbij; zelfs boodschappen doen bezorgt haar geen afleiding, daar het gewoonte is, alle bestellingen aan huis te laten bezorgen. Alleen schoolgaande meisjes leiden een vrijer leven, als zij tenminste niet een der verschillende kostscholen bezoeken. Veel goeds hoorde ik van een instituut voor jongedames, aan het hoofd waarvan reeds vijfentwintig jaren een zekere Mme Maria Luisa Dolz had gestaan, wier zilveren feest juist tijdens mijn verblijf in Havanna luisterrijk werd gevierd. Een andere inrichting van onderwijs, die ik ook zeer hoorde prijzen, was die van Mlle Léonie Ollivier, een echte fransche school, waar aardrijkskunde en geschiedenis in het fransch werden onderwezen, en waar de leerlingen uitstekend op de hoogte waren van de fransche litteratuur.

Parijs te zien, was het ideaal van al die cubaansche jongejuffertjes. In tegenstelling met de amerikaansche en duitsche inrichtingen van onderwijs, werd hier aan de fransche school ook les gegeven in Spaansch, en op de mandoline, welk gracieus instrument door een groepje allerliefste jonge meisjes met veel vaardigheid werd bespeeld. Jammer vond ik het, dat die aardige schepseltjes zich niet wat meer in het publiek mochten vertoonen. Op de wandeling in de parken ziet men hier op de banken niet anders dan mannen zitten uitrusten en naar de voorbijgaande negerinnen en mulattenvrouwen kijken. Mocht het maar eenmaal voor de dames van Havanna mode worden, zich geregeld buitenshuis te vertoonen, dan zou de stad er aan vroolijkheid bepaald door winnen. Op het gedrag van de fatsoenlijke meisjes uit den burgerstand valt hier niets aan te merken. Ik deed moeite om mij hiervan door eigen ervaring te overtuigen; maar ik bemerkte zeer goed, dat ik mij geen te groote vrijheden mocht veroorloven. Zij hebben meest allen wel een vriendschappelijke verhouding met een of ander jongmensch, dat haar het hof maakt; maar alles gaat in eer en deugd toe, onder het wakend oog van ouders of verwanten. Onder de arbeidstertjes op de sigarenfabriek maakte ik aardige kennissen; maar zoodra ik haar met complimentjes aankwam, wilden zij van die duidelijk uitgedrukte bewondering niets weten. Ze droegen dan ook allen het portret van haar novio bij zich, meestal op een der knoopen van haar japon; zoodat ik wel kon nagaan, dat de kans voor mij verkeken was. Maar ik geloof, dat ik ook bij eene, wier hart nog vrij was, geen gunstige ontvangst zou hebben gevonden; want het komt zeer zelden voor, dat een meisje uit Cuba haar land verlaat, om met een vreemdeling te huwen.

De bewoners van Havanna zijn vriendelijk en voorkomend bij een eerste kennismaking; zij begroeten u hartelijk en bieden u, altijd in dezelfde stereotype phrase, hun huis en hun persoon aan, om vrijelijk over te beschikken. Het spreekt van zelf, dat men al die beminnelijkheid niet letterlijk moet opvatten. Men doet maar 't best, er niet op te vertrouwen, en zelfs niet teleurgesteld te zijn, als men, na een afspraak, die men als een dringende invitatie had opgevat, aan de deur van de meid hoort, dat het de familie beter zal schikken u morgen te ontvangen. En wanneer men eindelijk behoorlijk is geïntroduceerd, smaakt men het genoegen, in een schommelstoel in den salon gezeten, het eene muziekstuk na het andere te hooren voordragen. Zelden wordt men toegelaten in den intiemen huiselijken kring en evenmin ten eten gevraagd. Zelfs bij beschaafde en welopgevoede lieden viel mij dat stijve en gedwongene in hun houding op; misschien het gevolg van een natuurlijk wantrouwen jegens vreemdelingen, ontstaan gedurende jaren van opstand en verzet. Familiebijeenkomsten hebben slechts plaats met Kerstmis en Nieuwjaar, verder ontmoet men elkaar in den schouwburg, de club, of bij publieke vermakelijkheden. Overigens wordt in Havanna veel en flink gewerkt. De omstandigheden zijn in materieel opzicht veel verbeterd en de jaren van 1896-99 zijn thans vergeten. In '99 bracht de tabaksoogst zoo goed als niets op en de suiker zeer weinig; doch om in dien treurigen toestand verandering te brengen, werd geen moeite gespaard en geen opoffering te groot geacht, zoodat thans, nadat met verdubbelde kracht is gearbeid, velen in Havanna schatrijk zijn geworden. De stad telt onder haar inwoners thans wel dertig millionairs, en daar deze kapitalisten gaarne pronken met hun groot fortuin, neemt de weelde er meer en meer toe, en wordt door het ontstaan eener geldaristocratie de kloof, die de maatschappelijke klassen scheidt, steeds dieper. De stad telt bijna 275 000 zielen; de verhouding der blanken tot andere rassen is 71.8 tot 28.2 per cent. Bij de laatste volkstelling zijn opgegeven: 156 102 Cubanen, 7819 Spanjaarden, 12 695 verklaarde vreemdelingen, en 65 389 die niet als vreemdelingen verklaard zijn, terwijl van een vijftigtal bewoners de nationaliteit niet was vast te stellen.

Wel een zeer uiteenloopende bevolking, vol tegenstrijdige denkbeelden, onvereenigbare opvattingen en godsdienstig meeningsverschil. Zonderlinge sekten worden hier aangetroffen, zooals het geheime genootschap der nanigos, een soort vrijmetselaars.

Onder de protestanten zijn veel baptisten, ook methodisten en presbyterianen. De groote massa echter is katholiek.

Het karakter der mannelijke bevolking laat zich niet gemakkelijk met een paar woorden omschrijven. Lichamelijk zijn de Cubanen in den regel goed ontwikkeld, en hun voorkomen is eer innemend dan het tegendeel; doch hun innerlijk wezen is zeer gecompliceerd. Vatbaar voor indrukken, lichtgeraakt, snel ontvlambaar, en toch weer koel beredeneerd, is de Cubaan een mengelmoes van tegenstrijdige hoedanigheden, en al wat hem bezielt, haat of liefde, hoop of teleurstelling, traagheid of arbeidslust, zoo deugden als ondeugden, schijnt vergroot en overdreven.

Wanneer hij er slechts gelegenheid toe ziet, speelt hij kaart, domino, of schaak, en zeer dikwijls is hij ook in den schouwburg te vinden. Wel bestaat er onder de meer ontwikkelden een groep lieden, die zich bij voorkeur met philosofische studiën bezighouden en de werken bestudeeren van Ribot, Spencer, Schopenhauer en Leroy-Beaulieu.

Sedert het land een periode van bloei en vooruitgang is ingetreden, geraken de belangen van het onderwijs zeer op den voorgrond. Aan het lager onderwijs wordt groote zorg besteed, vooral in eene der openbare scholen van Havanna, die genoemd is naar den opvoedkundige José de la Luz. In reuzengroote zalen zag ik daar meer dan duizend kinderen gymnastiekoefeningen uitvoeren op de maat van het volkslied, terwijl in den aangrenzenden tuin de kleine kinderen van de bewaarschool speelden. Het meer uitgebreid onderwijs wordt gegeven in een fraai ingericht gebouw, met een afzonderlijke zaal voor het onderwijs in aardrijkskunde, een botanisch museum, en een uitgebreide bibliotheek. De eenige kostschool, die ik bezichtigde, was het Jezuiten-college van Belem, met een fraai refectorium, een teekenzaal, een museum en een meteorologisch observatorium. Aan verschillende duitsche, spaansche en fransche meisjesscholen kunnen de leerlingen ook voor de Universiteit worden opgeleid. Het gouvernement besteedt jaarlijks bijna vier millioen dollars, of 20 800 000 francs aan het onderwijs van 232 000 kinderen, die verdeeld zijn over zes inrichtingen voor meer uitgebreid onderwijs, en 3600 lagere scholen in de stad en op het land. De universiteit, waar vooral de duitsche en amerikaansche wetenschappelijke methoden gevolgd worden, heeft vijf faculteiten: rechten, medicijnen, pharmacie, letteren en natuurwetenschappen. Tijdens mijn bezoek studeerden er zeshonderd jongelieden.

Behalve de universiteit, die op een heuvel is gelegen, van waar men een prachtig uitzicht heeft, mag ik nog melding maken van een kunstnijverheidschool, een schilder- en beeldhouw-akademie, twee muziek-scholen, en een bibliotheek die 1700 boekwerken bevat.

Havanna is trotsch op haar nationale schrijvers, zooals de lyrische dichter José Maria de Heredia, de tooneelschrijver Milanes, en schrijfsters als Mmes Avellaneda, Luaces, en Luisa de Zambrana.

Cuba heeft ook zijn musici en componisten, zooals Figueredo, de componist van het volkslied Bayamès; Sanchez Fuentes, die het lied la Havanaise heeft gecomponeerd, Espadero en Valenzuela, wier liederen veel worden gezongen; Villate, die de opera's Zilia, Czarina, en Balthazar heeft geschreven; de violisten White, Hasselbrink en Albertini; en voorts Cervantes, Arizti en Maury, componisten van dansmuziek. Een romanschrijver, Cirilo Villaverde, die het volksleven schildert, en een letterkundig criticus, Pineyro, werden met veel lof genoemd. Onder de schrijvers van wijsgeerige werken noem ik: José de la Luz, Varela, Mestre Bachiller; del Valle, Varona; als historieschrijvers munten uit: Arrate, Montoro, Vidal Morales, Carlos de la Torre; allen mannen, die het hunne ertoe bijdroegen om belangstelling in de dingen van het geestelijk leven op te wekken.

Het revolutietijdperk van veertig jaren geleden schonk vele politieke redenaars gelegenheid, hun gaven te toonen; ook journalisten van naam traden in die dagen op den voorgrond, zooals Manuel Sauguily en Juan Gualberto Gomez. Onder de helden, die de onafhankelijkheid van hun vaderland dapper verdedigden, noem ik Iznaga, Narciso Lopez, Gomez, Marti, Cespedes, Maceo en anderen.

Verschillende gedenkteekenen en bouwvallen herinneren nog aan die treurige dagen, zooals de vesting Fuerza, waarvan de toren als wachtpost diende, wanneer er zeeroovers op de kust waren; verder zijn er nog de forten Atares en Morro, die in de 18de eeuw de aanvallen der Engelschen hadden te doorstaan, en het fort Cabana, aan den voet van welks hoogen muur tal van vrijheidshelden bezweken onder de kogels der Spanjaarden. Als herinnering aan die dapperen is hier een bas-relief van Mercié geplaatst.

Buiten de muren van San Ambrosio, op een plek, waar men Havanna in de verte ziet liggen, staat een gedenkteeken, opgericht ter herinnering aan acht studenten, die beschuldigd werden het graf te hebben geschonden van een zekeren Cartanon, die het blad "de Stem van Cuba" had opgericht. Hoe nadrukkelijk zij ook hun onschuld betuigden, zij werden zonder genade ter dood veroordeeld. Niet ver van dit monument, ontworpen door den kunstenaar Saavedra, staat een vierkante zuil, ter herinnering aan een ramp, waarbij 28 brandweerlieden en politieagenten omkwamen, eene ontploffing in een ijzermagazijn, waar kruit verborgen was.

Meerdere gedenkteekenen, verspreid tusschen schaduwrijke lanen, vormen hier een soort van kerkhof, dat de herinnering aan droeve tijden wakker roept. Doch aan al dien treurigen strijd en verwarring heeft Cuba zich thans ontworsteld. Het land gaat een betere toekomst tegemoet, en heeft veel te danken aan een vaderlandslievende vereeniging van 500 bekwame mannen "de Sociedad Economica de amigos del Païs", bij welke de oudste archieven berusten en die het beheer hebben over een groote bibliotheek van 42 000 boekdeelen.

Thans willen wij in groote trekken den opstand van 1868 beschrijven, welke door een lange periode van woelingen werd voorafgegaan, tot de tusschenkomst van Amerika het eiland aan de macht van Spanje ontrukte.

Toen het land in 1492 door Christoffel Columbus was ontdekt, vestigden zich hier driehonderd Spanjaarden, onder Diego Velasquez, en in 1511 reeds hadden deze kolonisten de oorspronkelijke bewoners grootendeels verdreven. In 1660 en in 1762 maakten de Engelschen er veroveringen, en in 1805 vermeesterden zij het geheele eiland, dat van toen af eerst tot werkelijken bloei geraakte, daar het zijn havens thans voor alle natiën kon openstellen, en binnen korten tijd zeer rijk werd. Na de herovering door de Spanjaarden echter werd het door de laatsten slechts beschouwd als een onuitputtelijke bron van inkomsten, terwijl niet de minste moeite werd gedaan, om de welvaart waaruit die rijkdommen voortsproten, in stand te houden en te bevorderen. Het land werd de prooi van een menigte ambtenaren en fortuinzoekers, die ieder voor zich trachtten, zooveel voordeel te verwerven als er slechts te halen viel, en zich van de beste plaatsen meester maakten. De bewoners van Cuba zelf werden niet alleen op alle mogelijke wijzen uitgezogen en benadeeld; maar bovendien met de grootste minachting behandeld. Gedrukt door zware en onrechtvaardige belastingen, en steeds grievend verongelijkt, begonnen zij de Spanjaarden te haten met een doodelijken haat. Op een verzoekschrift, door hen aan koningin Isabella gericht, waarin zij op verbetering van den toestand aandrongen, kregen zij een antwoord, dat, hoewel in schijn bevredigend, hen in werkelijkheid nog meer verbitterde, dan een volstrekte weigering zou hebben gedaan. In den loop van het jaar 1865 vormde zich op het eiland een revolutionaire partij; onder den onversaagden aanvoerder Carlos Manuel Cespedes, die op de vraag, met welke wapens men strijden zoude, daar het geld om ze te koopen ontbrak, ten antwoord gaf: "Met de wapens, die wij onzen vijanden zullen ontnemen."

Ofschoon hij bevel voerde over ongeoefende troepen, slechts gewapend met slechte jachtgeweren, trok hij toch, in 1868 naar Santiago, waar hij twee maanden kampeerde, zonder door de spaansche bezetting der stad, die niet grooter in aantal was dan de troep opstandelingen zelf, te worden aangevallen. Doch in het laatst van December 1868, toen uit Spanje, behalve aanzienlijke versterkingen, een aantal schepen werd gezonden, dat de kust van het eiland bewaakte, begon een verschrikkelijke strijd. De uitgestrekte bezittingen van Cespedes werden verbrand, en dit was het sein tot een reeks van branden en plunderingen, die de parel der Antillen geheel verwoestten. De Cubanen wreekten zich, door de haciendas der Spanjaarden in brand te steken, en van beide zijden woedde de strijd meedoogenloos en verbitterd. De opstandelingen werden teruggedreven naar de stad Bayamo, waar zij hun hoofdkwartier hadden opgeslagen; doch liever dan dit plaatsje, waar hij geboren was, in de handen der Spanjaarden te zien vallen, stak Cespedes het in brand. Geen nederlaag, geen angst voor de vreeselijke wraakoefening, gepleegd op de gevangenen die afschuwelijk werden gemarteld, kon den moed der opstandelingen doen zinken; zij streden met de vertwijfeling der wanhoop, onder de heldhaftige en bezielende leiding van mannen als Modesto Diaz, Gomez, Vicente Garcia en Ignacio Agramonte. Verschil van ras en landaard werd vergeten; negers en Amerikanen schaarden zich aan de zijde der onderdrukten.

In het begin van den opstand had generaal Lersundi, de gouverneur van Cuba, bij gebrek aan geregelde troepen, vrijwilligers aangeworven, zoolang nog geen versterking uit Spanje was aangekomen. Deze lieden, gerecruteerd uit de laagste klassen der bevolking, waren volstrekt niet te vertrouwen, en hadden van krijgstucht geen begrip, zoodat zij voor de regeering eer een nieuw gevaar opleverden, dan dat zij haar tot steun strekten.

Daar het den Cubanen, die in de steden verblijf hielden, streng verboden was, zich naar hun landgoederen te begeven, op straffe van als opstandeling te worden beschouwd en dus gefusilleerd te worden, hadden de Spaansche vrijwilligers op de haciendas dezer grondbezitters de handen vrij, en maakten er schandelijk misbruik van hun macht, door de slaven door mishandeling te dwingen voor hen te werken, en zich de opbrengst van den oogst toe te eigenen. Als de beroofde eigenaar zich durfde beklagen, werd hij in de gevangenis geworpen en gedood, en wie het waagde op zijn bezitting te blijven, werd tot het uiterste getergd en geplunderd. Deze struikroovers, die, onder den schijn van recht te doen, de laagste misdrijven pleegden, boezemden de cubaansche vrouwen zulk een haat en afkeer in, dat velen onder haar zich in de gelederen harer broeders schaarden, en medestreden, niet minder verwoed dan de mannen. In de omstreken van Santiago vereenigden zij zich zelfs tot kleine troepen, die zich in de maniguas (savannas) schuil hielden, en daar den vijand het hoofd wisten te bieden.

Eens gebeurde het, in den winter van het jaar '73, dat een twaalftal dezer vrouwen, in een bosch, onverwachts een troep spaansche vrijwilligers ontmoette. De bevelvoerende officier wenschte van haar te vernemen, of zich daar in de buurt ook een kamp van opstandelingen bevond. Op haar ontkennend antwoord liet hij ze twee aan twee boeien en gevankelijk medevoeren.