Zes maanden bij de commando's

Part 9

Chapter 93,902 wordsPublic domain

»Ik loop!”—riep onze leidsman uit, en wij volgen hem. _Kraak!_—plat liggen wij allen. _Shut!_—wij springen als bokken rond. _Whirr!_—wij zijn aan den grond genageld. Pauze!—wij zijn achter het kraaltje, veilig, ongedeerd, dankbaar, hijgend. Maar foei, wat een warmte, en 't is nog zoo vroeg. Geen woord wordt er voor eenige minuten gerept. Wij liggen plat op den grond,—de beenen, echter, zoo veel mogelijk optrekkende. Zoo'n bom kan gemakkelijk een voet verbrijzelen. Het kanonvuur van den vijand wordt zóó verschrikkelijk, dat het ons den adem wegneemt. Mij dacht, ons laatste ure was geslagen. Of liever, ik kon niet eens denken. Ik gevoelde slechts, en dat wel eene vreeze, zooals mij nog nooit overkomen was. 't Is de eenvoudige, ronde waarheid, lezer, dat de voornaamste uitwerking van kanonnen _de zenuwen_ geldt, en dus onthutst, ontsteld, verwijfd, bang maakt. Een hevig kanonvuur uit een achttien of meer stukken tegelijk verschrikt het stoutste hart. Voor het eerst gehoord, maakt het eenvoudig de meeste menschen lafaards—voor korteren of langeren tijd. Een meer doeltreffend middel dan dat, om een commando of regiment te demoraliseeren, valt moeielijk te noemen. En toch—gelukkig dat het zoo is—zelfs daaraan raken de meesten later gewoon. De vuurproef _à la canon_ is ontzettend zwaar om met eere te doorstaan, maar elken keer gaat het een weinig gemakkelijker zulks te doen. Een »ik en weet niet wat”, zooals vader Cats het zoo lief uitdrukt, wordt telkenmale bij het karakter gevoegd. Elk bombardement, met een weinigje zelfrespect doorgemaakt, voegt wat ijzer bij het bloed en mannelijkheid bij de persoonlijkheid.

Laat ons echter naar den kraalmuur terug gaan. Daar ging het mij zoo: in 't begin enkel benauwdheid, algeheele ontzenuwing en lichamelijk bankroet. De oogen zelfs zijn toegenepen!—Een paar minuten duurt deze verlamming voort, totdat de rede zich langzaam begint te doen gelden. Wat is er toch gaande? Wat gebeurt er om ons?—vroeg ik mijzelven af. Het kost inspanning, maar ik open mijne oogen en kijk voorzichtig op. Het eerst werp ik het oog op mijn mede-burgers, en tot mijne verbazing bemerk ik, dat ook de helft van hen de oogen nog dicht gesloten houden! _Die enkele waarneming doet mij veel goed._ »Ik ben bang, zeer bang; maar toch niet de bangste!”—zeg ik tegen mijzelven. Alzoo krijg ik een vasten bodem in mijn binnenste, hoe gering ook, om mijn zelfrespect op te bouwen. Ik heb dus een klein vonkje moeds, of ik ben in elk geval niet zoo bang als de helft mijner vrienden hier bij mij. Dat troost! Dat geeft hoop! _De eerste sport in de ladder is gewonnen._

De tweede stap werd dus gemakkelijk gemaakt. Waarom niet omdraaien en rondkijken? Ik doe zulks en aanschouw de arme paarden, daar onder op de helling van den heuvel, geen vijftig treden van ons. Zij grazen daar op het weinigje gras, dat er tusschen de steenen schuilt. Plotseling zakt er een ter aarde, zonder een geluid te geven. Hij ligt zwaar gewond op den grond. Een tweede wordt in het been getroffen en loopt er hinkende rond. Een derde krijgt een heupschot. Een vierde wordt in den rug door een bomscherf getroffen. Sommige wonden zijn onzichtbaar, anderen gapend, bloedig, afgrijselijk. De overblijvenden grazen onverschillig voort.

Al rondziende, wordt het mij duidelijk, dat bijna al de bommen te hoog gaan, om ons te kwetsen. Vandaar dat er zoo veel paarden daaronder getroffen worden. Er is veel troost in deze ontdekking en de moed stijgt wat hooger—of liever, de vrees vermindert nog wat. Ja, dat 's beter uitgedrukt. Lezer, vrees en moed zijn, voor de meeste menschen, zeer dicht bij elkander. Ze zijn de twee zijden van hetzelfde muntstuk, of, beter gezegd, de lagere en hoogere sporten van dezelfde ladder. Frederik de Groote vluchtte van zijn eerste slagveld! Daar stond hij op de laagste sport, die een soldaat kan bereiken. Langzamerhand echter werd hij _le plus brave des braves_ van zijn tijd. Daar bereikte hij de hoogste sport van de ladder. Geduld, vriend, bijt maar gedurig op je onderlip, houdt je hoogmoed met beide handen vast, en gebruik je gezond verstand onder alle omstandigheden in een gevecht en eindelijk wordt ge een held, al begint ge ze als een lafaard.

Dien dag, den eersten dag van dien aard voor mij, bracht ik het echter niet heel ver op de ladder. Toch won ik een paar sporten, Gode zij dank! alhoewel ik mij schaam, dat ik het niet verder bracht.

Langzamerhand beginnen wij wat moed te scheppen en rond te zien, maar geen woord wordt er gewisseld. Toen bekroop mij de begeerte om een gesprekje te voeren. Het was niet juist een begeerte, maar ik wilde zien, of het mij en anderen niet mogelijk in onzen benarden toestand kon helpen.

»Kerels!”—riep ik uit, »waarom houdt jullie de oogen dicht? Hoe rekent jullie, als die Engelschen ons hier stormloopen?” Die de oogen open hebben lachen—niet luid, maar zacht en ik vat moed. Alle beetjes helpen! Het geluid van mijne stem heeft mij ook goed gedaan. Als ik toch maar voor ééne minuut dat oorverdoovend gedruisch kon vergeten en de altoos tegenwoordige vrees voor een plotseling en akelig uiteinde hier op den heuvel kan overwinnen! Neen! daar valt niet aan te denken. Als wij eens zelf aan 't schieten konden gaan met onze Mausers, dan mocht het wel gebeuren. Zoo zeggen de menschen. Ons helpt het echter niet: wij krijgen geene kans het geweer te gebruiken. Als schapen worden wij ter slachting geleid, zonder een geluid te kunnen geven.

»Dominé!”—begon ik weêr. Er lag een vriend van mij, die predikant was, ook bij ons; hij had hoofd en schouders onder een groote klip gestoken. Gelukkige man! ik benijdde hem die lekkere klip. Maar _onder ons_, lezer!—wat ziet hij er toch aardig uit, met zijn »achterkant” omhoog!

»Dominé! Hoe gaat het?”

»Né, goed!”—was het diep antwoord van onder de klip.

»Het gaat maar zwaar om onder _zulke_ omstandigheden het geloof te behouden, nê?”

Stilte. Een paar kerels kijken mij echter aan, en knipoogen ondeugend. Wij gaan vooruit, hoor? Het begint te beteren. Als dit ellendige geraas toch maar wil afbreken. Ach! de zee zwijgt nooit. De baren bruischen; de golven klotsen; het dondert steeds tegen de rotsen voort. O! dat ik wéér een man ware! Een man zonder vrees! Een man, die den dood kalm in 't aangezicht staart en zelfs uittart: Bah! hoe koezen wij hier achter de klippen. Hoe zwak en ellendig gevoelen wij ons. Hoe laf zien wij eruit. Sommigen hebben de oogen nog toe! Foei!

Ik begin weer!

»Dominé! Hoe gaat het?”

»Nog goed,” komt het onderaardsche geluid, te voorschijn.

»'t Is gemakkelijker om van den preekstoel te zeggen: 'menschen! vertrouwt op God!', dan om het hier te doen, nê?” Pauze!—»Ja, kerels!” vervolg ik, »zoo'n dag laat 'n mensch gevoelen, hoe nietig en nietsbeteekenend hij is. Eenig oogenblik kan een granaat-kartets op ons barsten. Eenig oogenblik! En dan?—Wel, al wat wij doen kunnen is om die heele affaire maar aan God over te laten. Wij zijn ware nullen—pure nullen, hoor!”

Het gesprek wil niet vlotten. De dood is te zichtbaar, te tastbaar, te nabij ons: Wij kunnen niet praten, nog minder lachen. 't Is alsof er begraven wordt.

Wat is dat?—Iemand steunt hier achter ons in de kraal. »Een Ier is gewond”—zegt iemand—»wie heeft iets te drinken voor hem?” Met blijdschap geef ik den spreker een flinken »dop” uit mijn ongerepte veldflesch voor den Ier! Gelukkig is de wond niet gevaarlijk—slechts eene wond in de hand—en wij hooren den Ier niet meer kreunen.

Het gevaar komt al nader. De Ier is binnen in het kraaltje, waartegen wij aanleunen. Nu komt er weêr een kogel uit een granaat-kartets tegen mijn zijmaat aangevlogen. Zijn linkerbeen is vast tegen mijn rechterheup geperst. »Eina!” schreeuwt hij, terwijl hij de hand op het been legt. Hij is doodelijk verschrikt, maar vindt spoedig uit, dat de kracht van den kogel reeds verspild was, toen hij er door getroffen werd. Ik raap den kogel op en geef hem dien, met een gevoel van verlichting. Het kon zoo anders zijn geweest!

Het vijandig vuur neemt erg toe. Het wordt hier, waar wij zijn, bepaald gevaarlijk. Een ernstig gevoel maakt zich van mij meester. Ik gevoel mij als een populier blad, trillend in den wind, elk oogenblik in gevaar om weggerukt te worden van den boom des levens. Ai mij! Wat is de mensch met al zijn hoogmoed en idealen toch klein! Zijn leven hangt aan een draad. Hij is niets! »We are such stuff; as dreams are made of”.

Intusschen was er een nieuw geluid op onze ooren gevallen. De lezer moet weten, dat het nog vroeg in den morgen is—geen uur na het eerste schot viel. Een uur geeft soms een leeftijd van indrukken en sensatie. Daar, rechts van ons, heel ver, wordt er met het geweer geschoten! Wat mocht dit beduiden? Wij, kunnen geen enkel mensch zien—'t is goed twee mijlen van hier—en ook is het vechtterrein (Nicholson's Nek: Klein Majuba) niet van hier goed zichtbaar. Hoort!

Têk—têk—têk.... têk—têk.... têk—têk—têk—têk—têk—têk—têk _ad infinitum_. Het geluid is zeer gemakkelijk van alle anderen te onderscheiden, behalve van Maximschoten. Soms knallen er eene reeks geweerschoten zóó snel op elkaar volgend, dat men in twijfel verkeert, of ze wel door geweer of maxim veroorzaakt zijn—wij bedoelen natuurlijk de hand-maxims, die Lee-Metford-, of Martini Henri-, of Mauser-patronen uitbraken—bij de el.

De tongen beginnen eindelijk los te gaan. Wij wisselen gedachten omtrent de beteekenis van dat schieten. Een ding is ons duidelijk: het gevecht komt niet nader, daar er geen helder, fijn, »ping-ping” geluid de lucht doorklieft. De kogels komen dus niet _naar_ ons toe, maar men is aan 't vechten ergens achter de heuvelen, waar de Pretorianen en Vrijstaters zich bevinden. Vooreerst zijn wij er buiten. Later, natuurlijk, kan de aanval ook tot ons naderen. Wij turen door onze kijkers, maar 't is te vergeefs. Er is niets te zien—dank zij den uitvinder van rookeloos kruit! Arme oorlogscorrespondenten! Arme photografen! Arme kunstschilders! Arme schrijvers! Prenten zonder rook!—verbeeld u reis!—Het ergste van al is nog dit: dat van de Britsche zijde gezien, er nog al wat rook soms te teekenen valt. Onze Long Toms, bijvoorbeeld, maken niet slechts een vuur-, maar ook een rook-kolom van enorme proporties. De Vrijstaatsche Krupps en Armstrongs gebruiken ook het ouderwetsche, donkere, rookende kruit. Welk eene kans voor mijne _confrères_ thans in Ladysmith! Hoe dankbaar is een George W. Steevens, bijvoorbeeld, voor ons rookgevende kanonnen en Martini Henri's! De talentvolle man moest echter de totale mislukking van dezen dag met bitterheid des geestes aanschouwen, en later te Ladysmith aan de koorts bezwijken.

De onzekerheid omtrent wat er achter en voor ons gebeurt, is zeer onaangenaam, maar onze schuilplaats willen wij niet uit eigene beweging verlaten. Het artilleriegevecht breekt nimmer af, noch van onze, noch van Britsche zijde. Om de vijf minuten brult onze Long Tom met een geweldige dreuning. Zijne bommen zijn op de stad gericht. Zij moeten ontsteltenis en vrees te weeg brengen, den vijand demoraliseeren en verwarren. Als een diepe diapasons-pedaalklank trilt zijne stem door het kanonorkest duidelijk boven alle andere vuurmonden hoorbaar. Als een verre donderslag ploffen zijne zware bommen in de stad neder. Aan de beangste vrouwen en kinderen, de zieken en gewonden, de stervenden (waaronder Generaal Kock) denken wij vandaag niet. Er wordt thans gevochten! Têk—têk—têk—têk—têk.... têk—têk! (rechts)—Boem—m—m— Whirr-r-r-r-r-r—Sh—s-s-s-s-shut—tjing—ng-ng—phut—kraak—phiz— pâks—pocks—plof (boven en achter, op zijde en voor u)! Inspanning genoeg voor alle zintuigen, niet waar?

't Wordt half acht. De hitte brandt sterker en sterker. 't Gaat een schroeiende zomerdag worden. En daarbij geen ontbijt, geen koffie, niets—dat's te erg. Ik deel een paar klinkers uit mijn zak aan eenigen, die dichtbij zijn, uit. Dat helpt ook. De andere kerels hadden niets bij zich. Wij zijn nog maar jong op 't gebied van oorlogvoeren.

»Wat is dat?”—roept iemand luide uit. »Daar op dien berg voor ons?”

Wij kijken, en ziet! waarlijk, daar daalt een lange, donkere streep ruiters langzaam den berg af. Zij komen in onze richting! De zon schijnt op hen en we zien lichtflikkeringen nu en dan, die ons aan Lanciers doen denken. Na Elandslaagte hadden wij een groote vrees voor die kerels. Heeft de vijand misschien onzen rechtervleugel teruggeslagen? Rijdt hij mogelijk heelemaal om onze stellingen? Gaan die mannen ons in den rug aantasten? De heuvel, of liever berg, waarlangs zij afdalen, is ongeveer twee mijlen van hier in een noordoostelijke richting, schijnt het. Wij hebben geene commando's daar, zoover wij weten! Wat kan het toch beduiden? Voor het oogenblik vergeten wij de bomscherven en kartetsmuziek. Aller aandacht is op dien berg gevestigd. Elke veldkijker staart die paardenruiters aan. De spanning is groot, want 't is geen kleinigheid, om van achteren nu ook te worden bestookt. De aanval, van voren komend, is erg genoeg voor vleesch en bloed.

»'t Zijn _onze_ menschen!” zegt er een eindelijk, die een eersteklas »Zeiss”-veldkijker had. »Kijk, zij draaien rechts! Zij gaan onze menschen helpen, die met klein-geweers vechten!”

En zoo bleek het ook later: het waren de Johannesburgers onder Commandant van Dam, de reservecolonne door Generaal Joubert vroeg dien morgen reeds op dien hoogen heuvel gestationeerd, om, desvereischt, op eenige punt in de vechtlinie te kunnen toeschieten. De blinkende voorwerpen waren de tinnen bekertjes, die de Boeren aan hun zadels vastgemaakt hadden, om water meê te scheppen. Van zijn hoog standpunt kon Commandant van Dam precies weten, van welke zijde hij den vijand bij Nicholson's Nek moest bekruipen. Het duurde ook niet lang, of het têk-têk-têk der Mausers steeg in kracht en geweld, totdat wij niets dan Maxims meenden te hooren: têk-têk-têk-têk-têk-têk-têk-têk-têk — têk-têk-têk-têk-têk-têk-têk-têk-têk-têk-têk-têk-têk-têk-têk! Ai mij! dat was muziek voor onze bekommerde harten! 't Geleek precies op een aanhoudend getimmer van duizenden hamers op honderden ijzeren daken, gedragen door de diepe zee-bas der kanonnen. Mij dacht, de oude Thôr was weer op aarde bezig met zijn geduchten hamer te spelen. 't Was een concert, den Heidenschen God waardig.

Plotseling werd ik weer aan ons persoonlijk gevaar herinnerd door een groot stuk ijzer, een stuk van een bom, dat met een gonzend geluid geen duim van mijn rechtervoet ter aarde viel. Een koude rilling voer mij door de leden. Dat was een nauwe ontkoming, hoor. Bijna een voet kwijt! Dat ijzer moet bewaard worden, ter herinnering aan dezen dag—als ik er door kom. Wanneer komt er een einde aan het onnatuurlijk gedonder en getimmer, getjingel en gesis, gefluit en gekras? Wij worden al meer gedemoraliseerd en gedegradeerd en verwijfd—hoe langer wij hier blijven.

Wat te doen? Schieten kunnen en mogen wij niet. Dezen heuvel verlaten? dat durven wij ook niet: èn onze plicht èn ons zelfbehoud roepen ons toe: »hier blijven!” Hier zijn wij gesteld, om een mogelijken aanval op ons geschut af te slaan. Gaan wij van hier weg, worden wij best mogelijk, zoo als gindsche rossen, ter aarde geworpen. Zoo gaan er uren van zenuwachtige opgewondenheid voorbij, zonder dat wij iets te doen, of te eten, of te drinken krijgen.

Eindelijk komt er eene gelegenheid voor ons, om iets te doen. Zoo wat 11 uur verschijnt er een jonge artillerist op het tooneel. Hij was een opgeschoten jongen van zoo wat 17 jaar. Hij kwam uit de richting van de holte (achter de kanonnen op den heuveltop) aanrennen, en, ons ziende, riep hij:—

»Burgers! Komt en helpt ons om ammunitie voor de kanonnen op te dragen. Gauw! Gauw!”

De Hemel helpe ons! Bommen die helling opdragen? Zware granaten die hoogte uit torschen? Recht tegen de Engelsche bommen in loopen? _Woep_—scheren zij daar over onze kanonnen en den heuvelrand elke seconde. _Paf_—plompen zij daar rondom u neêr. Ik wist er alles van, doordien ik vroeg dien morgen daar verdwaald raakte.

»Loop slaap! Jongen!”—schreeuwt er een van ons. »Go to Jericho”—mompelt een andere. Niemand verroert zich.

Hoe kalm en rechtop staat zoo'n jongen toch. Waar komt hij eraan? Hij vreest geen bom of kogel, hoor! 't Is een flinke rakker. Hij wenkt ons met de hand:

»Komt! Kerels. Daar is hulp noodig! Die ammunitie is op daar bô bij die kanonne. Die burgers moet kom help!”

Door bloote schaamte gedreven, spring ik op. »Volgt mij! Burgers!”—roep ik uit: »Komt, laat ons gaan helpen.”

Geen vin verroert zich.

Ik sta nog over eind, maar met vreeze en beving. Mijn hart zit me in de keel, hoor!

»Komt dan! Broers! Komt gaat saam met die kerel.”—Probeer ik nog eens.

Twee man springen op. Daar staan wij nu met ons drieën, elkander aantekijken, en vooral onze vrienden, die blijven liggen, aanstarend.

»Komt! Laat ons gaan!”—roepen wij nog eens uit. 't Is te vergeefs. Zij zijn vastgenageld aan den grond, vastgelijmd aan de steenen.

De andere twee zonken ook spoedig weer neêr, en een hunner bromt:—»Ons is te min om iets uitterichten; als jullie kerels niet gaat, dan ga ik ook niet.”

Daar sta ik den jongen held aantekijken, die zoo wat dertig treden van ons af is, besluiteloos, weifelend, zwak. De moed zijpelt me door de hand- en voet-vingers heen! Ik gevoel mij als door een magneet ter aarde getrokken, want het raast en krast, bonst en sist, kraakt en gonst maar altijd door. Het gevaar is verdriedubbeld, als men zoo staan blijft.

Een blik op den jongen Transvaler redt mij. De hoogmoed komt mij ter hulpe. Weêr gaan liggen? Neen, waarachtig niet..... voor het aangezicht van dien kleinen jongen. Die schande is te groot. Ik stap recht op naar hem af, en daar staan wij de kerels toe te schreeuwen, om ons te volgen.

Paf!—hier bij ons valt er een bom! Kraak!—vlak boven ons breekt er een granaat-kartets. Plof!—wij springen beide op zij. Ik tuimel op den grond, terwijl de vuureter een kalmen glimlach plooit. Nog niet gewond! Dat 's goed—maar.... bommen dragen in een bom-regen? Onmogelijk! Dat niet!

Terug dan?—Nimmer. Een idée schiet mij te binnen. Ik had terloops vernomen, dat Veldkornet Breijtenbach van Ermelo »om den draai” van den heuvel, niet ver van ons met zijne manschappen was.

»Kom! Ik zal jou naar een Veldkornet brengen.”—Daarop loop ik snel den hoek om, door den Artillerist gevolgd. Allerlei capriolen worden door mij op weg uitgevoerd, maar de jonge snuiter stapt maar even koel en kalm door alle gevaren heen. Zoo zijn onze jonge Artilleristen.

»Daar 's de Veldkornet!”—wijs ik hem aan.... en verdwijn te met van het verschrikkelijk terrein eens en voor altijd. Ik loop den heuvel af naar een punt, alwaar ik een klomp burgers in der haast had opgemerkt. Zij waren daar op een kleine verheffing—een lager terras, deel van Pepworth's heuvel uitmakend—bij een muurtje van steenen bijeen, _buiten de lijn van het kanonvuur_.

Daar vond ik mijn vriend, ex-Commandant Smuts van Ermelo en vele andere vrienden. Wij hadden een prachtig uitzicht in volmaakte veiligheid op het slagveld. Onze kanonnen waren links, ver boven ons hoofd—de Engelschen vuurden slechts op de kanonnen—vandaar onze gerustheid te midden van den kogelstorm. Wij waren als 't ware in de holligheid onder en achter een Niagara-Waterval verscholen. Heerlijke rust, verademing, verlossing van doodsgevaar! Hoe heb ik de uren, welke ik daar mocht doorbrengen, eer de slag was afgeloopen, genoten! Op den muur staande, met mijn verrekijker voor de oogen, trachtte ik uittevorschen wat er gaande was.

Daar onder de doornboomen zie ik de zwarte strepen, die geregeld bliksem uitschieten. Dat zijn de achttien Engelsche veld-kanonnen, die het ons zoo warm op Pepworth's heuvel maakten. Geen rook, slechts vuurtongen zijn er zichtbaar. En dan het gefluit en geklap, gekraak en gejank in de lucht of tegen den heuvel aan. Onze Artilleristen hadden het bitter zwaar dien dag, maar zij gedroegen zich als mannen. Rechts, verreweg, ratelden de Lee Metfords en Mausers onafgebroken voort, te Nicholson's Nek en op de »Kleine Majuba”. Noch ruiterij, noch voetvolk kon ik in 't begin ontwaren; slechts kanonvuur links, slechts geweervuur rechts. Hoog boven de stad hing er een _balon-captif_, onbeweeglijk, geheimzinnig, spookachtig, met een kleine parachute eronder aan vastgehecht. Het ding deed denken aan een groot, allesdoordringend oog, dat bezig is al onze posities, plannen en toestanden uittevinden.

Mijne medeburgers roepen mij toe, van den muur aftestijgen, om de aandacht niet op ons trekken, maar ik heb te weinig gezien (en te veel gevoeld) dien morgen. Thans wil ik zien, wat er te zien valt. Hitte, dorst, hoofdpijn, honger—alles is vergeten, terwijl ik als van den veiligen lichttoren van een lichthuis den onstuimigen oceaan gadesla.

't Is bij twaalven. Er zijn donkere massa's zich in de richting van Generaal Meijer's posities bewegende. 't Is zoo ver, dat ik slechts met moeite kan uitmaken, wat er gaande is. Het zijn ruiters en ook kanonnen. Zij zijn van het Engelsche centrum, naar het schijnt, daarheen gezonden. Een goed teeken! Zijn Meijer's mannen te sterk voor hun rechtervleugel? Wie weet? Zij gaan hun rechtervleugel versterken, lijkt het. Bij Jupiter! Hoe slaan de stofwolkjes tusschen hunne gelederen op! En boven hun hoofd zijn er kleine, ronde, witte wolkjes. Ha! Majoor Wolmarans is aan 't woord. Hij neemt wraak voor Talana Kop. »Go it, old chap!” Nog eens: »druk op, kerel! Kap hullie om!” Snel rukken de kanonnen vooruit. Dikker worden de stofwolkjes en veelvuldiger de cirkeltjes in de lucht. »Tast toe! Majoor! Tast toe!”

»Hoera! Zij komen weer terug! De poging is verijdeld. De aanval is teruggeslagen. Zie! de paardenruiters gaan in vollen galop in de richting van Ladysmith.” Duidelijk zien wij nu de lange rijen ruiters. Zij zijn verslagen! Zij nemen de wijk!

»Maar wat is dat ding, daar in den weg achtergelaten?”—'t Zijn affuiten, met kanonnen en al natuurlijk. De vluchtenden lieten ze achter. De kanonpaarden zijn gewis doodgeschoten. Dat's weer buit voor ons.

Neen! niet zoo gauw. Een klein klompje ruiters jaagt terug. Zij gaan het stuk halen! Bravo! Zij pakken het beet. De paarden zijn voorgehaakt.... hier komen zij met het kanon aan.... onder een regen van bommen en kogels. Bravo! Daar hebben zij eer van!

Toen kwam het laatste tooneel. Als door een tooverslag was de vlakte daar dicht bij de Engelsche batterijen met voetvolk besprenkeld. Waar kwamen zij vandaan? Mogelijk lagen zij verscholen achter een heuveltje, of onder de boomen, klaar om Pepworth's heuvel te bestormen. Mogelijk hadden zij zich reeds vroeg in den slag uitgeput in den mislukten aanval op Generaal Burgers' positie. Later vernam ik, dat onze menschen het daar in ons centrum voor een korten tijd zeer zwaar hadden en hun voorste positie moesten opgeven. De Howitzers en Krupps deden, echter, van twee kanten zulk goed werk, dat het Engelsche centrum geene vordering kon maken. De Engelsche rechtervleugel kreeg het nog heeter. Van heuvel tot heuvel dreef Generaal Meijer's mannen ze dien morgen terug, totdat zij Lombard's Kop en Gun Hill en Bulwana zelfs opgaven—en naar Ladysmith vluchtten. Ook daar deden onze kanonnen prachtig werk; terwijl de burgers er ook uitmuntend de kopjes bestormden.

Thans zag ik het voetvolk hard loopen. _Sauve qui peut_ scheen nu de orde van den dag. Zij waren niet in gelid, of bij hoopen te zien. Gescheiden, apart, elk voor zich zelf, renden zij daar over het plein. Er moet een paniek daar onder hen zijn, te oordeelen uit de verwarring die er heerscht. Zij dwalen rond als schapen zonder een herder.