Zes maanden bij de commando's

Part 8

Chapter 83,652 wordsPublic domain

Maar ik moet u voorstellen, lezer, aan twee mannen daar bij Generaal Cronjé. Ik bedoel de twee broeders de Wet. De man, die uw aandacht het meest trekt en 't oog terstond boeit, is bepaald de jongere broeder: Piet de Wet. Hij is ruim zes voet drie duim hoog, zou ik schatten—een ware Saul onder de burgers. Een Saul ook hierin: dat hij een van de schoonste boeren is, die ik ooit gezien heb. Zijn gelaatstrekken zijn regelmatig, eer dan sterk geteekend. Hij is bijzonder blond van huid voor een Afrikaander. Zijn blauwe oogen, lichtgeel haar en blozende wangen herinneren aan Noord-Europeesche stamvaders. Zijn gestalte is prachtig, doch mogelijk een weinig te gezet voor groote krachtsinspanning en bewegelijkheid. Verwacht in hem echter niets van het oude Berserk-karakter der Noormannen van vroegere eeuwen. Zijn geheele wezen verkondigt zachtheid, teederheid, gevoeligheid, hartelijkheid en sympathie. Zijn mond is ietwat zwak en onstandvastig. Hij is een man om te beminnen en om bemind te worden—een man, die geen vrees inboezemt, maar het harte steelt. Als eenvoudige burger ging hij ten strijde, om eerlang tot veldkornet verkozen te worden, en te Rietfontein was hij reeds ageerend-Commandant der Bethlehemmers. Later werd hij tot nog hoogeren rang bij Colesberg verheven, en hij heeft goed werk daar, te Sanna's Post, te Dewetsdorp en elders verricht.

Maar let wel op dien korten, breed geschouderden, sterk gespierden, donker gekleurden ouderen broeder, Christiaan de Wet. Hij is hoegenaamd niet iemand, die terstond in 't oog valt. Schoon kan hij niet genoemd worden. Hij is bruin van huid; zijne oogen zijn klein en zwart; er speelt een embryonisch lachje op zijn welsprekenden mond. De mond treft, als gij hem eerst goed in acht neemt. Er is kracht en zelfbeheersching in de rechte lijn der lippen; er sluimert humor in dat lachje. In deze doet hij aan President Kruger denken. Dan de kin! Die is prominent breed, krachtig. Er is beslistheid, standvastigheid, individualiteit in zijne ferme kin en massieve jukbeenderen. Als hij den mond open doet, hoort gij terstond dat hij lispelt. Zijne stem is echter zacht en zoet; en hij sprak vloeiend en aangenaam. Ontbloot hij zijn hoofd, dan treft u zijn breed, hoog voorhoofd, door diep gepeins geploegd. Zijn hoofd is bijzonder groot in vergelijking met zijn kort lichaam. Hij is zeer kalm, bescheiden, natuurlijk in zijn voorkomen en houding; maar als hij zijn oordeel over iets geeft, gevoelt men terstond, dat er overtuiging en zelfvertrouwen in den man zetelen. Als hij van u wegstapt, bemerkt gij dat de man van ijzer en staal gemaakt is: sterk gebouwd, en tegelijk elastiek, snel, vurig. Hij heeft de kracht en de veerkracht van een zwaardvechter uit de oude Romeinsche tijden. Onbekende talenten sluimeren er in dien onaanzienlijken, korten man; hij is verordineerd, om al de andere officieren, daar tegenwoordig, verre te overtreffen.

Hij begon den oorlog als Veldkornet der Heilbronners en was ageerend Commandant te Rietfontein. Later zien wij hem weer en hooren wij veel van hem.

Het contrast tusschen de twee broeders de Wet doet denken aan de schoone beschrijving van Miles Standish en diens vriend, John Alden in een gedicht van Longfellow:

_Short of stature he was, but strongly built and athletic, Broad in the shoulders, deep-chested, with muscles and sinews of iron; Brown as a nut was his face...._

En dan de jongere broeder Piet:

_Fair-haired, azure-eyed, with delicate Saxon complexion, Having the dew of his youth and the beauty thereof._

XIII

De Boeren om Ladysmith

Sir George White had nu al zijne beschikbare troepen in het versterkte kamp te Ladysmith vergaderd en de Boeren haastten zich het groote leger van ruim twaalf duizend man aldaar intesluiten. Een beslissende slag kon elk oogenblik verwacht worden, gevoelde onze Commandant-Generaal, zoo trad hij persoonlijk aan 't hoofd der verzamelde commando's op, na eene ontmoeting met Generaal Prinsloo. Toen zag ik onzen waardigen Commandant-Generaal werken! Dag na dag was hij in den zadel, alle posities om Ladysmith zelf inspecteerend. Krijgsraden werden bijgewoond, soms bij de hoofdkwartieren van Generaal Prinsloo, ten westen van de stad, soms bij zijn eigene hoofdkwartieren, achter Pepworth's heuvel, ten noordoosten van Ladysmith. Om acht uur 's avonds moesten alle lichten uit zijn, maar om drie uur 's morgens was de rustelooze krijgsman reeds op de been. Dikwijls zag ik hem daar bij »Pepworth's Hill” van tent tot tent gaande, om de luiaards te wekken met zijn tenoorstemmetje:—

»Opstaan! Opzaal! Klaar staan elk oogenblik voor een aanval. Gauw! Gauw!”

Meer dan eens schrok ik wakker onder het geluid dier woorden bij onze tentdeur.

Soms riep de oude uit: »De Engelschen trekken uit! Opzaal! Maak gauw.”

Of wij groenen ervan schrokken! Grootere waakzaamheid heb ik nooit in den oorlog gezien, als die van Generaal Joubert. De man scheen nooit te slapen. Om voedsel en drank bekommerde hij zich niet. Zijn trouwe gade zorgde, echter, dat hij steeds wat te eten kreeg, al ging het ook hoe »hals over kop”. Wij werden tusschenbeide boos op den energieken, onvermoeiden, woeligen Generaal. Waarom al die drukte en moeite?—vroegen wij elkander—en die blinde alarmen? En dat paarden halen en opzadelen in het holle van den nacht? Mijne oogen werden later geopend, om die dingen te begrijpen. Onze veteraan-Generaal wist bij dure ondervinding, wat een _volks_-commando beteekende! De waakzaamheid van den Engel Gabriel, de energie van een Napoleon, het geduld van een Job waren noodig, om zulk een ongelijksoortige schare van boeren en dorpelingen eenigszins op een leger te doen gelijken. De moederlijke bezorgdheid en lollerigheid en bekommerdheid van een kakelende hen tegenover hare kleine kiekens werd door den Generaal in die eerste dagen tegenover de burgers uitgeoefend—omdat hij wist.... wat hij wist! Geen wonder dat de man geen »Transvaalsche Jingo”, geen oorlogszuchtige was. Geen wonder, dat hij voor toegeven tot het uiterste pleitte. Zijn oogen waren open voor de feiten, voor de werkelijkheid der dingen. Vandaar ook zijn gebrek aan zelfvertrouwen en hoop. De oorlog was voor _hem_ geen jachtpartij, geen buitmakerij, geen schietwedstrijd, geen picnic voor groote kinderen. Waarachtig niet! De oorlog eischte, volgens hem, de hoogste en volste inspanning van de beste krachten van lichaam en geest in officiers en in manschappen, alsmede de stiptste gehoorzaamheid aan alle bevelen. Helaas! vele officieren deelden niet zijn gevoelen, en al deden zij het ook, dan waren zij te zwak om zijn voorbeeld te volgen. Met blijdschap, echter, wensch ik te constateeren, dat het woord en het voorbeeld van den grijzen Commandant-Generaal een uitmuntende uitwerking op onze commando's in die dagen hadden. Zijn oog was op elkeen, en ieders oog was op hem gericht. Hij sprak de burgers overal bij hunne posities in krachtige, welsprekende taal toe. Zijne woorden trilden door elk hart, en hij werd alzoo in letterlijken en in zedelijken zin: De Ziel en de Held van de Overwinning te Modderspruit en Nicholson's Nek op 30 October behaald.

Vóór wij onze indrukken van het gevecht meêdeelen, zal een woordje omtrent de Boeren-posities niet te onpas zijn. Ladysmith is in een soort van natuurlijke Kom gelegen. Rondom de stad ziet men aan bijna alle zijden hooge heuvelen en kopjes. Deze zijn echter op een aanzienlijken afstand van de stad gelegen—zegge van vier tot acht mijl. Ten noord-oosten ligt _Pepworth's Hill_, groot, breed, tamelijk hoog en steil: een van de aanzienlijkste hoogten in ons bezit. Zonder slag of stoot liet Generaal White deze belangrijke stelling in onze handen vallen. Een kleine mijl van den heuvel in oostelijke richting staat het woonhuis van den heer Pepworth een Natalsche Parlementslid, eigenaar van de uitgestrekte plaats, »Rietfontein”, waarop Pepworth's Hill gelegen is. De eerste batterij der Transvaalsche Staatsartillerie was boven op dien heuvel, aan de zijde naar Ladysmith ziende, in een halven cirkel gesteld. Behalve de 4 Fransche snelvuurders, de 2 Krupp's en de 2 Pom-pom's (vroeger genoemd), werd het groote vestingkanon, dat bij Marshall's plaats ook gebracht werd, daar in positie gesteld. Dit reusachtige moordtuig was pas den avond voor den slag aldaar aangekomen, maar eenige honderden sterke armen bij de kracht van twee-en-twintig groote, ingevoerde muilen gevoegd, overwonnen alle moeilijkheden. Ter inlichting van den nieuwsgierigen lezer zij gezegd: dat er twee lange, sterke touwen aan den zwaren, ijzeren kanonwagen vastgeknoopt werden, aan elken kant een, waaraan de burgers in een lange rei trokken, terwijl de muilen in 't midden zwoegden. Opmerkelijk is het ook: dat er geen pad voor de zware kanonnen en caissons naar den top des heuvels bestond, maar een menigte rappe handen, met pikken en graven gewapend, wisten er spoedig een soort van weg te banen. Daar de heuvel als het ware met groote ijzerklippen bevloerd was, zag het haastig gemaakte pad er maar akelig en gevaarlijk uit. Toch—het beantwoordde aan zijn doel. Zondag avond werd het groote Creusot erop getrokken, en in de duisternis van den nacht werkte de heer Léon—een Fransche deskundige, jaren te voren in Transvaalschen dienst genomen—onverpoosd aan platform en beschutting ervoor. Tegen 4 uur den volgenden morgen was de »Long Tom” gereed om zijn basstem te doen hooren—tegen half vijf begon de kanonmuziek van Modderspruit. Colonel Trichard, met Luitenant de Jager en 2de Luitenant H. du Toit hebben bevel over al die vuurmonden.

De Ermelo-burgers, toen slechts eenige honderden in getal, en het Iersche Corps, ongeveer 120 sterk, werden op den grooten heuvel tot dekking van de kanonnen geposteerd.

Een half mijl van Pepworth's heuvel, in zuidelijke richting, vlak bij de spoorlijn uit Ladysmith naar Elandslaagte gaande, is er een kleine, boschachtige verheffing. Daar stond Generaal Joubert met zijn staf en een kleine lijfwacht van Heidelbergers gedurende den slag. Vandaar uit spoedden zijne adjudanten links en rechts met orders naar de verschillende officieren.

Als men den spoorweg overgaat en zich in een zuidoostelijke richting begeeft, verder van Ladysmith, komt men in aanraking met den bekenden Transvaalschen staatsman en patriot Generaal Schalk Burger, met zoo wat vierhonderd Lijdenburgers. Van Oshoek (op de grens van het verre Swazieland) is hij over Amsterdam, Piet Retief, Vrijheid en Dundee naar Ladysmith gekomen, om ons te helpen. Het was één van die snelle marschen, die de verbazing der wereld wegdragen, waarvan de Boeren er zoo velen in den oorlog hebben afgelegd. Met 3 Howitzers (Krupp, snelvuur, 12 cM., model '97, een 35 lb. projectiel 6400 meter ver werpend) en een hand-maxim is hij net bijtijds aangekomen, om aan den slag deel te nemen, Majoor Erasmus en Luitenant Malan zijn aan 't hoofd dier kleine batterij. Er zijn geen hooge heuvelen waar Generaal Burger zich bevindt—slechts een lange, lage rand van noord naar zuid loopend.

Naast aan de Lijdenburgers bevinden zich de Heidelbergers, ruim 1000 man sterk, met twee Krupp veldkanonnen (7½ cM., 12½ lb. projectiel, model '95) onder den zorg van de tweede Luitenants Groothaus en Oelofse. Ook zij hebben niet juist prominente heuvelen, die in 't oog vallen. Inderdaad is het land aan de oostzijde van Ladysmith, gelijk en open in vergelijking met de overige zijden.

Onze linkervleugel, eindelijk, bestaat uit Generaal Lukas Meijer's commando—met Standertonners erbij gevoegd—nauwelijks 2000 in tal. Majoor Wolmarans steunt hem met Kapitein Louw Pretorius. Het terrein, dat zij bedekken is zeer heuvelachtig en sterk. Zij hebben 4 Krupp snelvuurders, 2 Fransche kanonnen (7½ cM., 19 lb. projectiel 8500 meter ver spuwend—evenals die op Pepworth) en een Pom-pom, alsmede het maxim van de Engelschen achter Talana Kop genomen. Eene afdeeling Duitschers, onder Luitenant von Quitzow (zoo wat 60 in 't geheel) is ook bij Meijer's commando gevoegd.

Generaal Kock ligt met den dood te Ladysmith te worstelen. Commandant Ben Viljoen is te Newcastle en elders, alle krachten inspannend, om ons sterk commando Johannesburgers weer te organiseeren.

_Lombard's Kop_ en de hooge _Bulwana Berg_ liggen tusschen Meijer's mannen en Ladysmith. Ze zijn twee belangrijke punten, die nog in het bezit der Engelschen zijn. De spoorweg naar het zuiden loopt daar in de vallei van de Kliprivier—die door de stad gaat,—aan den voet van Bulwana en de voorpunt van Lombard's Kop (ook wel »_Gun Hill_” genoemd). Als Sir George zijne communicatie met Durban wil open houden, mag hij die hoogten niet verliezen. Aan de overzijde der breede vallei, zijn er hooge heuvelen en bergen, zooals de bekende _Plat Rand_ (of Wagon Hill), treuriger nagedachtenisse, maar daaromtrent thans geen woord, want het heeft met den op handen zijnden slag niets te doen.

Onze rechtervleugel strekte zich uit achter een heuvelenreeks, van Pepworth's tot aan _Surprise Hill_, die zuiver noord van Ladysmith stond, vlak voor de bekende _Nicholson's Nek_. Het groote Pretoria-commando, van district en stad, ruim elf honderd man thans tellend, onder Generaal Daniel Erasmus en diens broeder Stefanus (ageerend Commandant) hield een deel der uitgestrekte positie, en de Vrijstaters waren op Surprise Hill en vooral onder aan den voet van den hoogen heuvel, later »_Klein Majuba_” genoemd, waarop de Engelschen gevangen genomen werden. Daar, rechts van dien heuvel en van Nicholson's Nek, als men het aangezicht Ladysmithswaarts wendt, hadden de Heilbronners—zegge 500 man, onder Commandant Steenkamp en zijne rechterhand Christiaan de Wet—hun lager, met een klein klompje Kroonstadschen (Com. Nel) de nabijheid. Dat waren de eenige Vrijstaters, die aan 't gevecht deelnamen, de overige commando's meer west en zuid-west van Ladysmith gelegerd zijnde. Grof geschut was er hoegenaamd niet tusschen Pepworth's en Nicholson's Nek, maar onze rechtervleugel is sterk wegens zijn heuvelen-forten. Van Generaal Meijer's linkervleugel tot aan de Heilbronners vormden de Federalen een halven cirkel van negen of tien mijl in omvang. Dan had onze voorzichtige, slimme Commandant-Generaal nog eene andere kaart, die hij desnoods kon uitspelen, namelijk een flinke, georganiseerde reserve-kolonne scherpschutters. Hij had Commandant van Dam, van de Johannesburg Rijdende Politie, met zijn 800 man naar Ladysmith ontboden. Met ongelooflijken spoed was de wakkere Commandant met zijne manschappen,—voorzien van paarden, tenten, commissariaatwagens, voedsel, alles compleet en in eerste klas orde—per spoor naar Elandslaagte gekomen. Van daar snelde hij toen met eene vliegende colonne van ongeveer 400 man naar Pepworth's Hill, alwaar hij laat Zondagavond aankwam. Toevallig had ik nog de eer, den Commandant naar des Generaals tent te geleiden, daar hij mij in de duisternis haastig toeriep: »Waar is de tent van Generaal Joubert?” Hoe laat het was, voor de Politie dien nacht een oog kon toedoen, kan men wel gissen.

Welk nuttig werk zij den volgenden morgen deden, zullen wij weldra zien.

XIV

De Slag van Modderspruit en Nicholson's Nek

Maandag morgen vroeg werd ik door het donderend knallen van een kanonschot gewekt. De Generaal had mij en den Kapitein dien morgen niet wakker geschreeuwd, en daar wij zoo te zeggen ons eigen bazen waren, sliepen wij door, na de andere burgers reeds lang op de been waren. _Boem!_ dreunde het van Pepworth's heuvel door de heldere morgenlucht. Het was Luitenant de Jager, die aldus het bal opende.

De Engelschen waren den vorigen nacht reeds uitgetrokken in dichte drommen voetvolk en ruiterij, gesteund door zes batterijen veldkanonnen, en vele maxims. Zij sliepen onder de lage, maar toch dichte doornboomen op het plein[2] tusschen Commandant Weilbach's en Generaal Burger's posities in de stad. Hun Centrum was ruim drie mijl van Pepworth's heuvel verwijderd, maar krachtige oogen ontdekten de zwarte streepen zoodra het licht werd, en Kolonel Trichard tastte den vijand met geweld aan.

[2] Vlakte.

't Was een dag, dien ik nimmer zal vergeten, daar ik in 't midden van den kogelregen verkeerde en het mijn eerste ondervinding van dien aard was. Te Dundee kon ik bij onze Creusot's recht op staan kijken, waar onze bommen vielen, daar de Engelsche veldkanonnen niet bij machte waren onze hoogte te bereiken. Op Pepworth's ging het heel anders! Om andere zwakke medezondaars tot hulp en bemoediging te zijn, zal ik mijne gewaarwordingen breedvoerig mededeelen.

_Boem_—_boem_—_boem_—dreunde het op den heuvel. Haastig trok ik mijn baatje (jas) en stevels aan—meer werd er niet 's avonds uitgedaan—wierp mijn bandelier om den schouder, nam mijn roer in de hand en stopte een paar handen vol beschuit in den zak. Ik was erg zenuwachtig, maar vergat toch niet een klein fleschje whisky—dat ik van huis nam, met het voornemen om het slechts voor gewonden te gebruiken—uit mijn portmanteau te halen. Het klinkt wat ongeloofelijk voor dorstige naturen: dat fleschje was nog volmaakt vol, zoo als het in mijn huis te Pretoria door mijne vrouw was gevuld! Maar wij moeten ons haasten. Er wordt gevochten van daag. Ik loop zoo snel ik kan, den heuvel op, naar onze kanonnen. Werktuigelijk, instinctmatig beweeg ik mij naar dien ijzeren cirkel van vlammende vuurmonden. Achter onze kanonnen nu is er een groote holte op den heuveltop, waarin de caissons en trolleys, de »Jameson kar” en eenige tenten schuilen. Daarheen begeef ik mij. Eer ik bij mijne kar aankwam, echter, zag ik dat er een hagelbui van kogels en bomscherven op die plaats neersloeg. Onze kanonnen voerden een tweegevecht met drie batterijen (18 stuks) Armstrongs, die den heuvel met bommen beploegden en bezaaiden. Waarheen nu? Ik wilde _zien_, _weten_, _ondervinden_. Maar 't is drommels onveilig daar bij dien vuurcirkel, boven en vóór mij. Daar kom ik nooit, hoor! Als het mij geboden werd, dan misschien; maar nu? Foei! Waar berg ik mij?

Hoe kan ik het helsche rumoer beschrijven? Waar vind ik woorden voor al de geluiden van dien morgen? In 't begin kon ik de ontploffingen tellen, maar spoedig werd het vuren, heen en weêr, zóó hevig, zoo woest, zoo kwaadaardig, dat mijn hoofd dreigde te bersten, en mijne ingewanden als een vulkaan rommelden. Ik kreeg een akelige hoofdpijn en.... ook maagkrampen, die gelukkig spoedig verdwenen. De hoofdpijn bleef mij echter den ganschen dag bij.

Goethe vergelijkt het geluid van bommen bij »het gonzen van tollen en het fluiten van vogelen,” maar sedert zijn tijd heeft men zooveel nieuwe ontploffingsmiddelen en soorten granaten en granaat-kartetsen en wat niet al uitgevonden, dat men nu moet spreken van »Brobdignagiaansche tollen” en »Mammothvogelen,” zal men aan een hedendaagsch artilleriegevecht recht doen wedervaren. Het gefluit dier looden vogeltjes in de lucht dringt tot merg en been. De onzichtbare ijzeren tollen gonzen zoo vreeselijk boven uw hoofd, dat hooren en zien vergaan.

Hoe snel de granaten ook de lucht doorklieven, gij kunt ze hooren aankomen, al nader en nader. Het duurt slechts eenige seconden, maar gij hoort het duidelijk: nader, al nader, bij u—Heere! help—gij houdt den adem op—_phutt!_ valt het monster voor uwe voeten in den grond. _Whir_—r-r-r-r-r-sh-sh-sh-_shu!_ ploft er een tweede achter u neer. Jing-g-g-g-e-e-e-e-e-_paf!_ barst er een derde aan uwe rechterhand. De granaat-kartetsen zijn nog verschrikkelijker. Zij ontploffen eerst boven uw hoofd, storten dan met een geweldig gedruisch hun half-emmer looden kogels op de aarde uit. Gelukkig is de afstand zóó groot, dat het den kanonniers zelden gelukt om die moorddadige bommen op het juiste moment te doen ontploffen. Hunne berekeningen zijn natuurlijk naar gissing, en de kogelregen komt òf te vroeg òf te laat af. De gewone granaten zijn dus het gevaarlijkst, daar zij rechtuit op hun man afgaan en gewoonlijk zware wonden, zoo niet den dood veroorzaken. Zoo'n bomscherf in 't lijf is geen speldenprik, hoor. Daardoor werden Luitenant H. du Toit en Apotheker Townshend onder meer dien dag zwaar getroffen, en onze onverschrokkene Dr. Hohls gedood.

Ik dwaal en draai er eenige minuten doelloos rond, niet wetende waarheen ik mij wenden zal. Naar den bovenrand des heuvels wil ik niet. Er is wel veel te zien, maar 't is mij te gevaarlijk. Ik ben geen artillerist. Ik ben slechts een nieuwsgierige burger. Den heuvel te verlaten zou het veiligste zijn, maar daartoe ben ik te eergevoelig en te nieuwsgierig. Al vallende en opstaande, links en rechts springende, waggelend als een dronken man, kom ik ongemerkt nader aan een groepje burgers, die een weinig rechts van onze kanonnen op de helling van den heuvel rondspringen. Midden van het gevaar van een vreeselijken dood, die mij elk oogenblik treffen kan, merk ik toch als in een droom op, hoe zij elkander zonder opzet naäpen. Als de een valt, vallen allen; hoest er een, dan volgen allen zijn voorbeeld; springt een rechts of links, allen doen desgelijks. Allen zijn even gek, even dronken, even aardig, als zoo vele poppen door een onzichtbaren draadtrekker beheerscht. In dit marionettenspel, echter, zijn de menschen aan het verkeerde eind van de vertooning!—een feit, dat veel humor aan het tooneel voegt, als men er op terugblikt, maar dat heel tragisch kan uitvallen, als men zelf aan 't dansen is.

Toen Saul onder de profeten kwam, begon hij, even als zij, te profeteeren. Zoo gaat het elk een, die zich bij een groepje menschen van daag voegt: hij volgt onwillekeurig hun voorbeeld. Zoo ging het ook mij: ik word met mijn medeburgers door de onzichtbare, maar al te hoorbare vogeltjes en tollen heen en weer geslingerd, omvergeworpen, gemesmeriseerd, betooverd, beheerscht. Wij zijn aan een gedwongen orkest bezig. Ons Satanische kapelmeester geeft ons een gedurige afwisseling van deuntjes en wij volgen gedwee zijne grillen na. Wee ons! Wee ons! Ha! Ha! lachen de vogeltjes in de lucht. Dreigend zongen de tollen ons tegemoet. Al de baren en golven van een boosaardigen oceaan zijn over ons gekomen.

Hoe het kwam, weet ik niet, maar hier ben ik achter een laag muurtje van losse steenen. Het zijn ruwe steenen, op den heuvel opgeraapt, en losjes op elkander gestapeld. Er zijn er zoo wat vijftien man met mij achter die bouwvallige beschutting. Wij liggen zoo plat als mogelijk. Gelukkig de man, die van daag het schraalst en tegelijk het kortst is. Gezegend de onbekende wilde, die dit muurtje lang geleden bouwde...... om ons het leven op dezen dag te redden. Mijn hoofd bonst geweldig; de maag is geheel ledig. De onmisbare slok koffie werd ons heden morgen niet gegund. Goddank! het schijnt hier tamelijk veilig te wezen.

Ietwat later zegt een uit onzen groep: »Kerels, komt, laat ons wat lager af naar dat kraaltje gaan. Hier zijn wij in de lijn van het hevigste vuur. Hier wordt het al te gevaarlijk.”

Wij aarzelen, want 't is een waagstuk om die vijftig treden af te leggen. De bomscherven en kogels warrelen er rond als dun stof.