Part 7
Ach! daar zijn de roodbruine heuveltjes links van Elandslaagte-station. Daar staat de groote tentwagen van Generaal Kock nog, wit en blinkend in de middagzon. 't Is een van de ouderwetsche, ruime Voortrekkers wagens, en staat midden in het slagveld van Elandslaagte: plaats van bittere nagedachtenis voor alle ware Republikeinen—een tweede Weenen voor 't Afrikaanderdom. Tot _zulk_ eene vernedering is het met den Voortrekkers wagen gekomen.
Een oogenblik zijn wij in twijfel, of wij het slagveld terstond bezoeken zullen, of niet, maar onze tijd is kort en we hebben nog ver te rijden. We zijn immers op weg naar Ladysmith en 't is reeds één uur.
Bij 't spoorwegstation gekomen, spreken wij met eenige Indische mijnwerkers—er is een groote kolenmijn bij 't station—omtrent de Engelschen, en tot onze verbazing zeggen zij: dat de soldaten daar achter de bergen zijn. Met de hand wijzen zij naar de bergen zuidwest van Elandslaagte en noordoost van Ladysmith. 't Is onmogelijk, denken wij: de coolies bedriegen ons; maar de ex-Commandant wordt onrustig. Wij rijden naar een heuveltje aan onze rechterhand, alwaar wij afzadelen en den horizon met onze veldkijkers onderzoeken.—Neen! er is niets te bespeuren, en toch kan 't best zijn, dat eene patrouille van den vijand ons op dit oogenblik bespiedt en onverwachts mag bekruipen. Een onaangenaam en onzeker gevoel begint in ons op te komen.
»Wacht!” zeide de Commandant, »blijf jullie hier, terwijl ik daar naar die Kafferkraal rijd. Snijdt jullie intusschen den telegraafdraad stuk hier boven ons hoofd. Wij kunnen niet te voorzichtig zijn.” De Staatsprocureur vergezelt hen, en de achterblijvenden pakken den draad aan. Geen kleinigheid, hoor! want de palen zijn zeer primitief, bestaande uit dunne boomstammen, vol knoesten en kwasten en haakplekken voor het achterste gedeelte van de broek, die er op- en afglijdt. Twee van ons die zich aan de onderneming waagden, zijn er ook letterlijk »broekscheur” (zooals de Boer het noemt) van afgekomen. Het moeilijkste is, om aan de ééne hand te blijven hangen, terwijl de andere de dikke draden tracht door te knippen met een soort schaar, die daarvoor gebruikt wordt. Daar de kraal een goed half uur rijdens van ons verwijderd is, hebben wij tijd om intusschen een beetje rond te wandelen, terwijl onze paarden op het schrale gras weiden.
Wij wenden onze schreden naar het station en het duurt niet lang, of wij vinden er verscheidene tastbare herinneringen aan het ongelukkige commando, dat ons zoo ver vooruit was gesneld, om weer gebroken en bebloed terug geslingerd te worden. Ziedaar eenige geweren op den grond, voor de deur van een klein hotel. Het zijn Mausers! Gebroken Mausers! Een duidelijk teeken, dat de onzen er de nederlaag hadden. In een vertrek zien wij bloedvlekken, nagelaten brokjes brood en beschuit en de asch van vroegere vuurtjes. Er waren gewonden in deze kamer, mogelijk ook prisoniers—ook Engelsche gewonden, te oordeelen naar de bebloede _khaki_-kleedingstukken, die hier rond liggen. Wij loeren door het venster van een andere kamer en worden door een sterke brandewijn-geur getroffen. Ha! daar hebt je een Coolie op zijn rug liggend, dood-dronken, of dood—een walgelijk schouwspel! Laat ons verder gaan.
Wat hebben wij hier? Een massa bottels, overal rond gestrooid, allen ontkurkt en ledig! Wellicht heeft gindsche aanbidder van Buddha de laatste gevulde bottel brandewijn, die hier te vinden was, geledigd; maar wie heeft dit gansch groot geestrijke heir verslonden? Het zijn nog al fijne exemplaren, hoor!—meestal van de aristocratische lang-nekken, die waarin de keurige wijnen van Champagne en den Rijn gedaan worden. Bij Jupiter! die onbekende drinkers hadden een goeden smaak: zij lieten slechts het Natalsche bier onaangetast. Er zijn er niet minder dan twintig groote leggers van dat plebejisch vocht op de trucks, allen onaangeroerd. 't Is heel duidelijk, dat er een trein vol kost en drank, voor de troepen te Dundee bestemd, door Generaal Kock's mannen hier opgehouden werd, en dat onze vrienden zich, als goede officiers, bij de duurste en uitgezochtste dranken bepaalden. Van harte hopen wij slechts, dat geen een van onze arme makkers laatsten Zaterdag hier _eerloos_ in plaats van op het slagveld _eervol hors de combat_ geraakte. Zoo'n gebottelde schare van geesten (»spirits”) is nog al gevaarlijk voor een dorstige menschheid, vooral na een langen en vermoeienden en kouden marsch. _Humanum est errare!_—Zoo dachten onze Generaals ook, want nog dienzelfden namiddag werden eenige mannen vooruit gezonden, om de gevaarlijke vaten onschadelijk te maken, door het bier op den grond te verspillen. Voor het eerst, en waarschijnlijk voor het laatst in mijn leven, heb ik toen een rivier van louter bier zien vloeien.
Een tijd lang vermaakten wij ons ook met het lezen der jongste Engelsche telegrammen, die wij in het kantoor aantroffen, maar mijn hart was op die treurige bruine heuveltjes, waar de Johannesburgers en Hollanders en Duitschers den laatsten Zaterdag het onderspit moesten delven. De romantische hoop om Ladysmith dien avond te bereiken, scheen mij verijdeld, maar de Kapitein en eenige anderen van ons gezelschap wilden met geweld verder gaan. Toen onze ex-Commandant van de Kafferkraal terugkeerde met een ongunstig rapport, kon ik de verzoeking, hierboven genoemd, niet langer weerstaan; vooral daar Kapitein Bleksley van Johannesburg, mij te kennen gaf, dat hij mij gaarne in die richting vergezellen wilde. De kapitein was reeds ten vorigen dage bij Elandslaagte, op instructies van Generaal Joubert, aangekomen, vertelde hij mij, om te zien, of er niet nog van onze gewonden in de omgeving te vinden waren. Hij verhaalde mij, dat hij er werkelijk eenige gewonden en ook dooden in nabijgelegen kafferhutten had ontdekt, waar de arme drommels dien noodlottigen Zaterdag nacht of daarna een schuilplaats hadden gezocht. Terwijl de meerderheid van ons partijtje dus den weg naar Ladysmith verder volgden en de minderheid naar ons lager terugkeerden, vervoegde ik mij bij Kapitein Bleksley voor den namiddag en den nacht.
Onze bevindingen zullen in een volgend hoofdstuk verschijnen.
Eenige dagen later eerst ontmoette ik mijn vriend Kapitein Bosman. Wij waren weêr op weg naar Ladysmith, maar ditmaal met de eerste batterij en vele duizenden burgers. We gingen toen de Engelschen in de stad vastkeeren en belegeren. Ik vroeg mijn trouwen vriend:
»Wel, hoe is het met jullie dien middag afgeloopen?”
Hij antwoordde:
»Man! wij gingen voor ongeveer een half uur verder op den grooten weg, zonder een sterveling tegen te komen, toen eenige paardenruiters ons tegemoet reden. Ze kwamen van de heuvelen op onze rechterhand. Ze waren Boeren tot onze blijde verbazing! Spoedig bleek het, dat het eene patrouille Vrijstaters waren, die zich zeer verheugden bij het vernemen, dat de Transvalers zoo dichtbij waren. Ze hadden den mond vol van een geduchten aanval, dien zij den dag te voren met succes hadden afgeslagen, maar verlangden zeer naar onze komst. Over het doel van onze romantische expeditie, maakten zij zich erg vroolijk: de Engelschen waren wel degelijk in Ladysmith, zeiden zij, en dat wel te veel en te sterk naar hun smaak. Daarom spoorden zij de Transvalers nog eens aan, om toch met allen spoed voorwaarts te rukken.”
»En waar sliept je dien akeligen stormachtigen nacht?” vervolgde ik.
»Kerel! we hadden het bitter zwaar, glô mij. Wij reden den geheelen langen weg weêr terug naar ons kamp! Maar dat was niet het ergste. Te Elandslaagte ving de duisternis ons reeds. En jij weet, hoe het regende! Wel, jij kent de diepe »spruit” dicht bij het station. Daar ik bijziend ben en het stikdonker was, tuimelde ik over 't hoofd van mijn paard heen. Ik bleef dus wat achter, en riep te vergeefs naar mijne makkers. Zij waren in de duisternis verdwenen. Ik hoorde niets. In zalige eenzaamheid moest ik dus eenige uren lang naar ons kamp terugrijden. 't Was bij negen uur toen ik daar aankwam. Goeie deugd! ik was stellig negen uur in den zadel dien ellendigen dag. Of ik niet afgemat, papnat en hongerig was! 't Was maar een treurige bezigheid, hoor!”
Ik troostte hem met de gedachte, dat de »Ridders van de Ronde Tafel” van Koning Arthur wel eens zich in 't zoeken naar den »Heiligen Graal” uitgeput hebben, en toch niet minder helden om die reden heeten. Ook hadden zij heel nuttige informatie omtrent onze Vrijstaatsche vrienden meêgebracht, en dat was veel meer dan Don Quixote ooit deed!
XI
Elandslaagte
't Was een treurige pelgrimstocht dien Woensdag namiddag naar de plaats, waar vier dagen vroeger een groot lager gestaan had, vol van leven en vreugde en hooge eerzucht—en nu? En nu? Laat ons zien, wat er nu nog te zien is. 't Is een goed half uur wandelens van het station, zoo gaan wij te paard—Kapitein Bleksley en ik. Wij reden over de gelijke vlakte naar de heuvelen-groep—er zijn er zoo wat drie of vier dicht bij elkaar, één waarvan min of meer dwars tegen over de anderen loopt—waar de tragedie werd afgespeeld. Onverwachts komen wij op een lijk af, zoo wat halverwege naar den naasten heuvel. Een lijk in het open veld, vier dagen na den slag! Wij stijgen af en doen onderzoek. 't Is een sterk gebouwde, forsche man, blijkbaar een Duitscher, van middelbaren leeftijd. Hij ligt op den rug en er is een kleine ronde wond recht boven het linker oog en een tweede in het achterhoofd. De kogel trof hem terwijl hij stond, of liep, of reed, mogelijk op weg naar de kopjes. Maar hoe kwam hij daar, in het open veld?
Zijn linkerhand is in zijn jaszak gestoken. Wij halen haar uit en ziet!—er is een Mauser-patroon tusschen zijn duim en voorvinger vastgenepen! In den dood hield hij den kogel nog stijf vast. Hij was op 't punt om zijn geweer te laden, arme man, toen de doodsengel, in den vorm van een Lee Metford kogel, hem arresteerde.
Te vergeefs onderzoeken wij zijne kleeren en zakken voor een naam, of eenige andere vingerwijziging omtrent zijne identiteit. Wij kunnen slechts dit verklaren: dat hij in alle waarschijnlijkheid tot het Duitsche Korps onder Kolonel Schiel (die ook dien dag gewond en gevangen genomen is) behoorde. Zijne daden zoo wel als zijn naam zijn begraven daar in het plein bij Elandslaagte, waar wij hem haastig een graf maakten, ver, ver van zijn vaderland.
Helaas! mijn onbekende broeder! Op uw grafheuvel passen de aandoenlijke woorden van Adelaide Proctor:
No name, to bid us know Who rests below, No word of death or birth, Only the grass's wave Over a mound of earth, Over a nameless grave.
Met een bezwaard gemoed zetten wij onzen tocht voort naar de naaste tent, die wij zagen. Het bleek de tent van den heer de Witt-Hamer te zijn, een Nederlander, lid van den Tweeden Raad en Luitenant van het Hollandercorps. Eenige enveloppen op den grond liggend droegen zijn bekenden naam. Dicht bij de tent lagen een geelgeverfden reiskoffer, met den naam »C. Mansvelt” in groote witte letters er op geschilderd.
Goeie deugd! Dan was mijn leerling, Cornelis, niet lang geleden hier! Zijn vader, de Superintendent van Onderwijs der Zuid-Afrikaansche Republiek, weet niet of zijn oudste zoon dood of levend is. Is hij gesneuveld, of prisonier? Is hij slechts gewond, of reeds begraven? Niemand weet. Kon de kleerenkoffer toch maar spreken over het gevecht en het lot van zijn jongen meester!—Later kwam de blijde tijding, dat de jongen prisonier was en in goeden welstand verkeerde.
Wij haasten ons verder, daar de regen al weer dreigt. Daar staat de groote wagen van den Generaal, vlak onder het dwarskopje (zoo even genoemd), en in het midden van den heuvelengroep, waar de Republikeinen stelling namen. De twee veldkanonnen (Maxim-Nordenfeldts, 7½ cM.—van Dr. Jameson destijds afgenomen) stonden op de dwarshoogte, niet ver van des Generaals wagen. 't Is ons goed, te weten, dat de grijze Generaal (een lid van den Uitvoerenden Raad nog al) als een held op zijn post bleef, totdat zijne zware wonden hem deden neerstorten.
De strijd moet hier hevig geweest zijn, hier in de omgeving van den nu verlaten wagen, want er zijn verscheidene lange, versche graven in den maagdelijken bodem gedolven.
Wij zien eenige tenten op de helling van den hoogsten heuvel der groep, niet ver van ons af, en gaan daarheen. Op weg moeten wij een diepen, droogen sloot (donga) door en worden aan den grond genageld door wat er te zien valt. Een twintig of dertigtal doode paarden liggen er in den sloot op een hoop. Zij zijn daar aan elkander gekoppeld, mogelijk door de Engelsche bommen neergeveld, die er over den dwarsheuvel donderden; of misschien zijn zij later door de troepen daarheen gesleept en op elkander gesmeten. Hoe het ook zij, de verscheidenheid van houding en ligging der nobele dieren, alsmede hun wederkeerige betrekking tot elkander, zooals zij daar opeengestapeld zijn, vormen een onbeschrijfelijk treffend geheel. Och! dat het penseel van Potter mij dit afgrijselijk-schoon, natuurlijk-artistiek tooneel kon afschilderen! 't Is een scène, het plastische doek van een Hogarth meer dan waardig. Ik kan er geene woorden voor vinden. Ik werd er door tegelijk betooverd en afgeschrokken. Trouwe, fiere, krachtige, verminkte, verwrongene, bebloede strijdrossen. Gij vormt een passend monument van den vreeselijken slag. 't Is mij alsof de ziel van Elandslaagte laatstleden Zaterdag nacht tusschen deze heuvelen rondwarend, en eindelijk sidderend in uw koude, ontzielde lichamen tot rust kwam.
Wij gaan voort zonder een woord te spreken, totdat de Kapitein een voorwerp ziet, dat een teedere snaar in het hart doet trillen. 't Is de tent van zijn vriend, Majoor Hall, van Johannesburg. Hij herkent haar aan de voering van groene baai en eenige stoelen in de nabijheid. »Ik kende hem zeer goed,” zeide hij treurig, »hij was mijn vriend. Hij viel in den slag van laatsten Zaterdag.”
Overal op de helling van dien heuvel staan er nog tenten, en tusschen de tenten in liggen er doode paarden bij de aschhoopen van doode vuurtjes. Verschoten patronen, Mausers en Lee Metfords, lagen er overal rond gestrooid. Helmen en gordels van soldaten waren er naast aan de zadels en tooms en portmanteaux onzer menschen.
Hier vond de hardste en laatste worsteling te midden van een zwaren donderstorm plaats. Het Engelsche voetvolk stormde hier van twee kanten in deze kloof op, nadat de granaten en granaat-kartetsen (wie weet hoe lang?) hier bijna alles verpletterd hadden. En toen?—Toen ontspon zich een strijd van man tegen man, met aangezicht tegen aangezicht, hand tegen hand, geweerkolf tegen sabel, vuist tegen lans, zoo als de oorlog er geen tweeden heeft opgeleverd. Uit brieven van Engelsche soldaten oordeelend moet het hier een kleine hel zijn geweest, dewijl sommige Lanciers zich, volgens die brieven, gedroegen alsof zij op een zwijnen-jacht uit waren, in plaats van een oorlog met Boeren (a _boar_-hunt instead of a _Boer_-war) voerden.
Hier bezweek De Jonge (Dr. Mansvelt's Secretaris), door meer dan een lanssteek doorboord, de liefde van velen in Zuid-Afrika, door zijne geschriften van hem vervreemd, door zijn heldendood herwinnend.
Twee groote lange grachten zijn hier gegraven voor de vele dooden van beide zijden. Ze zijn een paar voet van elkander verwijderd. Mogelijk zijn de Engelsche lijken in de ééne, de Boeren lijken in de andere geworpen. Heel waarschijnlijk echter, is er geen onderscheid gemaakt. De dood kent geen rassenhaat. Het graf weet van geen nationaliteiten. Vriend en vijand rusten hier dicht bij elkander. Nederlander en Engelschman, Afrikaander, Duitscher en Schot,—allen zijn zij vereenigd onder de haastig omgekeerde zoden.
Mijn jonge vriend, Luitenant Joubert van het Johannesburg Vrijwilligerscorps, telg van een dapperen vader, die als Commandant-Generaal in den laatsten Basuto-oorlog van den Vrijstaat figureerde, ligt best mogelijk in een van die breede, groote graven te slapen. Hij gedroeg zich gewis zijnen grijzen vader waardig. Vrede zij zijne assche!
De beste, de edelste, de talentvolste, de onvergetelijkste van allen echter, die te Elandslaagte sneuvelde, is Dr. Coster, Nederlander van geboorte, advokaat te Pretoria, Staatsprocureur der Zuid-Afrikaansche Republiek tijdens den Jameson-Inval. Ter onzaliger ure werd de rechtschapene man beledigd door lippen, die het eene eer moesten geacht hebben, om hem te eeren. De fiere Nederlander legde zijn ambt als Staatsprocureur zonder een woord neêr.... zonder een woord, en _zonder eene grieve_! _Dat_ was het zedelijke wonder, dat de kroon op zijn grootmoedig karakter zette. Toen de oorlog ons voor de deur stond sloot hij zich vrijwillig bij het Hollandercorps aan—en dat na hetgeen er achter de Staatsgordijnen was gebeurd. Te Elandslaagte liet hij het kostbaar leven voor zijn aangenomen vaderland en volk.
Zoolang er nationaliteitsgevoel in de Transvalers, de Vrijstaters en de Hollandsche Afrikaanders blijft branden, zoo lang zal het reine patriotisme en de ridderlijke dood van Dr. Coster, in eervolle gedachtenis blijven voortleven. Zijn standbeeld prijkt in Nederland, zijn graf is diep in elk edel Afrikaander hart gezonken.
This was the noblest Roman of them all,.... His life was gentle; and the elements So mix'd in him, that Nature might stand up And say to all the world: »This was a man”!
XII
Het Licht breekt door
In de voorgaande hoofdstukken hebben wij gezien, hoe zwaar de moed en het _moraal_ onzer burgers in Natal gedurende de eerste weken van den oorlog op de proef gesteld werden.
Bij Dundee moest Generaal Meijer onverrichterzake het slagveld ruimen en tot over de Natalsche grenzen de wijk nemen. Er werd wel een maxim van de Engelsche ruiterij afgenomen en een groote slachting onder het Britsche voetvolk te weeg gebracht, maar de uitslag was erg teleurstellend en ontmoedigend op de burgers, en velen vertrokken zonder verlof naar hunne woningen. De val van Dundee gaf wel wat verademing, maar de veilige terugtocht van Generaal Yule bedierf de vreugde geheel en al. Op het _moraal_, den _geest_ onzer menschen had dat feit dus geen invloed van eenige beteekenis. Toen kwam de onvergetelijke nederlaag te Elandslaagte als een donderslag bij klaren hemel op de burgers af. Zij wisten niet anders, dan dat het zeer goed met Generaal Kock en Commandant Ben Viljoen ergens in de Biggarsbergen ging. Zoowat 800 vette beesten waren er te Waschbank-station met trein en al op den 19den gebuit en het spoor was later met succes te Elandslaagte opgebroken. Alles scheen dus goed te gaan met de voortvarende en ambitieuze commando's onder Generaal Kock. En toen?—Elandslaagte! »Een totale nederlaag, zoo groot als nog nooit door het Afrikaansche volk geleden is”—om de eigen woorden van Generaal Joubert te bezigen.
Daarbij kwam nog dit, dat wij van de Vrijstaters niets hoorden. Hoofd-Commandant Marthinus Prinsloo moest van de Drakensberg-Passen op Ladysmith afzakken, den spoorweg van Harrismith naar gemelde stad in handen krijgen, met onze commando's aansluiten en vooral de Britsche connectie per spoor met het zuiden afbreken. Langzaam, uiterst langzaam werd met dat werk gevorderd. De lijn naar Pietermaritzburg bleef onaangeroerd en de verbintenis met onze commando's vond niet plaats.
Generaal Joubert begon zeer onrustig te worden. In plaats van de Engelschen zuidwaarts te drijven, vreesde hij het tegenovergestelde. »Als de Vrijstaters niet beter helpen,” telegrafeerde hij in die angstige dagen, »zal mijne positie onhoudbaar worden!” Hij dacht, dat er mogelijk een groote aanval van uit Ladysmith op ons werd voorbereid.
Plotseling, echter, brak het licht door de wolken heen. De romantische rit vergewisde ons èn van de nabijheid èn van het schitterend succes der Vrijstaters in hun eerste treffen van beteekenis met den vijand. De slag van Elandslaagte had ze wakker geschud daar boven bij Bestersstation op de Harrismithlijn. Een commando van 900 man met één kanon werd in allerijl van daar naar de Zondagsriviervallei gezonden. Voorzichtiger dan de Johannesburgers, de Hollanders en Duitschers, namen zij een sterke positie in op eenige hooge heuvelen, op de plaats Rietfontein, ten noordoosten van Ladysmith, alwaar Sir George White ze aanviel, maar met groot verlies werd teruggeslagen.
Dat gebeurde op Dinsdag den 24sten October—een dag, die met helder rood in de geschiedrollen van den Oranje Vrijstaat dient gemerkt te worden—een dag, die veel invloed op het _moraal_ onzer burgers uitoefende—de dag, waarop het licht door de donkere wolken begon door te breken.
Ladysmith is ongeveer 18 mijl van Elandslaagte verwijderd, zooals de spoorweg gaat. Een weinig meer dan halfweg van laatstgenoemde plaats naar Ladysmith, op de rechterhand van het wagenpad naar het zuiden, is het land zeer bergachtig. Terrasgewijze stijgen de heuvelen al hooger en hooger, totdat zij zich in de hooge Drakensbergen en Biggarsbergen verliezen. Daar nu, op een van die heuvelen, of liever, op eene heuvelen-groep, nestelden de Vrijstaters zich zóó vast, dat Sir George ze niet kon uithalen. Daar ontvingen onze dappere wapenbroeders hun vuurdoop. Daar stonden zij de proef flink door en wonnen zij hunne sporen.
Op Donderdag 26 October kwam de hoofdmacht der Transvalers van het Noorden langs den weg van Elandslaagte naar Ladysmith aangereden, en waar de weg tegenover Zwartbooi's Kop op Tinta Inyoni (den hoogsten top der Vrijstaatsche stelling) komt, vond de lang verbeide verbintenis tusschen de federale machten plaats. Vroolijk mengde de zijstroom zich met de groote rivier! Groot en algemeen was de vreugde onder de burgers dien dag.
Ik had het voorrecht tegenwoordig te zijn toen Vecht-Generaal Andries Cronjé onze hoofdofficieren de hand drukte. Ook hoorde ik hem vertellen, hoe zij van 8 uur v.m. tot 4 uur n.m. door voetvolk en ruiterij werden bestookt, door drie batterijen en vele maxims gesteund—hoe flink de burgers zich onder het hevig kanonvuur gedroegen—hoe de herhaalde aanvallen van den vijand werden teruggeslagen. Het Vrijstaatsche kanon, (een Krupp) kon slechts nu en dan zijne tanden wijzen en blaffen, daar het vijandig vuur te hevig daarop neerstortte. Van tijd tot tijd verdween het dan ook geheel en al van het tooneel, om weer onverwachts, als er een kans was, vooruit te schieten en een schot of wat te lossen. Er waren acht burgers in den slag gevallen, zes zwaar en zestien licht gewond; maar dat belette ons niet met stralende aangezichten elkander aan te zien en de hand te schudden. De gesneuvelden worden heel gemakkelijk door de vechtende burgers vergeten, zoo lang als er nog gevochten moet worden. Het hart wordt door het vechten en het gedurig zien van menschenbloed verhard. De hoofdgedachte dien dag was deze: Indien de Vrijstaters alleen, met een enkel kanon, _dat_ konden doen, dan moeten onze vereenigde machten wonderen kunnen verrichten! Alzoo werd de geestdrift van Zandspruit in ons herboren; alzoo kwam ons oud vertrouwen weer terug; alzoo werd de geest en het _moraal_ en de moed onzer burgers hersteld.
Dienzelfden namiddag besteeg ik, in 't gezelschap van den Staatsprocureur, den hoogen bergtop, vanwaar men een heerlijk uitzicht had op het slagveld van _Rietfontein_—aldus genaamd naar den naam der boerenplaats, waarop er gevochten werd—eenerzijds en dat van Elandslaagte anderzijds. Vroolijk en opgewekt gevoelden wij ons op de hoogte; terneergedrukt en verontmoedigd waren wij in gindsche laagte: een waar symbool van onze lotgevallen, ja van 's menschen leven ten allen tijde—
_A double picture with its gloom and glow, The splendour overhead, the death below._
(LONGFELLOW)