Part 6
Zoo werd Dundee door ons genomen! Onze Zondagsrust kostte ons duur: het geheele leger was ontsnapt en kwam werkelijk veilig te Ladysmith aan! De teleurstelling was dubbel groot na den treurigen afloop van den slag op den vorigen Vrijdag. De Engelschen waren onuitsprekelijk dwaas om daar, te Dundee, midden in de bergen, (die zij nog al aan de Boeren overlieten) zulk een kostbaar kamp te vormen. Wij waren niet minder dwaas in de wijze, waarop wij van den Vrijdagmorgen tot den volgenden Zondagavond te werk gingen om Dundee in te nemen. Generaal Penn-Symons was overmoedig en onderschatte de kracht zijner tegenpartij; Generaal Erasmus had te min moed en overschatte de macht der Engelschen. Allerwege en voor allen was de Dundee-geschiedenis een treurige mislukking. Geen van beide partijen behaalde er veel eer mede. Vele dapperen sneuvelden er op Talana heuvel aan onzen kant, en de echtgenoote van Generaal Penn-Symons, die den val van Dundee niet overleefde, had een profetisch voorgevoel, toen zij haar man per kabel liet weten:
»Ik ben de hoogmoedigste vrouw in Engeland; vreeselijk angstig; verlangend naar boodschap. Leef om mijnentwille.”
IX
Een Nachtelijk Avontuur
Meer dan eens is mij de vraag gesteld: »Hoe ging het in de eerste weken van den oorlog op het punt van voedsel voor de commando's”? Wel, het ging in het begin uiterst beroerd. Dagen lang was er geen brood. Die geen beschuit, door vrouw, of vriendin, of zuster voor hem gebakken, bij zich had, moest meermalen honger lijden. Want zelfs met het slachten van vee ging het toen zeer ongeregeld. De meeste burgers hadden echter, wat kost van huis meegebracht, en anderen hadden geld in den zak, om er koopjes op weg mee te doen. Te Newcastle, bijvoorbeeld, konden de hotelhouders niet genoeg spijze voor de hongerige mannen verschaffen, hoewel zij er goed voor betaald werden. Opmerkelijk is het, dat noch spijs noch drank aldaar door eenig een maar zoo genomen, of, zooals men het euphemistisch noemt, »gecommandeerd” werd. Langs den grooten weg, echter, ging het meer ongeregeld toe, vooral waar men verlaten huizen en winkels aantrof. Een oplettende burger kon gedurig kleine klompjes burgers (heel toevallig!) zien verdwalen in de richting van een of ander hoen, of eend, of gans: geen gewoon Afrikaander kon met Paddy in een varkenjacht wedijveren. Hetzij deze de lieve diertjes gewoon weg storm liep, of met eenige kameraden in de flanken aanviel, zijne manoevers werden steeds op meesterlijke wijze en met schitterend succes uitgevoerd. En 's avonds, als wij ergens op een groot buiten ons bivak hadden, kon men op het geschreeuw van zieltogende zwijnen rekenen als een veilige aanwijzing naar de kwartieren der dartele zonen van Erin. Men moest zichzelven, echter, in die dagen op alle mogelijke manieren behelpen. Het brood werd op reuzenschaal te Pretoria gebakken en versch uit de ovens naar 't front gezonden. Maar waar was het front? Wij bleven soms een, soms twee, soms drie dagen op eene plek. Zelfs de Generaal, kon niet altoos met zekerheid zeggen, waar zijne commando's over twee of drie dagen zouden kampeeren! Wat nu gedaan? Men zond eenvoudig het brood bij trucks vol per spoor naar Natal, alwaar het bij de stations dikwijls lag te verschimmelen, terwijl de arme burgers ernaar versmachtten. De Nederlandsche Spoorwegmaatschappij werkte hart en ziel en krachtig met de Regeering en den Commandant-Generaal zamen, maar de fout lag hierin: dat men het brood _te Pretoria_ liet bakken en dan nog al _versch_ over al die lange mijlen spoors verzond. Later werd deze gewichtige zaak veel beter geregeld. Er werd niet slechts te Glencoe Station een groote veld-bakkerij op touw gezet, maar al het brood in de hoofdstad gebakken, werd eerst opgesneden, met wat vet bestreken en dan nog eens in de ovens goed droog en hard gebakken, eer het naar de commando's ging. Als een soort smakeloos, maar toch zeer voedzaam beschuit werden de harde sneden in de koffie door de burgers geweekt en met pleizier gegeten. Zulk brood kon natuurlijk niet verschimmelen, al bleef het ook hoe lang op weg naar het onbekende en beweegbare front.
Wat het vleesch aangaat, werd er later mede gemorst, kan men zeggen, toen de commando's vaste lagers rondom Ladysmith en de Tugela en de Modderrivier getrokken hadden. Er was altoos een overvloed van ossenvleesch, en soms werd er ook wel een kudde schapen voor de commando's gekocht. Zekere personen in elk lager werden afgezonderd, om het vleesch te verdeelen, en elk korporaalschap (ongeveer 25 man) kreeg zijn bescheiden deel. Desgelijks werd de koffie en suiker, de thee en de tabak, de zeep en de blikjes jam en visch—en natuurlijk ook het brood-beschuit—uitgedeeld. Drank werd niet verschaft, maar die in een flesch whisky of brandewijn behagen vond, wist die wel uit Pretoria of Johannesburg of elders per spoor aan zijn adres te doen zenden.
Wat mijn eigen persoon betreft, mijn vriend, de kapitein, hield er een soort adjudant op na, die tegelijkertijd ook naar den kookpot moest kijken. Gewoonlijk had hij een kuiken, soms ook wel een taaien haan op 't vuur, eenmaal per dag. Wij vroegen niet vanwaar die dingen kwamen, maar bleven goed op de hoogte omtrent den weg waarheen zij gingen. Aan een gezonde spijsvertering was er bij ons in de open lucht geen gebrek, en ons appetijt was kolossaal. Soms kwamen wij in een stortregen 's avonds bij ons bivouac voor den nacht aan, en in een ommezien was er eene kamer voor den kapitein en zijn gast gecommandeerd en een kip op 't vuur. Dit hadden wij alles aan den adjudant te danken, die weinig moeite had om voor den kapitein een bed te krijgen, daar deze tot het commissariaat-departement der Staatsartillerie behoorde en alzoo ruime rechten en machten kon uitoefenen. 't Was dus goede politiek, om hem van dienst te zijn. Op zijne beurt, weêr, vereenzelvigde mijn goede, oude, Stellenbossche schoolkameraad altoos mijne belangen met de zijnen, zoodat ik steeds met hem zijn hoen, zijn koffie en brood en zijn bed deelde. Soms spoorde de kapitein de trage gangen van een en ander surnumerair-artillerist, van wien hij iets wilde gedaan krijgen, met het volgende heel ernstig uitgesproken grapje aan:—
»Toe, kerel! Gedraag je nou fluks—dan kom je ook in 't boek van meneer Hofmeyr!”
Goede, ondeugende, handige jongens! Gij hebt ons onschatbare diensten op commando bewezen. Zonder u waren wij gewis verhongerd, of op de invalidenlijst gekomen. Wij vergeten u nooit, vooral niet wegens die hoenderboutjes; maar uwe namen zijn ons ontgaan. Het ga u wel, waar gij ook zijt.
Maar wat heeft dit alles met het opschrift van dit hoofdstuk te doen?—Zeer veel, lezer, zeer veel. Zie! toen het mij duidelijk werd dien Maandagmiddag, dat Dundee in onze handen was gevallen, verlangde ik zeer naar een lekker diner. Droog beschuit en koffie voor 't ontbijt, _dito dito_ om twaalf uur—als er kans daartoe bestond—met _dito dito plus_ een stukje vleesch tegen zonsondergang—wel, dat zegt veel voor iemand, die de eerste weken met het Natalsche commando was, maar!... _Enfin_, een _table d'hôte_ lachte mij uit de verte toe, terwijl ik het schoone Dundee van den Impatiberg bewonderde.
En zoo werd mijn nachtelijk avontuurtje voorbereid.
De Magistraat van Dundee had Generaal Erasmus om eene wacht bij zijn huis voor den nacht verzocht. Terwijl ik nu bij Marshall's plaats rond wandelde, in twijfel of ik naar Dundee zoude stappen of niet, ratelde er een trolley (een open rolwagentje) mij snel voorbij. Ik keek op en zag mijn vriend Mike Maritz erop, met nog een negental andere burgers. Zij vormden de wacht, door den Generaal naar den Magistraat gezonden.
»Gaat ge meê,” bulderde de gezellige Mike.
»Ja wel” en ik rende den wagen achterna en sprong er achter op. Daar ik als 't ware mijn eigen baas was en bij geen veldkornet of officier ingedeeld was, kon ik mij aan dergelijke avontuurtjes ongestraft wagen. Later echter, en dat wel te Magersfontein, werd ik onverwachts heel zwaar gestraft voor een mijner onschuldige ondekkingsreisjes. Maar dit is een ander verhaal.
Een klein half uur rijdens bracht ons bij het veldhospitaal, rechts van den weg gelegen, tegenover het verlaten kamp, dat links van den weg was. Daar sprong ik af en liep eenige soldaten te gemoet. Zij pasten de gewonden op en sommigen waren zelf gewond en kreupel.
»Een groot gevecht, hè?”
»Ja,” zei Tommy, »a bloody fight—nothing like this since the Crimea.”
»Hm. Was er mist op den berg?” naar Impati wijzend.
»O ja, den heelen dag, maar niet lager af dan die plek daar”—zei een hunner in 't Engelsch, met den vinger zoowat halverwege den berg opwijzend.
»Is u zeker hieromtrent?”
»Ja, zeker!”
Dit punt was dus mijns inziens als feit geconstateerd: er was een dikke mist op den bergtop laatsten Vrijdag. Generaal Erasmus werd daardoor natuurlijk zeer belemmerd.
De gewonden telde ik niet: het was mij geen verkwikkelijk werk. Volgens Dr. Hohls hadden de Engelschen 184 gewonden te Dundee dien Maandag.
Het kamp liet ik vooreerst daar, omdat het laat begon te worden en ik het dorp wilde doorwandelen en dan een hotel wilde vinden. De doodsche stilte, de algeheele verlatenheid van het dorpje trof mij zeer. Slechts voor ééne deur waren er twee dames met een heer te zien. De inwoners, die nog achtergebleven waren, hielden zich binnenshuis »vanwege de vreeze der wreede, ruwe, vuile Boeren!” Zoo waren zij immers door hun geliefkoosde Engelsche couranten geleerd. O! de domheid van den ordinairen Jingo-Engelschman is iets, om Engelen te doen weenen of—wilt gij het liever?—te doen lachen.
Alleen wandelde ik de hoofdstraat van Dundee op, zuchtende terwijl ik mijn oog op Talana Kop liet vallen. Zóó dicht bij den Impati! Foei! wat 'n wanbestuur!
Mijne aandacht wordt door een aantal mannen bij gindschen winkeldeur afgetrokken. Laat 's zien, wat daar te doen valt. O! ze zijn aan 't buiten—zooals men zulke streken noemt. Een van de groote voorruiten (show window) is kortweg ingeslagen en onze vrienden zijn bezig de anderen, die reeds binnen zijn, te volgen. Het zijn burgers die, zonder verlof, ja, tegen het verbod van hun Generaal en Commandant, bij het vallen van den avond het dorpje zijn ingeslopen. Of zij nu den winkel reeds ingebroken vonden al dan niet, is mij onbekend. In elk geval, zij namen er slechts het allernoodigste uit: zooals laarzen, broeken, jassen, wollen hemden, enz. En—ik gun ze dat alles van heeler harte, al spijt het mij om den handelaar, die mij totaal onbekend is.
Ietwat later stap ik weêr denzelfden weg terug, naar zeker hotel, dat ik in 't oog had. Er brandden eenige lichten in de eetzaal, maar de deuren waren dicht. Ik klopte aan. Een oude praatzieke Jood kwam naar de deur.
»Kan u mij wat kost en een slaapplek verschaffen?” Met de grootste beleefdheid noodigde hij mij, hem te volgen. Hij bracht mij in een ruime eetzaal, alwaar er een half dozijn kinderen van Israël aanzaten. Zij groetten mij allen vriendelijk en mijn gastheer riep uit:
»Kijk hier, die man is mijn gast van avond. Vraag hem en vertel hem ook niets van den oorlog. Ik wil geen ruzie hebben. Laat ons samen eten en drinken.”
Tot mijn innige spijt was er geen warm eten! Zalm, kaas, »blikjesvleesch” (ingevoerd vleesch in blikjes, aldus op commando genoemd), thee, whisky _en galore_, maar geen gebraden vleesch, geen aardappelen, geen rijst (den Afrikaner der steden zoo onmisbaar), geen puddings. Hé, wat is dat? Bakkersbrood, heerlijk, versch! Dat heb ik langen tijd niet gezien, hoor. Smakelijk werd er dus gegeten, alhoewel het mengelmoes voor mij ten toon gespreid op geen fatsoenlijk _table d'hôte_ geleek. Al etende vond ik uit, dat die lieden allen Johannesburgsche Refugee's waren—wachtende op de zegetocht naar Pretoria, door Engelsche bladen zoo luidkeels uitgebazuind. Zij hadden gehoopt van Dundee naar de goudstad terug te mogen gaan. In plaats ervan werden zij per spoor naar Delagoa Baai gezonden, om vandaar hun weg naar de groote wereld te vinden. Arme drommels! Zij hebben mij gastvrij en vriendelijk onthaald en ik wensch ze een veilige terugkeer naar Johannesburg—over een jaar!
Na den eten riep ik den waard op zijde: »Geef mij toch alsjeblief een bad, man. Ik verga van vuil.”—»Een bad heb ik niet, het spijt mij zeer”.—»Wel! eene kamer dan met waschwater en een bed”.—»O Ja, dat wel. Volg mij maar.”
Ik volgde mijn onbekenden geleider door een langen gang naar een ruime kamer. Daar gekomen, wenkte hij mij geheimzinnig toe. Ik naderde hem. Hij fluistert mij in 't oor:
»You are in a trap! Ze English will come again to night. I warn you”.
Ik hield mijn hoofd hoog en sprak op dood gerusten toon (al wist ik er niets van af!)
»Nonsense. They're fled, man.” Hij haalde zijn schouder op en de schaduw van een spotlachje speelde op zijne breede lippen, terwijl hij opmerkte:
»Hm! Alsof de Engelschen zóó op de vlucht zullen gaan! Man, ik waarschuw jou, verlaat het dorp. Zij komen van nacht terug” (in 't Engelsch natuurlijk).
Ik begon erg te twijfelen, omtrent den stand van zaken, maar hield staande, dat er geene sprake van hun terugkeer was en dat ik een lekker »perpendiculier bad” en een heerlijke nachtrust ging genieten.
Hij zag mij verbaasd en medelijdend aan, en verliet de kamer. Plotseling kwam hij weer terug en fluisterde mij met nog meer geheimzinnigheid in ernst toe:
»Kijk. Neem dezen sleutel. Als de Engelschen bij de voordeur komen, kan je hiermede door de buitendeur van den gang ontsnappen.”
Ik lachte spottend, maar nam den sleutel uit zijne hand.
»Zoo,” zeide hij, »dat's goed. Ik mag je niets vertellen. Ik moet mijn mond dichthouden. Maar ik weet.... ik weet.... pas op! de Engelschen komen van nacht terug. Ik weet het.” De laatste woorden werden mij heel zacht in 't oor gestooten.
Toen bemerkte ik eerst, dat mijn waard heel diep in het glas gekeken had. De opgewondenheid der laatste paar dagen hadden hem gewis een hevigen dorst gegeven. En er stonden niet minder dan twee tamelijk gevulde bottels Scotch op de tafel—herinnerde ik mij.
Ik besloot hem toen op de proef te stellen. Hem sterk in de oogen ziende, donderde ik los:
»De _Boeren_ komen van nacht het dorp in—niet de Engelschen.”
»Vader Abraham! Zullen ze mij dooden?”—riep hij angstig uit.
Ha! hij was dus alles behalve zoo zeker van zijne zaak, als hij mij wilde diets maken.
»Och neen, vriend! Ze zullen je geen kwaad doen. Wees maar vriendelijk en geef ze wat te drinken,”—zei ik.
»Goed,” antwoordde hij, »ik blijf den heelen nacht op. Ik zal ze goed ontvangen.”
»Wel, goeden nacht dan, old chap.”—Ik schudde hem al lachend de hand.
Hij stond mij besluiteloos aan te kijken. Krabde zijn hoofd eenige seconden, in diep gepeins verzonken en toen stotterde hij:
»Ah! I have it. I shall keep coffee ready for ze Boers.... and beeftea for ze English!”
X
Een Romantische Rit
Dinsdag morgen begon de droevige tijding omtrent Elandslaagte in ons kamp doortesijpelen. Ik zeg »doorsijpelen” met opzet, want we kregen het nieuws bij kleine stukjes en brokjes. »Generaal Kock is dood”—fluisterde een je in 't oor. »Hij en al zijn officieren zijn gevallen.” »Neen”, merkte een ander op, »bijna al zijne menschen zijn ontvlucht, en hij zelf is licht gewond.”
Wij waren zeer ter neêr geslagen bij het vernemen van deze nieuwe ramp. »Sorrows never come singly”. Zoo was het ook met ons. Met hangende hoofden aten wij ons morgenmaal te »Marshall's Farm”, toen wij eensklaps uit ons droomerigen, lusteloozen, »bek-af” toestand gewekt werden.
_Boem! Boem! Boem!_ We hoorden het duidelijk. Daar ginder in de Biggarsbergen is het, of anders er achter. Boem! Boem! Het gaat geweldig aan. Er wordt weer gevochten. Het klinkt zoo nabij, dat meer dan een, met ongeduld vervuld, opspringt en uitroept: »Om God's wille! laat ons van hier wegkomen. We zijn ziek van Dundee. Elandslaagte maakt ons woedend. Laat ons voorwaarts rukken. Onze broeders vechten al weer, en wij.... doen weêr niets”!
Zoo voelen wij allen, al zeggen wij het ook niet overluid.
Goddank! daar komt Generaal Joubert in eigen persoon in ons kamp aangereden. Hij is boos en opgewonden, en roept met zijn fijne schelle stem uit:
»Wat maakt jullie hier? Waarvoor wacht jullie? Voorwaarts, kerels! Hier is niets te doen. Er is geen tijd te verliezen. Voorwaarts!”
Spoedig is het geheele commando op weg naar Glencoe. O! hoe branden wij van verlangen, om _daar_ te komen, waar het kanongebulder plaats vindt. Het schijnt ons zoo dichtbij te zijn, maar het bleek later, dat het te Rietfontein (dichtbij Ladysmith!) was, dat de Vrijstaters dien Dinsdag morgen hun vuurdoop ondergingen. In Natal, wegens de vele bergen en de heldere lucht, kan men het grof geschut verbazend ver hooren, wanneer de wind gunstig is.
Eer wij Glencoe bereiken komen wij een locomotief en een paar trucks tegen. Het zijn de Hollanders van de Zuid-Afrikaansche Spoorwegmaatschappij (kortelijks _Zasm_ genoemd), die reeds _daar_ zijn, druk bezig de taklijn van Glencoe naar Dundee in orde te brengen.
»Bij Jupiter!”—hooren wij een bekende Afrikaander, die nooit een goed woord voor de Zasm had, uitroepen, »die Hollanders zijn wakkere kerels. Zij verstaan hun vak. _They mean business!_ That's sharp work, eh?”
Eere wien eere toekomt! De Nederlanders hebben de Republieken trouw en _con amore_ gedurenden den oorlog, voor zoover mij bekend, bijgestaan. Gewis hebben zij niet geschroomd, de Transvalers ten oorlog aantesporen. Maar, zij voegden de daad bij het woord, in de meeste gevallen, en de zware offers, die zij voor ons brachten, zijn meer dan voldoende om hun bitterste tegenstanders onder ons volk te ontwapenen.
Voort gingen wij, de Commandant-Generaal in een klein »spider” vóór aan, voor een paar uur, toen hij weer naar het naaste telegraafkantoor terugkeerde. Wij gingen den schilderachtigen Biggarsberg Pas in bij Glencoe-station, maar vandaag hebben wij geen oog voor natuurschoon. We zijn enkel oor: hoor dat gedreun als van den donder! Geen ruwe bergkrans imponeert, geen kabbelende stroom bekoort: onze broeders vechten, en wij? wij zijn er niet bij om ze te helpen. Talana Kop, Elandslaagte, en nu? God! geef onze mannen de zege vandaag! Eenige dames staan er bij een huis dat wij voorbij snellen: heden heeft niemand een oog voor de schoonen, noch lust om met haar een praatje aanteknoopen. Onze broeders vechten ergens naar voren, we weten niet waar—ze roepen ons toe: »komt over en helpt ons.” Onze aangezichten zijn streng en stroef: we hebben geen lachje voor de kinderen op onzen weg. De onzekerheid is te akelig. De twijfel te pijnlijk. Wat gebeurt er toch? Voorwaarts! Spoedt u, eer het te laat is. Onze eer is er mede gemoeid. Er is geen tijd te verliezen.
Iemand zegt: er is een soldaat daar naar voren geschoten. Hij werd door onze verkenners tegen gekomen, de arme drommel.
»Wat is er aan, Dokter?”—vragen wij Dr. Hohls in het voorbijgaan.
»Ja!”—zegt hij, »de arme kerel ligt daar boven in eene hut doodelijk gewond. Ik wilde hem verwijderen, maar hij smeekte mij hem daar te laten. Hij wordt door eenige kaffers verzorgd.” Welk eene gedachte! Zonder vriend of bloedverwant, zonder iemand, die zijne taal kent, ligt er een blanke man langs dezen weg te zieltogen. Zou het waar zijn, wat de dichter Gray zoo schoon zegt?—
_On some fond breast the parting soul relies, Some pions drops the dosing eye requires._
Het gedicht vliegt ons door het geheugen en tegelijkertijd ook het bekende verhaal van den Engelschen Generaal Wolfe, die Gray's »Elegy” (waaruit bovengemelde regels genomen zijn) reciteerde, toen hij den aanval op Quebec leidde, niet wetende dat hij zijn eigen graflied zong. Maar in een oogwenk hebben wij den stervenden vreemdeling en den dichterlijken Generaal vergeten. Wij zijn te bekommerd over de onzen, die daar onder in de vlakte alleen »den wijnpersbak betreden” Haast u! Mannen! Broeders! Haast u! Sneller, steeds sneller! Hoort!—_Boem_—_boem_—_boem_—dreunt het voor ons!
Onze arme dieren kunnen het echter niet veel langer volhouden. De weg is verspoeld, turfachtig, vol modder en vol steenen. Een voor een blijven de zwaar beladen wagens staan. Mijn vier armzalige muilen overwinnen wel alle hinderpalen, maar mijn Jehu's gebruiken de zweep meer dan de leidsels: zij spelen viool op de arme langooren.... op krassende wijze.
Ho Ka! Halt! daar staat de wagen van Advokaat Esselen weêr. Wat is 't? Ach! de moddergaten zijn te veel voor den zwaren ammunitiewagen. En de regen stort geweldig op de arme muilen neder. Zij kunnen niet verder.
»Goeden dag, broers! Tot ziens!” Wij zien elkanders aangezichten niet meer vóór Donderdagmorgen bij Elandslaagte. Zoo ging het op dien zwaren tocht naar Ladysmith. De regen! Foei, dat was het ergste van al. Het water viel ongenadig op ons af dien namiddag. Zonder tent of dak moesten de burgers het stellen. Welk eene toets voor iemands constitutie naar lichaam en ziel tegelijk! Die den onvergetelijken tocht naar Ladysmith met de voorste commando's meêdeed, heeft geen kleinigheid achter den rug. Hij kan met eenig recht zeggen: »ik was ook eens op commando!” Ba! dat was een nacht in het lange, natte gras, langs den weg. Geen vuur mocht aangestoken! Geen koffie gemaakt! Gelukkig hij, die voor zulke gelegenheden een zoopje in zijn veldflesch heeft!
De volgende dag is een van de prominente dagen uit mijn Natalsche herinneringen. Vroeg, heel vroeg natuurlijk, waren wij door de Biggarsbergen gereden en hadden wij ons kamp in de prachtige Zondagsrivier vallei opgeslagen. Het was een dag van zonneschijn in den morgen, met een regenvloed tegen den avond—een type van onze ondervindingen! We vormden een gezelschap van zeven, en meenden naar Ladysmith te kunnen gaan. Het kwam aldus:
Zekere jonge Transvaler wist den Staatsprocureur te verzekeren, dat de Engelschen Ladysmith verlaten hadden. Generaal Erasmus lachte, toen hij dit hoorde, zeggende, dat de man het mis had. De Staatsprocureur hield echter staande, dat zijn informant hem alleszins vertrouwbaar toescheen en wilde in elk geval de reis ondernemen, om informatie in te winnen. Hij was te Marshall's plaats bij ons commando gekomen, en brandde van ongeduld en ergernis over den tragen en tragischen gang van zaken. Hij wist heel goed, hoe noodzakelijk het voor de Republikeinen was, om spoed te gebruiken.
»Wel,” zeide de Generaal, »ga dan maar, als je lust hebt, maar neem een man van ondervinding met je meê. En—neem de stad over in mijn naam!!”
De Heer Tobias Smuts, vroeger Commandant van Ermelo, thans lid van den Eersten Raad, verklaarde zich gereed te gaan. Kapitein Bosman en ik stonden het gesprek aan te hooren, en vol geestdrift sloten ook wij ons bij het gezelschap aan. Ds. van Broekhuizen van Pretoria, een patriot-predikant zooals wij er meer in den oorlog aantroffen, kon niet achterblijven. Met geweer en bandelier gewapend ging hij met ons meê. Hij was vroeger een beroemde voetbalspeler te Stellenbosch—het scheen mij, of de geest van het voetbalveld hem dien dag weêr bezielde. Dan hadden wij ook nog Advocaat J. Roos, _Reuter's_ specialen oorlogscorrespondent aan onzen kant, die door dik en dun met de commando's ging, en de wakkere Kapitein Daniël Theron, vroeger reeds door ons aan den lezer voorgesteld. Wij waren allen te paard en allen gretig, om wat groots te verrichten.
Wat een aardig geval, indien wij de eersten zouden zijn, om Ladysmith binnen te rijden! Voort dus in vollen galop! Wie weet, wat ons voor de deur ligt? Mogelijk wordt deze rit nog geschiedkundig en onsterfelijk! Onze Staatsprocureur heeft een helder hoofd; hij is een geoefend denker; gewoon te wikken en te wegen—koud en scherp als staal, om waarheid van onwaarheid te scheiden. 't Is best mogelijk, dat Ladysmith door Generaal White ontruimd is. Leve de Republiek! Voorwaarts!
Onze _ex_-Commandant spreekt weinig, maar kijkt veel rond met zijn verrekijker. Hij is verantwoordelijk voor onze veiligheid, en kan dus niet te voorzichtig zijn. Er zijn reeds te veel van onze menschen prisoniers gemaakt, en dat wel hier dichtbij, te Elandslaagte.