Zes maanden bij de commando's

Part 5

Chapter 53,919 wordsPublic domain

Allo! wie is dat? Is het mogelijk?.... Neen, toch niet, ja toch. 't Is mijn oude vriend, Advokaat Ewald Esselen. Hij zit op een ammunitiewagen van het Pretoriacommando. Hij is korporaal van een aantal ammunitiewagens. Daar zit hij, hoog en ‘nat’ met onzen vriend Mike Maritz naast hem. Beiden zijn uit Pretoria, en oude schoolmakkers van mij.

»So the world wags, Mor'e Ewald! Mor'e Mike! Hoe gaat het, kerels?” Het gaat beroerd, maar wij lachen lekker ten spijte van alles. Bar! als ik aan onze vuile handen en gezichten, en nog vuiler kleeren denk. 't Was een tooneel voor de schoone Grieksche goden! Zonder scheermes, zonder zeep, zonder brood, zonder koffie, zonder bed en zonder tent moesten de meeste mannen in die dagen het stellen. En onder hen waren er predikanten en schoolmeesters, advocaten en hoofdambtenaren.

Adieu, mijne vrienden! Later zien wij elkander weer, vuiler dan immer, maar vroolijker tevens en—wij willen het hopen—wijzer en mannelijker en beter ten gevolge van wat wij hebben doorgestaan.

Wij gaan naar Dundee!—Neen, toch niet. In elk geval, nog niet. Het bevel kwam: afzadelen, uitspannen bij de »Navigation” koolmijnen—meer dan een uur rijdens van de plaats mijner bestemming. Haastig tracht elk nu wat te eten en te drinken te krijgen. De honger is groot en de dorst niet minder. 't Is meer dan tijd om wat in de maag te doen. Er zijn kleine woonhuisjes bij de mijnen en in een keuken maken wij ons spoedig een heerlijk ontbijt gereed. Er was een winkel dichtbij en mijn drijvers wisten er wat ‘porridge’ en ‘jams’ te bemachtigen. Het beste van alles was, echter, een jonge kip, die zij ergens op weg hadden opgepikt en voor ons klaar maakten. Onvergetelijk hoen! Zaliger nagedachtenisse! Nog was ik bezig een beentje te pluizen, toen er onverwachts een onaangenaam geluid tot ons doordrong.

_Boem! Boem!_—klonk het uit de verte. Er wordt gevochten! Lukas Meijer is bezig—en wij? Wat doen wij hier?—Wij luisteren en schudden onze hoofden. _Boem!_ daar valt weer een hard schot. Een groote, pijnlijke twijfel beknelt ons gemoed. Is er misschien een fout begaan? Daaraan valt niet te twijfelen. »Some one has blundered?”—Wie? Hier staat de geheele eerste batterij, met haar prachtige snelvuurders en pom-poms. Alles nutteloos, terwijl er ginds achter dien berg hard gevochten wordt.

Ik snel naar de hoogte boven de mijnen, waar onze kanonnen gesteld zijn, en vraag den Kolonel, wat ons te doen staat. Hij zegt: »Generaal Erasmus heeft mij doen weten, dat de Impatiberg in zulk een dikken mist gehuld is, dat hij niets zien kan en dus niet weet, waar de kanonnen te laten plaatsen”. 't Is een akelige geschiedenis—die van dien Vrijdagmorgen. Er was een dikke mist, ongetwijfeld. Maar die lag maar op de bovenste helft des bergs. Indien Generaal Erasmus eenige verkenners had afgezonden aan de zijde van Dundee, dan zou er spoedig heel wat licht op het vechtterrein gevallen zijn. Geen uur te paard van de Pretorianen verwijderd, vond de slag van Talana Kop plaats—van den morgen vroeg tot tegen den middag. Men hoorde het kanongebulder onafgebroken dreunen, maar de gansche colonne bleef »op orders” die nooit kwamen, wachten, terwijl zij het heele Engelsche leger in het holle harer hand had. De gewaarwordingen van de Pretorianen moeten onuitsprekelijk pijnlijk zijn geweest, daar zij zoo dicht bij het vuur waren—zoo nabij en toch zoo ver!

Nimmer vergeet ik het dof gedreun der kanonnen van Dundee en Talana Kop op dien Vrijdagmorgen. Na zóó veel inspanning, zóó veel zelfopoffering, zóó veel plannen maken, zóó veel tijdverlies—zulk een resultaat! De heerlijke Creusot snelvuurders waren van Pretoria tot hier bij de kolenmijnen gebracht—om werkeloos te blijven, terwijl er een hevig gevecht aan den gang was! De Pretoria- en Heidelberg-burgers hadden regen en koude, honger en allerlei ontberingen en ellende vroolijk getrotseerd—om _hier_ te komen en.... niets te doen. De Engelschen waren totaal verloren, indien er slechts een boodschapper naar Generaal Meijer was gezonden, of omgekeerd, indien deze zich met Generaal Erasmus tijdens den slag in communicatie gesteld had. De weg naar den »Helpmalkaar Pas” (zuid van Dundee) werd door Generaal Meijer's mannen beheerscht. Het pad naar Glencoe liep over een nauw en open plein, dat van den westelijken schouder van Impatiberg door onze vuurmonden bestreken kon worden, terwijl Commandant Weilbach met zijn sterk commando en eenige stukken nog daar waren, om den vijand het vluchten in die richting te beletten. Het gansche leger van vijf of zes duizend man zou tot de overgave gedwongen zijn, indien het afgesproken plan slechts eenigszins werd nagekomen. O! de bittere ironie der fortuin! De berg was in barensnood, weken lang, en ziet! een muis kwam er voor den dag.—En toch vergete men niet, dat de Boeren toen nog maar »groenen” in de kunst van aantevallen waren! Geen wonder dus dat wij zulk een fiasco maakten. Geen wonder, dat ons eerste aanval zoo treurig afliep. Ook hadden wij geen de la Rey daar, om alles met zijn helder hoofd te regelen en met zijn kalmen moed uittevoeren. Welk een kluchtspel werd er dien morgen afgespeeld, wat de centrale colonne betreft! Maar o! welk een treurspel was het voor de mannen van Wakkerstroom en Utrecht, Middelburg en Vrijheid, Krugersdorp, Bethal en Piet Retief, die daar zoo schandelijk in den steek gelaten werden!

VII

Een brilliante Schermutseling

Tusschen een en twee uur van dienzelfden noodlottigen Vrijdag, 21 October, waarop Generaal Meijer gedwongen werd, om tot over de Buffel's rivier terugtetrekken, vond er een korte, maar brilliante schermutseling plaats, die een apart hoofdstuk waardig is. Zoo wat twee honderd Engelschen—zij waren van de King's Royal Rifles en de 18de Hussars—kwamen heel onverwachts op ons af. Zij werden tusschen de kolenmijnen en den Impatiberg door een patrouille onder den wakkeren Kapitein Daniël Theron (Hoofd van het Wielrijder's Corps) aangetroffen, en, even als een lot springbokken kwamen zij wild in onze richting aangejaagd, met Theron's patrouille op hunne hielen! Zij waren verdwaald, dachten wij toen; maar later vernamen wij, dat zij deel uitmaakten van een grootere macht, die Meijer's commando trachtte omtetrekken en er deerlijk gehavend van afkwam. Mogelijk wilden zij Dundee van 't noorden weer binnen rijden, niet wetende, dat de Boeren reeds dien weg hadden afgesneden. Hoe het ook zij: daar komen zij aan! Door het mistig weer is het ons in 't begin twijfelachtig, of het Engelschen zijn. »Schiet!” schreeuwt er een, maar er wordt geen bevel daartoe gegeven, en eer wij van onze verbazing bekomen, zwenken de ruiters rechts en snellen zij in vollen galop naar de Imbaban bergen.

Toen volgde er een merkwaardig schouwspel. De tweehonderd man werden in 't begin door slechts zoo wat vijftien man nagezet. De schrik was echter zoo groot, dat zij er niet aan dachten, om hun achtervolgers te beschieten. Zij zoeken slechts veiligheid in een haastige vlucht. Daar snellen zij heen! 't Is een wedren zoo als ik er nog nooit een heb bijgewoond. Zullen zij vrij komen? Het lijkt er wel naar, want zij tellen veel meer dan hun achtervolgers en zijn ze ver vooruit.

Doch ziet! wat is er gaande aan mijn linkerhand? Veldkornet Ernst van Ermelo is er als een pijl uit een boog met een twaalftal waaghalzen, zoo als hij zelf is, van de Mijnen uitgeschoten. Ha! die mannen kunnen rijden! Hun paarden zijn versch en sterk, en zij geven ze den vrijen teugel. 't Is een »race” naar het hart van den boer, die dikwijls op zijne plaats het gewond wild zoo achterna zet, of ook met Nieuwjaarsdag voor de pret met zijne vrienden te paard wedijvert. Het terrein is hun onbekend en daarbij erg gebroken en lastig, maar paard en man zijn aan zulke dingen gewoon. Sa! mijn dappere kerels! Sa! mijn flinke jongens. Gij wint reeds op den vijand. Jaagt, dat het zweet je aftapt, maar breekt toch je nekken niet.

Het gelukt hun werkelijk de Engelschen ‘voortesnijden’, ze voortekeeren, ze den aftocht onmogelijk te maken. Bravo! dat's flink gedaan. Dat kleine klompje heeft de vliegende colonne Engelschen in de grootste verlegenheid gebracht. Zonder eenig bevel daartoe aftewachten, zetten zij den vijand achterna en keerden zij hem voor. Daar hebt je een van de sterkste zijden van een Boerenmacht. De individu kan soms zoo veel doen!

Intusschen, echter, waren er honderden burgers ook te paard gestegen, om aan de jacht deeltenemen.—Verschoon mij het gebruik van die schijnbaar wreede uitdrukking; er is geen beter woord denkbaar voor het tooneel van dien namiddag.—Niet slechts de Ermelo-burgers en de Ieren, maar een aantal Pretorianen kwamen ook van den hoogen Impati aangejaagd, om hun bloed een weinig te koelen, na het vreeselijke abuis van den morgen. Het zijn de kleine klompjes Boeren, echter, zoo even genoemd, die de vluchtelingen in een hoekje keerden. Ja, zij waren inderdaad in de engte gebracht. Zij zochten schuiling, namelijk, in twee kleine huisjes en achter eenige steenen muren van een boerenplaats. Daar sprongen zij van hun paarden af en trachtten zij het een tijd lang uittehouden.

Langzaam en voorzichtig sluiten de burgers ze in. Zij laten hunne paarden op een afstand achter, en kruipen nader, steeds nader, al schuilend en schietend. Elke burger gaat zijn eigen gang, behalve waar een veldkornet in de nabijheid is, die bevelen geeft. Bevelen zijn trouwens ook niet noodig. De Boer is in zijn element hier. Hij heeft scherpe, geoefende oogen; een gezond en helder verstand; een bedaard en kalm gemoed. Zijn zenuwen plagen hem niet; hij is phlegmatisch. _La Gloire_ heeft voor hem geene betoovering, daarom ligt hij plat op den grond, glijdt hij op zijn buik, of koest hij achter een klip, of schuilt hij in een sloot, al schietende en steeds schietende, zooveel als mogelijk. Hij haast zich langzaam—want het einde is zeker, en hoe minder offers van onzen kant, hoe beter voor ons in de toekomst.

Têk-tek-tek. Tak-tak-tak-tak-tak. Têk-tek. Zoo knallen de Mauser en Lee Metford schoten onophoudelijk door. Het duurt ruim een uur, en de Engelschen verdedigen zich knap. Zij houden zich goed en schieten dat het kraakt. Hunne paarden (prachtige ingevoerde dieren) worden één voor één getroffen, want _zij_ zoeken geene schuiling, stomme, trouwe dieren. De positie der Engelschen is hopeloos. Toch houden zij den tegenstand vol. Lafaards zijn zij niet. Van alle kanten worden zij nu beschoten, en de vuurkring wordt al nauwer om hen getrokken. Daar zij zich hardnekkiglijk verzetten en tot geen overgave komen, zendt iemand bericht aan Kolonel Trichard, om een kanon ook eens het woord te geven. Een ruiter komt aangevlogen naar de plaats, waar onze kanonnen zoo nutteloos den mond houden, en schreeuwt: »Vuur! kerels—jullie moet vuur! Daar, op die huizen. Die Engelschen zijn erin.”

Boem.... kraak! 't Is ons eerste kanonschot. Luitenant de Jager, Kolonel Trichard's rechterhand,—verbitterd over het droevig nietsdoen van den morgen, en waarschijnlijk al te begeerig, om toch eindelijk een beetje meê te praten—loste dat schot, onder daverend gejuich van de omstanders.

Boos kwam de Kolonel, die bezig was de schermutseling met zijn verrekijker gade te slaan, naar den Luitenant, uitroepende: »Wacht! Moet niet schieten zonder mijne orders. Jullie mag van onze menschen dooden.”

Daarin lag ongetwijfeld ook heel wat waarheid, maar de menschen waren toen reeds overspannen over het gebeurde (en vooral over het niet-gebeurde) van dien dag, zoo vond er een hevige ruzie tusschen een Veldkornet en den Kolonel plaats! Voor het aangezicht en ten aanhoore van al de burgers en artilleristen in den omtrek werd er getwist tusschen twee officieren. Ja, sommigen van de burgers nemen van tijd tot tijd ook deel er aan. 't Is eene verwarring als die van Babel. Wat hebben die lui met de zaken van den Kolonel uitstaande? Hoe durven zij zich in den twist mengen? Zijn al de burgers gelijk? Is er geen tucht, geen discipline in een Boerenleger mogelijk? Heeft men geene vrees voor officiers—geen eerbied voor het gezag? Is deze de noodzakelijke _schaduw van de sterke zijde_ onzer Boeren, die wij zoo even geprezen hebben? Is deze »de ondeugd onzer deugd” _par excellence_?.... De goede God helpe ons om het spoedig in te zien, als het zoo is!

Wederom snelt er een ruiter in vollen galop naar de kanonnen. Er moet een kanon naar het vechtterrein komen zegt hij. De burgers krijgen het anders niet klaar van avond. Na een kort onderhoud met hem geeft Kolonel Trichard bevel aan Luitenant de Jager, om met een Krupp-snelvuurder op te rukken. Alles was in orde; de paarden stonden klaar, tuigen en zadels waren op hun plek, en de jonge artilleristen toonden dien dag, dat zij hun werk op meesterlijke wijze verstonden. In eenige minuten was de affuit de hoogte af en in vollen galop ging zij voorbij de mijnen in de richting van de boerenplaats, waar het kogelgefluit nog onafgebroken voort ging. Een diepe drift moest men door, en later ging het buiten den weg over heuvels en door kloven, maar de uitgelaten Luitenant vertraagde zijn snelle vaart niet, aleer hij bij de plaats gekomen was, waar hij zijn stuk wilde stellen.

De rest behoeft nauwelijks verhaald. De derde kogel trof het huisje dat links stond, en de witte vlag kwam voor den dag. De Engelschen telden 12 gewonden en 4 dooden. Ruim zes maanden later ontmoette ik Kolonel Möller, die ze dien dag aanvoerde, te Pretoria. Hij vroeg mij ernstig: hoevelen er aan onzen kant dien namiddag getroffen waren. Ik antwoordde: »twee, zeer licht gewond,—eene in den bovenarm, de andere in de hand. Dat was al!” Noodeloos te zeggen, dat hij mij niet wilde gelooven, en toch is het de eenvoudige, volle waarheid.

Daar bij den muur van het huisje, dat door den bom getroffen werd, zag ik voor de eerste maal een gesneuvelde. Een jongeling, nog baardeloos, lag er op zijn rug uitgestrekt, onder eene kar, waar hij schuiling had gezocht. Eene bomscherf had ook daar haar weg tot het hart van den jongen Engelschman gevonden. Leeft zijn vader of zijne moeder nog? Zijn er anderen, die hem beweenen?—Het leven is wreed: de oorlog is nog wreeder!

Op een kopje dichtbij hoorde ik eenige honderden burgers een Psalm aanheffen en, met ontbloote hoofden in den regen staande, Gode voor de overwinning dankend—een typisch oorlogstooneel, aan de dagen van Gustav Adolf en die van den ouden Voortrekker Charl Cilliers herinnerend.

Daar bij het andere huis vindt er iets plaats, dat ook zeer aandoenlijk is. Een sterke, welgebouwde boerenvrouw wordt uit het huis gebracht, doodsbleek en bevend. Twee krachtige mannen ondersteunen haar, en verscheidene kinderen volgen haar. Het zijn de vader en de moeder des huizes, die met hun kinderen den heelen middag in dat huis met eenige soldaten doorbrachten. Het dak des huizes was doorboord van Mauserkogels, en de gewonden werden in het huis gedragen en verpleegd. Arme vrouw! Dat alles moest zij doorstaan en aankijken. En dan—het bombardement! Geen wonder, dat zij er als een doode uitzag. Het oorlogsgetij was schijnbaar voorbij de »plaats” gegaan, maar onverwachts sloegen de stormen met geweld tegen het woonhuis aan, een schok veroorzakende, die niet licht door die familie vergeten zal worden. Toen ik twee maanden later die plaats weer bezocht, vond ik er slechts een paar zwarten. Het huis was gesloten en verlaten. De eigenaar woonde op eene nabijgelegene plaats met zijne vrouw en kinderen. Zeer waarschijnlijk was de vrouw er niet toe te bewegen, om naar haar met bloed bevlekt huis terug te keeren.

De naam van »de plaats” is Adelaïde, en de eigenaar beroemt zich op den aristocratischen familienaam Maritz, en is stellig een afstammeling van den fieren Voortrekker, Gerrit Maritz, wiens naam bij dien van den grooten Pieter Retief in Natal's hoofdstad, Pietermaritzburg, voor eeuwig gevoegd is.

De Engelschen zochten schuiling tegen de Boeren in het huis van een _Maritz_! Welk een vreemd geval! Wilde de grillige Godin ons wat humor met de bittere ironie van dien dag mengen?

VIII

Een Roemlooze Vangst

Zaterdag namiddag werden onze kanonnen eerst op den Impatiberg gebracht. Zaterdag namiddag, toen Generaal Meijer's geheele commando over de Buffelrivier op Transvaalschen bodem stond, en de weg naar het zuiden voor het groote Engelsche leger weer open was! Een Kruppkanon werd met groote moeite tot boven op den top van Impatiberg door de burgers getrokken—evenals zij vroeger een groote vestingkanon boven op een hoogen top in de Drakensbergen (tegenover Majuba) gesleept hadden, en later.... maar daarover vooreerst niet. De overige stukken werden op de westelijke helling van den Impati, vlak boven »Marshall's Farm”, in positie gesteld. Er waren er vier heerlijke Fransche veldstukken van 7½ c.m. en twee eerste klas Krupps van 7½ c.m., een pom-pom (Vickers-Maxim van 3.7 c.m., die 2 lb. bommetjes over de 4000 treden werpt), en een gewone maxim. Er was geen Britsche macht op die belangrijke stelling, om ons haar bezit te betwisten. Een paar geweerschoten met een kleine buitenpost gewisseld maakten ons den weg daarheen open. Even zoo waren een paar bommen uit onze Creusot's voldoende om het gansche leger in de bergen ten zuiden van Dundee te doen vluchten. Er was geen kanon of fort op eenige hoogte om het Engelsche kamp gesteld. Generaal Penn-Symons had een zeer lagen dunk omtrent de strijdkracht der Transvalers en zijn gansch leger kon gemakkelijk, _zelfs na_ den ongelukkigen slag van Talana Heuvel, in onze handen zijn gevallen. Hij zelf lag doodelijk gewond in het dorp en zijn opvolger toonde weinig vechtlust. De Talana overwinning was inderdaad een van die, waarvan Koning Pyrrhus van Epirus zou gezegd hebben: »Nog zulk eene zegepraal, en ik ben verloren!” Het was ongetwijfeld een bloedig gevecht van beide kanten, maar het Engelsche verlies was natuurlijk veel grooter dan dat der Boeren. De aanvallers lijden immers altoos veel meer dan de verdedigers. Het _moraal_ der Britsche troepen liet dus heel wat te wenschen over—even als 't met Generaal Meijer's commando voor eenige dagen het geval was—terwijl de hoofdmacht van Generaal Joubert nog niet in den slag geweest was en, vooral na de kleine schermutseling te Adelaide, vol vuur en geestdrift was. Indien er toen nog een sterke afdeeling—zegge de Heidelbergers—om Dundee ware gezonden, dan zou Generaal Yule (de opvolger van Generaal Symons), zich tusschen twee vuren geplaatst ziende, in wanhoop de witte vlag geheschen hebben. Dit werd, echter, om de eene of andere reden, niet gedaan. Mogelijk dacht Generaal Erasmus, dat Generaal Meijer nog den Helpmalkaar Pas in zijn bezit hield. Mogelijk zag hij geen kans, om Commandant Weilbach er toe te krijgen, om zoodanige flankbeweging uittevoeren, daar hij meermalen in mijne tegenwoordigheid verklaarde: »Weilbach wil mij niet gehoorzamen. Zeg ik, dat hij oost moet gaan, dan gaat hij west en omgekeerd. Ik kan op hem niet rekenen.” _Great Scott!_

Onwillekeurig heb ik mij tot een weinig critiek laten verleiden. Of ik gelijk heb, zal den lezer verder duidelijk worden uit het vervolg van mijn verhaal. Zoodra ons geschut in positie kwam, werd er op het Engelsche Kamp, dat geen zes mijl van daar verwijderd lag, gevuurd. Een paar schoten werden terug gezonden, maar het Armstrong veldgeschut was niet bij machte onze stelling te bereiken, en de vijand verdween achter de heuvelen ten zuiden van het dorp! De verachte Boer had wel veel minder, maar veel beter grof geschut dan de met zichzelven steeds ingenomen Brit. Daar lagen zij achter Dundee, machteloos en verstomd over de situatie, waarin zij zich bevonden. Voedsel hadden zij er voor ruim drie maanden voor een 6000 man. Hun veld-hospitaal was vol gewonden. Ook andere gebouwen in het dorp werden tot hospitalen ingericht, van vriend en vijand. (Zoo lag er bijvoorbeeld de wakkere, dappere Mike du Toit, Luitenant bij de derde Batterij, die op Talana's Kruin bij zijn kanon zwaar gewond werd.) Er bleef den trotschen Brit, echter, niets over, dan alles achter te laten en op de vlucht te gaan. _Dat deed hij echter eerst Zondag nacht_, aan ons ruim genoeg tijd gunnend, om hem totaal intesluiten! 't Is om hoofdpijn te krijgen, als men over de »blunders” van die dagen nadenkt.

Wij bleven Zaterdag nacht op Marshall's plaats. Het regende gruwelijk en ik bewonderde de gehardheid en gehoorzaamheid en tevredenheid onzer mannen meer dan immer te voren. Daar zaten zij tegen de kraal muren, klaar om een aanval eenig oogenblik afteslaan. Hoe jammer, dat zij niet aanvallenderwijze konden optreden?

Den volgenden morgen, Zondag 23 October, maakten de Engelschen eene beweging in de richting van Glencoe. Het was mistig weer, en zij waren een heel eind weegs uit hun kamp getrokken, eer wij hun plan ontdekten. De Heidelbergers versperden ze echter spoedig den weg, en onze Creusot's speelden met hunne kanonnen, zoo als een kat zich met een muis vermaakt. Vriend Armstrong zond een paar bommen in onze richting, die echter alleen een paar honderd treden te kort vielen. Wij stonden er volmaakt veilig op onze hoogte, terwijl onze bommen onder hun gelederen vielen. Evenzoo kan men het zich voorstellen, heeft de bekende Gulliver op zijne reizen de kleine Lilliputianen dikwijls van een heuvel met steenen lastig gevallen, zonder het minste gevaar voor zijn eigen persoon. De Engelsche batterijen keerden zich toen in woede tegen de kopjes, waarop de Heidelbergers zich bevonden, maar ook dat bleef zonder eenige vrucht. De Mausers lieten een hagelbui van kogels op hunne hoofden los en—zij keerden terug naar hun onzichtbare schuilhoeken achter Dundee. Waarheen zij gegaan waren, wisten wij niet zeker, maar niemand scheen te vermoeden dat zij hun kamp en hunne vele gewonden in ons bezit zouden laten zonder verderen tegenstand.

Een groote Creusot vestingkanon van 15½ cM., die een bom van 85 ℔ gewicht 12000 meter ver werpt, werd nog dien Zondag met oneindig veel moeite van Dannhauser naar Marshall's plaats vervoerd. Wat een gesukkel met de zware houten balken, die tot platform voor het monster-geschut moesten dienen! En wederom was al die moeite bloot tijdverspil!

Den Zondag werd verder als een dag van rust doorgebracht! Niets werd er gedaan, om de positie en de plannen van den radeloozen vijand te ontdekken, laat staan, om hem te omsingelen. Niets. Het was een dag van rust. Het was de Sabbatdag. Wij mochten dien dag niet vrijwillig en op eigen initiatief door krijgsoperaties ontheiligen. Ach! hoe jammer, dat onze menschen het niet begrepen, dat de ééne, groote vraag deze was: of zij den oorlog met een goed en rein geweten begonnen waren! Als dat eerst in orde was, dan bestond de ware godsdienst voor den krijgsman verder vooral in het oorlogvoeren met geheel zijn verstand en hart en met al zijne krachten! Zoo moet een leger op actieven dienst zijn God dienen, mijdunkt. Maar onze voormannen dachten er blijkbaar anders over—en verzetten verder geen trede, om den vijand vast te keeren.

Den volgenden morgen werd het groote vestingkanon in positie gesteld, terwijl de Heidelbergers langzaam en voorzichtig al langs de bergen in een zuidoostelijke richting trokken om den vijand uit zijn schuilplaats op te jagen. Met gespannen aandacht werd hun tragen gang door ons gadegeslagen. Elk oogenblik kon een gevecht zich ontspinnen—meenden onze Generaals.

Niets van dat alles vond er plaats. De vogel was in den nacht reeds gevlogen! Den stal wilden wij sluiten, na het paard eruit was. Een enkel kanonschot dreunde er van den top van den Impati—het was Luitenant de Jager nog eens, die gewis tot berstens toe ziek was van de herhaalde fiasco's onzerzijds gepleegd—en eene wacht kwam uit de stad met een witte vlag te voorschijn. Hospitaal en gewonden, kamp en dorp werden ons overgegeven. Vooral de massa voedingsmiddelen (er was een heele pyramide) kwamen ons goed te pas en mochten een kolossale, hoewel roemlooze vangst heeten.