Zes maanden bij de commando's

Part 4

Chapter 43,886 wordsPublic domain

Bij de Magistraatskantoren vond ik een menigte burgers en—een allesbehalve verkwikkelijke taak. Generaal Erasmus had mij, namelijk, nauwelijks gezien, of hij vroeg mij een inventaris van al wat er in de publieke kantoren was, te maken. Hij ontsloot de voordeur toen en overhandigde mij al de sleutels, met de opdracht ze later aan Generaal Joubert te bezorgen. Gaarne had ik eerst mijne schreden naar een hotel gewend, want wij waren dien morgen om vier uur reeds te Ingogo begonnen, en ik had noch koffie, noch voedsel van eenigen aard dien dag genoten. Gehoorzaamheid ging echter voor de gezondheid zelfs, zoo moest ik mijn ontbijt voor nog een uur langer uitstellen.

Vergezeld van een veldkornet ging ik van kamer tot kamer, alle kasten openend en het geld, de zegels, wissels enz. tellend. Het een en ander, zoowel als de voornaamste meubelen en boeken, werden zorgvuldig door mij opgeschreven. De grijze Magistraat van Newcastle, die er bleek en aangedaan uitzag, werd ook toegelaten met een zijner klerken, om ons te assisteeren. Laatstgenoemde schreef op eene lijst in 't Engelsch wat ik in 't Hollandsch plaatste. De lijsten werden toen door den magistraat en mijzelven onderteekend en het Engelsche document werd aan den klerk overhandigd.

Op plechtigen toon sprak de grijze zwijger toen voor 't eerst:

»Mag ik deze pen behouden?”

»Met het grootste genoegen”—was mijn antwoord.

»Deze pen is historisch”!—vervolgde het orakel van Newcastle, terwijl hij haar voorzichtig opnam.

Ik keek hem aan en, zoodra hij zijn ernstige blikken van mij aftrok, knipoogde ik in de richting van den jovialen en geämuseerden klerk.

Wederom opende de Sfinx den mond, zeggend, terwijl hij op 't papier keek:

»Hofmeyr! Is dat uw naam? Zijt gij verwant aan den Leider van den Afrikaander Bond?”

»Ja. Ik heb de eer zijn neef te zijn.”

»Ah! I see.... ahem!.... very remarkable”—zeer merkwaardig, bromde de oude Fossiel half tot zichzelven, en opziende, zag ik de schaduw van een spotlach op zijn koude gelaatstrekken.

De lieve, bevooroordeelde, oude ziel meende eene ontdekking te hebben gedaan. Hij had een rebel voor hem, niets minder dan een rebel, en dat wel een neef van den grooten Samenzweerder (à la Sir Alfred en Sir Gordon). Jan Hendrik Hofmeyr—en naar huis gaande verkondigde hij gewis aan zijne vrouw, dat het alles klink-klare waarheid was omtrent »het groote Pan-Afrikaansche Komplot tegen al wat Engelsch was,” want zie! hij zelf had een neef van Jan Hofmeyr, den grooten Bondsman van de Kaapstad, in levende lijve bij de commando's gezien!!

Het was alles heel vermakelijk, lezer, daar in 't kantoor te Newcastle; maar ik had niemand om mede te lachen—en ik had honger!

* * * * *

Wat later had ik mijn eerste aanraking met een valsch alarm. Ik was juist bezig de laatste _chop_ (een taaie, hoor!) in 't hotel met enthousiasme te bestormen, toen er een officier van het Iersche Corps uit adem de eetzaal binnen liep.

»Hullo! mates,” gilde hij uit, »come along. The English are coming!” Een koude rilling ging mij door 't lijf, maar ik hield mij stil en kalm.

Ze zijn al te Dannhauserstation—hoorde ik hem verder aan eenige Ieren in 't vertrek uitleggen, en ik begon weer wat adem te scheppen.

»All the Boers are preparing to go out to meet them”—brulde hij weer, toen zijn makkers hem half slapend toekeken—»Come along!”

Spoedig was het groote vertrek leeg, maar mijn inwendige mensch was ook nog leeg. Zoo besloot ik vooreerst maar nog wat te eten. Dat eenvoudig besluit redde mij van veel moeite en vrees. Al etende, kreeg ik mijn verwarde gedachten weer onder contrôle. Dannhauserstation is heel ver van hier! Ik hoor ook nog geen kanongebulder. Het gevaar is nog veraf. Zulke gedachten kwamen mij al etende te binnen, en ik besloot op meer licht te wachten. Mijn eerste plicht was immers zeer duidelijk: ik moest eten en drinken. De tweede en volgende plichten zouden wel later duidelijk worden. De lezer zal wel ter dezer plaatse opmerken, dat ik niet te vergeefs mijn Carlyle gelezen had! Good old Carlyle!

Toen mijn ontbijt afgeloopen was, was het alarm ook in wind opgegaan. Of de Iersche officier zijn manschappen wilde wegkrijgen, omdat zij mogelijk wat droog van lever waren, kan ik met zekerheid niet zeggen. Mogelijk was er werkelijk een valsch gerucht, dat een tijdelijke consternatie door het dorpje verspreidde.

Tegen den namiddag reed ik naar ons nieuw kamp, zoo wat een uur rijdens ten zuiden van Newcastle. Op weg zag ik een menigte lagertjes, rechts en links gelegen. Al de commando's die er te Zandspruit waren, hadden zich weer vereenigd, zonder eenigen tegenstand te ontmoeten. De Engelschen hadden blijkbaar Noordelijk-Natal prijs gegeven.

Wederom vond er een groote krijgsraad plaats, de laatste die de oude Generaal Kock met Generaal Joubert zou bijwonen, want 's daags daarna scheidden onze wegen weêr: de hoofdmacht trok over Dannhauser naar Dundee; Generaal Kock zwenkte rechts en moest Wessels Nek in de Biggarsbergen voor ons in bezit nemen en open houden, en tegelijkertijd trachten de spoorwegcommunicatie tusschen Glencoe en Ladysmith te breken. Zijn werk was hoogst gewichtig. Hij heeft het letterlijk willen uitvoeren—helaas! tegen een duren prijs. Hiervan, echter, later.

Bitter-zoet zijn mij de verdere herinneringen van dien Maandag bij Newcastle. De tijding van ons eerste succes werd ons dien namiddag bekend gemaakt. Te _Kraaipan_ op de Mafeking lijn had de la Rey een gepantserden trein doen verongelukken en eenige prisoniers en kanonnen genomen. De eerste schot in den oorlog was gevallen, en de uitslag was ons gunstig.

Na afloop der krijgsvergadering, echter, wenkte de Commandant Generaal mij in het voorbijgaan, om nader te komen.

»Er zijn ook te Lobatsi eenige prisoniers door onze burgers gevangen”, zeide hij mij op zachten toon, »en één ervan is uw broeder!” Daarop ging hij verder naar de voorpunt der hoogte waarop ons geschut gesteld was, en vanwaar men een heerlijk uitzicht had op het grootsche plein, dat zich tot aan de verre Biggarsbergen uitstrekte. Het was een zeer vriendelijke, hoffelijke daad van den Generaal, te treffender omdat de typische Boer allesbehalve sentimenteel is, even min als de flinke karakters, die Schotsche schrijvers als Barrie en Maclaren in hun welbekende novellen afschilderen.

Goede, humane Generaal! Gij hebt mij geen aangenaam nieuws meêgedeeld, maar uwe bedoeling was goed en ik blijf u ervoor dankbaar. Mijn broeder een prisonier, en dat wel in onze handen! En hier ben ik met een geweer in de vuist op weg naar Dundee. Welk een warreboel hebben wij in ons land! 't Is niets minder dan een burgertwist en burgeroorlog. Broeder vecht tegen broeder, vriend tegen vriend, schoolmaat tegen schoolmaat. Akelige werkelijkheid! Bittere waarheid!

Hedenmorgen nog zag ik eene dame te Newcastle vroolijk lachend en schertsend met onze Boeren, terwijl haar man (een geboren Engelschman) geen woord sprak en ons mogelijk in zijn binnenste verwenschte.

Natal was vroeger Hollandsch—getuige de namen van vele steden en bergen en rivieren. De oude voortrekkers waren hier lang voor de Engelschen het land in hun bezit namen. Wat is natuurlijker, dan dat een Hollandsche Afrikaander, in Natal woonachtig, dagelijks aan de roemrijke geschiedenis zijner vaderen zal herinnerd worden? Hoe kan hij anders, dan trotsch zijn op zijn Hollandsche of Fransche afkomst? Voorwaar! de bergen en rivieren roepen hem toe: »gij zijt een afstammeling der mannen, die met Retief en Maritz in 1838 en daarna de Republiek Natalia gesticht hebben.” En nu? Wat gebeurt er voor zijne oogen? Boerencommando's gaan er bij zijne deur voorbij. Hij hoort de burgers in zijn eigene taal spreken. Ze zijn volks- en geloofsgenooten. Nog erger: onder die commando's is er reeds een zoon of broeder of neef, die te Johannesburg of Vrijheid wonend, een Transvaalsch burger werd en thans de wapens tegen Engeland draagt. Welk eene worsteling in menige Hollandsche familie! Welk een slingeren tusschen loyaliteit en nationaliteit, gehoorzaamheid aan de wet en gehoorzaamheid aan het hart! God helpe die arme, arme, zwaar beproefde, heen en weer bewogene lieden—ze zijn in allen deele beklagenswaardig. Helpen zij den Boer—dan zondigen zij tegen hunne Regeering en komen zij later mogelijk in de grootste moeilijkheid. Helpen zij hem niet, worden zij door bloedverwant en stamgenoot uitgescholden als ontrouwen aan hun eigen bloed en vleesch. Helpen zij de Engelschen?—neen, daaraan wil ik niet denken: de gedachte is mij te afschuwelijk, te laag, te walgelijk.

En toch—ik ben te opvliegend—ach! hoe uiterst gemakkelijk gebeurt het, dat leden van dezelfde familie, ja, van hetzelfde huis, in de twee vijandige kampen verdeeld raken! Wat doet de school niet in deze: de zoogenaamde opvoeding? Welk eene scheiding wordt er niet in ons land door het onderwijs alleen teweeg gebracht? En dan, er zijn zoo vele andere dingen, die de steeds zich herhalende _Zuid-Afrikaansche tragedie_ veroorzaken. Het nieuwsblad, dat men dagelijks leest; het boek, dat men toevallig ter hand neemt; de boezemvriend onzer keuze; de omgeving, waarin wij geplaatst worden; een vrijerij, een innige liefde, ons beroep, onze woonplaats, een twist, eene verlegenheid, eene uitredding uit eene groote moeilijkheid—al deze dingen scheiden ons bewust en onbewust van elkander. Stil en onopgemerkt werken die onzichtbare krachten in elke familie van Zuid-Afrika voort.

Ik heb een vriend, die in de Kaapkolonie geboren en opgevoed, geheel en al Engelsch in zijne sympathieën en idealen en ideën was, totdat de heer Jan Hendrik Hofmeyr een rede bij zekere gelegenheid over de Zuid-Afrikaansche Geschiedenis voerde. Het gevolg was: dat hij van toen af aan elk boek over onze geschiedenis gretig las. De uitslag was onvermijdelijk: hij dweepte met de Voortrekkers en hun liefde voor de Vrijheid. Een nieuw leven golfde hem door de aderen. Nationaliteitsgevoel begon in zijn boezem te ontwaken, en van lieverlede werd hij een Afrikaander, die zich verzette tegen den Jingo-Imperialen geest van inmenging met onze inwendige zaken en van verachting van zoo veel, dat niet-Engelsch en toch echt Zuid-Afrikaansch was. Niet slechts door inwoning, maar van heeler harte werd hij een republikeinsche burger,—terwijl zijn broeder tegen hem vocht. Zulke gevallen zijn er meer.

Opmerkelijk is het, dat in tijden van crisis, bij nationale keerpunten in de geschiedenis van elk volk, een dergelijke verwarring en verdeeldheid te vinden zijn. Willem van Oranje had een zoon, in Spanje opgevoed en Spaansch van hart tot zijn dood toe. Zijn schoonbroeder pleegde verraad met den Prins van Parma. Washington had met dezelfde moeilijkheden te kampen. De zoogenaamde »Tories” in de Staten waren bepaald aan de Engelsche zijde en een gedurige bron van gevaar voor de republikeinen. Nergens echter is de scheidslijn tusschen de twee partijen zoo fijn, zoo delikaat, zoo onzichtbaar soms, als in ons arm, onstuimig en bewogen land—'t is inderdaad gelijk aan een geometrische lijn, pure lengte zonder breedte! De oorlog heeft wel voor een tijd de scheiding tusschen de twee vijandige kampen treffend aan 't licht gebracht. Maar als de strijd afgeloopen is, zal de lijn weer verborgen zijn als te voren. Men weet eigenlijk niet, wie men voor zich en rondom zich heeft in tijden van vrede. Vandaar dat zoo velen zich den Heidenschen God, Janus, ten voorbeeld stellen en naar beide kanten tegelijk kijken—naar den éénen kant met het gelaat van een Imperialist, naar den anderen met dat van een Afrikaander. Het _betaalt_ immers zoo goed! Vandaar ook dat niet weinigen gedurig de leuze van de cynische, wreede Catherine de Medicis beoefenen—zoo slim en toch zoo laag, zoo politiek, maar zoo verachtelijk in 't oog van alle echte mannen en vrouwen—»nous devons toujours en user avec nos ennemis comme s'ils devaient être un jour nos amis, et avec nos amis comme s'ils devaient être un jour nos ennemis.”

VI

Naar Dundee

Het akeligste uur om uit de warme dekens te kruipen is gewis zoo wat 3 uur in den morgen. Dat nu was het geliefkoosde uur voor den Kolonel, om het _reveille_ te doen blazen. Maanlicht was er niet; lantarens mochten niet gezien worden; en toch moest het goed opgepakt, de trekdieren ingespannen, de paarden opgezadeld en de tent neergehaald en opgerold worden. O! die tent heeft ons wat moeite veroorzaakt. De pennen waren zoo moeilijk te vinden en nog moeilijker uit den grond te halen. Foei! als ik _daaraan_ denk, ben ik dankbaar dat ik niet meer op commando ben. Aan de vervelige herhaling van dat onderaardsch vroeg opstaan kon ik mij niet gewennen. Het was geene uitzondering: het was de regel. Waarom?—dat weet Joost.—De Engelschen waren ver van de eerste batterij verwijderd. Er was geen gevaar voor eene verrassing, wat ons commando betrof. Wij hadden de voorzichtigsten van alle voorzichtige officieren: Generaals Joubert en Daniel Erasmus. Schijnbaar onnoodig dus marcheerden wij in de duisternis en bleven wij dagen lang op verschillende plekken talmen. De ergste van al was, dat wij geen koffie mochten maken eer wij met den optocht begonnen, en dus met leêge maag, zoo wel als ongewasschen oogen en de vuilste handen moesten voortjagen.

Er zijn vrouwen en jongedochters in Natal, wier namen mij geheel en al onbekend zijn, maar die ik niet stilzwijgend kan voorbijgaan. Zij wonen op den hoofdweg en ook soms op een zijweg tusschen Newcastle en de Biggarsbergen. Nooit vergeet ik de heerlijke kopjes koffie, die ik (en vele burgers met mij) van haar vriendelijke handen ontvingen. Niet dat de koffie bijzonder goed gemaakt was. O neen, dat niet. Niet dat zij echt Javavocht inschonken. Dat nog minder. 't Is omdat wij een achttien of twintig mijl op de nuchtere maag gereisd hadden, dat wij die koffie niet kunnen vergeten. De invloed van zulk een kopje, onder zulke omstandigheden genoten, is niet te beschrijven. Voor gij het drinkt, zijt gij lichthoofdig, laf, gemelijk, ongelukkig; daarna gezond, sterk, vroolijk en opgeruimd. Wonderlijke, wonderdoende kopjes koffie! gij zijt onsterfelijk voor menig burger-geheugen. Vertel mij niet van uw »three star” of »Bols” of »Scotch”! _Ons_ nationale Kaapsche drank (van de Oost gestolen) overtreft ze allen. Dank, duizendwerf dank, gezegende Natalsche schoonen, die de koffie bij emmers vol voor de voorbijtrekkende commando's inschonken. Wij willen het hopen, dat geen onpoëtische, ongastvrije, bekrompene geest u die humane, echt Afrikaansche daad tot disloyaliteit of verraad heeft toegerekend!

Hoe nader wij naar Dundee kwamen, hoe voorzichtiger en langzamer ging het. Verkenners waren natuurlijk ver voor de colonne uit, om informatie omtrent den vijand in te winnen. Eenige jonge Natalsche boeren hielpen ons ook veel met raad en nieuws. (Arme kerels! zij moesten later er zwaar voor boeten!) Sterke patrouilles te paard werden ook steeds vooruit en links en rechts van de hoofdmacht gezonden, die gewoonlijk in den grooten, gebaanden weg bleef. De regeling van den marsch was gewoonlijk als volgt:—eerst een sterk commando paardenruiters, daarna de kanonnen en maxims met de artillerieofficieren en artilleristen, dan de ammunitiewagens voor de kanoniers en voor de burgers, gevolgd door den tentwagen van Kolonel Trichard, de Jameson-kar (zoo noemden de artilleristen het rijtuig) en een paar commissariaat-wagens bij de eerste batterij gevoegd. Eindelijk had men er een sterke achterhoede, ook uit paardenruiters bestaande. Voetvolk was er niet.

Een eigenaardig verschijnsel in verband met onzen tocht in Natal verdient vermelding. Telkenmale bemerkte ik, dat er een lichte kar, of chais, of »spider” zich bij onzen langen stoet aansloot. Waar kwamen die rijtuigen toch vandaan? Een paar burgers zaten gewoonlijk in die dingen, met wat goed en vooral zadels erop geladen. Zij hadden klaarblijkelijk hun rijpaarden er voor gespannen, om wat gemakkelijker en aangenamer over den weg te komen. Het was natuurlijk niet heelemaal in den haak, voor een soldaat tot de ruiterij behoorend (!) om per as den vijand te gemoet te gaan, maar de officieren lieten het oogluikend toe. Zoodra er eenig gevaar was, of bijzonder haastige operaties plaats grepen, werden die geheimzinnige rijtuigen maar zoo achter gelaten. En dan, na eenigen tijd, doemde zoo'n ding weêr op! Het brood, dat op het veld gesmeten werd, werd na vele dagen weer gevonden—door iemand anders. Zoo herinner ik mij goed de lotgevallen van zeker netten »spider”. Te Newcastle werd het door een paar jonge kerels uit een wagenhuis geraapt. Te Ingogo kreeg ik het voor het eerst weer in 't zicht. Te Dannhauser werd het achtergelaten door zijn tijdelijke »eigenaars” of »huurders”. Daar het mij heel comfortable uitzag, werd het door mij geännexeerd, maar bij de »Navigation Collieries”, dicht bij Dundee, moest ik het geriefelijke voertuig achterlaten, uit gebrek aan de noodige trekdieren. (De lezer wete, dat er gedurig een of ander muil zoek raakte, en dat mijn Jehu's elken morgen een hevige ruzie hadden, eer wij onze dieren mochten optuigen,—totdat wij er later met twee magere luie knollen werden afgescheept). Bij ons volgende uitspanplek zag ik tot mijne verbazing den identischen spider weer op 't tooneel verschijnen. Te Ladysmith verloor ik zijn spoor geheel en al.

Mij dunkt, meer dan een dier nuttige rijtuigen zal wel naar gevraagd worden in Natal, nu dat de goede eigenaren weer bij hunne huizen zijn. Zoo ja, dan beklaag ik de arme lieden. Zij zullen zoeken, maar niet vinden. Naalden in hooimijten hebben meer kans, om ontdekt te worden.

De waarheid is dikwijls meer verrassend dan de stoutste vlucht der verbeelding. Het volgende is er een voorbeeld van.

We waren op marsch van Dannhauserstation naar de Imbaban heuvelen, recht noord van Dundee. Een patrouille paardenruiters was ver voor ons uit in het golvende plein[1] tusschen voormelde heuvelen en den Impatiberg. Ik stond met mijn verrekijker op eene hoogte en kon ver op de vlakte zien. Onze ruiters reden langzaam en voorzichtig op een weg, die naar Dundee liep. Plotseling kwam er een tweede groep ruiters op het tooneel. Zij reden op denzelfden weg, maar in tegenovergestelde richting. Zou dat een afdeeling Engelsche troepen zijn? Het was ruim zes mijl van ons af en ik kon de _khaki_-kleur niet goed uitmaken. Ellendig uitvindsel! Hoe gemakkelijk zou het zijn het helder rood van 1880 op dien afstand met een goeden veldkijker te onderscheiden! Maar die beroerde _khaki_! Wel, geduld! Laat 's zien, wat er voorvalt.—Kijk! de twee groepen komen elkander langzaam nader, maar zij schijnen elkander niet te zien. Wat zou het zijn? Waarom schieten zij niet?—Ha! daar verdwijnt de veronderstelde Engelsche patrouille uit het gezicht. Nu is de zaak mij ietwat duidelijker: de vlakte _lijkt_ wel gelijk, maar in de werkelijkheid zijn er hellingen en diepten daar, die van hier onmerkbaar zijn.—Langzaam rijden onze kerels vooruit.... de vijand is vlak voor ze, achter een bultje. Sakkerloot! kan niemand ze waarschuwen? Kunnen wij niet die kleine Britsche macht omsingelen en oppikken? 't Is om razend te worden. De spanning, de onzekerheid is vreeselijk.

[1] Vlakte.

Lezer, denk eens goed na over het gevoel, dat zich van u meester maakt, wanneer gij in de duisternis eene kamer binnenstappend uwe hand onverwachts tegen een tafeltje aanstoot. Er zijn kostbare voorwerpen op de bewuste tafel: eene lamp, een bloempot, een klok,—wie weet wat nog meer. Gij weet niet of de tafel omver zal vallen, of weer recht zal komen. Gij weet niet, of de kostbare dingen aan 't aftuimelen zijn, of niet. Gij zijt bang uwe handen uittesteken, want mogelijk stoot gij dan juist een of ander ding te pletter. De machteloosheid en de onzekerheid waarin gij verkeert, zijn onbeschrijfelijk. In één enkele seconde moet het gekraak komen, óf—de tafel heeft haar evenwicht behouden! Maar welk eene seconde voor _U_! Welk eene intense ondervinding maakt gij erin door! Wat voor gedachten, en vragen vliegen u door het brein! Hoop, vrees, twijfel, angst—een heele geschiedenis maakt gij door, en dat alles in één klein oogwenk!—Zóó was het mij dien dag te moede, toen de Engelschen weer te voorschijn kwamen. Zij schenen mij vlak voor onze burgers te zijn en ik kon niet anders dan een hevig geweervuur verwachten. Daar hoor! Kr.r.r.r.... neen! nog niet. Hoe is 't mogelijk? Het _moet_ gebeuren. Daar!—neen! hoe hangt het onvermijdelijke dan zoo lang in de lucht? Het vuur _moet_ vallen. Hoor!—Nog alles stil. Geen geraas—geen gekraak. Wat? De onzen vliegen om! Zij jagen terug. En de _Khaki's_? Vuren zij dan niet? Neen! Ook zij verdwijnen van 't tooneel zoo snel zij kunnen.

Gij haalt—weer vrijen adem. De tafel is niet omgevallen—de lamp is gered—de mooie vaas staat er nog. Gij trekt een lucifer: alles is in orde.

Verbeeld u 'reis. Na al die angst, onzekerheid, akelige gewaarwordingen, is er _niets_ gebeurd! De Boeren kwamen van 't verre Noorden; de Engelschen kwamen over de groote wateren. Zij voerden oorlog met elkander. En ziet! Zij kwamen..... zagen..... en liepen weer terug, toen zij elkander voor het eerst op 't lijf kwamen! Zij vergaten, dat zij zoo ver gereisd waren, om elkander de eeuwigheid in te jagen. _Ex Africa semper aliquid novi_ is maar al te waar. 't Was voorwaar een geheel nieuwe, en zeer origineele wijze van een campagne te openen!

Na drie lange dagen op de Imbaban heuvels vertoefd te hebben, met ongeduld op den trotschen Impati starend, waarachter het Engelsche kamp te Dundee gelegen was, kwam er eindelijk wat »beroering in de dorre beenderen.” Generaal Erasmus was in communicatie gekomen met Generaal Meijer, die bij den Doornberg nabij de Buffelsrivier gelegerd was. Halverwege tusschen de twee legers, was er eene ontmoeting plaats gevonden, waarbij eenige officieren van beide zijden tegenwoordig waren. Daar werd het plan van den aanval besproken en de dag daartoe bepaald. Op Vrijdagmorgen, 20 October, zou het Engelsche kamp van drie zijden worden aangevallen, namelijk: Generaal Meijer van het oosten, Generaal Erasmus van het noorden en Commandant Weilbachs Heidelbergers van het westen. De zaak werd geheim gehouden, maar onze geheimen waren destijds gewoonlijk van het soort, dat men »open” noemt.

't Was op een donkeren, regenachtigen avond, dat ik de Pretoria- en Standerton-burgers ons kamp zag verlaten. Stil als spoken verdwenen zij uit ons midden in de duisternis. Hunne bestemming was de Impatiberg. Zij hadden een zware taak voor zich, en, zooals wij toen dachten, eene gevaarlijke. Later bleek het echter, dat de onderneming van alle gevaar ontbloot was, daar de Engelschen (vreemd maar waar!) al de hoogste en belangrijkste punten rondom Dundee onbeschermd lieten. Onze tent was neergehaald en alles was in de wagens gepakt, kant en klaar om eenig oogenblik voorwaarts te rukken. 't Was drie uur in den morgen, echter, eer de Kolonel (ouder gewoonte) de trompet liet steken. De Ermelo burgers en het Iersche korps dienden als escorte voor de kanonnen der eerste batterij. In een klein half uur was alles gereed en de lang verbeide marsch op Dundee nam een aanvang. Groote dingen werden door ons dien dag te gemoet gezien. Moedig trotseerden wij dan ook al de ongemakken van den vroegen rit, die mij nog zoo helder voor den geest staat alsof het gisteren gebeurde.

De weg was bijzonder drassig en slecht; de regen erg lastig; de koude vinnig. Mijn historische kar had wel drie veeren, maar geen kap. Ik werd heel aangenaam gewiegd, maar niet tegen den regen beschut—_hae misero mihi_! Hoe wij over den weg kwamen? Ja, dat weet ik niet. Om de tien minuten moest er halt gehouden worden, daar de kanonnen en caissons in de vele slaggaten vast raakten en slechts na veel oponthoud en gesukkel weer weg konden. Wederom trof mij de vele stroompjes in het gezegende land van gras en water. De modder lag dieper dan ooit te voren; de driften waren lastiger dan immer voor de trouwe trekdieren. Meer dan een ammunitiewagen rijd ik voorbij in de vroege schemering.