Part 27
Och! dat hij ons met zijn eigene lippen kon vertellen, hoe hij dat stoute stuk uitvoerde! Twee of driemaal hoorde een Engelsche wacht een geritsel in het holle van den stormachtigen nacht—»Halt! Who goes there?” weerklonk er boven de koude winden. De ongenoode gast wierp zich laag op den grond. De soldaat luisterde met gespannen aandacht. De verkenner hield zijn revolver gereed en de scherpe oogen op den vijand gericht. Levend zou niemand _hem_ vangen! De kritieke pauze eindigt gunstig voor den jongen Transvaalschen burger. De wacht stapt weer op en af naar gewoonte, en de listige, athletische Danie glijdt als een slang op den buik door de dubbele keten om Cronjé getrokken. Geen Amerikaansche Roodhuid kan hem in deze overtreffen. Eens kon hij zich slechts redden door koelbloedig »Friend” en »Allright” te zeggen, toen hij op een klompje Engelschen afkwam en toegesproken werd. Toen kwam hij bij den drassigen rivierwal aan. Hoe hij er uitzag, nadat hij door water en modderig slijk zijn weg tot Cronjé gewroet had, laat zich wel voorstellen. Daar zat hij dan eindelijk in een of andere holte bij den stoeren Boer van den ouden stempel, die, zelf dapper, in den jongen man een nog grootere dapperheid moest erkennen. Koud, nat, bibberend, ellendig naar het uiterlijke, was de schrale Daniël Theron op dat oogenblik de grootste en edelste burger in den lande. Zijn ijzeren wil werd slechts door zijn offervaardigheid overtroffen, of, beter gezegd, het offer dat hij dien nacht voor zijn land en volk op 't altaar legde, was hem dierbaar als Isaäk aan Abraham vanouds, en de wilskracht van den »vader der geloovigen” werd daartoe vereischt. Zijn nobele taak verheft hem boven het lichamelijke en het uiterlijke. Hij is de vertegenwoordiger zijns volks, de drager van de eer der Republikeinsche Regeeringen en Generaals, die _in zijn persoon_ den grijzen, zwaar-beproefden held en diens duizende getrouwe volgelingen de hand van liefde en sympathie toereiken.
»Wij willen u zoo gaarne tegemoetkomen, als er een weg voor te vinden is. Maar zeg ons: Hoe gaat het met uwe mannen? Wat kunt gij nog wagen? Is er nog moeds genoeg voor een stoute onderneming—na al het lijden der laatste week? Na de slapelooze nachten en de akelige tooneelen rondom u? Het gekerm der gewonden, het bleeke gelaat der vrouwen, het snikken der kleine kinderen, de verpestende stanken, waarin gij verplicht zijt te leven?” Danie Theron belichaamt die woorden en nog veel meer dien gedenkwaardigen nacht uit zijn kort en vurig leven. Cronjé is er sterk voor, zijn weg met geweld door het kordon heen te slaan; maar hij moet eerst zijn onderofficieren raadplegen, en er heerscht groote verdeeldheid onder hen. Hij zal, echter, zien wat hij in deze doen kan.
Onverrichterzake moest de jonge patriot zijn gevaarlijken terugtocht weer ondernemen. Hij kon geen vast besluit aan zijn Generaal mededeelen. Er was geen licht in de duistere nacht opgegaan. Bijna naakt en verkleumd kwam hij bij zijne beangste vrienden weer aan, en weken lang moest hij in een hospitaal voor zijne heldendaad boeten. Wie is er die zijn werk als noodeloos en nutteloos bestempelt? Hij kent nog niet den gloed, die er van zulk eene daad door alle eeuwen henenstraalt. Tevergeefs?—Neen, duizendwerf neen! De herinnering aan dat edele waagstuk zal duizenden jonge harten met ridderlijke idealen bezielen. Zijn heerlijke zelfopoffering is een van de beste erfenissen, die één geslacht aan een volgende kan nalaten. Zulke mannen vormen volkeren. Zij beheerschen ons uit het graf.... helaas! ook »de Held van dien Nacht” is in dezen oorlog gevallen—maar »hij leeft, nadat hij gestorven is”. Dat is gewis.
Zondag, 25 Februari, was er een openbare Bededag in de twee Republieken. Ernstig wordt er om de bevrijding van Cronjé gebeden. Maar er kwam geene verlossing. De tijd der wonderen—zoo als die in de dagen van Israël beschreven zijn—bestaat thans niet. Zonder een groot bloedbad was er geene uitredding voor Cronjé. Het kwam hier op een stoute handeling aan. Jammer, dat Cronjé zich dien Maandag niet overgaf. Hij en zijne mannen hadden genoeg gedaan, om gelijk een Hektor te kunnen zeggen: dat zij zich »niet zonder strijd en eere” hebben overgegeven, »maar na een groot wapenfeit, waarvan de nog ongeboren geslachten hooren zullen.” Mogelijk hoopte hij nog tot het laatste toe, zijne burgers tot een algemeenen uitval omtehalen. De »storie” van die dagen moet nog geschreven worden. Wij tasten hier in het blinde rond. Wat Majoor Albrecht betreft. Van hem wordt gezegd, dat hij Cronjé gesmeekt heeft, om hem toe te laten met zijne kanonnen door den vijand heen te jagen. Een wanhopig voorstel, maar bepaald kenmerkend van den moedigen Duitscher, die als Elektra, de dochter van Agamemnon, »zich edel zou gered hebben of edel zou gesneuveld zijn”.
ή γαρ άν καλῶς έσωσ΄ έμαυτην ή καλῶσ άπωλομην.
(SOPHOCLES)
Lord Roberts werd ongeduldig. Het bombardement werd al geweldiger. De kanonnen overstemden het gedreun des donders. Vier groote Howitzers, die niets dan lyddiet braakten, namen dien Maandag aan de helsche symphonie deel. Doch de hardnekkige Boer wilde zich niet onder het harde juk des noodlots krommen. In den nacht werd er eene poging gedaan, om van de zuidzijde wat nader naar zijne grachten te kruipen. Er werd echter weinig uitgericht. Slechts eenige afdeelingen Canadezen hadden het geluk, wat veld te winnen. Dit heeft echter met de overgave van den volgenden morgen niets te doen, als ik mij niet vergis.
De burgers waren erg verdeeld—wordt verteld—en de verdeeldheid nam met den dag toe. Cronjé en de minderheid wilden een uitval wagen: de groote meerderheid wilde zich overgeven. Dinsdagmorgen, heel vroeg zag men er een menigte witte doeken en vlaggen waaien—de individuën hadden de wet in hun eigene handen genomen! Zij waren moede en moedeloos; zij waren ziek van de stanken en van het gebrek, dat er geleden werd. Zonder er aan te denken, dat de zon dien dag op een groot republikeinschen Feestdag zou opgaan—zonder Cronjé's toestemming te verwerven—heschen zij de kleine, maar veelbeduidende vlagjes.
Cronjé moest voor het onvermijdelijke zwichten. Hij gaf zich vroeg op den morgen van 27 Februari aan Lord Roberts over.
Treurigste aller treurigste dagen uit den oorlog, en dat wel een Majubadag! O, de bitterheid van dien beker,—bitterheid niet af te meten, niet uit te spreken! Te recht zeide President Kruger in een toespraak kort daarop te Brandfort:
_»De Engelschen hebben Majubadag van ons weggenomen”!_
Zoo werd mij althans verteld. Maar al heeft hij het niet gezegd, dan zeg ik het. 't Is de eerlijke, ronde waarheid, al is het ook hoe pijnlijk, om het te erkennen.
INHOUD
[Decoratieve illustratie]
Pag.
Voorrede 5
I Oorlog of Vrede 7
II Te Wapen 13
III Te Zandspruit 22
IV Over de Drakensbergen 28
V Newcastle-Herinneringen 40
VI Naar Dundee 49
VII Een brilliante Schermutseling 58
VIII Een Roemlooze Vangst 64
IX Een Nachtelijk Avontuur 69
X Een Romantische Rit 76
XI Elandslaagte 86
XII Het Licht breekt door 91
XIII De Boeren om Ladysmith 97
XIV De Slag van Modderspruit en Nicholson's Nek 103
XV Na den Slag 121
XVI Klein Majuba 130
XVII Een Kijkje achter de Gordijnen 135
XVIII Een Bicycle Rit 144
XIX Een Donkere Week 152
XX »Delenda est.... Ladysmith”! 157
XXI Een Fiasco 166
XXII Naar de Tugela 174
XXIII De »Platte Rand” 188
XXIV Een Schitterende Week 198
XXV Naar Kimberley 215
XXVI Te midden der Rebellen 221
XXVII Verdwaald 231
XXVIII Aan de Oevers der Modderrivier 238
XXIX Bij de Magersfontein Randjes 250
XXX De Slag van Magersfontein 259
XXXI Een Nauwe ontkoming 268
XXXII Rondom Kimberley via Warrenton 278
XXXIII Koedoesberg 290
XXXIV Het Gordijn valt 293
XXXV Op de Vlucht 310
XXXVI Verwarring en Heldenmoed 314
XXXVII Majuba gewroken! 326