Zes maanden bij de commando's

Part 26

Chapter 263,577 wordsPublic domain

Hier zijn de wagens weer bij dezelfde pont van den heer Japie Fouché, waarover zij zes maanden geleden met vliegende vaandelen stroomden—naar Kimberley, naar de Modderrivier, naar Magersfontein. »Terug, _terug_, TERUG,” is het order van den dag. Naar het verre Prieska is er een boodschap gezonden: »Komt terug naar de Vaal”. Te Rensburg-siding en Stormberg zal men ook weldra terugtrekken. Later ook in Natal. Ja, zelfs Bloemfontein zal binnenkort in de handen des vijands vallen, »Terug, steeds terug, terug”—zal nog langen tijd de eenige tactiek tegen de overmacht blijven.

En dat alles begon, toen French door Cronjé's zwakken linkervleugel gereden was, gelijk een ruiter het hangende spinrag tusschen twee bosjes in het veld doorklieft!

Ach! hoe dikwijls brengt een morgen, Lieflijk als een kinderlach, Onverwacht een stroom van zorgen En van tranen voor den dag. Wrang is vaak de levensbeker, Elken dag omhelst een nacht; Niets op aarde is zóó zeker Als—hetgeen men niet verwacht.

(HOFMEYER, _Kijkjes in onze Geschiedenis_.)

XXXVII

Majuba gewroken!

Het vreeselijk kanongebulder, dat wij op Zondag, 18 Februari, zoo duidelijk zelf te Warrenton konden hooren, was op Cronjé gericht! Dat bleek weldra uit de oorlogstelegrammen, die naar de verschillende Generaals op alle punten van het vechtterrein vlogen. Uit die telegrammen kon ik duidelijk uitmaken, dat onze veteraan Generaal heel spoedig reeds na zijn vertrek van Magersfontein door den vijand werd achterna gezet. Tegen middernacht begon zijn geweldig lager eerst in beweging te komen. Het intrekken van zijn ver verwijderden rechtervleugel vereischte veel tijds; het vergaderen der menigte ossen en paarden en het gereedmaken der vele wagens verslonden ook nuttige uren. Dan, de oude Leeuw van Potchefstroom had geen haast: hij vreesde geen mensch, en vooral geen Brit. Op zijn gemak viel hij terug in de richting van Koedoesrand, op den grooten weg naar de Vrijstaatsche hoofdstad. Langzaam rolden de zware ossenwagens voort voorbij het Engelsche leger, dat op Rondavelsdrift de kansen van den krijg afwachtte. Daar stond Lord Kitchener klaar, om zijn prooi te bespringen, als hij er mogelijk voorbij mocht komen, terwijl Lord Roberts te Ramdam bezig was alle mogelijke krachten tegen den Vrijstaat te verzamelen.

Tot blijde verbazing van Kitchener trok Cronjé koelbloedig voorbij de Rondavelsdrift. De stofwolken kon men van verre Vrijdagmorgen vroeg zien. Honderden wagens; zegge een duizend ruiters, en vier duizend man te voet, of op de wagens; en vele vrouwen en kinderen met hen—'t was voorwaar een Groote Trek, die er onder gevaarlijke omstandigheden aan den gang was. Het waren de afstammelingen van de oude Voortrekkers, die daar voor de oogen van Kitchener den Vrijstaat binnentrokken. Ook zij waren vast besloten hun doel te bereiken, maar hunne voorvaderen hadden slechts met dieren en menschen te kampen—_zij_ zouden weldra door 35,000 Britsche troepen onder de beste Generaals, door 60 kanonnen gesteund, aangevallen worden.

Langzaam en statig rammelen de logge bokwagens over den zwaren weg. Snel worden zij door Kitcheners Lichte Rijdende Infanterie nagezet. Van den vroegen morgen tot den laten avond wordt er gevochten en steeds gevochten; maar de Boerenruiters houden de Engelschen zonder moeite op een eerbiedigen afstand van de geduchte Mausers. Commandanten De Beer en Froneman en Wolmarans schieten de achtervolgers gedurig terug, terwijl het logge lager langzaam voortrolt. De Leeuw draait zich van tijd tot tijd om, als de jachthonden hem tenakomen—en dan vliegen zij jankend en hinkend terug, na een korte kennismaking met zijne voortanden.

De zon is afmattend warm; de ossen zijn vermoeid; de paarden mager; langzaam, al te langzaam valt het groote lager terug. Er is geene haast noodig, denkt de Generaal. De Engelsche soldaat gaat meestal te voet. De weg vóór mij is nog open. Alles is nog wel. Slaapt gerust, burgers. Morgenochtend, voor het schemert, trekken wij weer voort!

Zoo gezegd, zoo gedaan: er wordt een lager eenige mijlen van den naasten drift door de Modderrivier getrokken, en mensch en dier rust zich uit voor een nieuwen dag van strijd. Hoe jammer, dat de Generaal niet wat meer beangst is! Hoe jammer, dat hij voor geen twijfel vatbaar is! Zelfs dezen nacht kan hij nog gemakkelijk _zonder zijn wagens_ door de rivier komen. Er was niemand om hem dit te beletten. De Engelsche ruiterij trok dien nacht _achter_ (niet vóór) hem om, ging de rivier door en reed langs de zuidelijke oevers op naar de Klipkraaldrift. Het voetvolk stapte van Rondavelsdrift en Jacobsdal nader, aan denzelfden kant der rivier, maar Zaterdagnamiddag zouden zij eerst de driften ten westen van Koedoesdrift bezetten. Lord Roberts was nog te Ramdam. French met zijne ruiters bij Kimberley in het zand sukkelend. Er was ruim tijd voor Cronjé om te paard en te voet, met al zijne manschappen—ja, ook de vrouwen, indien noodig; maar dit was natuurlijk niet noodzakelijk—te vluchten. Men zegt, dat Commandant De Beer onder anderen hem smeekte, zijn lager achter te laten en haastig voort te rukken. Tevergeefs. De stoutmoedige meende alles te moeten redden. De vrouwen wilden van geen achterblijven hooren. Zijne eer was er mede gemoeid. Hij wilde zijn lager niet voor zijn leger opofferen. En Lord Roberts? Die dacht er gansch anders over. Een groot konvooi liet hij bij Blauwbanksdrift in den slag—om zijn prooi des te zekerder te kunnen vangen. Hij gaf 180 volgeladen wagens aan Generaal De Wet prijs, in zijn gretige haast om den geduchten Cronjé met zijne duizenden voor te keeren. Hij liet Generaals du Toit en Kolbe ongehinderd van Riverton terugvallen, met al hun wagens en kanonnen, omdat hij French bij Koedoesrand noodig had. En _nog_ zou hij zijn zin niet gekregen hebben, was Cronjé niet de overmoedige, hardnekkige man, die zijn vijand verachtte en op zijn vriend toornde, als deze van gevaar sprak. Alzoo speelde hij precies _die_ kaarten, welke Lord Roberts ten voordeele kwamen!

Zaterdagmorgen vroeg verzette Generaal Cronjé voor 't laatst zijn lager. Met het grootste deel zijner wagens trok hij in de richting van Koedoesdrift op. Den ganschen dag door werd hij weer nog heftiger dan te voren aangevallen. Al vechtende bracht hij het voorbij Paardenberg. Tegen den namiddag, echter, bleek het, dat de Koedoesrand posities en de drift reeds door French bezet en de aftocht afgesneden was. Ongelukkig was er zulk eene verwarring in de Vrijstaatsche commando's ten oosten van Kimberley ontstaan, dat Generaal Ferreira eerst den volgenden dag met de vervolgers van Cronjé slaags raakte. In plaats van French moest Ferreira de heuvelen te Koedoesrand, alsmede de drift in bezit gekregen hebben. Dan was Cronjé er nog mogelijk doorgekomen. Maar de ongelukkige »zoon van Ares, Paniek geheeten” speelde een groote rol onder de belegeraars van de diamantenstad in die akelige dagen. Vele burgers gingen zonder verlof naar huis. Het was uiterst moeilijk voor een Generaal of Commandant, om 500 man bijelkaar te krijgen.

Zaterdagnacht was de positie van Cronjé reeds hopeloos; maar waar hij tegenwoordig is, kan er geene paniek ontstaan. Zijn krachtige persoonlijkheid overwint zelfs dien onverschrokken zoon van den oorlogsgod. Hij trekt zijn lager dicht bij de rivierwallen en de burgers wedijveren met elkaar in het graven van de slooten en gaten, die de bewondering van deskundigen later gaande gemaakt hebben. Gelukkig voor hen, dat zij zulks gedaan hebben, want den volgenden morgen zou een van de grootste en bloedigste slagen uit den oorlog aldaar plaats vinden.

Colonel Villebois, die in Cronjé's lager te Magersfontein was, toen French naar Kimberley doordrong, en ook met den Generaal retireerde, wist zich opweg met zijn adjudant naar veilige oorden te begeven. »Hij vertrouwde den vrede niet”—hij had niet het kinderlijk geloof in Cronjé, hetwelk den gewonen burger kenmerkte. Hij nam »French leave” van de boel! Commandant Tollie De Beer en eenige honderden ruiters met hem raakten ook op de een of andere wijze van Cronjé los, en kwamen veilig bij onze commando's op de Vaal aan. Generaal Froneman en een klompje Vrijstaters werden van het lager afgesneden in den strijd—en vochten hun weg naar Generaal De Wet's commando door. Ja, ruim een duizend Vrijstaters, te voet zoo wel als te paard verlieten in die dagen het gedoemde lager—zonder verlof natuurlijk, evenals de ratten een zinkend schip vaarwelzeggen. En wie zal het hun kwalijk nemen! Zij deden eenvoudig, wat allen als één man moesten gedaan hebben. Zij deden wat Generaal Olivier en vele andere Vrijstaatsche Commandanten in de omgeving van Fouriesburg later deden, toen Generaal Prinsloo zich zoo lafhartig overgaf.

_Blinde_ gehoorzaamheid aan zijn Hoofdofficieren is in den Boer—wiens kracht in den strijd juist in zijn individualiteit en eigene initiatief gelegen is—geene deugd. Dat talent laat hij aan den professioneelen soldaat over, met het goede, zoo wel als kwade erin begrepen.

Cronjé bleef echter, doodbedaard bij de rivier, te midden van een cirkel van ijzer en vuur »op tijding van De Wet en Ferreira wachten.” Zoo liet hij per heliograaf uit zijn leger naar een kopje over de rivier, waarop er van onze menschen waren, spiegelen.

Nog een is er, die doodkalm de toekomst blijft afwachten: President Kruger, te Pretoria. Hij seint aan zijn collega te Bloemfontein dien donkeren Zaterdag: »De Heer is getrouw. Hij zal zijn werk voleinden, waarmede Hij begonnen is, om ons vrij te maken. Lees Psalm 83; 1 Petri 5: 7 en 8; Psalm 118: 10.”

Den volgenden morgen liet Kitchener het Boerenlager van alle kanten bestormen. Het was op een Zondag. Overal in de kerken en lagers der Republieken werd er voor Cronjé gebeden. De innig vrome Generaal was ook stellig van plan om dien dag als een Sabbatdag met zijne manschappen te vieren; maar de voortvarende en eerzuchtige Brit wilde het anders hebben. Gedachtig aan de gemakkelijke zegepralen, die hij in het Noorden van Afrika op de fanatieke volgelingen van den Madhi had behaald, meende hij ook in het verre zuiden van ons werelddeel zich dien dag met roem te mogen beladen. Van alle zijden donderden zijne kanonnen op het Boerenkamp, terwijl het voetvolk vol moed en geestdrift aanstormde. Smith-Dorrien kwam van het zuiden, Knox van het noorden aanrukken, elk met eene Brigade. Van het oosten en het westen kwamen er andere regimenten op de »eenvoudige veeboeren” toestroomen. De Schotten werden met het geroep »Gedenk aan Magersfontein” opgezweept. French, die een tweeden brillianten rit ten nadeele van Cronjé met buitengewoon succes had uitgevoerd, nam ook aan den grooten aanval deel. Ditmaal echter, was het geen Zariba, maar een Boerenlager, dat de Held van Khartoum aantastte, en het ging hem gansch anders aan de Modder, dan aan den Nijl. Eenige wagens werden aan brand geschoten en mogelijk een 50 of 60 Boeren gedood en gewond—maar de trotsche Brit moest 1500 dooden en gewonden op het veld laten en onverrichterzake terugvallen. Twee Kolonels werden door de wreede Mausers neergeveld en Generaals Knox en Hector Macdonald werden beiden gewond. De ongelukkige Schotsche regimenten moesten ruim 300 man bij de lange lijst van 11 December voegen. Het waren Hollandsche Afrikaanders—niet dweepzieke Arabieren—waarmede Lord Kitchener te doen had. De harde les van dien Zondag schijnt hij nooit vergeten te zijn. Een »Boerenjacht” is alles behalve een »Boar-hunt”—niet waar, mijnheer?

Toch bleef de toestand van Cronjé hopeloos. Het kordon werd al sterker en hechter om hem getrokken; de kring van ijzer en staal al nauwer toegehaald—naarmate de vreeze der Mausers zulks toeliet. Generaal Ferreira komt bijna bijtijds om zijn collega in den bitteren nood te helpen. Ja, dienzelfden Zondag is hij in aanraking met de Engelschen bij de Vendutiedrift en den Koedoesrand geweest, maar in den nacht kwam hij plotseling aan het einde van zijn nuttig leven. Met een geweer wekte hij een slapenden burger en—op eene of andere wijze ging het schot af, hem doodelijk treffend. De reeds verflauwende moed zijner burgers daalt daarna steeds meer naar _zero_, en van de noordzijde is er geen heil voor Cronjé te wachten. De heuvelen en randen aan dien kant zijn weldra allen in de handen des vijands—prachtige posities, die feitelijk onneembaar zijn.

Aan de zuidzijde, overkant der rivier, schijnt er voor eenigen dagen eene ster van hope te flikkeren. Eenige mijlen ten zuidoosten der Engelsche posten was er een belangrijk kopje in het open veld gelegen. Met verlangen tuurde Generaal Cronjé gedurig in die richting. Daar ginds, ver achter dat kopje, is Bloemfontein gelegen. Vandaar moeten de hulptroepen opdagen. Vandaar, of wij zijn verloren. Ah! er blinkt iets! 't Is een heliograaf. Wat zou het zijn? Zijn het Engelschen of Boeren, die er signalen maken?—De helio uit Cronjé's kamp zal het raadsel wel spoedig oplossen..... Goddank! 't is De Wet! Er is hoop. Er is licht in de duisternis.

Generaal De Wet is pas zijn wonderlijke loopbaan in den oorlog ingetreden. Vroeger stond hij onder anderen; van het midden van Februari is hij feitelijk zijn eigen baas geworden. Zijne moedigheid werd door de vangst van het konvooi bij de Rietrivier op 15 Februari ingewijd en gerechtvaardigd. De ééne, enkele lichtstraal op dien donkeren Donderdag kwam van De Wet. Later zou deze merkwaardige man nog menig sterloozen nacht met een schitterend wapenfeit verlichten. Eer de Engelschen van zijne tegenwoordigheid wisten, was dat ééne »kopje van hoop” in zijn bezit. Een patrouille van »Kitchener's Verkenners” werd er heel netjes op Zondag, gedurende het gevecht, verrast en gevangengenomen. Het eerste station op Cronjé's weg naar Bloemfontein is dus in onze handen—een meesterstuk, dat het krijgstalent van Generaal De Wet helder voor den dag brengt. Verder kon hij het echter niet brengen—zelfs de geduchte De Wet moest het hoofd voor een sterkere buigen. De _moed_ der burgers was voor een tijd van hen geweken! De oude kracht was niet meer in Simson! Er is een booze geest van neerslachtigheid en moedeloosheid in de lucht, als het ware, en wie kan »die geestelijke boosheid in de lucht” bekampen? De Wet's legertje is klein, zeer klein—een vijf of zeshonderd man. En het groeit zoo langzaam aan. Wat kan hij met dat luttel volks ondernemen? Er wordt geseind en teruggeseind. Van Natal en Colesberg worden er commando's geoefende en beproefde burgers geroepen. Maar de tijd is te kort, om op _die_ mannen te wachten, en de duizenden in den Vrijstaat zijn voor het oogenblik tot honderden versmolten. Overal treft men in die dagen vluchtende burgers aan. De vrouwen op de plaatsen weigeren je in vele gevallen voedsel en huisvesting te geven, maar de stroom wordt daardoor niet gestuit. Scheldwoorden en schimptaal helpen ook niet: de zoon van Ares, Paniek wel te weten, is kapelmeester van het orkest deze week. Wie kan het tegen hem opnemen?

Generaal Philip Botha—een Vrijstaatsch Volksraadslid, en broeder van den Held van Colenso—doet zijn best een commando op de been te brengen ten noorden der Modder, maar klaagt bitterlijk over de vele vluchtelingen en de weinige getrouwen. »Allen verlaten mij”—seint De Wet, in een oogenblik van bitterheid, nadat de Engelschen hem, op Woensdag, 20 Februari, uit zijn prachtige positie verdreven hadden. Wonderlijk en vreeselijk is de menschelijke geest gemaakt: ons geloof en onze moed worden oneindig versterkt, _of verzwakt_, door wat wij in onze medemenschen aantreffen. Die gedurig met helden omgaat, wordt ook een held; die overal op zijn weg lafaards tegenkomt—zooals het in die treurige week ging—gaat weldra ook op de vlucht.

Arme Cronjé! De eenige wachttoren over de rivier is door zijne vrienden verlaten. Te Poplar Grove, ruim twaalf mijl hooger op langs de rivier, werd er door het reddingsleger stelling genomen en tegen het einde der week had De Wet er 2500 man onder zijne vaandelen. Terwijl er een stroom van Transvalers naar Edenburg en Bloemfontein en Brandfort gaat, om de treinen naar het noorden, in plaats van den vijand te bestormen, en een menigte kleine beekjes Vrijstaters naar huis vloeien—snelt er een tegenstroom naar Poplar Grove. Er is dus een kern van standvastigen ook in die akelige week. Zoo zal het ook later, onder nog hachelijker omstandigheden, met de Federalen gaan.

Intusschen zijn de belegerden bij Paardenberg er maar ellendig aan toe. Een hunner zal later wel een realistische beschrijving van het een en ander geven. Negen dagen lang hielden zij het vol! Negen lange dagen van angst en ontbering en ellende, die den moed en de volharding van een Cronjé zelfs zwaar beproefd hebben. Dag en nacht moesten zij zich in de slooten en gaten verbergen. Dag en nacht snorden de bommen over hunne hoofden. Gedurig vloog er een wagen aan brand. Telkenmale werd er een hunner gewond of gedood. Er was geen geneesheer voor de gewonden; geen behoorlijke verzorging voor de stervenden en er kon nauwelijks een vuurtje aangestoken worden, om wat eten klaar te maken. Hongersnood was er juist niet, maar men zegt, dat velen rauw meel bij handen vol aten. Later ging er ook een ballon op aan de westzijde en het vijandig vuur werd al scherper en gevaarlijker. Welk een leven voor de ongelukkige vrouwen, die zich bij Cronjé bevonden! Zij wilden ook naar het front, om wat van den oorlog te zien. Thans zien en hooren zij, wat zij nimmer vergeten zullen. Zij zijn in een maalstroom van vuur en lyddiet en ellende gedompeld. Zij hebben een voorsmaak van het vagevuur, zou een Roomsch-Katholiek zeggen. Waren zij toch liever tehuis gebleven! 't Is zeer waarschijnlijk, dat zij in meer dan een opzicht eene hindernis en geene hulpe in den terugtocht van Cronjé waren. Over het algemeen zijn de vrouwen meer standvastig en onbuigbaar in den oorlog geweest, dan de mans; maar de smeltkroes van het Paardenberg-lager was voor vrouwenzenuwen gewis te vurig, om van de kleine kinderen niet eens te spreken.

Er werd een aanbod door Lord Kitchener aan Cronjé gedaan, om de vrouwen en kinderen uit het lager te zenden, maar ongelukkig werd er geen gevolg aan gegeven. Het kan zijn, dat de vrouwen zelve er niet van hooren wilden, of misschien was Cronjé boos op Kitchener, omdat deze hem geen wapenstilstand op den Maandag na den grooten slag wilde toestaan, om zijne dooden ter aarde te bestellen. Dit billijk verzoek werd beslist door Lord Kitchener geweigerd! Gansch anders behandelde Generaal Joubert zijn edelen tegenstander, Sir George White, te Ladysmith—hij gaf hem twee dagen wapenstilstand na den Modderspruitslag. Zoo ook Cronjé na Magersfontein, en Botha na Colenso. Mogelijk kon Kitchener den Paardenbergslag niet verkroppen. Had hij niet stellig verwacht, Cronjé en zijne dapperen gevangen te nemen, vóór Lord Roberts op het tooneel verscheen? En ziet, toen deze Maandagnamiddag naar Paardenberg met een nieuwe divisie en veel grof geschut aanrukte, vond hij er een groot veldhospitaal en een teleurgestelden Generaal. Alzoo werd Lord Roberts en niet hij de Held van Paardenberg!

Op Vrijdag 23 Februari werd er een tweede poging aangewend, om Cronjé van buitenaf te redden. Deze liep treurig af. Drie afdeelingen weken terug, toen zij met het vijandelijk vuur maar eventjes hadden kennisgemaakt. Een aantal Winburgers drongen zoo diep binnen de Engelsche liniën, dat zij in den slag bleven, of gevangengenomen werden. Ook Commandant Spruyt, de wakkere Heidelberger, werd gevangengenomen, om later weer als een doode uit het graf te voorschijn te treden. Hij sprong uit den trein ergens in de Kaapkolonie en wist zijn weg naar Bloemfontein en vandaar naar het front terug te vinden. De Boeren-Generaals moesten eindelijk erkennen, dat er aan den eendrachtigen en flinken aanval op het kordon om Cronjé niet te denken viel. De Britsche overmacht was te geweldig: 35,000 man met 60 kanonnen! De heuvelen en kopjes bij de rivier waren borstelig—als stekelvarkens—vanwege de veelheid der kanonnen en Lee Metfords. Aan alle kanten was er een dubbele kring van staal en ijzer om het lager. Van kanonnen-bestorming wilden de burgers in die dagen niet hooren. De bloote gedachte vonden zij ongerijmd. Later zou de nood ze ook _dat_ leeren doen. Later, maar niet in deze _sombere periode_ welke wij thans behandelen.

Wat gedaan? Een boodschap werd aan Cronjé geseind, dat men in twee groote afdeelingen ergens op een aangewezene punt in den nacht zou verschijnen—zoo wat vijf mijl van het lager—in de hoop, dat hij dan uit het kamp in die richting zou doorstormen. Allen meenden dat Cronjé, door middel van wagenplanken en touwen wel zijne manschappen over de rivier zou weten te krijgen, en een gezamenlijke aanval op één punt in het kordon hem wel een weg ter ontkoming zou banen. Twee achtereenvolgende nachten werd er echter tevergeefs op het geruisch van voetstappen uit het lager geluisterd. Er kwam niets van dien kant opdagen.

Tot overmaat van ramp begon het zwaar te regenen. De rivier werd spoedig vol, en de eenige weg ter verlossing—indien er van verlossing sprake kon zijn—werd door de wreede, meedoogenlooze natuur afgesloten.

_Streams will not curb their pride The just man not to entomb, Nor lightnings go aside To give his virtues room._

(M. ARNOLD)

Toen kwam de onverschrokkene, zoo niet roekelooze »Danie Theron”, van Krugersdorp, met een voorstel voor den dag. Hij zou tot Cronjé's lager in eigen persoon doordringen! Hij alleen—want geen andere zou hem in deze willen vergezellen. Hij, de schrale, tengere, kleine man zou zijn leven er aan wagen, om aan Cronjé persoonlijk te vragen: »wat er voor hem kon gedaan worden?—wat hij van plan was te doen?” Een tweede, zoo als de onvergelijkelijke Danie, zou men tevergeefs in de twee Republieken zoeken. Hij is eenig in zijn soort—eene verkenner, zoo als de gansche oorlog geen andere heeft te voorschijn gebracht—een genie op dat gevaarlijk, maar uiterst noodzakelijk gebied. Gevaar was zijn element, een waagstuk zijn vermaak; kogelgefluit zijne muziek. Tevergeefs werden er bezwaren tegen zijn vermetel voorstel geopperd. Hij bleef bij zijn voornemen—en drong werkelijk tot bij Generaal Cronjé door!