Zes maanden bij de commando's

Part 25

Chapter 253,890 wordsPublic domain

Gelukkig dus, dat wij wat meer links van de stad hielden, anders waren wij, op de waterwerken bij Generaal Du Toit's verlatene legerplaats _in de handen des vijands gereden_. Er was eene paniek om de stad in den voornacht reeds ontstaan. De reden was deze: _niemand kon eigenlijk zeggen, hoe veel Engelschen er doorgekomen waren._ Generaal Froneman telegrafeerde van Scholtznek: »Vijand met groote macht doorgebroken”. Met bliksemsnelheid vloog het bericht van lager tot lager. Hoeveel?—was de groote vraag. »10,000”, riep er een; »15,000” een andere; »slechts 2,000” een derde. De onzekerheid veroorzaakte den schrik. De vrees voor het onbekende bracht verwarring. Generaal Kolbe's lager kwam op de Lichtenburgers haastig afgerold; beide lagers tuimelden voort in de richting van het oude lager van De la Rey, dicht bij Riverton, waarop ook Generaal du Toit's mannen terugvielen.

De Warrentonners redden dien nacht het groote kanon. »Eere, wien eere toekomt”. Door die ééne daad hebben zij—uit een republikeinsch oogpunt, natuurlijk!—hun rebelschap gerechtvaardigd. Meer heldendaden hebben zij trouwens ook niet verricht, zooals wij later zien zullen. De storie werd mij aldus verteld:

Generaal du Toit was dien avond bij Alexandersfontein met de Kimberleyieten bezig, toen Generaal French zijn troefkaart, tot verbazing van beide partijen, zoo theatrikaal speelde! Er werd terstond geseind, dat Long Tom moest gered worden. Ossen waren er niet gauw genoeg bij de hand. Zoo pakten de Warrentonners den oude in het maanlicht beet, en sleepten hem den hoogen zandberg af, tot dicht bij de Waterwerken. Vandaar werd het beroemde stuk door een span ossen verder naar het lager bij Riverton gevoerd. In allerijl snelden de mannen van Kolonel Kekewich naar Kamfersdam, om den gehaten vuurspuwer buit te maken—hij was er niet. Vandaar snelden zij naar Generaal du Toit's hoofdkwartieren—de vogel was gevlogen. Slechts het groote »platform” van zwaren balken, met de groote stalen veer—die aan platform en kanonbuik gehecht, het stuk in positie hield, niettegenstaande de hevige schokken door het schieten veroorzaakt—erop vastgeschroefd, werd er te Kamfersdam gevonden. De Warrentonners waren ze te gauw. Long Tom ging later over de Vaal terug naar Klerksdorp en Pretoria—en wie weet waarheen nog. Als er weer vrede en voorspoed en vrijspraak in den lande is, zullen mijn oude gemeenteleden aan hunne kinderen en kindskinderen »de Storie van Long Tom op Kampersdam” vertellen en hun verre nageslacht zal, met heel wat bijvoegsels, het verhaal van de redding van Long Tom door de Warrentonners aan den vreemdeling getrouw opdisschen.

* * * * *

Tegen halfnegen uur kwamen ook wij bij het lager bij Riverton aan. Het was ons boven verwachting goed gegaan, alhoewel het veel langer geduurd had, eer wij bij de onzen kwamen, dan ik berekend had. Onze paarden waren uitgeput van al dat zand. Van halfvier tot halfnegen uur onder het tuig te zijn, zonder uitspanning, was verregaande wreedheid; maar wat konden wij doen? Er was geen water tusschen den »Put” en de Vaalrivier, en het ging den heelen weg stapsgewijze vanwege het zware pad. Eindelijk waren wij weer onder de Boeren. Tot onze blijdschap waren wij door geen patrouille uit de stad opgepikt, hetwelk zoo uiterst gemakkelijk kon geschied zijn, daar wij feitelijk alleen op den helderen dag er om reden. Later vonden wij eerst uit, waaraan ook wij onze redding te danken hadden.

Gered! Welk een heerlijk woord! Maar wat was er van Generaal Cronjé en zijne duizenden geworden? Waar waren zij nu? Hoe ging het hun?

XXXVI

Verwarring en Heldenmoed

Wij reden het reusachtige lager binnen en vroegen links en rechts, waar het water voor de paarden was. Niemand kon ons echter op dit punt licht geven. Er werd heen en weer geloopen: mannen, vrouwen en kinderen krioelden er tusschen de wagens. De ossen bulkten van dorst. De kinderen schreeuwden van angst. De vrouwen zaten in stomme verslagenheid op de wagenkistjes voorop de wagens. Zij maakten geen rumoer. Zij weenden niet. Zij zaten er meerendeels doodstil, als versteend. Radeloosheid stond op bijna elk gelaat binnen in 't lager te lezen.

Ik liep naar eene plaats, waar er een groote hoop mannen bijeen waren, en bevond, dat zij er allen op de komst van het water ongeduldig wachtende waren.

»Maar waar moet het water dan vandaan komen?”—vroeg ik. »Onze ossen en paarden vergaan van dorst.”

Het antwoord was: »Het water wordt er onder bij Riverton door twee Engelsche machinisten, tegen betaling, voor ons dagelijks opgepompt. De groote pijp naar Kimberley loopt hier bij ons voorbij en er is eene gat in geslagen, waardoor wij geholpen worden.”

»Wanneer komt het water gewoonlijk?”

»Wel, gewoonlijk vóór negen uur, maar vanmorgen is hull' wat laat daaronder bij Riverton bij die machines.”

Het was een oude regeling van Generaal de la Rey. Wij waren op de plaats, waar hij zijne wagens trok, toen hij de Vrijstaters in het belegeren van Kimberley kwam helpen. De onpleizierige gedachte schoot mij tebinnen: »Wat wordt van ons, als die twee Engelschmans van alles weten, en het hazenpad vanmorgen kiezen? Zij alleen kunnen met de machines werken, naar het schijnt. En dier en mensch versmacht hier in de zomerhitte van dorst.”

Tegen halftien uur borrelde het heerlijke vocht door de opening in de pijp en _die_ vrees was in elk geval bijgelegd.

Spoedig zou er een nieuw gevaar opdoemen. Kekewich was te Kamfersdam en het Halfweg-station te laat aangekomen, om het kanon aftenemen, en onze lagers waren vandaar zoo snel naar achteren geweken, dat hij den moed niet had om Generaal Kolbe, die het lager beschermde, aantevallen. Hoofd-Commandant Ferreira was ook intijds teruggevallen, met al de Vrijstaters aan de oostzijde der stad in de richting van Boshof.

Slechts ééne positie werd er door de onzen niet verlaten. De Griqualand West-rebellen, onder commandant van Aswegen bleven bij _Dronfield_-siding den storm afwachten. Pal en sterk stonden zij er tusschen ons en de Engelschen. Volgens Conan Doyle werd Kolonel Kekewich reeds Donderdagnacht door het lagertje aan den spoorweg gefnuikt. Hij wilde gaarne Long Tom's beschermers achtervolgen, maar vreesde de Dronfield-Boeren met hun gevaarlijk kanonnetje achter den rug te hebben! Alzoo keerde hij zich, door twee derden van French's ruiterij gesteund, den volgenden morgen vroeg tegen de hardnekkige Griqualanders. Den ganschen morgen werd er door eene overmacht tegen dat dappere klompje rebellen gevochten, maar zij bleven de positie standvastig verdedigen en behouden. Later werden er ook kanonnen tegen hun uitgezonden, maar zij waren er niet uit hun zandbult te krijgen!

Tegen tien uur zag ik een wonderlijk schouwspel—een tooneel van verwarring en heldenmoed dooreengemengd, waarin een Homerus zich zou verlustigd hebben. Daar op de met laag hout begroeide zandbult, waarover de trein van Kimberley naar Warrenton gaat, ploften de bommen onophoudelijk neêr. Dapper vlamde het kleine Krupp van Commandant van Aswegen zijnen vijanden tegen. De Rebellen weken geen duim terug—neen, zij _kunnen_ niet weldra terugvallen, want de Engelsche ruiters trekken om den grooten, uitgestrekten zandheuvel. Zij worden omsingeld! Zij worden omsingeld, die arme Kolonisten, die uit volksgevoel en sympathie zich onder ons zegevierende, maar thans terugwijkende vaandelen geschaard hebben! Voor ons worden zij daar opgeofferd. De schande zou te groot zijn, als wij ze niet gingen helpen.

Ziet! een lange rij ruiters snelt er henen. Zij gaan in de richting van Mac-Farlane's siding, ten noorden van Dronfield. Zij zullen de omtrekkende beweging in elk geval tegenhouden, zoo niet geheel en al beletten. Generaal du Toit is ook reeds van den vroegen morgen in den zadel. Hij en Commandant Vermaas doen hun uiterste, om de duizenden van French van Riverton en de Vaalrivier terug te houden. Het kan echter niet ontkend worden, dat zij zich soms met slechts twintig of dertig man bij een of andere punt van gevaar dien dag bevinden. De schrik is in velen gevaren. Er gebeuren vreemde dingen. Terwijl wij de lange streep burgers, die naar Mac-Farlane rijden, gadeslaan, zien wij een tweede lange streep naast de eerste in een tegenovergestelde richting afjagen! Zooiets hebben wij in den oorlog nog nooit gezien. Eene afdeeling gaat naar, de andere komt van den vijand; de eerste gaat vechten, de tweede vlucht. En zij rijden elkander rakelings voorbij. 't Is een teeken des tijds: een voorbode van donkere dingen. Wee ons!

Gelukkig strekt de groote zandheuvel, waarvan de rebellen slechts de punt naast aan Kimberley in bezit hebben, zich ruim acht of tien mijl in de richting van Warrenton uit, terwijl zijne breedte tegen zes mijl kan geschat worden. Geen kleinigheid is het voor de vermoeide ruiters van French, om door het zwaarste stuifzand denkbaar zulk eene zandbult om te trekken! Het gelukt generaal du Toit en Commandant Vermaas dan ook, om de voorpunten van de twee vleugels, die den heuvel wilden omsingelen, terug te slaan. Mac-Farlane's siding valt echter in Engelsche handen, en die is achter van Aswegen's positie.

Het grootste geluk voor ons, echter, was gelegen in het feit, dat wij dien dag met de onhandige cavalerie te doen hadden. Niettegenstaande de paniek, die ons bedreigde, de demoralisatie, die de meesten onzer verlamde, de kleine commando's, die er te velde trokken, waagden de ruim 3000 ruiters van French—die volgens Doyle aan 't gevecht deelnamen—het niet, om ons lager aan te vallen. Wat zeg ik?—zij konden, met behulp der mannen van Kekewich, niet eens de 150 rebellen onder Commandant van Aswegen verpletteren!

Indien zij met hun vele kanonnen het groote lager bij Riverton dien dag met kracht bestormd hadden, dan weet ik niet of Generaal Kolbe genoeg mannen bij hem zou gehouden hebben, om den aanval af te slaan. Ik zag gedurig paardenruiters stilletjes een voor een, uit het lager sluipen. Zij gingen naar de Vaalrivier, naar de Transvaal, naar huis! Ja, zelfs wagens werden er dien morgen ingespannen, terwijl er te Dronfield en elders gevochten werd en de kanonnen geen tien mijl van ons dreunden. Niemand belet die menschen om heen te gaan. Overal op de wagens zie ik vrouwen. Zij zitten er koud en strak, met de handen op den schoot voor zich uit te staren. Meer dan een burger verlaat zijn wagen met het geweer in de hand, achtervolgd door kleine kinderen, die de handen wringen en uitgillen:

»Mijn pápa, mijn pápa!” De indruk van dat alles, na het gebeurde bij de Rondavelsdrift en de nachtelijke vlucht, ontstemde ons geheel en al. Wij gevoelden ons totaal machteloos en moedeloos. Geen schot konden wij vuren—zoo gevoelden wij. Wij waren verlamd, ontzenuwd, verwijfd.

Vele vaders, door hunne huilende kinderen gevolgd, keeren terug naar de wagens en gaan bij hunne doodsbleeke echtgenooten op den wagen zitten. Er is eene paniek onder ons aan 't werken. Een onbeschrijfelijk gevoel van zwakheid en vrees overmeestert zelfs de dapperen en de sterken.

»Ares gaat ten oorlog”, zegt de diepzinnige Homerus, »en met hem volgt zijn lieve zoon, Paniek, sterk en onverschrokken—den stoutmoedigsten krijgsman verschrikkend.” Zoo is het. Zoo en niet anders. Bij eigene ondervinding heb ik de werken van dien lieven jongen, genaamd Paniek, dien gevaarlijken zoon van den Oorlogsgod leeren kennen. Er is geen vreeselijker ondervinding in den oorlog denkbaar: Maar ook _die_ ondervinding is van groote waarde. Hare harde lessen zijn onmisbaar voor hem, die over oorlogszaken en krijgslieden een oordeel wil vellen.

Nooit zal ik eenig man verachten, die zijn hoofd geheel en al kwijt raakt, wanneer hij voor de eerste maal met den dierbaren zoon van Ares van nabij kennismaakt. 't Is geen kind, om mee te spelen, of om uittelachen. 't Is een reus, die zelfs helden doet sidderen; een heks, die de verstandigsten betoovert; een stroom, die allen en alles met zich meêvoert.

Er zijn er, die zelfs tegen de machtige Paniek bestand zijn. Geef ze dubbele eer en prijs. Zij zijn de geboren Generaals, de aangewezen Leidsmannen in den Krijg, de ware zonen van Ares.

Zulk eene was Commandant van Aswegen, de held van dien dag. Donderdag was French de groote man; heden steekt van Aswegen als Saul boven zijn medemenschen uit—»van de schouders opwaarts.” Van drie uur in den morgen tot tegen den avond hield hij tegen French en Kekewich stand. Het kanon moest spoedig zwijgen, maar de Martini's en Lee Metfords en Mausers—zij hadden er van alle soorten geweren—knalden steeds voort. Hoe zij hun paarden wisten te verbergen is mij een raadsel. Hoe zij zulk eene overmacht tegenhielden is mij onbegrijpelijk. Eén ding is, echter, zeker: zij hadden hun behoud niet slechts aan hun heldenmoed, maar aan een andere omstandigheid te danken. Het waren geen Infanteristen, maar wel Cavaleristen, met wie zij vooral te doen hadden! Deze omstandigheid redde ze daar in hunne zandvesting. Mogelijk waren de beste mannen van Kekewich ook niet op de been dien dag, na de vroolijkheid en feestvreugde van den vorigen nacht. Zulke dingen kunnen licht gebeuren—»onder beschaafde officieren en soldaten.” Hoe het ook zij: die honderd vijftig veeboeren hielden de groote overmacht geducht tegen, zoo geducht, dat French het niet raadzaam achtte, om eenige andere operatie om Kimberley met kracht doortezetten. Wij hadden het aan de taaiheid dier rebellen vooral te danken, dat wij dien morgen zoo veilig om Kimberley kwamen, dat ons groot lager bij Riverton niet aangetast werd, en dat de driften over de Vaal voor ons open bleven. Zonder het te weten, hielden zij _onze_ Thermopyle, gelijk de Spartanen van Leonidas.

Een grappige episode vond er in den loop van den morgen met »mijn Warrentonsche Keurbende” plaats. Zij stormden in vollen galop door een hek over den spoorweg bij Mac-Farlane's siding, om hun mede-rebellen te gaan helpen. Weinig wisten zij, dat Mac-Farlane's gebouwen reeds door den vijand bezet waren. Nauwelijks door de poort gekomen, werden zij door een hagelbui van kogels begroet. 't Is hun eerste ondervinding van dien aard, hun eerste »sarsie”—zooals de Boer het woord »charge” in 't Afrikaansch omzet,—en de vijandelijke kogels kwamen geheel onverwachts op hen af. Waren zij wat verder links gereden en afgestegen, om van daar langzaam de voelhorens in de richting van de gebouwen van Mac-Farlane's uit te steken, was er mogelijk een tweede heldendaad op hunne rekening gekomen. Die eere is hun echter niet tebeurtgevallen. Zij vlogen holderdenbolder door het hek terug. Het hek nu was nauw en de lieve zoon van Ares pakte ze goed bij de haren. Men stormde tegelijk op de eene opening af. Het gevolg was, dat de een zonder hoed, een tweede zonder geweer, een derde zonder paard er door kwam. En toch werd er geen enkele door den vijand gewond of gedood. 't Was een nauwe, een wonderlijke ontkoming—en wie zal het ze kwalijk nemen, dat zij zich dien dag niet aan verdere heldendaden waagden?

Vermoeid, maar niet moedeloos; bijna van alle kanten ingesloten, maar niet vervaard; in het uiterste gevaar, maar niet wanhopig, vechten de Griqualanders voor het dierbare leven. Ze zijn tegen den namiddag in een waarlijk hachelijke positie. Generaal French en zijn staf werden, niet verre van Zoutpan—tusschen Riverton en de groote Zandbult, ruim vier mijl voorbij Mac-Farlane's,—door een onzer geneesheeren gezien en gesproken. Als op een eiland in de diepten der zee, ver van de veilige kust, ver van alle hulp, omringd van gevaren en vijanden, gaan de rebellen een wissen dood tegemoet. Het zal hun als de Skandinaviërs te Magersfontein gaan! Neen, toch niet. Zij hebben met de onhandige cavalerie te doen, die goed rijden kunnen, maar verder niet veel in de zandbulten en vaalboschjes kunnen uitrichten. Het Engelsche voetvolk zou ze als mieren overrompeld hebben: de ruiters blijven gewoonlijk op een veiligen afstand rondrijden. Alzoo gebeurde het, dat onze rebellen, tot verbazing van vriend en vijand, het tot aan den avond van dien dag uithielden, en niet, gelijk de Skandinaviërs, in de pan gehakt zijn. Zij waren dapper, maar zij waren niet van plan, om zich, gelijk de Spartanen, te laten verpletteren, indien er de minste kans was om dat lot te ontkomen. Zoo maakten zij van een vreemd middel gebruik, om het leven te redden.

Tegen halfvijf kwam er een hevige stofstorm op. Kimberley is voor zoodanige stormen zelfs boven Johannesburg vermaard. Het zijn onbeschrijfelijke orkanen—niets dan roode stofwolken ziet gij om en boven u. Geen twintig treden voor u kunt ge iets onderscheiden. De hemel en de aarde zijn opgelost in een mengsel van rood zand. Gij ademt zand en loopt gevaar in uw huis te verstikken, want de dikke, zichtbare lucht dringt door gesloten deuren en vensters binnen. Van zoodanigen storm nu bediende de waakzame Boeren-Commandant zich, om zijn weg door de Engelsche linie te banen. Als op de vleugelen des winds gedragen, kwamen al de rebellen, behalve de dooden en gewonden, er veilig door. Wie heeft ooit van zulk een krijgslist—van zulk een _ruse de guerre_, door de Voorzienigheid verschaft en door den mensch met beide handen in den hoogsten nood aangegrepen—gehoord?

Het kanon bleef natuurlijk achter en ook eenige wagens en tenten. Het verlies aan dooden en gewonden echter was veel minder, dan wij gevreesd hadden—maar niemand kon mij het juiste getal opnoemen. Den ganschen dag werd er op menige punt ten noorden van Kimberley gevochten, maar ik geloof niet, dat wij meer dan vijftien of twintig dooden en gewonden altezamen hadden. De dichte vaalboschjes kwamen den vechtenden goed te pas, naar het schijnt.

Dienzelfden avond nog werd French naar Koedoesrand geroepen, om Cronjé voortekeeren, en Generaals du Toit en Kolbe brachten hun lagers en legers in veiligheid over de Vaal en naar eene plaats dichtbij Boshof respectievelijk.

* * * * *

Nog eenige episoden uit die dagen van verwarring en moed dooreengemengd komen mij voor den geest. 't Is Zondagmorgen (18 Febr.) vroeg; zoo wat 3 uur. Wij zijn op weg naar Windsorton. Bij de poort, waardoor de trein van Kimberley naar gemeld station stoomt, zie ik eenige Ambulancewagens. Een vuurtje brandt er met een aanlokkelijk keteltje erop. Ach! wat een honger en dorst heb ik! Halt! laat ons wat nader gaan. 't Is een onzer commando-dokters, een vriendelijke Engelschman. Het meisje bij het vuur is een van de »nurses”—een Iersche nogal. Zij presenteert ons koffie en beschuit aan. Wij dronken er elk drie kopjes, met wie weet hoeveel beschuit erin gedoopt. Geen _table d'hôte_, geen feestdiner kan bij zulk een maal vergeleken worden—want de leegte in de maag was groot.

Een tweede »nurse” kwam naar ons gezellig vuurtje aangestapt. »Er is eene gewonde, die u zien wil,”—zeide zij tegen mij. »Hij noemt u bij name. Hij heeft uwe stem gehoord. Kom! spreek hem wat moed in. 't Is Léon!”

Op een matras lag de tengere, energieke, zwaar gewonde Franschman langs een Ambulancewagen. Een doek bedekte zijn gelaat. Hij sprak zacht en dof, als een die geen levenslust of hoop meer heeft.

»Ik ga sterven!”—fluisterde hij mij toe, terwijl hij mijne hand vastklemde. Ik sprak hem natuurlijk tegen, zeggende, dat de dokter alle hoop voor hem had.

»Neen, ik weet het; ik zal doodgaan”—hield hij vol.

Lang hield hij mijn hand vast. Hij had behoefte aan een vriend. Hij gevoelde zich een vreemdeling in een vreemd land. Hij vreesde, ver van zijn dierbaar vaderland, den adem te moeten uitblazen. Veel pijn had hij en slapen kon hij weinig. De eerste operatie was echter reeds goed afgeloopen, eenige maanden later zag ik hem op de straten van Pretoria opgeruimd wandelen—_minus_ een oog, maar in goede gezondheid. Van den oorlog had hij echter genoeg en kort daarop ging hij door Delagoa-Baai naar zijn land terug.

* * * * *

Tegen negen uur dien Zondagmorgen bevonden wij ons bij eene plaats, geen tien mijl van Warrenton. De eigenaar, zoo als bijna al de Boeren langs den spoorweg, had zijn huis verlaten. De schrik was natuurlijk ook daar doorgedrongen. Wij spanden uit en—luisterden lang naar het vreeselijk kanongebulder, dat ons uit het verre zuidoosten tegenklonk. Vroeg in den morgen hadden wij van tijd tot tijd eenige harde schoten gehoord, maar later werd het vuren al meer aanhoudend en geweldig. Wij luisterden, en peinsden over Cronjé en zijne duizenden. Wat gebeurde daar in de verte? Wat zou de uitslag van dat gevecht zijn? Later eerst vernamen wij, dat er een bloedige slag—mogelijk de bloedigste van den ganschen oorlog—dien morgen was plaats gevonden. Lord Kitchener wilde Generaal Cronjé dien morgen in één slag verpletteren, maar werd met een verlies van 1100 dooden en gewonden door de onverschrokken Boeren teruggeslingerd.

Te Warrenton trof ik mijn lieve, oude vrienden natuurlijk zeer verslagen en bedrukt aan. Ja, er was ook verbittering op menig gelaat te lezen. Zij waren boos op de vluchtende en terugtrekkende Transvalers en Vrijstaters. Wat wordt er van hen, als wij over de Vaal terugvallen? Hoe zal het met hunne huizen en akkers gaan? En wat staat er voor de vechtenden, de rebellen te doen?—Geen wonder, dat een oude inwoner mij toebeet:

»Wat?—_U_ ook gevlucht?” Er stond een kring van mans om ons en hij dacht mij in de verlegenheid te brengen.

»Wel stellig,”—antwoordde ik, doodbedaard. Hij schudde het hoofd als verontwaardigd en verstomd.

»Dat heb ik waarlijk niet van u gedacht,”—vervolgde hij.

»Weet u vanwaar ik vlucht?” vroeg ik hem.

»Van Kimberley, natuurlijk!”

»Neen vriend. Van Magersfontein.”

»En Cronjé?”—vroeg hij mij verbaasd.

»Cronjé is ook vandaar weg,” zeide ik bedroefd. »God alleen weet, wat er van hem geworden is.”

De man zweeg. De omstanders verstomden. Zij hadden geen idee van de groote ramp, die ons op 15 Februari getroffen had. Toen hij weer den mond open deed, was de toon zijner stem geheel en al anders. Hij keek mij verbaasd aan, en vriendelijk groette hij mij bij mijn heengaan, zijne oogen waren geopend. Er was een geweldige storm op ons losgebroken en de individuën waren als niets in de schaal der algemeene ellende—zij waren als dun stof voor God's winden henen gedreven.

Intusschen rolden de zware ossenwagens langzaam voort naar de pont te Veertienstroomen. Zondag te middernacht begon de overtocht; Maandag duurde hij voort en ook den geheelen nacht; ja ook Dinsdag en Dinsdagnacht en Woensdag werd er gezwoegd en gezweten om al de wagens en ossen over de Vaal te krijgen. Dat was een werk!—zwaar en treurig, nog meer bitter dan het moeilijk viel. Waar is de geestdrift van de maand October verdwenen? Waar zijn de groote voornemens en plannen? Wat is er van de schitterende droomen geworden? Terug—_terug_—TERUG! En dat na al de heerlijke overwinningen? En dat zonder een slag, zoo te zeggen? O! het was bitter, bitter als gal zonder edik. Wij schaamden ons voor het aangezicht der rebellen vooral. Wat zou van dezen? Wij sleepten ze met ons mede naar 't front; moeten zij nu huis en vrouw en kind, alles om onzentwille verlaten en ons over de Vaal volgen? Opmerkelijk was het in die dagen, hoe min de vroegere grootpraters zich gelden lieten, de bombastische profeten, »die al de Engelschen in de zee gingen jagen”. Zij waren niet veel in aantal, maar hun geruisch was groot—zooals dat van ledige trommels. Thans waren zij doodstil, zoo niet geheel en al van het tooneel verdwenen. Velen waren spoorloos zoekgeraakt en moesten weken daarna door waarnemende veldkornetten bij hunne plaatsen opgespoord en opnieuw gecommandeerd worden. Is het wonder, dat zelfs onze beste mannen door een geest van moedeloosheid bevangen werden? »De burgers willen niet meer zooals vroeger vechten”—zeiden zij diep teleurgesteld, »wij kunnen den strijd niet volhouden. Waar zijn onze groote commando's vandaag? Als was voor de zon versmolten. Wat is er van den droom der overwinning geworden? Als een schitterende, veelkleurige zeepbel is hij in het niet verzonken.”