Part 24
Oerder en ik waren eenige dagen tevoren naar Langberg gegaan, om de posities der Ladybranders en Stellalanders op ons rechtervleugel van nabij te bekijken. Wij wisten niets hoegenaamd van de groote gebeurtenissen der laatste dagen. Terwijl wij er gezellig onder de heerlijke veranda van den heer Pieter Marais zaten te praten, op Woensdagmorgen, 14 Februari, dreunden er kanonschoten in het verre oosten. Hé, dat is wat nieuws. Wat beteekende dat? Daar verre in de richting van Jacobsdal, of nader wordt er gevochten. Was onze profetie aan 't vervullen? Werd onze oude vrees thans bewaarheid? Trokken de Engelschen over Jacobsdal den Vrijstaat binnen?—Niemand kon ons eenige inlichting geven, zoo besloten wij weer terug te rijden naar Brakdam, om daar wat nieuws te vergaderen. Het was een lange en vermoeiende tocht voor onze magere dieren, maar wij wilden zoo veel mogelijk uit eigen oogen zien, wat er gaande was. Met groote bekommernis in 't hart legden wij dien warmen dag ruim achttien mijl af, totdat wij op de plaats, aan Brakdam grenzend, vernamen, dat onze vrienden vandaar in aller ijl hadden moeten vluchten. De Engelschen waren in de rivier en aan deze zijde der rivier—en op Brakdam! Goeie deugd! Dat was een pijnlijke verrassing!
»En Jacobsdal?”—vroegen wij.
»Jacobsdal is reeds ingenomen”.
Wij zwegen—en bleven dien nacht bij een dam, door fraaie wilgen omzoomd, in de nabijheid van het Bloemhof-lager. Wij hadden er volop water; vleesch werd ons voor den volgenden morgen beloofd; de vijand was geen zes mijl van ons verwijderd. Onze arme paarden moesten rusten en kracht verzamelen. Morgen, ja wat kon de morgen niet opleveren? Ik vreesde het ergste, maar hield mij sterk en sprak geen woord.
Op den gezichteinder, rechts en links van den weg naar Brakdam, zagen wij klompjes burgers. Zij namen daar positie voor den nacht en voor den onbekenden morgen. Rechts, daar ginds bij de Modder was er een Pom-pom met eene wacht, om een aanval op Cronjé's lager te weerstaan. Tusschen de Engelschen en hun weg naar Kimberley, zoo wat vier mijl van de rivier, was er slechts één kopje van eenige waarde voor onze burgers, om den doortocht van French te beletten. Het land was gelijk en, voor de Boeren, die slechts één Krupp onder Majoor Albrecht daar hadden, zeer onvoordeelig. Vaalboschjes waren er in overvloed, maar geen randjes en heuveltjes. Ook was er geen tijd, en mogelijk ook geene energie, noch lust om weer slooten te graven. Hoe konden zeshonderd man met uitgeputte paarden de duizenden van French in een opene vlakte voorkeeren? De burgers zagen de hopeloosheid hunner taak spoedig in. Zij wisten, wat er komen zou. De slag was verloren—toen de Modderrivierwallen in 's vijands bezit kwamen.
Tegen den avond kwamen er een 60 of 80 burgers te paard bij den dam afzadelen. Zij waren onder Veldkornet Froneman, broeder van den Vecht-Generaal. De vroolijke vechtlust was van hen geweken, hoewel zij dood bedaard en stoicijnsch zoo als altoos te werk gingen.
»Van waar komt jullie?”—vroeg ik.
»Van Alexandersfontein”—was het antwoord.
»Zijn er dan nog genoeg mannen daar achtergebleven, om die plaats tegen een aanval te behouden?”
»Neen. Er zijn zoo te zeggen geene burgers daar. Bijna allen zijn hier.”
Vreemd! Terwijl wij samen spraken was Alexandersfontein al door eene macht uit Kimberley in bezit genomen, en ook daar—werden de lieve vrouwen, die er picnic vierden, onaangenaam verrast. Wat was gemakkelijker voor de Engelschgezinde eigenaars der plaatsen om Kimberley, die in vele gevallen door de toegefelijke Boeren in hunne huizen gelaten werden, dan een Kaffer naar de stad te zenden met het bericht: »Kom spoedig hierheen: de Boeren zijn verdwenen?” Zulke dingen gebeuren in oorlogstijd. Wien kan men vertrouwen? Hoe het ook zij: de Kimberley-verdedigers maakten goed gebruik van de goede opening. Zij glipten erin en Generaal Kolbe en Du Toit waren Donderdag tegen den avond nog druk in de weer om ze eruit te schieten, toen er een groote massa ruiters van het zuiden opdoemde. Beide partijen stonden verbaasd!—Kimberley was verlost. Het waren de mannen van Generaal French!
Het gebeurde aldus. Toen een divisie voetvolk bij de Modderrivier aangekomen was, begon French plannen te maken voor zijn laatsten rit naar de diamantenstad. Generaal Froneman had toen 700 of 800 man ter zijner beschikking, maar het veld was zoo ruim, dat de ruiters van French, na een bombardement van eenige uren, eenvoudig _door de dunne linie galoppeerden_. Omtrent halfnegen begon het kanongebulder, vooral op het eenzaam, maar manhaftig veldstuk van Majoor Albrecht, die zich dien dag bijzonder onderscheidde. Meer dan eens dacht men, dat hij met zijn artilleristen en kanon verpletterd was, maar hij kwam telkenmale weer uit de stof- en rookwolken te voorschijn, tot het einde toe den ongelijken strijd volhoudend. Drie uur lang werd er uit ruim twaalf vuurmonden op onze zwakke posities gevuurd, en tegen noen begon de groote golf van ruiters zich weer voorwaarts te bewegen. Ver van het kopje, ver van de meeste Mausers, ver van alle gevaar stroomde de ruiterij voort naar Kimberley. Een paar dozijn zadels werden er geledigd. Wat meer paarden dwaalden er in het veld rond—want de Engelschen hadden ook handpaarden in vele gevallen, en de flauwe dieren werden eenvoudig achtergelaten,—en—de »race” was afgeloopen.
Of French zich niet verheugde! Of zijne ruiters niet jubelden, toen het zoo gemakkelijk ging! Met ontbloote sabels, in de zon schitterend, vlogen zij zoo snel mogelijk door onze gelederen. Nu en dan werd er achter een burger gejaagd, en een paar burgers werden neergehouwen; gevochten werd er echter niet. De Mausers kletterden uit de verte als muziek in hunne ooren, te midden van het vroolijk getrappel hunner paardenhoeven »'t Is not the Boers' fighting-day to-day boys! Forward. To Kimberley!!”
Alzoo werd Kimberley gered, en French met eeuwigen roem gekroond.
* * * * *
Vroeg in den morgen van dien noodlottigen dag kwam er eene kar bij ons voorbij, in de richting van Magersfontein snellend. Een burger met vrouw en vier kinderen zaten er in het rijtuig.
»Waar gaat het heen?”—vroeg ik.
»Ik breng mijne familie in veiligheid.”
»Maar hoe dan met het gevecht?”
»Wel, ik moet toch eerst mijne vrouw en kinders wegbrengen”—antwoordde hij doodbedaard. Zoo is het ook. 't Is gansch natuurlijk. Maar wat deden vrouw en kinderen aan 't front?
Kort daarop kwam er eene kar met twee muilen bespannen. Een gewapende burger had de leidsels in handen en haastte zich naar de Magersfontein Randjes.
»'k Heb orders van mijn officier, om zijne vrouw bij Spijtfontein te gaan halen en weg te brengen”—was zijn antwoord op een dergelijke vraag.
Deze zijn feiten, waarvoor ik persoonlijk borg sta. Mijne oogen en ooren zijn er getuigen van geweest. Waren er niet mogelijk honderden zoodanige gevallen? Men was al te gerust te Magersfontein en rondom Kimberley geworden en—de ontnuchtering kwam als een donderslag uit een helderblauwen hemel. Ruw, pijnlijk, verwarrend was de ontwaking uit den zoeten droom van blijvend succes en voortdurende triomfen. Geen wonder, dat de vechtgeest voor eene wijle van de burgers geweken is, en dat Generaal French zoo weinig tegenstand vond.
Tegen één uur kwamen wij een paar ruiters tegen. Zij reden langzaam voort, weg van het slagveld. Wij gingen nader. Een hunner had een groot Engelsch cavalerie-paard in de hand, terwijl het ros, dat hij bereed, een wijde, gapende wond boven de oogen had. De sabelhouw was blijkbaar niet diep, want het paard scheen er niet onder te lijden.
»Hoe is 't met jullie gegaan?”
»Vrot!” antwoordde de kerel met het gewonde dier, kortaf. »Al de Engelschen kwamen op ons klompje Bloemfonteiners af. Wij waren omtrent 20 of 25 stuks. Niemand kwam ons helpen. Wij werden geheel en al in den steek gelaten”.
»En die sabelhouw, daar?”
»Die Rooie's het net leelijk onder ons gewerkt, man, 'n paar van ons is dood, en 'n paar gewond. Ons kon niet gauw genoeg pad gé nie”.
»En die Engelschen?”
»Och! hull is almal deur.”
Hoe onze vriend in de benauwdheid en de haast nog een vijandig paard wist te bemachtigen, is mij een raadsel. Hij was er hoegenaamd niet trotsch op, dus was er waarschijnlijk geen heldendaad aan verbonden. Omtrent de groote ramp, die ons volk dien dag getroffen had, scheen hij zich niet veel te bekommeren. Hij had een paard buit gemaakt—dat was hem genoeg. Zoo reed hij van het vechtterrein weg.
Daar wij slechts twee zwakke dieren voor ons wagentje hadden, konden wij op geen avontuurtje uitgaan. Wij hadden er ook weinig lust toe, om de waarheid te zeggen, daar er geene schuiling tegen de Engelsche bommen in die gewesten was. Zoo besloten wij ook weldra, om langzaam te retireeren.
»Bokkie! Span in! Die zaken lijken maar leelijk. Laat ons voer bij Cronjé's lager halen.”
Toen wij daar kwamen, was het lager bijna totaal verdwenen. De Generaal werd eindelijk onrustig daar bij de rivierwallen. De Engelsche kanonnen aan de overzijde van Rondavel's Drift konden hem heel licht een bezoek brengen. Zoo trok hij een mijl of vijf van de Modder terug naar een »pan” of vlei, waar het vooreerst veilig was. Gelukkig voor ons echter, waren er nog eenige leden van zijn Commissariaat-departement in de oude legerplaats achtergebleven, die juist bezig waren de laatste zakken mielies en meel op te laden. Met plezier gaven zij ons een zak mielies, waarvoor wij hun niet genoeg dankbaar zijn konden.
Rechts van de achterste randjes te Magersfontein spanden wij uit, de ontknooping van het treurspel afwachtend.
Tegen halfvier kwamen de burgers in lange strepen van het zoogenaamde slagveld aangereden. Er was geene vlucht, want er was geen vijand, om voor te vluchten. De vijand was er vandoor. Langzaam en lusteloos kwamen zij over den stoffigen weg, omgeven van geelachtige stofwolken. Van tijd tot tijd draaiden er een aantal burgers uit naar de verschillende posities, die zij maanden lang zoo trouw bewaakt hadden. Een aantal wagens van het Bloemhof-lager kwamen ook over de vlakte aan, en spanden bij ons wagentje uit. De vijandelijke bommen vielen op de plaats, waar het lager maanden lang gestaan had, en de wagens moesten verzet worden. Er waren ook bij deze wagens vrouwen en kinderen, die zich nu in den maalstroom des oorlogs bevonden. Eindelijk kwamen de Artilleristen.
»Hoe is het?”—vroegen wij hun.
»Wij zijn allen teruggevallen. De Engelschen zijn door naar Kimberley”—antwoordde een sergeant, in een toon van doffe neerslachtigheid.
»En nu? Wat nu gedaan?”
»Ik weet niet. De krijgsraad is door Generaal Cronjé opgeroepen.”
»Ik vrees, dat wij van hier heel gauw zullen moeten verdwijnen, om niet vastgekeerd te worden.”
»Zoo denk ik ook”—was zijn antwoord.
* * * * *
Kort daarna, tegen zonsondergang, steeg de groote ballon uit Methuen's kamp hoog in de lucht, hooger dan ik hem ooit tevoren heb gezien. Het akelig, allesdoordringend oog beloerde ons daar achter de randjes eenigen tijd en wij wisten goed, dat er wat ergers aan 't komen was.—Daar komt hij! Een ellendige lyddiet-bom kraakt er tegen de achterste toppen der randjes. Vroeger werd er altoos op de voorste en middelste kopjes gemikt; thans werd er blijkbaar eene poging aangewend, om over de randjes een projectiel te werpen. De afstand was echter wat groot, of mogelijk was de berekening niet juist, want al de bommen sloegen tegen de toppen aan. Met zooveel kracht werd er echter gevuurd, dat er een groot stuk ijzer midden in het Bloemhof-lagertje geslingerd werd. Het snorren en gonzen van het moordtuig door de lucht, en het sissend neerploffen ervan, vlak voor een wagen, verwekten heel wat angst onder de vrouwen en kinderen. Dat laat zich wel begrijpen. In een ommezien werden de ossen dan ook weer gehaald, de wagens ingespannen, en voort gingen onze Bloemhoffers in de richting van Scholtznek.
Verstandige menschen! Zij kwamen veilig met wagens en al bij De la Rey's lager, ten noordwesten van Kimberley, den volgenden morgen om negen uur aan. Instinctmatig volgden de Bloemhoffers, die bij het lager gebleven waren, denzelfden weg, waarlangs zij van Kimberley naar Magersfontein gekomen waren. Was Generaal Cronjé ook zoo langs naar de Modderrivier gekomen, dan zou de schaal mogelijk ook voor hem en zijne duizenden in die richting zijn gekeerd. Als men eens over een pad naar een of andere plek reist, gaat men als vanzelf weer langs dat pad terug. Generaal Cronjé kwam _via_ Edenburg door den Vrijstaat naar de Modderrivier. Hij viel min of meer in dezelfde richting terug.
Het behoeft geen betoog, dat de route door Scholtznek om het westen van Kimberley naar de Vaalrivier voor hem volmaakt veilig was. Methuen had te weinig mannen om hem eenig kwaad te doen. Ook kon hij het voetvolk uit Methuen's kamp gemakkelijk zijn voorgebleven. Kelly-Kenny's divisie lag bij Rondavel'sdrift. Die kon hij gemakkelijk met een klein commando ruiters hebben beziggehouden, terwijl zijn lager dien nacht om Kimberley heen trok. Het Britsche voetvolk zou zijn wagens door Scholtznek niet achterhaald hebben. Het terrein was daar prachtig voor een »rear guard action”—een terughouden des vijands met de achterhoede, terwijl de hoofdmacht bedaard voortging. En de ruiterij van French?—vraagt gij. Wij zullen weldra zien, hoe nietsbeduidend cavaleristen zijn, in het bestormen van posities. Dat is immers niet hun werk. Daartoe zijn zij niet opgeleid. Daarvoor hebben zij geene oefening gehad. Zij konden het eenvoudig niet doen—in die dagen. Later eerst heeft men corpsen rijdende infanterie—zooals de Boeren allen zijn—speciaal voor dezen oorlog afgericht. Elkeen weet, dat de gewone Britsche cavalerie zoo te zeggen niets groots in den oorlog uitgericht heeft, behalve de brilliante rit naar Koedoesdrift, om Cronjé daar vóór te zijn. Tegen Generaals du Toit en Kolbe kon Generaal French weinig doen in de zandduinen om Kimberley. Was Cronjé _daarheen_ gegaan met zijn 5000 man en honderden wagens, dan was alles veilig over de Vaal gekomen. Daaraan twijfel ik geen oogenblik. Er was een groote wagenbrug over de Vaal bij Barkly West, en daarenboven nog minstens drie ponten in goede conditie in het Warrenton-district. Generaals du Toit en Kolbe hadden eenige duizenden ruiters bij de Vaal. Gemakkelijk konden de wagens langzaam zijn voortgegaan, terwijl Generaal Cronjé, met ongeveer 3000 ruiters als achterhoede, allen meegerekend, tegen de Engelsche infanterie—_indien_ hij achtervolgd werd,—en als voorhoede tegen de cavalerie—_indien_ French hem wilde voorkeeren—kon geöpereerd hebben. Ik sprak niet eens van de commando's onder Ferreira en De Wet en anderen, die hem ook desnoods ter hulpe konden gesneld hebben.
Tien tegen één zou Lord Roberts Cronjé niet om het westen van Kimberley gevolgd zijn, eenvoudig _a._ omdat deze zijn voetvolk te ver vooruit zou zijn geweest, en dus niet te achterhalen was, en _b._ omdat Bloemfontein zijn eigenlijk mikpunt was. Kimberley was bijzaak, Bloemfontein hoofddoel. Indien er dus naar de Vaal dien noodlottigen Donderdagnacht was teruggeweken, kon Generaal Cronjé vier of vijf dagen later reeds met een groot en sterk paarden-commando de Vrijstaters aan de Modderrivier geholpen hebben.
Zou Bloemfontein dan gered zijn? Neen, dat niet. De overmacht was te groot. Maar 4000 man zouden stellig niet zijn gevangengenomen—het _moraal_ onzer burgers zou niet zulk een verpletterenden slag ontvangen hebben—Generaal Prinsloo zou zich stellig ook niet te Fouriesburg later hebben overgegeven, enz. enz. enz.
Gedane zaken hebben geen keer. Klagen heeft geen nut. »Het moest zoo zijn,” zal de typische Boer zeggen. »Een man kan hoegenaamd niet den wil van Zeus ontvluchten, zelfs niet de allerdapperste,”—zou Homerus gezongen hebben.
Ons wagentje stond alleen achter de Magersfontein-randjes. De burgers waren op hunne verschillende posten. Generaal Cronjé zat in zijne tent, geen vijf mijl van ons te peinzen. De krijgsofficieren maakten zich klaar, om ter vergadering op te gaan. De gevreesde ballon daalde neder en het kanongebulder zweeg. Statig en groot verrees de volle maan over het geheimzinnig tooneel—meer geel dan wit, meer goud dan zilver was hare kleur dien droevigen, onvergetelijken avond. Een groote stilte heerschte er te Magersfontein. Wij waren verstomd. De snelle marsch der gebeurtenissen ontnam ons bijna den adem. Elkeen wist, dat er iets groots gebeurd was, maar niemand wist, dat deze dag _het grootste keerpunt_ in den ganschen oorlog mag heeten. De stilte ging aan ontzaggelijke veranderingen over het gansche oorlogsterrein zwanger. Weldra zou het aan allen duidelijk worden. Thans had ik er echter een vreemd voorgevoel van.
»Nu volgt Ladysmith”—zeide ik dien avond aan Oerder. »En dan Mafeking. Alles gaat van nu af aan in duigen vallen. Alles is verloren. Arme, arme Cronjé.”
Vanbuiten scheen de heldere maan. Vanbinnen heerschte de nacht—eene nacht vol van groote, vallende sterren.
Te Kimberley, waar men bijna drie maanden tevoren reeds voor Lord Methuen den feestdisch gedekt had, werd French nu als »de Held van den dag” gevierd. Rhodes was eindelijk werkelijk zoo veilig »alsof hij in Piccadilly was”. De belegerden waren dronken van vreugde, zoo niet van whisky. Het gansche Britsche Rijk zou weldra in uitbundig gejuich uitbarsten. Als groote deiningen golfden de massa's voetvolk van Lord Roberts over de vlakke velden van den Vrijstaat. Ruim tienduizend man was reeds op de oevers der Modderrivier bij Rondavelsdrift. Een tweede divisie was in Jacobsdal. Anderen waren in aantocht.
Wat gaat Cronjé doen?—_Vluchten?_ Niet hij! Zijne dapperheid zou hem ten val brengen. Zijne onverschrokkenheid zou hem verstrikken. Hij achtte den vijand te gering—zoo als zoovele Generaals in zoovele oorlogen vóór hem—en werd zwaar gestraft.
Hij vluchtte niet; maar _retireerde_ slechts, doodbedaard, langzaam, vlak voor Kelly-Kenny's voetvolk bij de Modderrivier voorbij!
Hij vluchten? Neen, _hij verzette slechts zijn lager wat hooger op langs de Modderrivier_—zoo zou hij het zelve hebben uitgedrukt—totdat de Engelschen hem als bijen omringden en hij in »het wreede net des Noodlots gevangen werd”. »Helaas! helaas! God helpe hem en zijne dapperen”.
Alzoo werd deze Donderdag, 15 Februari 1900, de noodlottigste dag in de geschiedenis van den grooten Zuid-Afrikaanschen Oorlog. Als door een tooverslag, bijna zonder bloedstorting, werd het gansche oorlogstooneel veranderd. De verlossing van Kimberley door French deed Cronjé terugvallen—in de handen zijner vijanden; deed onze zegevierende commando's van Rensburg siding en Stormberg terugkeeren; ontmoedigde en verzwakte de burgers te Ladysmith en de Tugela en bij Mafeking; verongelukte de Prieska-expeditie en wie weet hoe vele andere plannen nog van onze voormannen, om van den afval der rebellen enz. niet eens te gewagen.
De _schitterende periode_ was voor de Republieken voor goed voorbij, hoe lang zij den strijd ook verder mochten volhouden. Op 15 Februari daalden zij af in een »dal der schaduwen”, dat geen einde schijnt te hebben. Plotseling, als in een schouwburg, was het Gordijn op het Eerste Bedrijf van het Oorlogsdrama gevallen.
XXXV
Op de vlucht
»Bokkie! Maak ons een grooten pot ‘Irish stew’. Wij moeten vannacht ver reizen.”
Hij keek mij besluiteloos aan. »Wat zal dit help? Ons wordt toch gevang! Ons kan net zoo goed hier blij.”
Als een volgeling van den Islam stond hij daar bij de randjes, volkomen onderworpen aan zijn lot.
»Laat ons naar Spijtfontein gaan, naar de plaats van den heer Marais. Krijgen de Engelschen ons daar, goed; krijgen zij ons niet, nog beter. Wij zijn toch vastgekeerd.”
Zoo sprak mijn vriend, die de reis om Kimberley niet met mij gedaan had. Gelukkig, dat ik pas dien weg had afgelegd. Mijn besluit was terstond genomen:
»Ik ken het pad zóó om Kimberley—naar Generaal du Toit. Wij hebben een nacht om in te handelen. Mogelijk komen wij nog veilig bij de Vaalrivier aan.”
Er was slechts een flauwe flikkering van hoop in mij, maar ik sprak ze moed in, en wij aten bedaard ons potje kost, eer wij in het prachtige maanlicht op de vlucht gingen.
Om de twee uur werd er geregeld een goed uur lang uitgespannen. Alles hing van onze paarden af. Zij moesten van tijd tot tijd eten en rusten. De weg was lang en vooral zwaar, zeer zwaar. Ik huiverde, als ik aan het dikke zand dacht. 't Was een treurige rit, een van de treurigste in ons leven. Er werd meer gezucht dan gesproken. De donkerste gedachten hadden in ons gemoed de overhand.
Opweg vernamen wij, dat de Landdrost van Jacobsdal, President Steyn's broeder, ons vooruit langs dienzelfden weg gevlucht was uit het eerste republikeinsch dorpje, dat door den Brit veroverd is.
Bij eene plaats vonden wij de ouders en eenige groote dochters in den grootsten nood omtrent de komst der soldaten. Zij hadden allerlei akelige stories omtrent gruweldaden der troepen vernomen, en wilden met geweld van hun huis vluchten. Ik had het geluk, ze volkomen gerust te stellen en ze over te halen doodstil bij hunne woning te blijven en geen kwaad te vreezen.
Eindelijk kwamen wij bij den onmisbaren »Put” aan, dicht bij het Lichtenburg-Lager. Daar besloten wij wat te slapen. Ongelukkig versliepen wij ons, want het was halfvier uur in den morgen, eer wij wegreden. Het groote zoeklicht uit Kimberley speelde onafgebroken op ons rijtuig, maar daaraan was ik al gewoon geworden. Ik wist wel, dat het ding veel meer schijn dan wezen om 't lijf had—evenmin geraas als wol opleverde—slechts bangmaakte, zonder meer. Het licht toonde ons, waar Kimberley was—en dat was ons ook wat waard. Zoo rammelden en rinkelden wij voort in de stilte des nachts.
Het Lichtenburg-Lager was totaal verdwenen! Dat was iets, waaraan ik nooit gedacht had. Geen tent of wagen was er te zien! Hé, het begon er slecht voor ons uit te zien. Gansch alleen hier ten westen van de stad. Geen burger in de nabijheid.
»Kijk! Als er eens zes of acht Engelschen op ons afkomen, dan schieten wij; maar als zij meer tellen, kiezen wij het hazenpad, hoor?”—Dat was ons akkoord.
»Kimberley” begon flauw te worden. Hij was lang ziek bij de Modderrivier. Zou hij de Vaal halen? Wij moesten langzaam en voorzichtig rijden. Een flauw paard is eenvoudig een volle punt voor elke gedachte van ontkoming. »Dat toch niet, Bokkie.” Bokkie zweeg. Hij werd onrustig, maar zat er als een man van steen voor hem uit te staren. Het ging later op een stapje, want het gevreesde zand was genaderd. Uren lang moesten onze vermoeide dieren stappen, steeds stappen, en dat niet zonder te zweeten. Otto's Kopje bleef nog maar schuin voor ons. Wanneer komen wij die gevaarlijke punt voorbij? Met een veldkijker kan men ons gewis vandaar zien, als de dag doorbreekt.
Oerder en ik loopen vooruit, om de paarden wat verademing te geven. Later is Bokkie ook op den grond. Wij stappen alle drie in het zand, anders komt »Kimberley” er nooit.
Veiligheidshalve nam ik den grooten weg links van dien, welken ik de week tevoren van de waterwerken gevolgd was. Ik dacht, dat Generaal du Toit ook best mogelijk zijn lager had verplaatst. Zoo bleek het ook later. Al de commando's om de stad, _op een na_, waren Donderdagnacht reeds teruggeweken. French had veel meer verricht dan hij wel wist. Spraken wij niet zooeven van een tooverslag? Gelijk een huis van kaarten, door kinderen gebouwd, viel de heele boel om Kimberley in duigen. Slechts ééne—ons allen ten zegen. Maar deze storie volgt in een ander hoofdstuk.