Zes maanden bij de commando's

Part 23

Chapter 233,781 wordsPublic domain

Het eenige Transvaalsche lager van Kimberley, behalve dat bij de Waterwerken, lag ten zuidwesten der stad. Het was eenige uren rijdens van het eerstgemelde verwijderd, maar zwaarder zandpad ben ik nog nooit in mijn leven doorgegaan, als dat ten westen van de diamantvelden. Mijn arm paard had het geweldig zwaar, te meer omdat de zomerzon hevig brandde. Na veel zwoegen en zweeten kwamen wij bij het kamp der Lichtenburgers onder Commandant Vermaas aan. Het zag er treurig uit te midden der zandwegen en ver van het water. Geen wonder, dat men niet nader naar de stad schuiven kon. Er was geen water! Het was op de voorpunt van de Lichtenburgsche posities—destijds door de Bloemhoffers bezet—dat Scott-Turner tweemaal een aanval waagde en zijn leven verloor.

Na den middageten reed ik verder naar Scholtznek. Ten zuiden der stad, dicht bij de spoorlijn, waren de Bloemfonteiners, onder Generaal Kolbe (Spijtfontein enz.). Als men den spoorweg oversteekt, volgt het Boshofsche legertje, te Alexandersfontein en verder dan heeft men de Winburgers.

Het juiste getal burgers om Kimberley in die dagen is moeilijk te bepalen. Men kwam en ging. De Transvalers telden, echter, niet meer dan 1500 man; en de Vrijstaters mogelijk 2000. De Rebellen bedroegen precies 230, in drie klompjes gesplitst: die van Barkly West, onder Commandant van Aswegen, die van Warrenton, onder Veldkornet Joubert, en die van Griqualand-West, onder Veldkornet Steyn. De twee laatstgenoemden werden later bij Dronfield onder Commandant van Aswegen, vereenigd en deden een goed werk in een kritiek oogenblik.

Zoo ging het rondom Kimberley toe. De inwoners aten nog ¼ lb. vleesch en 14 onz. brood per dag, volgens een correspondent van _de Argus_, wiens brief door Generaal Cronjé onderschept en aan mij ter inzage verleend werd. Nu, de meeste menschen eten wel twee- of driemaal zoo veel, als zij werkelijk noodig hebben. De mensch kan het met weinig voedsel heel goed stellen. Van hongerlijden zouden de talrijke bewoners en het garnizoen der stad nog lang niet kunnen spreken. De overgave was dus slechts een _mirage_, die den uitgedroogden burgers van tijd tot tijd voor de oogen schitterde.

Er was ander en beter werk, dat onze burgers hadden mogen en moeten doen. Nooit vergeet ik een gesprek, dat ik te Olifantsfontein met Rechter Hertzog in die dagen had. Hij gaf mij een slaapplek in zijne tent en wij spraken er samen in den nacht tot aan den vroegen morgen. Het _hoofd idee_ van den Rechter was dit: dat de commando's al lang de Grootrivierbrug en De Aar in bezit moesten gehad hebben en nog veel dieper in de Kolonie moesten ingevallen zijn. Scherp veroordeelde hij zekere Commandanten over hun gedrag in deze aan den dag gelegd. Hij had niet het minste geloof in de zoogenaamde belegering van Kimberley, maar pleitte niet voor eene bestorming. Hij wilde het beleg opheffen! Twee commando's, om het garnizoen in 't oog te houden, waren zijns inziens ruim voldoende voor de diamantvelden; de overige burgers konden dan elders hunne sporen gaan verdienen. Hij had er bittere spijt over, dat de heeren leden van den Krijgsraad anders over deze zaak dachten. Zij wilden geen Britsche macht achter den rug hebben. Alsof de duizend man van Kimberley iets konden uitrichten, wanneer zij hunne onneembare grondforten eens verlaten hadden!

Het trof mij zeer, hoe ernstig en vaderlandslievend, en tegelijk onafhankelijk en scherpzinnig van oordeel de geleerde Vrijstater was. Hij was mij een treffend en afdoend bewijs: dat een degelijke opvoeding hoegenaamd niet van iemands geschiktheid voor den krijgsdienst behoeft af te doen. Integendeel. Indien mannen als hij ook van den beginne af aan als Commandanten en Generaals hadden mogen optreden, dan zou het met ons op vele punten beter zijn afgeloopen. Het oude wantrouwen tegen boekgeleerdheid zat er echter nog te diep in het volk. Nu er van de »groote, onfeilbare oude helden” de grootste blunders en misslagen begingen, wendde men zich wat meer tot de jongeren en de meer opgevoeden. Later zien wij dienzelfden Rechter aan het hoofd van een commando dwars door de Kolonie tot aan den Atlantischen Oceaan rijden. Tot zoo iets kon men onze krijgsofficieren in het begin der groote worsteling niet krijgen. Zij waren te bevreesd om van de overige commando's afgesneden te worden.

Het verste, dat men het in die richting bracht, was de tocht naar Prieska; maar de kaart van Zuid-Afrika zal den lezer spoedig aantoonen, dat die expeditie toch niet bij de latere, stoute ondernemingen van een Hertzog en Brand, Kritzinger en Scheepers, Malan en Lategan enz. kan vergeleken worden. Toch waren Generaals Liebenberg en Breytenbach en Kapitein Jooste en Advokaat Cleaver de eigenlijke pioniers op dit gebied.

»Goei'n dag ou maat”!—riep een zwaar gebaarde, lange man mij toe van zijn paard, toen ik er dicht bij Olifantsfontein in mijn sjees voortgleed.

Ik kende hem in het begin niet. Zijn baard was gewichtig als die van Aäron, doch zonder olie en vol stof. Toen hij den mond weer opendeed, herkende ik echter de stem van mijn ouden vriend Cleaver, uit Johannesburg. Zijne stem verried hem, al waren zijne haren als die van een Esau of Nimrod.

»Waarheen gaat het?”

»Naar Prieska!”—antwoordde hij doodbedaard, alsof hij van een picnic sprak. Hij ging mee als Rechtsgeleerde Adviseur en goed werk deed hij daar te Prieska en nog dieper in de Kolonie. Later vernam ik, hoedat de jonge Advokaat in Adam's kostuum dagen lang in de Grootrivier sukkelde, om er een ponton in orde te krijgen. Nog eens zag ik hem als Veldkornet in den slag bij _Zes-Mijl-Spruit_, dicht bij Pretoria. Helaas! ook hij, even als zoo vele onmisbare mannen aan beide kanten, vond den dood niet op het slagveld, maar in een hospitaal. De geest, die er in Rechter Hertzog was, blaakte ook in hem. Zij waren vol vaderlandsliefde, vol geestdrift voor de republikeinsche zaak, ijverig en werkzaam—en daarbij intellectueel, helder van oordeel en gastvrij van geest.

XXXIII

Koedoesberg

Op den avond van 10 Februari, 1900, bevond ik mij weer bij mijn wagentje in het lager van Generaal Cronjé. Groote dingen waren reeds in de geboorte, maar wij wisten er niets vanaf. De groote storm was nabij, maar wij hadden er slechts nog het voorspel van te Koedoesberg ondervonden.

Of Lord Roberts werkelijk zien wilde, of er kans was, om ons rechtervleugel om te trekken, en alzoo Kimberley te bereiken, dan of hij slechts Generaal Cronjé's aandacht zoo ver mogelijk van zijn werkelijke plannen wilde aftrekken, is mij niet bekend. Indien het laatste zijn doel was, was het een onnoodig verspillen van tijd en krachten. Onze Generaal bepaalde al zijne aandacht op het kamp bij de Twee Rivieren en had geen oog voor den opkomenden orkaan. Indien het eerste zijne bedoeling was, liep het er maar slecht mee af. Zijn dappere Generaal, Hector Macdonald, deed wel goed werk, maar de ruiterij gedroeg zich zeer zwak.

De hitte was ondragelijk in die week (5 tot 9 Februari), en de schermutseling vond ver van ons uitersten rechtervleugel—zegge 25 of 30 mijl van Langberg—plaats. Er was eene drift dicht bij den berg, maar wij hadden niet genoeg manschappen, om die te beschermen. De Ficksburgers, Ladybranders en Stellalanders, die den rechtervleugel vormden, waren nauwelijks voldoende, om de Magersfontein Randjes te verdedigen. Er waren er echter wakkere verkenners, die een oog in 't zeil hielden, en spoedig de tijding naar onze Generaals brachten, dat er een Engelsche macht daar ginds in aantocht was. Laat ons bij wijze van verandering en ook ter wille van den merkwaardige man, die het dicteerde, #het Verslag van Generaal De Wet# in zijn geheel overnemen. Ik ontving het uit zijne hand in zijne tent op Zondag namiddag, 11 Februari, als eene copij van het telegram, dat hij aan President Steijn verzonden had.

»Vecht-Generaal Staatspresident DE WET Bloemfontein. Magersfontein.

10.2.'00. Door afwezigheid van de helio en telegraaf was het mij onmogelijk behoorlijk van tijd tot tijd, gedurende het gevecht te Koedoesberg, UH.Ed. op de hoogte van alles te houden. Ik ben heden te Magersfontein terug en wensch UH.Ed. zoo na mogelijk een volledig Verslag te doen van het gevecht.

Zondagmiddag 4 dezer ontving ik van onze westelijke posities bericht, dat een sterke patrouille van den vijand te Twee Rivieren naar Koedoesberg aftrok, toen reeds naar alle vermoeden een sterke macht des vijands daar was. Ik gaf dadelijk order aan Wden Kommandant du Plooy van Midden-Modderrivier, om met eene patrouille van 100 man onderzoek intestellen. Laat dien nacht kwam hij te Koedoesberg aan en bemerkte, dat de vijand in den berg was. Hij deed toen dadelijk rapport.

Ik ging onmiddellijk met 300 man en kwam Maandag namiddag 4 uur te Koedoesberg aan, alwaar ik vond, dat eene overmacht des vijands op de zuidelijke punt des bergs was. De berg is ongeveer 2000 treden lang. De vijand had den berg zeer goed verschanst op de punt, waar hij was. Ook had hij een sterke reserve vlak onder den berg bij de drift aan de overzijde der rivier. Ik bestormde onmiddellijk den berg van de noordelijke zijde op drie punten en vocht onafgebroken door tot half acht namiddag, toen wij tot op de helft van den berg gevorderd waren. De berg is zeer schraal aan posities voor onze burgers, om bij hunne schansen te komen, en daar wij den geheelen dag door gereisd hadden en er gebrek aan water was, was ik verplicht ongeveer een half uur ver van den berg terug te trekken, om water te bekomen.

Dinsdag 6 dezer bleven wij daarover, om versterking en ammunitie en een kanon aftewachten. Dien avond kwam Commandant Cronjé, broeder van Generaal Cronjé, aan, met eene versterking van 200 burgers en een kanon.

Woensdagochtend halfvijf trok ik den berg in met Commandanten Cronjé, Froneman, Visser en den Commandant du Plooy, die deeltjes van andere Commandanten onder zich heeft, namelijk Vrijstaatsche. Commandant Froneman ging met 80 man aan de westzijde langs de rivier op, alwaar hij naar schatting den geheelen dag door tot den avond donker uitnemend dapper vocht met zijn 80 man, bestaande uit Ladybranders en Veldkornet Geijer, van Griqualand-West, met een deeltje zijner burgers.

Wij bevochten den berg en kwamen even ver als Maandagavond van hunne schansen.

Ten halfvijf dien middag trokken ongeveer 800 tot 1000 paardenruiters (bereden infanterie) met 2 kanonnen ten oosten om den berg, waarschijnlijk, om ons op den berg in te sluiten. Ik ging met 36 burgers, daar ik niet meer ter mijner beschikking had, den berg af en was geen tien minuten te vroeg, en schoot met Gods hulp—waarvoor wij nooit genoeg dankbaar kunnen zijn—den vijand onder een hevig kanonvuur terug. Door gebrek aan water trokken wij weder dien avond ongeveer een half uur terug.

Overtuigd zijnde, dat al konden wij den berg nemen, het wegens gebrek aan water onmogelijk zoude zijn hem in bezit te houden, of wij zouden ook den vijand uit de rivier moeten verdrijven—waar hij zich vast gegraven had,—besloten wij toen verschillende posities een half uur ten noorden van den berg in te nemen.

Donderdag 8 dezer vuurden zij slechts eenige kanonschoten van een aanzienlijken afstand op ons af, en Vrijdag, ochtend werden wij gewaar, dat de vijand dien nacht terug gevlucht was naar Twee Rivieren.

Wij gingen over het slagveld rond en vonden nog drie lijken des vijands.

Door de ontferming onzes Gods was ons verlies zeer genadiglijk 3 gesneuveld en 6 gewond, meestal licht; de namen zal ik u later zenden. Het verlies des vijands is onbekend, doch moet aanzienlijk zijn, te oordeelen naar hunne begraafplaats”.

_Later._ »Re verslag hedenmiddag gezonden gevecht Koedoesberg, kan ik U H.Ed. mededeelen, dat Majoor Albrecht met het kanon kwam en het op de noorderpunt van den berg plaatste, en den tweeden bom midden in hunne schansen wierp. Hij vuurde gedurende den dag onverschrokken door op de schansen, niettegenstaande er bijna onafgebroken met zes kanonnen op hem en zijne mannen gebombardeerd werd. Slechts een zijner mannen werd licht gewond. In het geheel hadden zij 10 kanonnen op onze verschillende posities.”

* * * * *

Dit was het eerste gevecht, waarvan Generaal Christiaan de Wet de leiding had. De Schotten vonden hem een harde noot om te kraken: »Fighting Mac” had zijn Mozes gevonden!

XXXIV

Het Gordijn valt

't Is Maandagmorgen vroeg van den 12den Februari. Generaal Cronjé zit, ouder gewoonte, op den hoogsten top der Magersfontein Randjes, over de groote, rood-bruine vlakte naar het zuiden te staren. Gedurende den slag van Magersfontein was dit Kopje voor hem van groot nut, daar hij met zijn veldkijker vandaar den loop des strijds kon gadeslaan en zijne plannen desovereenkomstig kon regelen. Onze Generaals hadden geene ballons, om ze gedurende de wisselende kansen van een hevig gevecht van alles op de hoogte te houden. Zij moesten zich derhalve van een of andere hoogte in de nabijheid van een gevecht bedienen, en vandaar uit hunne adjudanten met de noodige orders zenden. Daar zat onze dappere, grijze, vrome Generaal dan, gewis voor de honderdste maal, op het uitgestrekte kamp van Lord Methuen te turen. Eenige leden van zijn staf vergezelden hem.

»Wanneer komt den lang verbeiden aanval”—is de vraag, die onwillekeurig in hunne harten opstijgt. »Hier, hier bij de spoorlijn en nergens anders”—blijft de vaste overtuiging van hun _chef_.

»Wat een stilte heerscht er in het kamp vanmorgen?”—vraagt meer dan een zich ten negen of tien uur af. »De paardenruiters voeren niet vandaag hun gewone exercities uit. De roode stofwolken zweven niet vanmorgen over het kamp”. Niemand droomt er echter van, dat al de ruiters van Lord Methuen eenige dagen geleden reeds naar achteren, naar _Ramdam_, dicht bij Enslin station, vertrokken zijn. Niemand weet, dat Lord Roberts, met Kitchener en French op Zaterdag, 10 Februari, reeds in 't kamp bij de Twee Rivieren was en al zijne schikkingen voor de groote omtrekkende beweging voltooid had. Ja, het grootste deel van Methuen's voetvolk is ook reeds naar Enslin per spoor vervoerd. Niemand wist met welk doel. Het geheim werd op meesterlijke wijze bewaard—vooral van onze verkenners.

Ginds, achter het Engelsche Lager ziet men den spoorweg achter de hoogten van Enslin wegduiken, maar wat daar bij Enslin en Belmont, bij Grootrivier en De Aar plaats vindt, weet onze Generaal niets van af. Kolonel de Villebois, even als anderen, had hem verscheidene malen voorspeld, dat Lord Roberts hem te Magersfontein zal trachten af te snijden, maar de Generaal wist altijd beter dan anderen, wat er gebeuren zou. Hij was er zoo zeker van, alsof het hem van Boven geopenbaard was, dat geen groote Britsche macht den spoorweg verlaten zou. Het was hem een _idée fixe_. Op dit punt bleef hij tot het bittere einde toe beslist alle waarschuwingen en alle profeten bespotten. President Steyn vreesde al lang het ergste, precies daar, waar Generaal Cronjé geene vrees scheen te koesteren.

Te Ramdam, geen zes mijl ten oosten van Enslin station, trok Lord Roberts zijn groot leger van alle kanten samen. Twee groote Divisies voetvolk (10,000 man elk) kwamen per spoor van het zuidwesten; alle beschikbare ruiters en paarden van French stroomden er heen van Colesberg _via_ Nauwpoort en De Aar naar de Grootrivier, om vandaar naar het _rendezvous_ op te trekken; Methuen's manschappen voegden zich van het noorden bij de groote massa's te Ramdam vergaderd.

Gisteren (Zondag 11 Febr.) werd er den heelen dag reeds op een 4 of 5000 paardenruiters, die langs de Oranjerivier van Ramah noordwaarts trokken, door een commando Fauresmithers onder Grenscommissaris Van der Post en Commandant Hertzog geschoten. De dikke, zwarte massa's, trokken, echter, steeds noordwaarts, voorbij de kleine grenswacht bij de Oranje, eenige dooden en prisoniers in onze handen latend. Noordwaarts, altijd noordwaarts vloeide de machtige stroom, noordwaarts naar de Vereenigingspunt, te Ramdam.

President Steyn telegrafeerde om hulp uit Natal. Hij wil de Winburgers onder Generaal A. Cronjé hebben; maar Veldkornet Spruijt met een klompje Heidelbergers wordt hem toegezonden. Later snellen de Winburgers en daarna ook de Senekallers uit Natal, om hun dierbaren Staat te komen beschermen. Maar Buller was in _diezelfde kritieke week_ juist hard bezig onzen linkervleugel over de Tugela aan te vallen, en geen man kon er uit Natal gemist worden. Van alle kanten, behalve te Colesberg en Stormberg, werd het geroep nu luider dan ooit te voren: »Zend ons mannen, meer mannen; de overmacht des vijands is verschrikkelijk.”

Slechts Generaal De la Rey had het heerlijk in die ernstige dagen van spanning en vrees. Zijne wapenen waren allerwege voorspoedig. Clements was tegen hem niet opgewassen en werd van punt tot punt op Nauwpoort Junctie teruggedreven. Later komen wij hierop terug. Thans slechts dit: al de plannen van Generaal De la Rey werden plotseling omvergeworpen door de tijdingen van den grooten inval van Lord Roberts in den Vrijstaat. Te midden van het laatste tooneel, als 't ware, viel het ongewenschte gordijn neer, en hij moest naar Bloemfontein terugsnellen.

Maandagavond werd het reeds duidelijk, dat er een groote beweging van Ramdam naar de Rietrivier op het Jacobsdalsche gaande was. Er werd vandaar door onze grensbeschermers geseind: »14,000 Engelschen met 140 wagens zijn nabij de Rietrivier”. Terzelfdertijd kwam er ook een alarm, omtrent een dergelijke beweging ten noorden van den spoorweg. Nu, een Generaal ontvangt er gedurig van die rapporten omtrent hoopen vijands hierheen of daarheen trekkend, en hij wordt telkenmale door »blinde alarmen” getergd. Zoo kan men het Generaal Cronjé niet kwalijknemen, dat hij zich voor eerst niet erg onrustig maakte. Hij zond echter een commando van 500 Transvalers—onder zijn broeder Andries, als ik 't wel heb—in de richting van Douglas uit, terwijl Generaal De Wet naar Blauwbanksdrift, tusschen Jacobsdal en Koffiefontein, met 400 man en een Krupp snelde. Vóór deze, echter, bij de Rietrivier kwam, was Generaal French er al door!

Jammer, dat commandant Lubbe niet in die dagen meer mannen bij zich had. Met 400 man hield hij de Jacobsdalsche grenswacht: een van de belangrijkste posten in het gansche oorlogsterrein. Bij Blauwbanksdrift werd hij door eene afdeeling Engelschen beziggehouden, terwijl de hoofdmacht bij De Kiel, eene drift wat hooger op, doortrok en naar de Modderrivier galoppeerde.

Op 14 Februari kon Generaal De Wet met zekerheid seinen:

»Gisteren namiddag zijn er ruiters met kanonnen in de richting van Rondavel's drift getrokken. Ik heb 225 man vóór gezonden.” De Wet wist blijkbaar niet, of er een groote of kleine macht des vijands naar de Modderrivier snelde. In elk geval rekende hij erop, dat Generaal Cronjé wel bij de Rondavel en andere nabij gelegene driften door de Modder op zijne hoede zou zijn. _Hij_ had intusschen (dertig mijl van Cronjé) de handen vol. Er was immers een groot wagen-lager des vijands aan de rivier, met 500 of 600 man voetvolk. Gedurig stroomden er versterkingen daarheen van Belmont en Enslin. Zijne macht telde slechts 550 ruiters. Vele burgers waren naar de lagers gegaan, om hunne vrouwen wegtebrengen. Met die kleine macht, echter, tastte hij den vijand daar bij de Rietrivier aan en het gansche konvooi viel hem later in de handen.

Daardoor, echter, werd ook hij voor eenige dagen bezig gehouden, terwijl Lord Roberts met 25,000 voetvolk, 11,000 ruiters en 98 kanonnen—volgens Engelsche schrijvers—van Ramdam naar den Vrijstaatsche grenzen optrok.

Zoo wat 10,000 man bleef bij Lord Methuen te Twee-Rivieren, om later ook aan den grooten strijd tegen Generaal Cronjé te Paardenberg deeltenemen; maar deze meende, dat al die alarmen en geruchten, bewegingen en schermutselingen slechts oorlogslisten waren, om hem van den spoorweg weg te lokken. Het was wel degelijk mogelijk, dat al dat heen en weer rijden der Engelschen slechts eene repetitie van de Koedoesberg-demonstratie kon zijn! Die mogelijkheid moest onze Generaal natuurlijk voor oogen houden. Tegen een aanval uit het kamp moest hij steeds wakende blijven. Dan, zijne paarden waren zeer zwak. Ja, de meeste burgers te Magersfontein waren thans voetgangers. Bijna duizend ruiters met Andries Cronjé en Christiaan de Wet weggegaan zijnde, wat bleef er nu over bij de Magersfontein en de Modderrivier? Vijf duizend voetvolk. Ja, zoo is het. Maar men kan bitter weinig met een Boer te voet uitrichten, als zijn paard niet ergens in de nabijheid staat. Zoo was het in die dagen, in elk geval,—behalve in de slooten bij de Magersfontein posities. _Daar_ bleven zij staan, zonder paarden, in 't vaste vertrouwen op hun Generaal, dat de Engelschen ze weer in het front zouden komen aanvallen. Maar naar de Rondavels en andere driften, hooger op in de Modderrivier, zou zelfs de geduchte Cronjé ze niet kunnen voeren.

Zoo reed French met zijn duizenden dien warmen Dinsdagnamiddag van de Riet naar de Modder, zonder eenigen tegenstand van beteekenis, door. De paar honderd ruiters van Generaal De Wet dansten er in de verte op zijne flanken; nu en dan viel er een Mauserkogel op de mijlen breede golf; maar wie kon die massa den weg versperren? Gelijk vliegen om een spoortrein, zoo hingen onze verbaasde burgers, aan de dichte groote massa cavalerie over de opene vlakte voortdonderend.

Als de Modderrivier driften toch maar goed bezet zijn! Als er slechts een paar honderd ferme Mausers, met eenige kanonnen onder den dapperen Albrecht de Engelschen daar opwachten! Dan valt er gewis een tweede Modderrivierslag, indien niet een Magersfontein overwinning voor. Neen! ditmaal was de Engelschman den Boer vóór. Met heel weinig moeite kreeg French dienzelfden Dinsdagnacht de Rondavels en mogelijk ook een andere drift, niet verre daarvandaan, in bezit. De weinige Boeren, die daar waren, moesten terug wijken. Eenige lagertjes vielen op beide kanten der rivier in Engelsche handen. Het droge grasveld raakte aan brand en de onheilspellende rookwolken stegen ten hemel, terwijl het dunne eind der wigge in den zwakken linker vleugel van Generaal Cronjé gedreven werd—en de bommen de Vrijstaatsche vrouwen zonder proces uit de lagers op de rivierwallen verjoegen.

Toen eerst geloofde onze Generaal, dat er werkelijk wat op zijn linkerhand gaande was. Het kanongebulder bij de rivier overtuigde hem. Hij moest eerst hooren en zien en tasten, als 't ware, eer hij in een aanslag door het Jacobsdalsche op zijn linkervleugel eenig geloof hechtte. Zelfs nu nog echter, nam hij de zaak niet heel ernstig op. Hij beschouwde nog altoos, dat alles bijzaak was, in vergelijking met den aanval langs den spoorweg. Aan Generaal Froneman en Commandant de Beer droeg hij dus »dat zaakje” op, terwijl hijzelf op zijn wachttoren bij Magersfontein bleef zitten. Zoo veel moeite was er aan de grepen en voren, slooten en schansen te Magersfontein besteed, dat hij niet kon, en op slot van rekening niet wilde aannemen, dat alles, alles daar tevergeefs was. De teleurstelling was hem te groot, te wreed. Hij wilde er niet aan denken. Alzoo werkte alles tengunste van Generaal French. Zijn geduchtste tegenstander stelde zich niet persoonlijk met zijn ouden leeuwenmoed aan de spitse der burgers. Zijn waagstuk werd dus met schitterend succes bekroond. Zijn stoutste verwachtingen werden verre overtroffen. Zijn heerlijkste droomen werden door de werkelijkheid in de schaduw gesteld.

* * * * *