Zes maanden bij de commando's

Part 21

Chapter 213,749 wordsPublic domain

Toen er schuin achter en rechts (oost) van de voorste kopjes gevuurd werd, begon men ook uit de slooten de dichte drommen van het vijandelijk voetvolk gewaar te worden, en groot was de slachting der arme Schotten in de eerste vijf minuten. »Als schapen waren zij ter slachting geleid.” Geen Boer, die kennis van zaken heeft, zal het den dapperen Schot ooit kwalijk nemen, dat hij dien vroegen morgen retireerde, zoo snel als mogelijk. Zijn geheele aanval was een »blunder”, slechts een weinig beter dan die van Generaal Gatacre bij Stormberg.

Laat ons nu bij Cronjé op dien hoogsten top aan de oostzijde der randjes, wat naar achteren, blijven zitten, en verdere ontwikkeling van den slag gadeslaan. De Schotten liggen meestal plat op den grond, achter de vele »boschjes”, die er vooral links van de kopjes in 't opene plein te zien zijn. Met hun kleine graafjes—die tegelijk als pikken dienst doen—maken zij zich gaten in den grond, waarin zij kunnen liggen schieten. Er is zoo veel laag hout in de vlakte, dat zij de Boeren nooit te zien krijgen; maar het scherpere oog van den Boer weet gedurig zijn man te vinden en te treffen. Zoo wordt er heen en weer onophoudelijk in het schemerlicht met de geweren geschoten. Onze kanonnen blijven doodstil. Er zijn twee Vrijstaatsche en een Transvaalsche Krupp, alsmede twee Pom-poms en een handmaxim op het vecht-terrein. Op order van den Generaal blijft het grof geschut zwijgend den loop van zaken afwachten. Zij zijn er op de kopjes en één Pom-pom is dicht bij den spoorweg gesteld, alwaar de Generaal den hoofdaanval der Engelschen verwachtte. Daar schuilen de Potchefstroomers van Wijk Gatsrand en Wijk Vaal Rivier, en de Ventersdorpers en de Bloemfonteiners onder Fourie (later Generaal geworden), klaar om den spoorweg met hun bloed te behouden. Nog verder rechts zijn er Ladybranders uit het verre oosten van den Vrijstaat en Zoutpansbergers uit het uiterste noorden der Transvaal. Die allen zijn toegesneld in de ure des gevaars; waar is onze Homerus om ze te bezingen?—zij vormen den rechtervleugel van Cronjé's macht. Zij hooren het gevecht, maar kunnen er ongelukkig niet aan deelnemen. De spoorlijn werd ongebruikt gelaten. Geen gepantserde trein zelfs kwam er opdagen.

Tegen zonsopgang beginnen de Engelsche kanonnen ons linkercentrum aantetasten. Er zijn er ongeveer 24 veldstukken, waaronder ook eene batterij Howitzers, die lyddiet spuwen. De randjes en kopjes, waarvoor de Kroonstadters, Hoopstadters, Potchefstroomers en Klerkdorpers zich in de bresse stellen, worden verschrikkelijk met ijzer en lood, en geelen lyddiet begoten. Toen vonden de burgers bij ondervinding uit, hoe goed het plan beantwoordde, om op een afstand van de rotsige heuveltjes in slooten te blijven. De weerkaatsende bomscherven en kogels konden ze daar geen kwaad doen. Die op of achter de lage randjes scholen, hadden het veel zwaarder, dan die er vóór en dus nader aan den vijand waren. Vandaar dat er _na_ den slag en ook te Colenso en Paardenberg en Poplar Grove zoo veel aan grachten-graven door de Boeren gedaan werd. Op onze burgers in de opene vlakten kunnen de kanonnen niet schieten, daar de gebrokene Schotsche Regimenten er vóór hen op den grond liggen, tusschen onze scherpschutters en de Engelsche kanonnen. Daar verre, voor ons linkervleugel, trachten eenige Engelsche kanonnen de slooten bij de randjes te enfileeren. Mogelijk vonden de Boeren het zeer onaangenaam, want na dien tijd zijn al de slooten voor de randjes gegraven.

Zoodra het aan Generaal Cronjé volkomen duidelijk is, dat de Engelsche machten uitsluitend op zijn linkervleugel aandringen, begint hij zijn Reserve-Corpsen met effect te gebruiken. Hij had er namelijk een 600 paardenruiters, (rijdend voetvolk) uit bijna al de commando's gekozen, en ver van de vechtlinie, achter de randjes wachtten zij ongeduldig op het psychologisch moment om toe te schieten. Daar vliegt Vecht-Generaal Andries Cronjé, met een paar honderd ruiters, van achter de bedekking der heuvelen uit, dwars over het open veld, om zich bij onzen linkervleugel te voegen. De ballon staat hoog in de lucht; de Engelschen zien hem uit de verte; de kanonnen mikken op zijne dapperen. Voort snelt hij—de onverschrokkene, die tegelijk de zachtaardigste van alle Generaals mag heeten—onder den kogelregen door. De paarden worden in de eene of andere holte, of achter een damwal of kleine verheffing van den schijnbaar gelijken bodem gelaten, en de mannen kruipen naar voren met de Mausers in de vuist.

Ook Lord Methuen stuurt natuurlijk versterkingen in die richting: hij heeft er volk te over. De Grenadier-Garde en vijf compagnieën Yorkshire Lichte Infanterie (volgens Conan Doyle) worden in de richting der Modderrivier gezonden, waarop onze linkervleugel rustte. Zij versterken daar de wankelende rijdende infanterie en lanciers, die te voet, gelijk de Boeren, daar onder en achter de doornboomen liggen te schieten.

Wederom laat Cronjé een compagnie van zijn reserveruiterij van achter de randjes over de opene vlakte jagen. 't Is Veldkornet Coleman, van Bloemfontein, die vooraan gaat en zij laten zich door de bommen en granaatkartetsen en het scheepskanon geenszins afschrikken.

Ons linkervleugel bestaat uit mannen van Wolmaransstad, onder Commandant Potgieter, van Lichtenburg (Comt. Vermaas), kleinere klompjes Fauresmithers en Boshoffers (onder waarnemende Commandanten) en de Bloemhoffers onder Commandant Tollie de Beer. Zij kregen het bitter zwaar daar in 't open veld. Haastig worden er steenen, waar die te vinden zijn, opgeraapt en in hoopjes gestapeld ter schuiling; maar de burgers zijn niet in Natal, waar de overaltegenwoordige Kaffer-kraaltjes en muurtjes zoo goed te pas komen. Groote steenen zijn hier zeer schaarsch tusschen de kopjes en de rivier. De groote vlakte, _waarop de vijandelijke legers tegenover elkander plat op den grond liggen_ (!) heeft echter den vorm van een lange, breede, nauwelijks van ons standplaats merkbare deining, waarvan de Engelschen de eene zijde en de Boeren de andere zijde in veilig bezit hebben. Zoodra een der beide partijen echter te ver naar voren gaat, wordt de aarde met bloed bevlekt. De menigte mimosa's en vaalboschjes zijn echter het voornaamste kenmerk van het vechtterrein daar links. Die daar op den grond ligt, ziet niets en wordt ook niet licht gezien. De Boeren kruipen echter gedurig nader, hoe langer de strijd duurt. Ze worden al moediger, naarmate zij den toestand van zaken begrijpen.

Nog eens stort zich een groote klomp ruiters uit de richting van Scholts Nek op den Engelschen linkervleugel af. Het gaat over een lange, opene vlakte. De granaten en lyddietbommen kunnen ze echter vandaag niet keeren. _De Boer vecht zoo als nooit tevoren_ in den oorlog. 't Is Vecht-Generaal Ignatius Ferreira, van den Oranje Vrijstaat, die zich in de hitte des strijds, tegen elf uur, bij onze gelederen aansluit. Van 't verre Ladybrand is hij daarheen gesneld. De President heeft hem pas in de plaats van Vecht-Generaal Prinsloo (van Bloemfontein) gesteld en met roem heeft hij zich met zijne mannen beladen. Op hem (even als op Generaal Andries Cronjé) zijn de volgende woorden, op Louw Wepener bedoeld, zeer toepasselijk:

_Aan het hoofd dier dappre helden Staat een man van vrees bevrijd, Maar ook teêr en zacht als zelden Harten kloppen in den strijd._

(N. HOFMEYER, kijkjes in onze geschiedenis).

Nog een laatste, wanhopige poging gaat de ongelukkige Methuen wagen, om de schaal naar zijnen kant te doen overslaan. Er is nog één regiment Hooglanders: de Gordons. Zij staan er bij de kanonnen, die zoo na als mogelijk naar onze linien geschoven zijn, _omdat ons geschut nog altijd zwijgt_. Tegen één uur komen ook de Gordons nader. Zij willen de slooten vóór ons linker-kopje bestormen en den dood hunner broeders wreken. Volgens Conan Doyle kwamen zij tot 400 treden van onze posities, hetwelk zeer te betwijfelen is; maar er was geene kans om verder te komen. Ons geweervuur wordt al heviger. Ons linkervleugel komt al meer naar voren. De geheele Schotsche Brigade is in doodsgevaar. Zij vreezen te worden omsingeld en afgesneden van hun kamp. Daar gaat de heele boel op den loop: Argylls en Sutherlands, Seaforths en Black Watch, met de onverwinnelijke Gordons incluis! Zij snellen er heen, alsof de Duivel ze jaagt. Bij de kanonnen blijven de Gordons staan, maar de overigen zijn niet te keeren, eer zij een goede »mijl achter den rug hebben” (volgens Doyle), zulk eene paniek heeft de Mauser verwekt.

Ach! waarom schieten onze fraaie Krupps toch niet? Wat is het met de Artilleristen vandaag? Wat doet Majoor Albrecht? Welk eene kans, om de Britsche kanonnen af te nemen! Indien de Krupps hunne koperen keelen nu open doen, daar van de voorste kopjes, dan wordt het gansche Britsche leger gedemoraliseerd niet alleen, maar de Artillerie-paarden bijten gewis in het stof. Ze zijn geen 2000 treden van onze kanonnen. Schiet! kerels! schiet! Laat de Krupps kraken en de kogels kletteren—dan kan geen mensch of dier het bij de drie batterijen Armstrongs uithouden. Dan kruipen de dappersten onder de burgers voorwaarts, en—eer de avond valt zijn de stukken onzer. Neen—de doodsche stilte op de kopjes duurt voort. Eerst toen de gansche Britsche macht tegen vijf uur terugtrok, begon een Vrijstaatsche Krupp aan het kogel-orkest meê te doen. Zóó goed mikte onze Vrijstaatsche Sergeant, dat hij een gansch stel paarden vóór een kanon wegschoot, en ook een kanonwiel buiten gevecht stelde.

_»Someone had blundered.”_

De Artilleristen vertelden mij, dat zij orders hadden, om niet te schieten. Die bevelen zijn nooit herroepen. Vandaar hun zwijgen, totdat de Engelschen terugtrokken.

Toen ik den Generaal daaromtrent raadpleegde, zeide hij:

»De kanonnen waren zoo gesteld, dat zij niet op het eigenlijke vechtterrein konden werken.”

Er waren omtrent 3000 Transvalers en 2000 Vrijstaters in die dagen aan het Magersfontein front, dat tien of twaalf mijl breed was. Maar er werd slechts over eene breedte van vijf mijl gevochten, zoodat velen onzer burgers niet aan den strijd konden meedoen. Van onze burgers sneuvelden er ongeveer 70, terwijl er over de 100 gewond werden. Lord Methuen telde bijna 1000 dooden, gewonden en vermisten (volgens Doyle). Er werden zoowat 100 Schotten dien dag gevangen genomen. Het getal zou veel meer geweest zijn, maar de Kroonstadters wisten niet recht, wat zij met hunne prisoniers doen moesten—zoo lieten zij ze _minus_ hunne wapens weer naar de hunnen terugkeeren.

»Maar waar zijn de Skandinaviërs?” vroeg men elkander na den slag af, en niemand wist, waar hunne positie dien dag was en wat er van hen geworden was. Ik heb velen gevraagd, om mij de juiste plaats aantetoonen, waar de ongelukkige, dappere mannen van het kille Noorden zich voor onze zaak opofferden, maar niemand kon het doen. »Daar ergens, vóór in de vlakte, tusschen de Modderrivier en de randjes, maar heel ver naar voren, moesten zij dien nacht geweest zijn.” In de duisternis van den morgen kwam het voetvolk op ze af. Zij werden geheel binnen de vijandelijke liniën door de aanstroomende Schotten overweldigd. Gelijk de opkomende vloed bij de zeekust snellijk al de lagere klippen bedekt, totdat er slechts één groote trotsche rots de kruin tusschen de schuimende wateren omhoog houdt—de golven klotsen ertegen aan met donderend gedruisch, maar de rots blijft nog lang zichtbaar, totdat het hooggetij erover heen stroomt en de onstuimige zee alleen te zien is—zóó ging het met het Skandinavische Corps. Daar ginds, midden in eene zee van vijanden, werden zij verpletterd. Zij sloegen met de geweerkolven wanhopig om zich heen, die tachtig mannen, toen zij zich te midden van de Seaforths bevonden; maar weinigen zijn aan het wreede noodlot ontkomen. Later zal er gewis een standbeeld ter hunner eere op het bloedig slagveld opgericht worden.

Hun Veldkornet Flygare is ook daar gevallen. Te Mafeking sneuvelde zijn broeder, en hij seinde daarop aan diens echtgenoote:

»Gustav is als een held gestorven.... Ik treur, maar zal zijn dood wreken. Ik zal nooit rusten, tot ons onherstelbaar verlies gewroken is.”

Voortvarende, heftige strijder! Hij was niet te beteugelen. Zijne dapperheid en toorn brachten hem tot het gevaarlijk besluit, om ver vóór onze vechtlinie den verwachten aanval des vijands te trotseeren. Zijn lot was als dat van een Hector, die vóór de poort van Troje alleen de komst van Achilles bleef afwachten.

»Mijns is de wrake,” spreekt de Heer, »Ik zal het vergelden”.

XXXI

Een nauwe ontkoming

Ook Generaal De Wet gingen wij in die dagen bezoeken. Zijn lagertje was op de wallen der Modder gelegen, niet verre van de plaats, waar »de groote sloot” over de breede vlakte tot aan de Magersfontein randjes begon. Wij reden er heen van Cronjé's lager met ons wagentje, om er een paar dagen te vertoeven. Vriendelijk ontving hij ons en lang zaten wij over de Natalsche gevechten te praten. Ook Majoor Albrecht vonden wij daar met zijn adjudant en eenige onderofficieren en manschappen. Veel vertelde ook hij ons omtrent Belmont en Graspan. Hij had een hoogen dunk van Generaal De la Rey en zeide onder anderen:

»Met hem ga ik door 't vuur”.

De verhouding tusschen hem en Generaal De Wet liet ook niets te wenschen over. Ze hadden de meeste achting voor elkander. 't Was mij waarlijk een genot, met zulke intelligente en tegelijk patriotische officieren eenige uren te mogen doorbrengen.

Ons linkervleugel was in die dagen wat meer uitgebreid dan tijdens den slag. Er waren bijvoorbeeld Winburgers en Lichtenburgers _over_ de rivier, om een aanval tusschen de twee rivieren—op Jacobsdal bijvoorbeeld—vanuit het Engelsche kamp te weerstaan. Commandant Lubbe met een paar honderd man hield het oog op de driften door de Rietrivier, in geval van een inval van den kant van Belmont of Graspan. Nog verder langs de Oranjerivier waren er kleine commando's Fauresmithers van ongeveer 150 man, onder Commandanten Jacobs en Hertzog, broeder van den Rechter van dien naam.

In die dagen reeds—begin van Januari—kon ik duidelijk bemerken, dat mannen als De Wet en Albrecht allesbehalve op hun gemak waren omtrent de uitgestrekte wereld aan onze linkerhand—de grenzen van Jacobsdal en Fauresmith,—die zoo te zeggen onbeschermd waren. Mijn collega van 't Staats-Gymnasium, de heer Ellenberger, die voor het Informatie-Bureau van Professor Molengraaf werk deed, sprak dikwijls met mij, daar aan de stille oevers der Modder bij Cronjé's Lager, over hetzelfde brandende onderwerp. Ds. P. Boshof, van Jacobsdal, was zóó ernstig op dit punt, dat hij mij,—tijdens een bezoek aan 't dorpje, om wat rijst en aardappelen te bemachtigen!—ertoe bewoog, een schrijven aan een of ander hooggeplaatsten persoon omtrent onzen gevaarlijken toestand te richten. Zoo deed ik ook, zonder een antwoord te erlangen—hetwelk ik trouwens ook niet verwacht had. Ik heb echter de satisfactie in deze ook mijn klein woordje in de schaal te hebben geworpen.

Ik herinner mij nog goed, hoe ik mijn vriend Ellenberger in het Hotel te Jacobsdal, waar wij een nacht samen in ééne kamer vertoefden, toeriep:

»Weet je wat? Te Jacobsdal kom ik niet weer slapen. De plek is gedoemd. Als de Engelschen het willen, komen zij er van nacht binnen.”

Nooit weer ben ik daar gaan aardappelen halen! Indien Lord Methuen slechts een groote vertooning van een aanval op onze Magersfontein-posities gemaakt had, dan kon hij heel gemakkelijk met een sterken macht per spoor halverwege naar Enslin 's daags te voren gezonden, Jacobsdal ingestapt hebben. Hoe kon commandant Lubbe met een paar honderd man, zonder kanon of maxim, dat belet hebben? Wie kon hun den weg versperd hebben? Er was niemand, om het te doen. Generaal Cronjé klemde zich aan de Magersfontein-posities vast en hield hardnekkig staande, _dat de Engelschen nimmer_ den _spoorweg zouden verlaten_. De Vrijstaatsche grens voornoemd bleef dus feitelijk open en bloot en onbeschermd. Methuen of Roberts—wie er het eerste kwam—kon de wandeling naar Jacobsdal, ver voorbij ons linkervleugel, met onfeilbaar succes ondernomen hebben, terwijl Generaal Cronjé op het groote Britsche Kamp van de Magersfontein-kopjes bleef loeren.

Wederom ben ik de diepe zee van critiek over militaire zaken ingezwommen. Neem het mij toch niet kwalijk, lezer. Ik vreesde altoos het ergste in den oorlog en werd door mijne vrienden dikwijls pessimistisch genoemd. Te Jacobsdal trof het mij zeer in die dagen, hoe optimistisch zekere lieden onder alle omstandigheden konden zijn.

Een schoone, lelieblanke deern—luchtig als eene hinde, veelbelovend als de lente, geheimzinnig als een zwellende rozenknop, kwam nu en dan de eetzaal binnen, daar in 't Hotel te Jacobsdal. Een flinke athletische, gezonde jonge man genoot al hare aandacht. Er tintelde een nieuw licht in haar oogen, als zij met hem sprak, en de blos, die van tijd tot tijd hare koontjes bezocht, kan bij onzen rooskleurigen hemel, kort voor de zon verschijnt, in schoonheid vergeleken worden. Arm paartje! Niet lang zouden zij in het Paradijs vertoeven. Het zoete heden zou een vreeselijken morgen baren. Terwijl zij daar zaten, hoorde ik reeds het onderaardsch gerommel van den vulkaan, die er op onze ontbloote grenzen zou uitbarsten. Zij hadden elkander zeer lief, maar het leven is soms zeer wreed. De jonge man is een Vrijstaatsche burger. Te Paardenberg werd hij zwaar gewond en in 't Duitsche Hospitaal, dicht bij het Hotel, blies hij den adem uit.

Ja, dat Duitsche Hospitaal, zoo goed en geriefelijk ingericht, zal weldra veel meer Engelsche, dan Boeren gewonden te verplegen krijgen. De electrische lampen—door een jongen van Alphen, uit Pretoria, voor het hospitaal ingericht—zullen binnen weinige weken hun bleek licht op nog bleeker gelaatstrekken werpen. De knappe, dienstvaardige Duitsche geneesheeren zullen vele gewonden en stervenden van Paardenberg ontvangen. Zonder onderscheid van nationaliteit zullen zij daar behandeld worden. Te zamen zullen Boer en Brit daar lijden en sterven, of genezen en vroolijk worden. Er is geene plaats voor vijandschap en rassenhaat in een hospitaal. Er is slechts lijden, en het lijden moet verzacht en overwonnen worden—hetzij door den geneesheer, hetzij door den dood.

Maar wij moeten naar de tenten van Generaal De Wet en Majoor Albrecht terug.

Het was tegen drie uur in den namiddag, dat de oude geest van nieuwsgierigheid zich weer van ons meester maakte. Wij wilden het slagveld van Magersfontein bewandelen; wij wilden den historischen bodem betasten; wij wilden de teekenen der vreeselijke slachting met eigen oogen zien. Wat is het toch heerlijk om soms met vuur te spelen en wat te wagen! Ter wille van de kunst was de heer Oeder steeds gereed om een ontdekkingsreisje te doen. Van jongsaf aan zat de avontuurzucht mij in 't bloed. Wij stapten naar de »groote sloot”, bekeken die goed voor een korten afstand, en—wipten erover heen, het onbekende te gemoet snellend. De lyddietbommen vielen geregeld op de randjes daar ginder, tegen half vijf of later in den namiddag. Waarom zouden wij dan niet op een interessante expeditie over de beroemde vlakte kunnen gaan?

Ongemerkt dwaalden wij veel verder van de »groote sloot” af, dan wij wisten. De grond was hoegenaamd niet zoo gelijk als wij gedacht hadden. Zoo kwamen wij er bijvoorbeeld op een »zoutpan” te land, waar wij niets van geweten hadden. En het bleek heel spoedig, dat de geheele vlakte naar de Britsche zijde afdaalde, omdat wij van onze grachten niets hoegenaamd konden zien. Wij hielden, echter, de Magersfontein randjes in 't oog, en gingen vroolijk en opgewekt voort. Ledige Lee Metford patronen trokken weldra onze aandacht, en vooral de papieren waarin zij gehuld waren.—Onze burgers raapten er omtrent 46,000 hulsels 's daags na den slag op.—Toen kwamen wij weêr op de haastig gegraven gaten te land, waarin de Berg Schotten lagen te schieten. Zij waren zeer vlak en er was blijkbaar geen tijd of moeite aan besteed. Verder en steeds verder gingen wij in de richting van de randjes totdat wij op de groote, breede, bruine bloedplassen afkwamen. Ach! dat was een vreeselijk gezicht, vooral voor het oog der verbeelding. Het was een volle maand na het gevecht, en daar zagen wij den met bloed gedrenkten bodem duidelijk voor onze voeten: lange, breede, bruine strepen. Hierin werden de arme soldaten in 't gelid door den snellen kogel afgemaaid. Bij hoopen gingen zij naar het Rijk der Schaduwen. In de kracht en de schoonheid der jeugd zonken zij bij honderdtallen in vijf minuten neder—om in deze dorre, droeve deining begraven te worden.

Het werd vier uur: wij moesten terug. Wij liepen het »brakpannetje” voorbij en draaiden langzamerhand wat links, heel op ons gemak, toen er onverwachts een dramatisch tooneeltje uit ons leven begon, dat allesbehalve aangenaam was.

Lyddiet-bommen, pure lyddiet-bommen en geen anderen begonnen er over ons hoofd te regenen!

In een oogwenk vlogen wij er achter een breeden vaalbosch. Andere schuiling was er niet. Geen welkome rots of kraalmuur. Ons eenigste troost was deze: dat geen Engelsch oog ons kon zien, al kon een Engelsche bom ons dwars door het laag en dun hout gemakkelijk doorboren. Een zwakke troost; maar beter dan niets. Een vreeselijke hoofdpijn tastte mij oogenblikkelijk aan—even als op Pepworth's Heuvel—maar ditmaal gebruikte ik mijn verstand kalm en bedaard van den beginne af aan. De bommen vielen geregeld: òf rechts over, òf rechts, òf links van onze onhoudbare positie; maar steeds van twintig tot veertig of vijftig treden van ons af, en dikwijls geheel en al over de helling.

Mogelijk komen wij er nog ongedeerd vanaf. Het geraas o! het gedruisch dier verschrikkelijke bommen. Dat vond ik steeds het ergste vanal. Geen mensch, die eenigszins zenuwachtig is, kan zulk een gekraak en gedreun, gebulder en gedonder voor zijne voeten zonder hoofdpijn doorstaan. _Daaraan_ zou ik in elk geval, nooit gewennen—dat werd mij dien middag overduidelijk. Onze artist was gelukkig phlegmatisch van aard, gelijk het een goed Nederlander betaamt. Hij hield zich bijzonder goed—onder omstandigheden! Of hij echter de groote vuil-gele wolken, die er soms tot drie tegelijk rondom ons uit de verscheurde aarde opschoten, »_gelijk een schaap_” bestudeerde, betwijfel ik ten zeerste. Ze waren heel mooie wolken, heel lief, bijzonder sierlijk opstijgend; en zoo hoog ook, heel hoog; en zoo vreemd van kleur ook, heel vreemd—het gele der lyddiet het vale der aarde met geweld kussend en omhelzend, ten hemel voerend—»welk een prachtige schilderij voor ons historisch werk, vriend Oerder!”

»Ja wel.... als wij er eens heelhuids vandoor zijn.... maar het ziet er beroerd uit, hoor!” Er werden ook later granaat-kartetsen over ons hoofd geslingerd—ellendige monsters, die boven in de lucht reeds kraken en dan met een oorverdoovend gerommel en gerinkel neerschieten. Hé, dat doet griezelen en grillen. Tweemaal siste er een kogel in het boschje, waartegen wij aanleunden. Wij hielden den adem op. Wij waren hulpeloos en machteloos. Waarheen konden wij vluchten? Waar ons bergen? Lord Methuen had dien namiddag zijne Howitzers ver naar voren gestooten, om tegen de groote sloot te brullen. Niemand had dat verwacht; wij het allerminst. Daar zaten wij in de klem. Foei! ditmaal loopt het avontuurtje veel slechter af dan te Dundee, of Elandslaagte, of Colenso, of bij den Platrand!