Zes maanden bij de commando's

Part 20

Chapter 203,778 wordsPublic domain

Zulke tooneelen waren een noodzakelijke reactie tegen de losbandigheid en tuchteloosheid in de verlofpest, die onze gelederen decimeerden en demoraliseerden. Vrees is een noodzakelijke factor in de opvoeding van »groote,” zoowel als »kleine kinderen”. Generaal De la Rey, en later ook Generaal De Wet, hadden ook veel moeite in menig kritiek oogenblik met wederspannige burgers en ontrouwe officieren. Ook zij werden gevreesd, zoowel als bemind. Geen Boeren-Generaal echter was zóó gevreesd als Cronjé. Dat wist en gevoelde elkeen, die in het lager kwam, heel spoedig. Hij heerschte zonder vrees of gunst. Hij ontzag geen mensch. Hij alleen was de Baas. Vandaar de bijnaam, Napoleon, die hem werd toegevoegd.

Hij geleek echter veel meer op een Jozua, dan op een Napoleon. Veel van zijn invloed en macht was aan zijn innige godsvrucht, zijn kinderlijke vroomheid te danken. 's Avonds ging hij den vergaderden krijgers geregeld in den gebede voor. In de schemering kwamen de honderden, die er in de lagers waren, voor zijne tent bijeen. Ds. Winter, of Ds. Strasheim, of een andere leeraar las een deel uit Gods Woord, deed een gebed en sprak een kort woord, waarop de Generaal zijn krachtige, heldere, doordringende stem tot den troon der genade verhief. Als er geen predikant in het lager was, trad hijzelve, gelijk een Charl Cilliers of een Paul Kruger vóór hem zoo dikwijls gedaan hadden, voor de schare op. In elk geval kon men 's avonds zijne stem als een zilveren bazuin langs de oevers der Modderrivier hooren klinken, terwijl hij den Allerhoogste om vergiffenis en bijstand smeekte. Uit volle borst zong het volk dan een onzer fraaie Psalmen of Gezangen, terwijl het kinderlijk geloof een stralenkrans om het breedgewelfde voorhoofd van den onverwinnelijken Generaal vlochten.

Men heeft spottend gesproken en geschreven over den vreemden, eigenaardigen, »Oud-Testamentischen godsdienst” der Boeren en over hun »ouderwetsch geloof” zich vroolijk gemaakt. Noem hun godsdienst »Oud-Testamentisch” en hun geloof »ouderwetsch”, als gij wilt, en vraag uzelven dan af: Ligt die Oud-Testamentische godsdienst niet misschien aan den wortel van den heldenmoed en de taaie volharding, door de kern der Boeren ten toon gespreid? Is hun onuitblusschelijke hope op verlossing niet mogelijk in hun ouderwetsch, voorvaderlijk geloof gegrond? Vanwaar komt de onwankelbare standvastigheid van de Boerenvrouwen? De Boeren zijn inderdaad een vreemd, eigenaardig volk, vooral voor de kinderen dezer materialistische en naar geld en genot dorstende eeuw. Zij hebben de gansche wereld door hunne daden verbaasd. Kan zulk een volk geheel en al uitgeroeid of verbasterd worden? Of zal het blijven voortbestaan, tot een Teeken en eene Getuigenis tegen een bedorven en verblind geslacht.

XXIX

Bij de Magersfontein Randjes

Van een laag »kliprandje”, waartegen Cronjé's lager als 't ware aanleunde, kon men de beroemde »Magersfontein Randjes” ten noordwesten duidelijk zien. Elken avond, kort voor zonsondergang, gingen van de menschen uit het lager op het randje zitten, om de geregelde avondsaluut van Lord Methuen's scheepskanonnen bij te wonen. Een donderend geknal, uit de richting van 't Britsche kamp komend, een tweede van de Magersfontein-posities en een lichte ronde wolk van de eene of andere punt in de randjes opstijgend—dat was de orde van den dag. »Daar val hij!”—riep een of ander toeschouwer dan uit. Nog een—en nog een—en soms nog een bom of vijf, zes er bij—en de opvoering was afgeloopen. Het waren lyddiet-bommen als je blieft, maar zij deden niemand eenig kwaad. Er zaten wachten den ganschen dag lang op al de hoogste punten dier randjes, die, zoodra zij de vurige tong van het monster zagen, luide uitriepen: »Daar's hij, burgers!”—waarop elkeen zich op de eene of andere wijze verschool, eer de gonzende projectiel in hun midden neerplofte. Niemand bekommerde zich later over die vroeger zoo gevreesde bommen. Ook _hunne_ manieren leerde men kennen. Waarom Lord Methuen het deed?—Waarschijnlijk om aan Generaal Cronjé duidelijk te zeggen: »Hier ben ik nog! Ik ga niet van hier weg!”—en intusschen was Lord Roberts druk bezig achter zijn rug, om een overweldigende macht te organiseeren. Methuen bleef doodbedaard wachten. Hij deed niets. Neen—toch niet. Twee dingen moeten op zijne rekening gesteld worden, gedurende de lange periode tusschen Magersfontein en de verlossing van Kimberley door Generaal French: _a._ Colonel Pilcher kwam plotseling in 't begin van Januari op een lager van de Griqualand West rebellen dicht bij _Douglas_ af, en nam er zoo wat 40 hunner gevangen, met lager en Commandant incluis; en _b._ eene afdeeling zijner Cavalerie viel het _district Fauresmith_ binnen—en verbrandde en vernielde er een aantal boerenhoeven! Het eerste wapenfeit strekt hem allerwege tot eer, want Commandant Scholtz en zijne manschappen werden er heel netjes verrast. Het tweede is een van de schandelijkste gebeurtenissen uit den oorlog. Volgens een telegram van een Vrijstaatschen officier kwamen er »zoo wat 2000 Engelsche ruiters met 11 kanonnen twee uur te paard in den Vrijstaat, _om te vernielen_!—Huizen en meubelen, ja zelfs schoolmeubelen werden verwoest!” Conan Doyle erkent ronduit, dat er zulk een vernieltocht plaats vond en hij beklaagde het gebeurde. De dag komt, wanneer alle fatsoenlijke Engelschen zich zullen afvragen: »Maar hoe kwamen die officieren van Lord Methuen er toe, om huizen en meubelen te gaan verwoesten, zonder een enkel schot te vuren”! En werd niet op hen geschoten. Van verraad of strategische redenen was er geen sprake. »De beschaafde, galante, wel opgevoede officieren van Methuen” gingen dus veel verder dan de »onbeschaafde, ongeletterde, ruwe Boeren” in Natal. Wij hebben geen huizen verbrand of door dynamiet opgeblazen. Vele meubelen werden vernield, vooral te Dundee! zelfs door onbeschaamde, lange vingeren weggevoerd, maar—op 9 Januari 1900, werd er voor 't eerst in den oorlog op koelbloedige wijze door Britsche troepen een aantal Vrijstaatsche boerenwoningen verbrand! Die smet is onuitwischbaar. Voor beschaafde menschen is zoo iets onvergefelijk, omdat het onbegrijpelijk is. Welk een schouwspel voor het aangezicht van de hooge zon en van de lage naturellen, op de plaatsen hunner bazen achtergebleven! Treurt en weent allen gij, die trotsch zijt op de hooge tradities en edele ridderlijkheid van den Britschen Officier—zooals gij hem in uwe geschiedenissen hebt leeren kennen.

Er werd destijds een krachtig protest tegen die gruwelen door de beide Presidenten aan Lord Roberts gericht: wij twijfelen er ook geen oogenblik aan, dat, als de hitte en de opgewondenheid des strijds voorbij zijn, de gemoederen van alle partijen eenigszins weêr tot bedaring komen, het gansche Britsche Rijk op dat protest »Amen” zal zeggen.... Wie zal echter de onschuldige slachtoffers der Majuba- of Magersfonteinwrekers weer opbouwen?

Naar die randjes gingen onze harten vooral uit. Wij wilden het beroemde slagveld bestudeeren en schetsen. Den dag na onze aankomst bij Generaal Cronjé, had ik reeds de gelegenheid met het rijtuig van Ds. Strasheim van Klerksdorp erheen te rijden. Veel werd mij toen reeds verteld en getoond. Later gingen wij beiden er een gansche week met ons wagentje tusschen de randjes en kopjes schuilen. Op weg daarheen zagen wij aan onze linkerhand _de groote sloot_, ruim vijf mijl lang, over de gansche vlakte, van de rivier tot aan de Magersfontein Randjes door de Boeren _na den slag_ gegraven. Daarin hielden de Vrijstaters en de Transvalers naast elkander getrouw de wacht, gereed om elk oogenblik een aanval afteslaan. De sloot was goed vijf voet diep en een paar voet breed, en de grond eruit gehaald, werd aan den linkerkant als een wal opgehoopt, ter verdere beschutting tegen vijandelijke kogels. Tegenover de plek, waar er een man stond, maakte deze een opening in den wal voor zijn geweer, om op den vijand aanteleggen. Sommigen hadden er ook steenen opgestapeld met schietgaten ertusschen, anderen bedekten de openingen met takken. Elkeen ging zijn eigen gang en maakte zijn eigen deel van de sloot. Ook liep de sloot niet juist overal door. De aarde was op verscheidene plekken zeer steenachtig, en ook was het niet noodig om juist elke trede van den langen afstand uittegraven. Zoo waren er vele plaatsen, waar de geduchte schansen voor vier, of zes, of meer treden niet bestonden. Ook in deze zag men het bekende gezond verstand, dat een hoofdrol in der Boeren tactiek vervult.

Aan den rechterkant van den weg naar de randjes zagen wij eenige kleine Vrijstaatsche lagertjes, uit een half dozijn tenten en wagens bestaande, in de opene vlakte. Daar werd er geslacht en gebakken voor de Vrijstaters in de sloot. Daarheen werd hun koffie en suiker, hun tabak en beschuit gezonden. Arme drommels! Ze hadden het daar in de slooten en te Magersfontein en overal aan de westergrens erg zwaar, vooral in de eerste weken van Januari. Er was noch koffie, noch suiker in die dagen en bitter weinig tabak. Thee, zonder melk en zonder suiker smaakt niet al te lekker. Gelukkig was er steeds volop vleesch en brood. In ééne maand bijvoorbeeld werden er 4,000 schapen en 80 ossen, volgens informatie aan mij door den heer Williams gegeven, aldaar geslacht!

Wij reden de poort, die tot de _binnen_zijde (of noordzijde) der randjes en kopjes den toegang verschaft, zoo wat tien uur op den morgen door, om door een treffend gezicht verrast te worden. Daar links van ons hingen de Potchefstroomsche lagertjes als bijennesten aan de kopjes vast. Vier of vijf verschillende groepjes tenten en hutten van allerlei aard en maaksel en fatsoen waren er te zien. Naar 't eerste kampje rijdend, moesten wij een opene ruimte van ongeveer honderd treden tusschen twee randjes passeeren. Doodbedaard gingen wij voort, totdat er een paar lyddiet bommen uit het Engelsche Kamp, dat geen zes mijl ver en duidelijk zichtbaar was, over onze hoofden vlogen. Bokkie versnelde toen natuurlijk onzen gang, totdat ook wij achter een randje gedoken waren. Zoo gering was echter de beschutting daar bij het lager van Commandant Wolmarans, dat wij gewaarschuwd werden, om ons wagentje elders te verbergen. Twee maal was er een bomskogel door de tent van Veldkornet van Graan (onzen gastheer), bijvoorbeeld, gevlogen, waarvan één hem nog al in het been wondde. Toen de avondschaduwen onze bewegingen ietwat bedekten, sloegen wij het hazenpad in en vonden wij een heerlijke schuilplaats in eene kloof tusschen twee hooge randjes. Vandaar uit gingen wij op onze dagelijksche wandelingen, om de vroolijke burgers in hunne pondokken en grotten, spelonken en gaten, slooten en »bokzeilen” optezoeken. »Torren” noemden zij zichzelven lachend: betere benaming is er moeilijk denkbaar voor de bewoners van de Magersfontein posities. De meesten hunner hadden zich letterlijk gaten in de randjes geboord. Als wespen en torren doken zij in hunne holen weg, wanneer de bomscherven de rotsen rondom hem bont en blauw, ja geel (als er een lyddiet bom viel) sloegen en vaneen scheurden. Uiterst zelden werd er iemand gekwetst, en toch waren zij er achter zeer gevaarlijke, lage, rotsige, randjes, binnen zes mijl van de groote Scheepskanonnen verscholen. De reiziger zal zich verstommen, als hij de wonderlijke Boeren-plannen aldaar gadeslaat.

Aan de zuidzijde dier randjes, zoowat twintig of dertig treden vóór den voet derzelven, liepen de kromme, kronkelende slooten, die als eene continuatie van de vorengenoemde »groote sloot” kunnen beschouwd worden. Chronologisch echter, werden er slechts twee slooten (elkeen 60 of 80 voet lang) _vóór_ de langere, die de vlakte doorkruist, aangelegd—zooals wij later zien zullen, als het gevecht besproken wordt.

Uren lang kan men aan de buitenzijde dier randjes langs kortere of langere grachten wandelen! Elke duim ervan werd door de burgers eigenhandig gemaakt. Het was een reuzentaak. Toen wij er waren, in 't midden van Januari, werd er nog altijd door gegraven; hier werd er wat dieper, daar wat verder gedolven; deze sloot werd verlaten en gene er in de plaats van gemaakt. Helder overdag werd er getobt en gezwoegd in de verschroeiende hitte der zon en in het gezicht der Engelsche veldkijkers. De wachters stonden altoos klaar op de toppen der kopjes, om hen tijdig te waarschuwen tegen het naderend gevaar.

Heerlijke schetsen heeft mijn kunstlievende vriend daar opgedaan—mocht hij er eens veel bij verdienen. Dergelijke oorlogsprenten zijn nog nooit gezien! Verbeeld U, lezer! dat gij op den rand van die diepe breede gracht staat, niet verre van de plaats, waar Generaal Wauchope en zijne dappere Schotten sneuvelden. Gij kijkt in de schaduwen der sloot en ziet niets. Toch hoort gij iemand lezen! Gij bukt en buigt u voorover..... wat? daar steken er een paar naakte teenen uit! Gij springt over de sloot—en ziet een burger op den rug liggen in eene holte, in den slootmuur gegraven, met een Bijbel, of een Catechisatieboek van overleden Professor John Murray in de vuile handen. Zijne laarzen of veldschoenen zijn uitgedaan wegens de verschrikkelijke hitte. In zijne hemdsmouwen ligt hij er te lezen. Vuil zijn handen en voeten en 't gelaat zelfs, omdat er nauwelijks genoeg drinkwater naar de gevaarlijke kopjes en slooten dagelijks vervoerd wordt. Het water komt in »tanks” van de fontein bij de hoeve van den heer Bisset, eigenaar van Magersfontein—een goed drie-kwart uur rijdens vandaar; de tanks zijn maar schaarsch, en de drinkers zijn vele. _Ergo_: de arme Torren kunnen zich niet wasschen en moeten eens in de week in de gezegende Modderrivier een bad gaan nemen. Eens in de week kunnen zij de oogen wasschen, de arme kerels! En toch—hoe opgeruimd, hoe pleizierig, hoe speelziek, grappig zijn zij! De geest der burgers in die dagen was beter dan immer tevoren. Zij wedijverden met elkander in vroolijkheid en vooral in het vervaardigen van kunstige en veilige hutjes en holen. De onbekende reiziger zal zich verbeelden, dat hij er nieuwe katakomben ontdekt heeft, als hij op de slooten afkomt; en, aan de binnenzijde dier randjes ronddolend, zal hij uitroepen: »Hier woonde eens een vreemd ras van menschen; in holen woonden zij gelijk de Boschjesmans en Loofhutten bouwden zij, gelijk de Israëlieten van ouds”!

Wat hebben wij er aangename dagen bij onze dierbare land- en lotgenooten doorgebracht! 't Was eene betooverende schilderij, fantastisch en vreemd als een droombeeld. Eene godsdienstoefening hebben wij er bijgewoond, die in een groot schilderstuk dient vereeuwigd te worden. Daar achter het kopje, naast het lagertje van Vecht-Generaal Andries Cronjé, waar de geniale Veldkornet Roos van Klerksdorp ons zoo dikwijls te gast had—rechts van den spoorweg, als men op weg naar Kimberley tusschen de »Magersfontein Randjes” doorstoomt—stond Ds. Winter op een namiddag te preeken. Zijne gemeente zat er op de groote steenen, die elken heuvel in die streken bedekken. Wij kleefden altegader aan de noordelijke helling van het »Kerk-Kopje” (zoo als burgers het spoedig gedoopt hadden), als een groote zwerm bijen vast. De Engelsche bommen konden immers elk oogenblik een woordje meêspreken. In 't midden der welsprekende rede, die met diepe aandacht werd toegeluisterd, gilde onze wacht uit: »Daar kom hij!”—en elkeen, Herder en Kudde, bukte zoo laag als mogelijk. De twee harden knallen volgden kort op elkander, de eerste bij het vertrek, de tweede bij de aankomst van onzen rustverstoorder. Met een gevoel van verlichting, zagen wij het gevaarte dicht bij de spoorlijn, een vijftig of zestig treden van onze vergaderplaats, ontploffen. 't Was nog al een lyddiet-bom en het geraas was oorverdoovend. De Dominé hield zich echter goed. Hij ging met zijn rede voort en, op de plaats, waar de bom gevallen was, met de hand wijzend, gebruikte hij het gebeurde als een voorbeeld, om zijn onderwerp toetelichten. Nog drie projectielen volgden, allen gelukkig in dezelfde richting geslingerd. De preek was spoedig uit en het slotgebed volgde. Onze artist meende, ter wille van zijn werk, wat te mogen rondkijken en zag de goede lieden in allerlei vreemde houdingen. De meesten stonden overeind met den voorganger, maar van de anderen waren er sommigen voorover liggend en anderen met het hoofd achter een steen gedoken. Deze laatsten waren geen lafaards, maar slechts voorzichtig, zoo als de meesten Boeren zijn, die echtgenooten en vaders en grondbezitters zijn. Bij het zingen van den slotzang waren allen op de been.

Soms kwam Generaal Cronjé met zijn staf en eenige onderofficieren onder het gastvrije »bokzeil” van Veldkornet Roos wat schaduw en rust zoeken, terwijl wij ook daar waren. De _Prieska-expeditie_ werd in die dagen op touw gezet en een Vecht-Generaal (Breytenbach) werd daar onder het bokzeil aangezegd, dat hij zich moest gereed maken, om met een paar honderd man dien verren tocht naar het noorden der Kaapkolonie, aan de oevers der Oranjerivier, te ondernemen. Als manna in de woestijn daalden er soms wat vruchten uit Klerksdorp op ons af, daar bij datzelfde, onvergetelijke bokzeil, met de kar van Vecht-Generaal Andries Cronjé (den zachten, algemeen beminden, maar helaas! ziekelijken broeder van den Generaal) er onder. Een halven tros druiven, _daar_ gegeten, smaakte ons als de vruchten van Kanaän, en een slokje Kaapschen brandewijn was een luxe, die slechts bij dat wonderlijke bokzeil te genieten was—en dat wel slechts bij bijzondere gelegenheden.

Niet verre van de plek, waar ons wagentje bij een grooten Mimosaboom schuilde, geheel en al achter de randjes, was het lager van Veldkornet Douthwaite, Potchefstroom dorp. Daar werden wij eens op een lekker diner door den Veldkornet (later tot Vecht-Generaal verheven) en zijn vriend, ex-Raadslid W. Jooste, onthaald. We hadden er kippenvleesch, aardappelen, rijst en—een likeurtje, in den vorm van een glas whisky: een ongehoorde weelde in die barre gewesten.

Waarnemenden Veldkornet Liebenberg—later Vecht-Generaal onder De la Rey geworden,—den bij Mafeking gewonden Commandant Wolmarans van Potchefstroom, Commandant Tollie de Beer van Bloemhof, en vele andere notabele personen zagen wij in die dagen. Wij spraken tezamen over de gebeurtenissen van den oorlog op verschillende punten van het uitgebreide vechtterrein. Allen waren opgeruimd en moedig en zagen een rooskleurige toekomst tegemoet.

Helaas! Was het niet de pauze voor den storm, waarin wij ons verlustigden? Speelden wij niet op den rand eens afgronds? Moesten wij niet handelend opgetreden zijn, in plaats van te wachten, totdat er een avalanche op onze hoofden neerstortte?—En toch! De tijd van krachtig en doeltreffend handelen was toen reeds voorbij: als sprinkhanen uit de Kalihari, zoo kwamen de Engelsche soldaten uit de zee op onze kusten af. Wie kon ze uit de landpalen der Republieken weren? Onmiddellijk na Colenso, werd er te Londen besloten: om Lord Roberts—met Kitchener als eersten Staf-Officier—naar Zuid-Afrika te zenden; al de resteerende leger-reserves opteroepen; een 7de en 8ste Divisie (elk 10,000 man sterk) naar 't front te sturen: elf Militie-bataljons bij het leger te voegen; een Rijdende Yeomanry-macht op de been te brengen; een menigte kanonnen, insluitende een Howitzer-brigade uittezenden en zooveel mogelijk vrijwilligers aantewerven. In de koloniën (Australie, Nieuw-Zeeland, Canada, Natal en de Kaapkolonie) werden er rijdende en andere Corps voor den krijg toegerust. Alzoo werd er ruim 100,000 man in korten tijd bij de 100,000, reeds in Zuid-Afrika aanwezig, gevoegd. Nationaliteitsgevoel is een krachtige hefboom in tijden van gevaar vooral. Geen wonder dus, dat er van alle kanten mannen uit het groote en uitgestrekte Britsche Rijk, na Colenso en Magersfontein, naar de vaandelen van Lord Roberts toestroomden. Nog eens: hoe konden onze kleine commando's zulk een heir op de vlakke velden van den Vrijstaat den weg versperren? Door de bloote getallen des vijands werden wij genoodzaakt terug te vallen!

XXX

De Slag van Magersfontein

Op een dag zaten wij met Generaal Cronjé en eenigen zijner adjudanten op het hoogste kopje van Magersfontein, waarop hij elken morgen vroeg ging, om Lord Methuen's kamp te bestudeeren. Ons wagentje stond in eene kloof, achter dien bewusten kop. »_Daar, onder die doornboomen, daar_—hij wees met den vinger op eene plaats, onder aan onzen voet, links of oost van de voorpunt der Magersfonteinrandjes—_kwam ik met mijn zeven Adjudanten op de Bergschotten vroeg in den morgen af_. Het was heel onverwachts. Een van de kerels dacht, dat het struisvogels waren—je weet immers hoe snaaks die menschen gekleed zijn,—maar ik wist, dat zij Schotten waren en riep uit: ‘Schiet, kerels! Schiet hulle!’ Zóó sprong mijn lijfwacht van de paarden en begon terstond op hen te vuren. Spoedig knetterden de geweren van alle kanten: zóó begon de slag van Magersfontein.”

De plaats, waar deze interessante episode voorviel, was werkelijk _voorbij het voorste kopje_ van onze Magersfontein-posities! Vóór dat kopje was er eene sloot, die door een klompje Kroonstadters, Hoopstadters en Potchefstroomers bezet was, maar de voorpunt der Schotten was voorbij die gevaarlijke positie in de duisternis gekomen, zonder het zelf te weten. Hadden hunne Officieren geweten, waar zij zich dien morgen vroeg bevonden, konden zij door links te zwenken de »Magerfontein Randjes” van de oostzijde hebben genomen, en alzoo achter ons centrum gekomen zijn. Daartoe echter, kon het onder de omstandigheden onmogelijk komen, daar zij blijkbaar »als dwalende schapen” op Cronjé's lijfwacht aanlandden, niet wetende, dat zij te midden van en ten deele zelfs voorbij de Boeren-posities waren. Zulk een vreemd voorspel tot een gevecht vindt niet dikwijls plaats. De Engelschen kenden het terrein hoegenaamd niet, of mogelijk meenden zij, dat de Boeren de voorste randjes en de groote opene vlakte tusschen de randjes en de Modder-Rivier verlaten hadden. Toen Lord Methuen daags tevoren eene batterij veldstukken en een zwaar scheepskanon op de randjes en kopjes liet donderen, kwam er geen antwoord terug. Tevergeefs gonsden en sisten de granaten in elk hoekje en scheurtje; tevergeefs verbrijzelden de lyddiet-bommen de groote klippen; het bleef alles doodstil op die rotsige randjes. En rechts van die randjes—van Engelsche zijde beschouwd,—waar er zulk een prachtige, ruime opening was voor zijne groote macht, om den marsch naar Kimberley voort te zetten, daar zou geen Boer het wagen, om hen den weg te versperren. Natuurlijk niet, meende de fiere Engelschman, daartoe zijn zij te bang; in het open veld vechten zij nooit! Zoo zond hij Generaal Wauchope met een geheele Brigade Hooglanders, om vlak bij de oostelijke punt der randjes voorbij te marcheeren en alzoo tegen het breken van den dag de Boeren uit de achterste heuvelen, of, wie weet, uit de Scholtznekhoogten, goed zes mijl verder naar Kimberley, te verdrijven.

Hoe het ook zij: vóór Generaal Wauchope wist, dat hij binnen onze liniën was, begon Generaal Cronjé's zeven onverschrokken Transvalers op de voorste gelederen te schieten, en—ergste van al!—uit de opene vlakte aan zijne rechterhand sprongen er duizende vlammen uit de geduchte Mausers. Daar in het open veld, zonder _sloot_ of _wal_ of _doorndraad_ of eenige andere schuiling, dan de dunne, lage doorn-boomen en vaalboschjes, die er in overvloed aanwezig waren, lagen de »bange boeren” den vijand af te wachten. Al dat geschrijf in Engelsche boeken over de grachten en draadomheining, en wat niet al, die ons het voordeel te Magersfontein bezorgden, is klinkklare onzin. Slechts voor een paar vooruitstekende kopjes waren er op dien dag slooten gegraven! Eén enkele, gladde draad hing er slapjes aan een aantal palen—zoowat 50 of 60 treden vóór die slooten geplant, maar elders was er geen. De Engelschen kwamen er nooit mede in aanraking, volgens mijne informatie—ook beteekende die draad totaal niets, volgens de getuigenis mijner eigene oogen. Paarden mogen erover struikelen bij nacht, maar menschen stellig niet.