Zes maanden bij de commando's

Part 2

Chapter 23,571 wordsPublic domain

De uitleg ligt echter voor de hand. Het raadsel is gemakkelijk op te lossen. Ziet! de liberale kieswet, pas door den Volksraad aangenomen, had ons allen met de Regeering van den Transvaal geheel en al verzoend. Wij waren tevreden met »Zeven Jaren” verblijf in 't land, als voorwaarde van burgerschap. Het hardnekkig vastklemmen aan de leuze: »Vijf Jaar! Niets minder dan dat”—scheen ons, op zijn zachtst gezegd, eene kleingeestige openbaring van Engelsche verwaandheid en verachting van andersdenkenden. De oude Transvalers hadden onze bewondering en liefde gewonnen, door de zware offers die zij ter wille van den lieven vrede brachten. De Imperiale Regeering had onze verbazing en ons wantrouwen opgewekt, door haar zoogenaamde »gewapende pressie” om inwendige veranderingen in de Republiek te verkrijgen. De steeds klimmende eischen van den heer Chamberlain vermeerderden onze sympathie met onze conservatieve Regeering en Volksraadsleden. De valsche beschuldiging omtrent een zoogenaamd »Hollandsch-Afrikaansch Komplot tegen Britsche Heerschappij in Zuid-Afrika” droeg ook zeer veel bij om ons met verontwaardiging tegenover de »nieuwe methoden” van Imperiale Staatslieden te vervullen, terwijl de lage lasterlijke scheldwoorden tegen de voornaamste Hollandsch-sprekende Transvalers, Vrijstaters en Kolonisten geslingerd, ons met verontwaardiging en toorn bezielden. Ons algemeen menschelijk gevoel, ons rechtsgevoel, zoowel als ons nationaal gevoel smolten ons met de Transvalers en Vrijstaters samen. Het gold niet een _zekere_ regeering, maar een _eigene_ regeering, die op onrechtvaardige wijze bedreigd werd. Het was geen despotisme of oligarchie meer, die men wilde omverwerpen, maar een vrij volk, dat men aan banden wilde leggen. Vooral was het ons duidelijk, dat het om geen kiesrecht te doen was maar om den val van het Afrikaanderdom. De twist was niet aanvaard om Britsche onderdanen te Johannesburg in Republikeinen te veranderen, _maar om geheel Zuid-Afrika onder de Engelsche vlag te brengen en alle Afrikaanders in Zuid-Afrika tot Britten te herscheppen_.

Zoo dachten, zoo gevoelden wij althans, en elkeen onzer, die een greintje eergevoel had, riep terstond uit: »Ik heb geene keuze. Ik werp mijn lot in met de Republieken, en dat wel van heeler harte.”

Daarbij kan nog gevoegd, dat wij als volle of genaturaliseerde burgers door onzen eed _verplicht_ waren, om onze Regeering loyaal in de ure van gevaar te steunen—maar in die onvergetelijke dagen van ridderlijke opgewondenheid was de geest, die ons bezielde, zóó warm, zóó gloeiend, zóó vrij, dat het koude woord »plicht” zich vooreerst niet behoefde te doen gelden.

De Hollanders gedroegen zich flink. Een sterk corps werd er georganiseerd en van de voornaamsten en invloedrijksten sloten zich _vrijwillig_ erbij aan. In deze waren zij alle andere genaturaliseerde burgers ten voorbeeld. Zij togen ten strijde, niet slechts omdat zij veel aan de Regeering te danken hadden, maar omdat zij zich ten nauwste aan het Transvaalsche volk verbonden gevoelden en ook van ouds af aan »menig appeltje” met Engeland »te schillen” hadden.

Vele Ieren kwamen zich ook met geestdrift aanbieden, om tegen Engeland de wapenen optenemen. Ook _zij_ hadden vele bittere geschiedkundige herinneringen, die ze in deze aanspoorden. Ook _zij_ wisten van onrechtvaardige behandeling en van onderdrukking van den zwakke door den sterkere te spreken. Ook _zij_ behoorden tot eene natie, die naar vrijheid dorstte, maar onder de »beschermende vleugelen” van 't Imperialisme aan 't verkwijnen en uitsterven was. Geen wonder dus, dat zoo vele vurige zonen van Erin zich bij de bedaarde Boeren aansloten. Zij hielpen mede, niet omdat zij _onze_ Regeering lief hadden, maar omdat zij de Imperiale Regeering haatten.

Ook een Duitsch Corps werd er op de been gebracht, de Scandinaviërs van Johannesburg volgden weldra hun voorbeeld, terwijl een aanzienlijk getal Italianen en zelfs eenige Franschen ook »op commando” gingen.

In die eerste dagen van schoone enthousiasme en edele offervaardigheid werd de _eenheid_ der Transvalers vooral treffend geopenbaard. Alle verdeeldheid was terstond uit de wereld verdwenen. Elke grieve tegen de Regeering was vergeten; elk vermeend onrecht vergeven. Alle partijgevoel ontplooide zich tot nationaal-gevoel. Conservatieven, progressieven, regeeringsmannen, opgevoeden en ongeletterden, godsdienstigen van alle gezindten en ongodsdienstigen van welke kleur ook—allen toonden zich één volk te zijn. Ja, mannen boven de zestig wedijverden in die onvergetelijk-schoone dagen der »eerste liefde” voor land en volk met jongens beneden de zestien, in ijver en ongeduld om de vierkleur te gaan verdedigen. Eén machtige polsslag trilde er door het gansche land—

Bliss was it in that dawn to be alive, But to be young was very Heaven.

(WORDSWORTH).

Een typisch verhaal uit die dagen verdient aan de vergetelheid ontrukt te worden. Een gymnasiast van zoo wat zestien zomers, wiens vader erop tegen was, dat hij zich vrijwillig bij een of ander commando zou voegen, besloot zijn eigen weg naar het front te vinden. Op de eene of andere wijze wist hij een Mauser-geweer en bandelier in handen te krijgen en, aldus gewapend, liep onze jonge burger op 'n avond naar het station te Pretoria. Ongelukkig voor den jongen Orlando Furioso, zou er geen trein naar de Natalsche grens vóór den volgenden morgen vertrekken. Dit wist onze vriend echter niet en, daar de chef hem dikwijls gezien had en zijn vader goed kende, ontbrak hem den moed om te veel nieuwsgierigheid omtrent den treindienst aan den dag te leggen. In een groote overjas gehuld en met het hoofd in een ruimen hoed gedoken, stapte hij heen en weer op het perron als een soldaat op de wacht.... Het sloeg tien uur—en geen trein vertrok naar het zuiden! Twaalf uur—nog geen kans om weg te komen! Hé, wat nu gedaan? Naar huis gaan? Néén, hij was reeds te ver gegaan en vreesde zijn vader te ontmoeten. Op en af, op en af stapte de _would-be_ soldaat ongeduldig en radeloos. Wanneer gaat er toch een trein? Het sloeg één uur. »Lieve hemel, wat moet ik beginnen?”—dacht de kleine vuur-eter. »Hoe kom ik weg? Hoe kom ik naar huis? Heer! waar dan heen?”

Ongeveer twee uur in den nacht kwam de beangste vader bij het station aangevlogen. »Hebt je ook misschien mijn zoontje hier gisteren avond gezien?” vroeg hij den stationschef vervaard en buiten adem. »Overal rond bij zijn speelmakkers heb te vergeefs naar de ondeugd gezocht. Zeg mij toch, was hij niet misschien op het perron in den nacht?”

De chef liet zijne gedachten gaan en na een korte pauze viel het hem te binnen, dat hij een jongen meer dan eens op het perron bemerkt had. Mogelijk was _dat_ het mannetje, dat absent was zonder verlof! Hij uitte eenige woorden in dien zin en—eenige seconden later werd de kwâjongen levensgroot door zijn eigen vader ontdekt!

Het beste deel van de grap kwam echter eerst later voor den dag. De kleine deugniet wist het heel spoedig met vader in orde te krijgen,—vooral toen de moeder van blijdschap over den terugkeer van haar verloren zoon in tranen uitbarstte. Hij had echter een speelmaat in zijn vertrouwen genomen en, zelf aan alle gevaar van straf zoo heerlijk ontkomen, besloot hij zijn onschuldigen vriend een prettige poets te bakken. Die trouwe medeplichtige had hem plechtig beloofd, om vroeg op den morgen na zijne vlucht het heele geheim aan zijn ouders te komen bekend maken. Daar kwam hij ook werkelijk aangestapt, tot barstens toe vol van de gewichtige tijding, die hem als lood op het gemoed drukte. De held van ons verhaal bevond zich toen juist in den tuin vóór de ouderlijke woning, in 't gezelschap van zijn verzoenden en verheugden vader. Ongemerkt verdween hij achter een boom, zonder een woord te spreken. Alzoo hoorde hij, hoe zijn boezemvriend het pijnlijke nieuws omtrent zijne ontvluchting naar de commando's met bevende stem bekend stelde, met de hoop eindigende, dat de vader den weglooper toch zou vergeven, daar hij stellig met roem beladen naar huis zou terugkeeren!—Ha! Ha! Ha! schaterde ons levendig ventje het meteen uit, terwijl hij te voorschijn kwam en zijn verlegen vriend de hand drukte.

De wakkere, levendige jongen kreeg later toch zijn zin. Hij ging naar Ladysmith, met goedkeuring zijner ouders, en gedroeg zich bijzonder knap in menig gevecht, zonder iemands verlof daartoe te vragen.

Zulke en dergelijke gevallen kwamen er dikwijls in die tijden voor. Schoolknaapjes van twaalf en dertien sprongen binnen in de wagens, op opene »trucks” staande, gereed om met de burgers naar het front te gaan. Sommige werden ontdekt en moesten weêr naar de schoolbanken terug; enkelen wisten op die wijze te ontsnappen, om later tot verbazing van ouder of voogd bij een of ander commando weêr opteduiken. Heel kleine jongens wisten een rijpaard te bemeesteren—mogelijk te stelen!—en weenden bitterlijk, toen het dier hun ontnomen en aan oudere en grootere burgers gegeven werd. In Natal zag ik telkenmale twee kleine zonen van Erin, geen tien jaar oud, onder het Iersche Corps bij Ladysmith. Zij waren onopgemerkt in een bagagewagen te Johannesburg geklommen, werd mij verteld, en later stonden hun vaders (die leden van 't corps waren) verstomd, toen de kleine snaken als 't ware uit een meelzak te Zandspruit vielen.

III

Te Zandspruit

Op een namiddag kwam Generaal Cronjé en zijn goede, trouwe gade bij mij aan huis aan, om mij en de mijnen te groeten, eer zij naar de westelijke commando's vertrokken. Het was ons allen een aandoenlijk oogenblik, want de lucht ging zwanger aan het donkere onbekende, hoewel de Generaal nog vast hield aan zijn geloof: dat er geen vechten zou plaats vinden.

»Ik had gehoopt, om ditmaal thuis te blijven”, zei de grijze krijgsman, »want ik ben al eenige jaren boven den ouderdom bij de wet bepaald. Ik ben drie-en-zestig, en ik ben moede van vechten en oorlogmaken. Maar.... de roepstem van mijne Regeering en mijn volk mag ik niet afslaan. Ik ga, waar God en mijn plicht mij roepen.”

Hij ging naar Mafeking, vanwaar hij haastig geroepen werd, om Lord Methuen in zijn zegevierenden marsch op Kimberley te stuiten.

God zegene U, buurman en vriend! Wij zullen elkander bij Magersfontein weer ontmoeten.

Generaal Schalk Burger drukte ik de hand op het station te Pretoria, alwaar ik hem op een namiddag aantrof, druk bezig eenige wagens op den trein te laden, die hem en zijn staf naar Komati Poort zou voeren. Het trof mij zeer toen ik hem letterlijk »den schouder aan meer dan een wiel” zag plaatsen, om het werk klaar te krijgen. Zóó doen onze Boeren-Generaals, al zijn zij ook Uitvoerende Raadsleden.

Generaal Jan Kock, die de Johannesburgers en Hollanders en een deel van 't Duitsche Corps zou aanvoeren, was reeds naar het zuiden vertrokken, en Generaal Lukas Meijer, Voorzitter van den Eersten Raad en vroeger Commandant van Vrijheid, werd benoemd om de burgers der zuidoostelijke districten ten strijde te leiden.

De Commandant-Generaal was te Zandspruit, om persoonlijk aan de spitse te treden der zuidelijke commando's, die door Laing's Nek in Natal zouden afzakken.

Het was op den gedenkwaardigen Maandag, waarop ons _ultimatum_ de geheele wereld verbaasde, dat ik te Zandspruit van den trein stapte. Het tooneel, dat zich daar aan mijne oogen ontvouwde, zal ik niet licht vergeten. Men moet weten, dat de commando's van zoo wat zes districten, waaronder die van Heidelberg en Pretoria (die de meeste burgers leverden), alsmede 't Hollander Corps, 't Iersche Corps en 't Duitsche Corps, te zamen met de sterkste batterij der Staatsartillerie aldaar vergaderd waren. Links en rechts van den spoorweg stonden de duizenden tenten in ongelijke groepen verdeeld, daar sommige districten meer en anderen weêr minder burgers hadden bijgedragen. Daar ginder op eene helling is het groote lager van de stad Pretoria met die van de verschillende veldkornetschappen er dicht bij. Ruim een half uur rijdens ervan verwijderd, tusschen eenige heuvels als verscholen, zijn de Nederlanders bezig onder Commandant Jan Lombard in het paardrijden en snel op- en afstijgen wat te oefenen. De vroolijke boeren zeggen lachend: dat zij nog al die lessen hoog noodig hebben! Maar—daartegen kan men de vraag opperen: »wie drommel kan met een paard omgaan, zoo als de boer het doet?” Tenten, wagens, paarden en ossen, overal waar het oog zich wendt. Tot hiertoe had de bodem van Zuid-Afrika niet zulk een massa gewapende burgers in 't veld gezien: er waren immers meer mannen (ruim 10,000) te Zandspruit dan Generaal Joubert ooit in den Vrijheidsoorlog (verkeerdelijk zoo geheeten!) onder zijne banieren telde!

Maar de tijd verstrijkt; de zon begint ten westen te neigen—ik moet mij haasten naar de tent van Generaal Joubert. Te midden van de kanonnen en maxims der eerste batterij, op een zachte deining links van den spoorweg naar Volksrust in positie gesteld, staat er een onaanzienlijke witte veldtent, waarin de Commandant-Generaal zijn eenvoudige spijzen nuttigt en ook zijn krijgsraad houdt en audiënties verleent. Het gaat met die audiënties echter heel eenvoudig, misschien al te eenvoudig toe. Mij dunkt een weinig meer ceremonie in zulke zaken, zou den Generaal, wanneer hij afgemat en uitgeput mocht zijn, verbazend goed te pas kunnen komen. _Mij_ kwam de vrije toegang tot den Opperbevelhebber dien namiddag echter goed te stade. Ik wachtte slechts eventjes bij de wijd opengesperde tent, totdat de Generaal zijn laatsten bezoekers had te woord gestaan, en—stapte zonder verlof naar binnen. Ik had mijn lang Mauser-geweer in de hand, en een wel gevulde, splinternieuwe bandelier om den schouder—het was zoo de algemeene mode in 't begin van den oorlog, lezer; elk een liep toen als 't ware gewapend rond; maar later, toen het gevaar op den man afkwam waren »vele eersten de laatsten” en (Goddank) »vele laatsten de eersten”! Maar _pardon_, wij zijn in de tegenwoordigheid van den Generaal.

Hij zit op een eenvoudigen stoel bij een eenvoudige tafel (zonder kleedje natuurlijk) met zijn Secretaris aan zijne rechterhand. Eenige Adjudanten wandelen er in en uit naar goedvinden. Buiten de tentdeur wordt er nog al vrij en druk gesproken en ook soms gelachen. Zonder staatsie, zonder tusschenpersonen, zonder complimenten of ceremonies, zonder stilte of verpoozing stroomt de massa werks op den grijzen, conscientieuzen man af—'t is om er dol van te worden. Begrijpt u, eens kwam er een oude burger den Commandant-Generaal in diens tent bij Ladysmith persoonlijk vragen (verkondig het niet te Gath):—

Of deze hem toch geen schoenriempje kon verschaffen! _Great Scott!!_—

Maar ik loop de geschiedenis heelemaal vooruit, en laat den lezer op mij wachten. Ik haal mijn hoed af, en sta vlak voor den Generaal, wien ik natuurlijk meermalen in zijne woning te Pretoria ontmoet had. Zoodra hij van het papier, dat voor hem ligt, opziet, neem ik mijne kans waar [Men moet er bij der hand zijn, anders komt een andere persoon je stellig voor].

»Goeden middag, Generaal.”

»Goeden middag.”—Hij geeft mij de hand. Een goed begin, hoor! Na eene pauze zegt hij kort af:

»Wel, wat kan ik voor jou doen?”

»Ik heb een brief van Meneer Reitz, Generaal.” Daarbij overhandig ik hem een schrijven van den Staatssecretaris, hetwelk deze mij persoonlijk te Pretoria had ter hand gesteld. Het hield in, dat de Uitvoerende Raad geen objectie had tegen mijn wensch, om de verschillende republikeinsche commando's te bezoeken, met het doel om eene geschiedenis van den oorlog optestellen voor het nageslacht, mits de Generaal zelve zijne goedkeuring aan mijn plan hechtte.

Hij las den brief, keek op, en zeide heel familiaar:

»Zoo! ik zie jij wilt met ons meêgaan, om te zien wat er gedaan wordt.”

»Ja, Generaal, heel graag.”

»Wel! ik heb er niets tegen. Maar, ik waarschuw jou, dit zal maar zwaar gaan voor jou om ons bij te houden. Ik ben eraan gewoon. Maar ik weet niet of jij mij door wind en weer en allerhande ellende zal kunnen volgen.”

Dit zeide hij zonder in 't minst te glimlachen, maar ik wist wel, dat het een soort van boeren-grapje was, en een duidelijk bewijs leverde: dat ik genade in zijne oogen gevonden had.

Op ootmoedigen toon antwoordde ik: »Ik zal mijn best doen, Generaal”, waarop hij van de zaak afstapte door mij aan den zorg van Kapitein Bosman (mijn goeden vriend en schoolmakker, die bij de eerste batterij gevoegd was) optedragen.

De zaak was beklonken. Mijn doel was bereikt. Ik was gelukkig. Van jongs af aan was het mijne begeerte, om boeken te schrijven. Welnu, hier had ik eene kans om materiaal voor een _magnum opus_ te verzamelen. Veel had ik van oorlogen en slagvelden, overwinningen en nederlagen, heldendaden en heldenrampen gelezen. De prachtige schilderijen hadden mij betooverd. Thans zou ik uit eigen oogen gaan zien, wat oorlog maken eigenlijk beteekende. Van nabij zou ik de naakte werkelijkheid mogen onderzoeken. De Generaal had wel gezegd: gij zult het zwaar hebben, maar mijn loon zou groot zijn. Ik zou immers de Waarheid der dingen zien, de koude Werkelijkheid betasten, en daarna met eenig gezag eene geschiedenis van den grooten Anglo-Afrikaanschen oorlog kunnen schrijven! En toch, lezer, heb ik dikwijls later gewenscht, dat ik mijne verantwoordelijkheid in deze op iemand anders kon leggen. De Waarheid is soms zoo pijnlijk! De Werkelijkheid zoo vernederend! Maar hierover spreken wij elkander later.

Den eersten nacht werd ik reeds in de mysteriën van oorlogvoeren onder onze Boeren ingewijd. Ik moest op een paar zakken kaf mijn vermoeide ledematen uitstrekken. Het artilleriekamp was vol officieren dien avond, zoodat mijn goede vriend, kapitein Bosman, geen bed of matras voor mij vinden kon. Daar het bitter koud was, begaf ik mij met al mijne kleederen aan 't lijf (overjas en al) ter ruste. Lang bleef ik wakker, want het was de vooravond van groote, onbekende dingen voor ons volk,—en mijn bed was alles behalve zacht. Ik troostte mij, echter, met de gedachte, dat ik daar was, om indrukken te ontvangen; en de harde grond maakte een bijzonderen _indruk_ op mij! Ook dacht ik aan de andere arme drommels, mijne vrienden uit de stad Pretoria bijvoorbeeld, die van 27 September reeds te Zandspruit gekampeerd waren. Veertien dagen lang waren zij daar, en bijna altoos door regende het, zoodat de aarde vochtig en het water modderig en bijna ondrinkbaar werd. Na de warmte in de hoofdstad was de nijpende koude op het hooge veld bij de Drakensbergen vooral onaangenaam voor de verfijnde dorpelingen. Ook zij hadden het zwaar, bitter zwaar, veel zwaarder dan ik het had. Arme burgers uit onze steden en dorpen! Sommigen hadden veel moeite, om het vuile water in de plaats van het heldere vocht bij hunne woningen te drinken. Anderen hadden het nog moeilijker, om zwarte koffie in plaats van hun geliefkoosd bier of whisky te nuttigen. Allen, echter, waren in die dagen vroolijk en opgewekt. 't Was alles zoo nieuw, zoo vreemd, zoo grootsch, zoo romantisch. Wij waren betooverd door het morgenrood van den oorlog.

IV

Over de Drakensbergen

't Is Woensdag namiddag, 13 October. Al de lagers zijn nu rondom Volksrust getrokken, wachtende op 't antwoord van Lord Salisbury. Het geschiedkundige dorpje—de hoofdkwartieren van Generaal Joubert gedurende den korten oorlog van 1880-'81—de plaats waar het eenvoudig gedenkteeken van dien roemrijken strijd staat—wemelt nu van menschen. De drukte is ontzettend, vooral in de nabijheid van het telegraafkantoor en het hotel. Op eene helling, dicht bij het Monument, ziet men het artilleriekamp, met de tent van Generaal Joubert in 't midden ervan. Daar vindt er een laatste, groote, vereenigde Krijgsraad plaats. Al de Generaals, behalve Generaals Burger en Cronjé, zijn daar vergaderd. Kolonel Trichard, hoofd der Staatsartillerie is ook met de meeste zijner onderofficieren tegenwoordig, alsmede vele Commandanten en Veldkornetten. Het krijgsplan werd besproken en Commandant Daniel Erasmus van het Pretoria District werd, volgens den wensch van Generaal Joubert, tot Generaal over de centrale colonne gekozen. Het werd daar vastgesteld, dat, terwijl de Commandant-Generaal en Generaal Erasmus met de hoofdafdeeling der burgermacht (de centrale colonne) den grooten weg over Laing's Nek Pas naar Newcastle zouden inslaan, Generaal Kock een meer westelijke route naar dezelfde plaats en Generaal Meijer langzaam het pad langs Vrijheid naar de Jagersdrift (in de Buffelrivier, op den weg naar Dundee) moest volgen. Ter gelegener ure zou men later een vereenigde poging op Dundee aanleggen, en daarna, in samenwerking met de Vrijstaters, tegen Ladysmith optrekken.

Toen het antwoord van Lord Salisbury op ons ultimatum bekend werd en elkeen zeker wist, dat de krijg feitelijk begonnen was, stond er ernst op bijna elk gelaat (voor zoo ver het mijne omgeving betrof) te lezen. Later vernam ik, dat er ook te Pretoria een plechtige stilte heerschte. De burgers waren mannen des vredes. Zij hadden geen persoonlijk belang bij den oorlog. Geene promotie, geen onderscheidingsteekens, geen geldelijke belooning voor hen! Wat gaven zij tevens om den ijdelen roem, den soldaat voor beroep zoo dierbaar? Zij gehoorzaamden slechts de stem hunner Regeering en Leidsmannen, in het volste vertrouwen dat deze, ten volle op de hoogte van zaken zijnde, het beste voor land en volk besloten hadden. Geen champagne werd er gedronken; geen klokken geluid. Met de armen over de borst gekruist en met een zucht of gebed, namen de edele Transvalers en Vrijstaters het geweer in de vuist. Zij hadden hun land lief en geloofden ten volle, dat de oorlog noodzakelijk was voor het behoud hunner onafhankelijkheid en nationaliteit. En wie durft zeggen, dat zij het geheel en al mis hadden? Heeft de geschiedenis van den oorlog niet getoond, dat 't huidige Britsche Ministerie geen aparte nationaliteit, geen tweede blank volk naast het Engelsche in ons land wil dulden? _Is de annexatie-politiek niet slechts een onderdeel van de groote denationalisatie-politiek?_

_Jacta est alea_: de teerling is geworpen. De God der geschiedenis heeft zijn decreet uitgevaardigd; er zij oorlog in Zuid-Afrika! Daar omtrent is er thans geen twijfel meer. Het groote, angstige? hangt niet meer boven onze hoofden. Andere vragen houden nu meer dan een denkend hoofd dezen nacht bezig: Wat zal het einde zijn? Waar zal het einde zijn? Wanneer zal het einde zijn?