Part 18
Daar het kinderachtige »vuurwerk” afgeloopen was, reed ik recht naar een hoogen heuvel, waar ik een hoop paardenruiters bemerkte. Het was de Generaal met zijn Hoopstadters en Krupp, de plannen van den vijand beloerende, klaar om, waar noodig, toeteschieten. Van middag, echter, was zijne hulp niet noodig, zoo reden wij—het geheele commando—naar een klompje Boeren, die wij op de opene vlakte voor ons zagen. Zij waren omtrent twee mijl nader naar de stad, wat rechts van onze positie, en dus min of meer ten noordoosten van Kimberley. Ik wist niet welke burgers het waren en bekommerde mij er ook niet om. Het begon mij inderdaad te berouwen, dat ik mijn reeds vermoeid paard zoo lang onder het zadel had. Het schijngevecht herinnerde mij ook zoo veel aan dergelijke kluchtspelen te Ladysmith, dat ik eenigszins lusteloos met de Vrijstaters verder ging.
Verbeeld u, echter, mijne verbazing en mijn blijdschap, toen eene schaar van mannen en jongelingen mij daar in 't veld toestormden en omringden, uitroepende:
»Dag! Meneer Hofmeyr! Is Meneer ook hier? Wie het dit ooit verwacht? Wel; wie het dit ooit kon denk? Dag! Dag! Ons is al te blij om ons ou Leeraar weer te ontmoet. Ha! Ha! Ha! Hoe gaat het nog met Meneer? Kan Meneer dan ook schiet? Ha! Ha! Maar hoor! 't Is een pleizier om ons ou Leeraar weer te zien. Goei'n dag! Goe'n dag! Hoe gaat het nog met die vrouw en kinders? Almal wel? Mooi zoo. Ha! Ha! Maar dit 's 'n onverwachte ontmoeting. Wie het dit ooit kon droom? Goei'n dag! Goei'n dag! Welkom! welkom!”
Ach! dat was mij een genot, eene weelde! Onvergetelijk oogenblik mijner rondzwervingen! Zoo wat tachtig mijner oude gemeenteleden—ik was zes jaar predikant te Warrenton, 1884-90—kijken mij in de oogen en groeten mij met de hand en lachen van blijdschap, om hun vriend uit de »goede oude tijden” weer te zien. De band tusschen ons was en is en blijft innig nauw. Wat haalt er in de wijde, wijde wereld bij vriendschap en liefde? Niets! niets.
»Dag Oom Piet! Dag Neef Hansie! Dag Jan! Kerels! ik ben blij om jullie te zien. Ken jullie mij nog? Hoe gaat het? Hoe gaat het? Jullie ziet daar flink uit. Is alles wel thuis? Wat 'n ontmoeting hier in 't open veld bij Kimberley!”
Het was een handdrukken en groeten zonder einde.
»En wat maak jullie almal hier?” riep ik uit, op hun geweers en bandeliers lettend. »Is jullie allen Rebellen?”
Vroolijk antwoordde er een uit den kring:—»Ja! Maar wie hebt ons rebellen gemaakt?”
Ik vroeg hem: »Wie?”
Hij zei met een lach: »Jullie.”
Lezer! denk over dat klein woordje goed na. Er zit veel in. Voor negen uit de tien Rebellen zit alles erin. Zij werden door de _tegenwoordigheid_ der Vrijstaters of Transvalers als 't ware gedwongen, om zich bij onze commando's aantesluiten. Zij konden zich in de meeste gevallen niet helpen. Innig gehecht aan de burgers, die hun eigen bloed in de aderen hadden; hart en ziel één met de Boeren _als personen_, waren zij toch niet ontevreden met de liberale Regeering, die zij onder de Imperiale Vlag genoten. Maar—zij hadden geene protectie van de zijde der Engelschen. Zij werden onbeschermd door de vluchtende Politie en troepen in hunne huizen achtergelaten. De Boeren kwamen—en _zij moesten kiezen_ tusschen twee besturen. Bleven zij loyaal aan hunne Regeering en Vlag, dan raakten zij natuurlijk in ongenade bij de Boeren Regeering, die over hen feitelijk alles te zeggen had, en op slot van rekening moesten zij huis en akker verlaten en naar de Engelsche liniën trekken. Dat is met vele kolonisten gebeurd: zij waren de »undesireables” bij de Boeren. In deze kan de Brit hun geen verwijt doen: _zijn_ »undesireables” tellen Legio (God helpe de arme drommels!) Wel nu, _zulk een offer_ zal men alleen brengen, als men door en door Engelsch of Engelschgezind is. Dan is er (of behoort er te wezen) een enkele hartstocht in het binnenste, een zelfverterende liefde voor het Britsche Rijk en de Britsche vlag en den Britschen naam, waarvoor geen armoede of ellende of verlies te zwaar weegt. Wij hebben ook allen eerbied voor zulke karakters, al staan zij lijnrecht tegenover ons. Zij volgen hunne natuur, hunnen aard, hunne gezindheid. Zij zijn eerlijk. Zij blijven zichzelven gelijk en getrouw. Hun patriotisme en loyaliteit zijn innig en echt. Vandaar hun enthousiasme, en offervaardigheid. Zulke lieden worden natuurlijk in de hitte des strijds door de tegenpartij gehaat en getergd en mishandeld, dat ziet men aan beide kanten gedurig gebeuren—thans in Zuid-Afrika, en later—waar er ook oorlog mocht gevoerd worden, maar _na den oorlog_ zullen zoodanige oprechte, eerlijke, standvastige en edele karakters elkander wel weten te respecteeren. Alle eere dus dengenen, die ten koste van schade en schande, huis en akker, lijden en armoede, loyaal aan hunne Regeering gebleven zijn.
Maar—laat ons de vraag in alle eerlijkheid voor de rechtbank van het gezond verstand der wereld leggen—kan en mag men zoodanig gedrag van den gewonen Hollandsch sprekenden en Hollandschgezinden Kolonialen Afrikaander verwachten of eischen? Het antwoord van den kalmen _denker_, van den _non_-politieken, onpartijdigen menschenkenner kan niet anders zijn dan: »Neen, geenszins!”
Neem de Warrentonners, bijvoorbeeld. Ik ken ze persoonlijk. Zes jaar lang leefde ik in hun midden. Zij hadden destijds niet den minsten haat tegen de Imperiale Regeering. Zij waren hoogst tevreden met hun Verantwoordelijk Bestuur. Hunne kinderen lieten zij in 't Engelsch even veel, zoo niet meer, dan in 't Hollandsch onderwijzen. Zij spraken nooit over een eigene, vrije, republikeinsche vlag. Het ging hun goed en zij waren gelukkig. Hun eenigste klachte was: dat zij tegenover de stedelingen van Kimberley bij de stembus geene kans hadden en dus van te weinig invloed op parlementair gebied waren.
Met de twee Republieken hadden zij, een innige, diepe, natuurlijke sympathie—niet om redenen der politiek zoozeer als om redenen des bloeds. Zij beschouwden de Boeren als een deel van de »Hollandsche Afrikaanders”, die zij gewoon waren »ons volk”, of »onze natie” te noemen. Toen Jameson de Transvaal binnenviel, stonden zij hart en ziel aan de zijde der Republiek. Toen de »League” het tegen den »Afrikaander Bond” opnam, waren zij als van zelven Bondschgezind. En toen de »Game of Bluff” _alias_ de »Gewapende Pressie” tegen de Zuid-Afrikaansche Republiek begon, sympathiseerden zij sterk met het volk, den Volksraad en de Regeering over de Vaal. Maar geen enkele hunner dacht er aan, om tegen zijn wettige Regeering de wapenen op te nemen. Zij sympathiseerden wel met de burgers, omdat deze vleesch van hun vleesch en been van hun been en bloed van hun bloed waren, maar zij waren gelukkig en tevreden onder hun liberale, vertegenwoordigende en verantwoordelijke Regeering, en waren hoegenaamd niet van plan tegen hunne Overheid optestaan en te rebelleeren.
Toen kwam de ongelukkige oorlog en de Boer plantte zijne vlag in hun midden. Hij annexeerde Griqualand West als deel van den Oranje-Vrijstaat—met veel recht nogal, want het land was werkelijk Vrijstaatsch grondgebied, totdat de diamanten te Kimberley gevonden en de grond door de Imperiale Regeering aan den zwakken Vrijstaat ontfutseld werd. De Voormannen der Boeren riepen toen vergaderingen bijeen en spraken de Kolonisten toe. In Natal voerde de Vice-President, Generaal Schalk Burger, het woord; te Colesberg, Burgersdorp, Dordrecht en elders spraken Generaal S. Grobbelaar en H. Schoeman en Commandanten Olivier en Swanepoel enz. de Koloniale Afrikaanders toe; en te Warrenton traden invloedrijke Vrijstaters uit Boshof en elders in deze delikate zaak op den voorgrond. _Deze mannen wilden natuurlijk recruten hebben_: hoe meer, hoe beter. Dat spreekt vanzelf, want hun getal was zeer klein tegen de legioenen van Engeland. De Kolonisten echter, waren niet zoo gretig om zich bij hen aan te sluiten, als velen denken of dachten. Zij waren natuurlijk bevreesd, dat de zaak een »verkeerden draai” kon nemen, om nu van geen hooger en edeler gewetensbezwaar te reppen.
»_Het zal ons gaan zooals bij Slachtersnek!_” riep een hunner te Colesberg op eene vergadering »als wij gevangen worden!” (Profetisch woord ten deele!)
Toen werd het aan die menschen voorgehouden, dat zij door de aanhechting van hun land feitelijk burgers der Republiek waren geworden en dus tot krijgsdienst gedwongen konden worden—en vooral werd nog _dit_ er bijgevoegd: Dat de Transvaalsche Regeering plechtig belooft, de Rebellen in een toekomstigen Vrede te zullen insluiten!
_Alzoo_ werden de eerste Rebellen—omtrent 3000 man, zou ik zeggen—uit Bechuanaland, Griqualand West, Colesberg, Burgersdorp, Aliwal Noord, Barkly Oost, Dordrecht, Newcastle, Ladysmith, omgehaald, om den stouten sprong te wagen en hun lot met hun Republikeinsche bloedverwanten en stamgenooten in te werpen. Wij spreken niet van de enkele uitzonderingen, die best mogelijk uit antipathie tegen de Engelschen zich geheel vrijwillig en ongevraagd bij de Federalen aansloten. Wij hebben de Rebellen van die eerste maanden, als een geheel, in 't oog. Zij werden omgehaald, bepraten, tot zwijgen gebracht, beschaamd gemaakt, betooverd, gevleid, bespot, gedreigd, gerust gesteld—al naar den aard van spreker of hoorder!—totdat zij »half gewillig, half onwillig” zeiden:
»Nou toe dan maar,—geef ons geweers! Maar ons reken op jullie belofte, broers!”
Na Stormberg, Magersfontein en Colenso ging het natuurlijk veel gemakkelijker, om »rebellen te maken”. De vrees voor eene verandering van het oorlogsgetij verdween; de hoop op de eventueele zege der Boeren nam geweldig toe. 't Is een treurige waarheid: dat de meeste Adamskinderen zich heel gemakkelijk laten bewegen, om aan den sterksten kant te gaan staan! Velen, die vroeger op twee gedachten hinkende waren, sloten zich na die groote slagen bij de meerderheid aan. Zoo steeg het getal rebellen best mogelijk in Januari 1900 tot 5000.
Het groote feit blijft echter: dat, die zich bij ons aansloten zulks in den regel niet vrijwillig deden. Er was pressie noodig, om ze zoo ver te krijgen. Om het op zijn sterkst uittedrukken: Zij moesten door Proclamaties en Annexaties en Beloften gevangen worden! En om het op zijn zwakst uittedrukken: »Zij waren gewillig om gedwongen te worden”—zoo als één hunner het heel leuk verklaarde.
Op de vraag van een Engelschen Kolonel, hoe het te verklaren was, dat Kolonisten de wapens in die dagen tegen hun milde, liberale, vrije Regeering konden opnemen, heb ik mij eens ongeveer aldus uitgelaten:—
»Zij waren niet zoo _anti_-Engelsch, als zij _pro_-Boer waren. Zij waren niet zoo boos op hunne eigene Regeering, als verkleefd aan hun eigen vleesch en bloed. Zij zijn niet zoo zeer tegen den Brit _uitgetogen_, als door den Boer _ingezogen_. »Den eene hebben zij niet zooveel gehaat, als zij den anderen liefhadden”, om een bekend Engelsch spreekwoord omtekeeren (»They did not love the one so much, but hated the other more”).”
En dan—voeg er ook aan toe »den strijd om te bestaan”. Honger is een harde tuchtmeester. Armoede heeft geene keuze voor gewone lieden. Er was vleesch en brood en kleeding in overvloed bij de Boerenlagers. Alle armen kregen daar het noodige—mits zij gewapend waren. Ja, zelfs hunne vrouwen en kinderen werden door de Boerenregeeringen ten deele gevoed en gekleed, als zij op commando gingen. Niet slechts te Pretoria en Johannesburg (waar er duizende families door den Staat onderhouden werden), maar overal in de steden en dorpen en zelfs buitenwijken der Republieken werden de huisgezinnen van vechtende burgers zoo veel mogelijk van Staatswege geholpen. En ditzelfde stelsel werd ook in al de dorpen, waar onze vlaggen wapperden, gevolgd.
Welnu, de mensch moet leven. 't Is alles behalve pleizierig om honger en koude te lijden. _Ergo_: de commando's groeien aan. Er wordt een stad belegerd—»wat een aardig geval!” Men kan er volop te eten krijgen en zelfs cricket spelen. Zwaar werk is er niet: geen »drill” elken dag (wat zeg ik? er is nooit zoo iets), geen »sentry go” of »op en af looperij” (zoo als de Engelsche soldaat moet doen), geen presentielijst (»rollcall”) wordt er ooit gelezen. Slechts eenige uren bij nacht uit de warme dekens om »wacht te staan”. Verder voor mijn paard en mijzelven zorgen. Hoera! Er wordt gevochten van daag. Ik ga mee. 't Is een aardig geval.
Zoo is het gegaan, zoo en niet anders, in den regel. 't Is klinkklare onzin om van een »diepgewortelden haat tegen Engeland en al wat Engelsch is en een groot _pan_-Afrikaansch komplot, om de Engelschen de zee in te jagen en de Transvaalsche of Vrijstaatsche Vlag met geweld te Kaapstad en Durban te planten”, in verband met het aansluiten der Kolonialen te spreken.
Als die theorie de rechte was, hoe kwam het dan dat er hoegenaamd geen' zweem van een opstand in de Kaapkolonie _zelfs na Magersfontein_ te zien was? Neen, die sleutel past niet op de deur der feiten. Waar de Republikeinsche commando's kwamen en bleven en wortels schoten, daar sloten er Rebellen zich bij ons aan. Daar en niet elders. Deze was de algemeene regel. Persoonlijke aanraking, tastbare indrukken, aanstekelijke gesprekken, gloeiende toespraken, dagelijksche omgang met elkander—het eenigste komplot aan mij bekend. Proclamaties, beloften, overwinningen en, in sommige gevallen ook »de brooden en de vischjes” hebben het mirakel der samenzwering tegen de Britsche vlag teweeggebracht.
Droomen, idealen, gedachten, aspiratien zijn er wel degelijk in menig hart geweest. Wie kan den Australiër beletten, om naar een vrij en geheel en al zelfstandig Australische Republiek te verlangen? Wie zal het den Canadees erg kwalijk nemen, als hij ten gunste van een vrij Canada, onder een eigene vlag en zelfgekozen Hoofd pleit? Het hart is vrij, om te verlangen en te droomen en te hopen. Niemand kan de gedachten en idealen van den Hollandschen Afrikaander aan banden leggen—evenmin als hij »de lieflijkheden van het Zevengesternte” kan beperken. Welke vlag er ook boven ons wappere—het brein blijft altoos ons eigendom, het hart is immer vrij. Goddank! dat de mensch zoo geschapen is! Maar er is een groot verschil tusschen zoodanige droomen en aspiratien en eene samenzwering tegen Engeland. Duizenden menschen kunnen bovenstaande idealen in 't harte koesteren, zonder in 't minst aan eenig komplot of oorlog of geweld te denken, laat staan te willen deelnemen.
_Pardon_, lezer! Wij zijn onze Voorrede eenigszins vergeten. Wij hebben ons woord min of meer gebroken. Het was niet ons plan, om in dit werk over theorieën te redeneeren. Dan komen wij nooit klaar. Wij wilden slechts het een en ander van de commando's vertellen.
Maar die lieve Warrentonners, mijn oude gemeenteleden, mijn trouwe vrienden, met hun Mausers en Martini-Henri's op den schouder—het waren meestal Martini's, die ze in die dagen kregen, »stomme goed”!—hebben mij van koers gebracht. Zij hebben mij doen peinzen over de mysteriën van het menschelijk hart en het menschelijk bestaan in de ingewikkelde samenleving van ons arm, verdeeld Zuid-Afrika. Wonderlijk, ja vreeselijk is de mensch gemaakt. Wie kent zijn eigen hart, laat staan dat van zijn broedermensch! Wie is tot de diepste roerselen en trillingen van eens anders gemoed afgedaald? Durven wij dan ooit een medemensch haten met een volkomen haat, of verachten met een volkomene verachting?
Arme Rebellen! Ze zijn in vele gevallen de grootste slachtoffers der situatie geworden. Door den Brit werden zij verlaten; door den Boer achtergelaten. Zij werden »in het net eens wreeden noodlots verstrikt”—zouden de ouden gezegd hebben. Die _alles_ weet, zal, al is hij ook de loyaalste onderdaan van Koning Eduard VII, moeten zeggen: »Handelt mij zachtkens met den jongeling, met Absalom”—den Rebel! Die echter een Transvaler of Vrijstater heet, en dien naam waardig is, zal dat ander treffend woord van David op hem toepassen:
»Ik ben benauwd om uwentwil, mijn broeder! Gij zijt mij zeer liefelijk; uwe liefde is mij wonderlijker dan de liefde der vrouwen.”
XXVII
Verdwaald
Dien avond verdwaalde ik. Geen wonder! Er was zoo veel te vragen, zoo veel te vertellen. De Vrijstaters gingen naar hunne tenten. Ik bleef achter. De Warrentonners gingen huns weegs, behalve één vriend, die nog wat met mij te kouten had. Het weder betrok, het werd laat; maar wij bleven daar in de breede vlakte staan, over het oude en het nieuwe gedachten wisselend. Was ik toen maar met mijn vriend en wapenbroeder naar het Warrentonsche lager gegaan, maar ik dacht aan mijn vermoeid paard en aan den warmen stal en het voeder te Olifantsfontein en meende mijn weg daarheen wel te zullen vinden. Mijn vriend ging een eind weegs met mij en toonde mij de richting aan, welke ik verder te volgen had. Wij scheidden en ik vervolgde mijn weg met blijdschap.
Ongelukkig, echter, ben ik niet met een al te grooten »knop voor localiteit” (bump of locality)—zoo als de Phrenologen zekere projectie boven de oogen noemen—gezegend. Ik raakte van koers. Ik verloor de juiste richting, zonder het echter te weten. Voort ging het op een stijven galop, maar de plaatse mijner bestemming kwam niet in 't gezicht.
Plotseling overviel de duisternis mij. In Zuid-Afrika heeft men weinig schemerlicht. De overgang van dag tot nacht is verrassend snel, vooral voor een Europeaan uit 't verre Noorden. Gij ziet alles voor u helder en klaar—geen half uur later valt het gordijn, de lichten worden gebluscht, de schouwburg wordt gesloten, de pret is afgeloopen. Of, zoo als de dichter en wijsgeer, Coleridge, het zoo prachtig uitdrukt:
_The sun's rim dips; the stars rush out: At one stride comes the dark._
Ik ben werkelijk aan 't dwalen! dit wordt mij al duidelijker, al wil ik het voor langen tijd niet gelooven. Voorwaarts »Lady”! Arm dier, gij krijgt het zwaar op uw eersten dag bij Kimberley; maar wie weet? misschien is Olifantsfontein daar achter dien heuvel voor mij. Ik jaag zoo snel ik kan. 't Is een wedren met de duisternis Als ik in de rechte richting ben, mag ik het nog winnen vanavond; maar als ik verdwaald ben, kom ik er niet.
Er is niets aan te doen. Mijn paard is nat bezweet en ik ben hopeloos verward. »Na vroolijkheid komt oolijkheid” werd mij, als kind, dikwijls gezegd. Ja, zoo is het ook. Pas was ik tusschen mijn goede vrienden in; thans!—waar ben ik thans? Dat's juist de groote kwestie. Niets is gemakkelijker dan om in de omgeving van de diamantenstad te verdwalen. Er zijn geen prominente natuurlijke bakens, om in 't oog te houden: geen hooge bergen of boomen.
Het begint te regenen. Ja, dat moest er slecht nog bij komen. Nu is de maat bijna vol. Een mooi spulletje, hoor! Dat komt van den avontuurzucht. Zoo gaat het, als men sensaties zoekt. Hm, je wilt immers indrukken ontvangen. Hier hebt je ze nu bij dozijnen—allen onaangenaam, maar daarom des te meer onvergetelijk.
Hè! Wat steekt me hier in den rug? Ik zie verschrikt om: 't is een geweldige straal van een electrisch zoeklicht uit Kimberley! Voor de eerste maal in den oorlog maak ik persoonlijk kennis met een sterk zoeklicht, en ik moet erkennen, dat het mij veel meer dan de luchtballon van Ladysmith deed rillen en grillen. Het wierp een verbazend helderen straal en dat wel op mijn ruggegraat. Het ding doorboorde mij van achteren als met een scherp mes. Sidderend keek ik telkenmale om, zoo _nabij_ scheen mij het onbeschaamde monster te zijn. Ik twijfelde er in het begin geen oogenblik aan, dat de mannen, bij dat licht staande, mij van kop tot teenen met de oogen opnamen en ik verwachtte elk oogenblik een schot, op mij gericht. Zóó ontzettend was de kracht van het electrische toestel, zoo nabij scheen het mij te wezen, en zoo onzeker was ik omtrent de richting, die ik insloeg.
Meer dan eens schoot de akelige gedachte mij te binnen, dat ik mogelijk in een cirkel gereden was en nu veel nader aan Kimberley was, dan toen ik mijn vriend verliet. Toen er, echter, niets gebeurde en ik aan het onheilspellend ding begon te gewennen, werd het mij spoedig duidelijk, dat ik in elk geval al _verder_ van de stad reed. Het zoeklicht bewees mij een bepaalde gunst, ten slotte, omdat ik daardoor te weten kwam, waar de vijand was. Zoo zijn er meer »vermomde zegeningen” in de wereld, niet waar? Hoe afgrijselijker het masker, hoe grooter het nut, dat er achter schuilt.
Het regent maar altoos zacht door, maar daarvoor heb ik immers mijn regenjas meêgebracht. Dus stoor ik mij daaraan niet veel. In Natal werd ik op dat punt gezouten. Ook kwam ik daar veilig en goed door mijne avonturen te Dundee, Elandslaagte en Colenso. Het zal wel van avond ook »alles recht komen”, gelijk Jan Brand placht te zeggen.
De wind begint te loeien en ik ben zoo eenzaam. 't Is tastbare duisternis rondom en op mij, behalve wanneer de electriciteit als een bliksemstraal op mij daalt en eenige oogenblikken blijft rusten. Wat wordt er van mij en »Lady” vannacht? Wij gaan op een stap voort. Plotseling staat het dier stil. Het wil geen voet verzetten. Ik stijg af en ontdek, dat er een draad-omheining voor ons is. Wel, het beste is om al langs de omheining maar voort te gaan. Ik leid het paard aan den teugel en stap met een bekommerd gemoed en hongerige maag in het duistere en onbekende voort.
Er is eene sloot aan mijn rechterhand, zooals de regen er vele rondom Kimberley in oude paden spoelt. Ik kijk van tijd tot tijd in de sloot.—Wat is dat ding daar? Het lijkt precies op het lijk eener vrouw! Daar, diep in de sloot. Met huivering buk ik mij voorover—Neen! er is niets. 't Is een spel mijner fantasie. Een telegrafist te Olifantsfontein had ons dien dag verteld van zekere vrouw, die uit Kimberley trachtte te vluchten en wier lijk ergens in eene sloot gevonden was! Hij had het _gehoord_, zeide hij, maar niet gezien. Ik schudde de storie toen gemakkelijk van mij af, daar er zoo vele van dien aard in oorlogstijd de ronde doen; toch bleef er eene nasmaak van het verhaal aan mijne verbeelding kleven. Vandaar het gezicht, dat ik meende te zien. Mogelijk is de geheele geschiedenis van de vrouw op die wijze geboren.
Eindelijk zag ik een klein, dof licht voor mij, welkom als een vuurtoren voor den beangsten zeeman, wanneer de stormwind loeit en de gapende golven zijn vaartuig bedreigen. Ik vind spoedig eene plaats, waar de doorndraad slap hangt en met eenige moeite gelukt het mij »Lady” er over te krijgen. 't Is bij acht uur in den avond. Vijf uur was zij onder den zadel.
't Is een eenvoudige boerenhoeve, van »rauwe steenen” gebouwd, die ik langzaam nader. Ik klop aan de deur. »Wie is daar?”—roept een vrouwenstem. »Een vriend—een Transvaler!”—is het antwoord. De deur gaat open en ik vind mij in de tegenwoordigheid van een gezellig vrouwtje. Op den achtergrond zie ik een jonge dame en een jongeling in de kamer zitten. De rest is gemakkelijk te gissen: met behulp van den jongen Vrijstater kreeg ik wat mielies voor mijn paard—pure mielies, zonder kaf zelfs, moest »Lady” dien nacht vreten,—die onder een boom in de opene lucht en den kouden regen den nacht moest doorbrengen. Eene plaats werd mij aan den avonddisch gegeven, waarop er wat brood en vleesch gezet en koffie geschonken werd. De huisheer was op commando, en de vrouw deed wat zij kon in hare eenvoudige en beperkte omstandigheden, om mijne behoeften te gemoet te komen. Tafel en stoelen, voedsel en alles binnen in de woning toonden armoede, maar zij gaf, wat zij mij te geven had, op echte boerenwijze. Een matras werd op den grond in het voorvertrek—de »zitkamer”, waar men gasten ontvangt, als zij door de voordeur instappen (ik kwam er bij de achterdeur in)—door de jonge dame gelegd en een bed werd er door hare rappe handen in een oogwenk voor de twee manspersonen gespreid. Alles was schoon en ik kan de goede lieden niet genoeg voor de gastvrijheid van dien avond dankzeggen.