Zes maanden bij de commando's

Part 17

Chapter 173,765 wordsPublic domain

De ochtend van 15 December brak aan met alle teekenen, die een verschrikkelijke hitte voorspellen. Zelfs bij het aanbreken van den dag was het warm en er woei niet de minste wind. Het was als de stilte, die een zwaren storm voorafgaat. Die storm zou echter op dezen gedenkwaardigen dag geen wind, regen of hagelslag, maar een regen van bommen en kogels onder het gedonder van kanonnen zijn. Toen het nog schemerde, en het bloote oog op een afstand niets kon bekennen, zag ik door mijn kijker een lange, breede, bruine streep uit het vijandelijke kamp komen. Spoedig maakten wij uit, dat het de vijand was, die op ons aanrukte. Dit werd natuurlijk door allen, uit al onze posities opgemerkt. Allen namen hunne posities in slooten en achter steenen en schansen. Eenieder trachtte een veilige schuilplaats te vinden, vanwaar hij ook tegelijkertijd den vijand zou kunnen beschieten. In der haast werden er ook nog steenen op elkander gestapeld en om vijf uur waren allen gereed zich te verdedigen. De hitte was zeer drukkend. De vijandelijke liniën ontplooiden zich. Van uit de dichte drommen ontsponnen zich lange, bruine streepen, die alle dunner en dunner werden, naarmate zij ons naderden. Overal op de vlakte stonden groote troepen paarden en ruiters en overal kwamen er batterijen grof geschut te voorschijn, als reusachtige slangen, die dood en verderf voorspellen. De batterijen namen hunne stellingen in en het voetvolk stormde op de rivier aan. Hun rechtervleugel ging op den Boschkop, overkant der rivier, af; het centrum op Colenso; de linkervleugel op onze posities hooger op langs de rivier, alwaar de Tugela een groote bocht maakt. De laatste bestond uit zestien regimenten, ondersteund, of liever gedekt door twee batterijen.

Te halfzes bulderden de kanonnen en brak het geknetter der klein-geweren los. De bommen vielen als hagel op sommige onzer posities, voornamelijk op die tegenover Colenso. Het scheen soms of de kopjes letterlijk aan brand stonden. Zij waren geheel in rook en stof gehuld. In al onze posities heerschte er intusschen een doodsche stilte. Men zag niemand. Men hoorde niets. Op het eerste kanonvuur des vijands werd niet geantwoord. Dit bracht den vijand in den waan, dat wij onze posities verlaten hadden. Zij waren in elk geval blijkbaar in de war, omtrent de linie door ons ingenomen. Zelfs de posities onzer kanonnen konden zij niet ontdekken. Deze was, mijns inziens, de beste tactiek, die onze officieren hadden kunnen volgen. Deze was ook de reden, waarom de Engelschen hunne kanonnen zoo dicht onder onze Mausers waagden. Generaal Botha verdient allen lof voor de kalme en vastberadene wijze, waarop hij erin slaagde de ongeduldige burgers lang genoeg tegen te houden.

Toen het juiste oogenblik echter gekomen was, lieten de burgers de Mausers kraken en de kanonnen begonnen tegelijk te bulderen—en zij joegen dood en verderf in des vijands gelederen. Onbeschrijfelijk zijn de indrukken van dat oogenblik op den toeschouwer. Overal op de vlakte over de rivier kon men het stof, door de Mauserkogels opgeworpen, zien—even als sprinkhanen, die opvliegen. De soldaten vielen overal neer. Zelfs op lange distanties doodden de Mauserkogels, die te hoog gericht waren, van de achterste vijanden. Nergens konden zij zich bergen. Gingen zij liggen, dan waren de granaat-kartetsen uit de Fransche stukken daar, om ze weer op te jagen. Stormden zij nader, dan velden de Mausers ze bij dozijnen neer. Toch gedroeg de vijand zich dapper. Keer op keer stormden zij hunne gesneuvelden en gewonden voorbij. 't Is waarlijk een wonder, dat menschen zich voor zulk een slechte zaak kunnen laten doodschieten. Het moet gezegd worden: de troepen stormden door dood en verderf heen op eene wijze, een betere zaak waardig. Toch was het vuur zelfs voor de dappersten te hevig. Herhaalde malen trachtten zij de rivier te bereiken, maar slechts weinigen zijn zoo ver gekomen, dat zij den prachtigen stroom zien konden. Weldra was de geheele bocht, die de rivier bij onze positie maakt, met dooden en gewonden bezaaid.

Ondertusschen was de hitte ondragelijk geworden. De zon stond hoog en hare stralen schoten onmeedoogend op ons neer. Het moet verschrikkelijk geweest zijn voor de vechtenden, en vooral voor de gewonden, om zich zoo dicht bij het heerlijke water te zien en toch niet in staat te zijn een droppel te krijgen, om hun lijden te verzachten en hunnen dorst te lesschen. Ik ben er van overtuigd, dat er vele gewonden omkwamen aan dorst en bloedverlies. Een der gevangenen verklaarde later, dat hij naar een kogel, die hem den dood mocht brengen, gesmacht had.

Op deze punt en ook op den rechtervleugel begon de vijand te half tien ure te retireeren, onder bedekking van zijn geschut, terwijl het centrum te Colenso nog wanhopige pogingen deed, om de kanonnen, die door de onzen »vrijgeschoten” waren, terug te krijgen; maar tevergeefs. Zij moesten hunne kanonnen, hoe ongaarne dan ook, prijsgeven, om hun leven te redden. Zelfs de Artilleristen moesten zich in een sloot verbergen, alwaar zij ook na den slag gevangengenomen zijn.

Diegenen van den vijand, die zich te ver naar voren gewaagd hadden, moesten het bij hun terugkeer duur vergelden. Zoodra zij opstonden, werden zij door de meedoogenlooze Mausers weer neergeveld. Ongeveer drie- à vierhonderd bleven stil op het slagveld liggen, om, onder bedekking van het Roode Kruis, een veilig heenkomen te zoeken. Dit heeft velen hunner echter niet gebaat, aangezien onze burgers hunne plannen maar al te goed doorzagen. Het was ook bij dit terugtrekken, dat de vijand, in den waan verkeerend dat het onze menschen waren, die door de rivier op hen aanstormden, zijn eigene soldaten met kanonnen neermaaiden. In 't eerst begrepen wij niet, waarom zij op hun eigen volk schoten. Het geval deed zich aldus voor: eene batterij, die hun linkervleugel ondersteunde, was ver naar achteren teruggevallen. De tweede batterij, dicht bij onze positie, trachtte de terugtrekkende troepen te dekken, door een vreeselijk vuur op de Zoutpansbergers te richten. Wij dachten voor een oogenblik, dat zij allen verpletterd waren. Maar hier heeft onze God weer treffend zijne almacht getoond. Hoewel er bijna geene schuilplaats was, kreeg toch niemand zelfs eene schraap. Wij openden toen vuur op deze batterij met onze geweren, gesteund door het Fransche stuk, dat achter ons op den berg stond. Wij konden het zelf niet gelooven, dat de Mausers hunne artillerie zouden bereiken, toch was het zoo en namen zij de vlucht. Toen zij nu weer tot stilstand kwamen, zagen zij hun eigene troepen voor vijanden aan en ontdekten hunne vergissing niet, vóór zij een heelen boel hadden nedergeveld.

Van onze zijde namen de volgende commando's deel aan 't gevecht:—Standerton, Wakkerstroom, Krugersdorp, Heidelberg, Middelburg, een deel van Vrijheid, de Swazieland-Politie, Zoutpansberg en Ermelo [ook een deel van de Johannesburg-Politie—_Schrijver_]. Het getal onzer mannen bedroeg ongeveer 2000 tot 2500.

Te ongeveer één ure in den namiddag was deze gevreesde aanval afgeslagen en trok de vijand op alle punten terug. Neemt men het verlies des vijands in aanmerking, [± 900 dood en gewond; ± 250 prisoniers—volgens Doyle] dan was deze bepaald de grootste slag ooit door ons geleverd. Aan den anderen kant kan ik echter niet zeggen, dat er aan onze zijde hard gevochten werd. In de eerste plaats duurde het gevecht niet erg lang, en in de tweede kon eene menigte van ons er niet eens aan deelnemen, terwijl een groot deel slechts op lange afstanden kon schieten. Ook was ons verlies weinig [slechts 7 dooden!—_Schrijver_] en moeten wij ons met verbazing afvragen: »Hoe is 't mogelijk?” Op die vraag is er slechts een antwoord: »Bij God, op Wien wij ons vertrouwen vestigen, is alles mogelijk.” Niet door onzen moed of ons beleid werd deze prachtige overwinning behaald. Laten wij onzen God, die onze voorouders reeds zoo wonderbaarlijk beschermde, de eere geven. Zonder zijne hulp was het ons onmogelijk den overmachtigen vijand terug te slaan. Ik vertrouw, dat gij U dit ook tot plicht zult rekenen in uw voorgestelde geschiedenis onze jeugd hierop in 't bijzonder te wijzen.

En wat was nu de uitwerking van de vijandelijke kanonnen, met hun helsche projectielen en gevreesde lyddiet-bommen. Ik erken, dat ik U daaromtrent eene opinie geef, die niet door velen gedeeld zal worden. Mijne beschouwing is, dat indien onze vijand op zijne kanonnen blijft vertrouwen, hij maar gerust naar huis kan gaan. Om een fort te demoraliseeren, of een stormenden vijand te verpletteren mogen de kanonnen hun nut hebben, maar om gedetermineerde Afrikaners, die trachten hunne lichamen zooveel mogelijk te bergen, uit hunne posities te verdrijven, zijn zij zonder uitwerking, altoos natuurlijk onder de beschermende hand des Heeren. Onze vijand begrijpt niet, dat wij het beter achten om voor ons land in levende lijve te strijden, dan ons aan de vernielende projectielen bloot te stellen.

Onze burgers gedroegen zich allen goed, en onze Artillerie bewees al weer, dat zij voor geen andere behoefde onder te doen....

Met beste groeten,

~Uw Vriend~, T. SMUTS.

Onmiddellijk na dezen merkwaardigen en zelfs wonderlijken slag, seinde Generaal Botha aan President Kruger:

»_De God onzer voorvaderen heeft ons heden een schitterende overwinning gegeven._

_Beleefd verzoek ik de Regeering per proclamatie een algemeene Biddag te proclameeren en Hem te loven en te danken, die ons de overwinning gaf._”

Nooit zal ik den indruk dezer woorden vergeten, toen zij door Ds. H. Bosman, van Pretoria, van den kansel werden voorgelezen. Niet slechts op »Dingaan's Dag”, den dag na de overwinning, maar ook op den volgenden Zondag werd er overal in de twee Republieken bij al de lagers gebeden en gedankt. Gode werd al de eere voor de drie onvergetelijke overwinningen gegeven. Er werd feest gevierd—met ontbloote hoofd voor den troon der genade.

Vergelijk deze feestelijkheid met de uitbundige tooneelen, die er overal in de steden en dorpen van 't Britsche Rijk, na het ontzet van Kimberley en Ladysmith en Mafeking voor het aangezicht van de zon en de maan werden bloot gelegd! Vergelijk de waardige mannelijke, kalme houding onzer Boeren voor het aangezicht van God en mensch, bij die van het Londensche publiek toen de »City Imperial Volunteers” van 't front terugkeerden! Let op _deze_ schilderij—en op _gene_!!!

XXV

Naar Kimberley

De »Bicycle Expeditie” had ons wijsheid geleerd. »Never again!” zeiden wij tegen elkander—de heer Oerder en ik—onbewust de klassieke uiting van Sir Alfred Milner op de lippen nemend. De groote wandeling van Colenso naar het Duitsche lagertje, ten zuiden van Ladysmith, waren wij ook niet vergeten. In het hart van den zomer maakt men niet gaarne in Zuid-Afrika lange en steile tochten te voet. Dus nog eens: »Never again!”

De energieke heer Japie Cilliers, die wel met evenveel recht als Odysseus ποικιλομητης (slimme raadgever) mag heeten, gaf ook in deze raad:

»Ga met mij naar Johannesburg en wij zullen zien, wat Commandant Daniel Schutte voor jullie kan doen.”

Zoo gezegd, zoo gedaan.

Eenige weken later waren wij per spoor te Bloemfontein aangeland en wachtten wij slechts op een wagentje en twee sterke paarden, uit de goudstad naar ons te worden gezonden, om de reis naar Kimberley en Magersfontein voort te zetten.

Aangenaam was het mij onder het vriendelijke dak van mijnen zwager, den heer Bartmann M. A., Superintendant van Onderwijs, eenige dagen te mogen vertoeven, en President Steyn in diens huis te mogen bezoeken en spreken. Daar hij aan 't Hoofd der Vrijstaatsche Burgermachten, krachtens de Grondwet, gesteld was, vroeg ik hem _de kennisgeving_ door Generaal Joubert aan mij overhandigd (zie Hfd. XXII) in te zien en zoo mogelijk goed te keuren. Met een vriendelijken glimlach en de hem eigene hartelijkheid hechtte hij zijne volle toestemming aan het geschrevene, door met zijn potlood er dwars over te schrijven:

_Door mij gezien en goedgekeurd_, M. T. STEYN.

1 Jan. 1900.

Na het overlijden van Generaal Joubert, legde ik gemeld dokumentje Generaal Louis Botha voor, die er onder het door den President geschrevene met zijne pen bijvoegde:

_Gezien en goedgekeurd_, LOUIS BOTHA, Wnd. C.-G.

15.5.00.

Een heel klein en onaanzienlijk dokumentje, uiterlijk beschouwd; maar voor den bezitter van groote waarde.

Het wagentje—geriefelijk en licht: een »delivery van” van een bekende Handelsfirma, met een heele geschiedenis omtrent »Schoenen en Laarzen” en »Kleeren” en »Kruidenierswaren”, in 't Engelsch in groote zwarte hoofdletters op de kap-klappen geschreven—en twee groote, sterke paarden daagden tot onze blijdschap te Bloemfontein op, en vroeg in de eerste week van 't nieuwe jaar reden wij vroolijk en welgemoed naar Kimberley. Wij hadden heel wat scheepsbeschuit, »Quaker Oats”—een weeldeartikel van groot belang in die dagen—en blikjes vleesch en visch met het wagentje meêgekregen—er was ruimte genoeg voor onze portmanteaux en een klein matras, te Bloemfontein gekocht—en wij hadden een eerste klas kleurling-koetsier, die op den klassieken naam »Bokkie” boogde, in handen gekregen. Dezen laatsten zegen—geene kleinigheid, hoor!—hadden wij aan de bemoeiingen van een goeden vriend uit vorige jaren, den heer W. Poultney, van Bloemfontein—die in verband met het Vrijstaatsche Commissariaat zoowat dezelfde rol als de heer Japie Cilliers vervulde—te danken.

Goede, degelijke, ouderwetsche, oude Bokkie! Hij was klein van postuur, maar meester van zijn vak. Zijn hart zat op de rechte plek, hoewel zijn gezicht als een rozijn geplooid was, of zoo—als de jolige Justus van Maurik het heeft:—»rimpelig als een overjarige appel” er uit zag. Wat was er van onze paarden zonder Bokkie geworden! Hoe veel zorg en moeite en tijd heeft hij niet aan die onmisbare dieren—onmisbaar, vooral toen wij een ganschen nacht door moesten vluchten!—besteed. Voeder was bitter schaars, gras was er hoegenaamd niet bij de Modderrivier en om Kimberley; de twee dieren, die wij »Ladysmith” en »Kimberley” doopten, kregen een hevige verkoudheid (de zoogenaamde »nieuwe ziekte”) en werden mager als Farao's gulzige koeien.... maar Bokkie wist altoos raad, en redde ons van gedwongene vacantie op het ruwe St. Helena.

Wij namen den weg ten zuiden van de Modderrivier tot aan Koedoesrand drift, waar wij naar de overzijde doorgingen en een nacht onder het gastvrije dak van den oude heer Hendrik Groenewald doorbrachten. Wat waren wij in ons schik met ons rijtuig, en paarden, en koetsier! Welk een contrast tusschen deze reis en onze laatste in Natal. Wij lachten lekker bij de herinnering aan die lamlendige bicycles en al ons sukkelen en zwoegen en zweeten daar bij het verre Ladysmith. »Het oude was voorbij gegaan: alles was nieuw geworden.” Er was ook overvloed van melk op weg. Overal bij de boerenwoningen kregen wij er een bottel versche melk, enkel voor het vragen, van de vrouw of de dochter des huizes. Zelden was er een blanke manspersoon te zien op de boerenhoeven: de vrouwen moesten met behulp van eenige Kaffers de gansche boerderij voortzetten. Edele, onovertrefbare boerenvrouwen! Of zij zich dapper en flink en ferm gedroegen! Zijn zij ook niet heldinnen? Zijn zij niet met nog meer roem beladen dan heur mans? Hebben zij niet feitelijk veel meer en veel zwaarder dan hunne echtgenooten of vaders of zonen geleden, omdat zij meer gevoelig en teeder, liefhebbend en bekommerd van aard zijn, en ook omdat de _verbeelding_ ze de dingen aan 't front veel akeliger afschilderde, dan zij in _werkelijkheid_ waren? Maar wij moeten ons haasten; wij gaan naar Kimberley en Magersfontein. Latere schrijvers zullen den lof der Boerenvrouwen in lied en geschiedenis en roman verkondigen.

»Voort! _Ladysmith_—flink! _Kimberley!_ Wat zijn zij heerlijke, sterke paarden, Bokkie?”

»Ja, Baas! maar die zand is zwaar en die pad is lang. Ons moet langzaam gaan, anders raak die perde gedaan, en dan? Wat vang ons dan aan?”

Zoo was het ook. De weg van Bloemfontein door de Modderrivier naar de lagers om Kimberley en bij de Modderrivier was een zeer zanderige en dus bitter zware voor paard en muil en os. Even zoo de weg van Edenburg over Jacobsdal naar de Magersfontein-posities. En toch was deze onze lijn van communicatie, ons eenig kanaal voor den stroom van voedsel en voeder voor mensch en dier, die onafgebroken naar de lagers vloeide. Twee nachten sliepen wij op weg, en wij hadden een licht rijtuig en twee sterke, vette paarden. Hoe zou het met Cronjé's burgers en paarden gaan, als de Engelschen ze daar maanden lang lieten wachten? Voor ons was het wel een soort van pleiziertocht, een dagelijksche picnic van Bloemfontein naar de posities onzer commando's,—maar voor de twee Regeeringen en Commissariaat-Departementen was er geen moeilijker taak in eenig deel van de uitgebreide vechtlinie, dan de tienduizend burgers en meer dan tienduizend paarden rondom de diamantenstad en bij de Modderrivier en in de Magersfontein-posities van al het noodige te voorzien. Naar al de andere groote commando's—te Colenso, Ladysmith, Colesberg, Stormberg—had men een spoorweg voor den geheelen weg, of het grootste deel in elk geval, om te gebruiken. Hierheen, even als naar Mafeking, ging alles, alles per wagen, door os of ezel getrokken, en Mafeking had natuurlijk maar een vierde deel van het getal burgers en paarden, die hier om kost riepen. De Z. A. S. M. kon hier niet helpen.

Daaraan dachten wij toen echter niet. Wij gingen voorspoedig en pleizierig voort, met geweer en Mauser-pistool, zakboek en schetsboek gewapend, en _Ladysmith_ en _Kimberley_ en _Bokkie_ zorgden dat alles goed ging. Later heb ik dikwijls over den aangenamen rit, en vooral over ons lekker avondeten, weelderige bedstede en zoete rust te »Koedoesdam” (de naam der plaats) met weemoed nagedacht. Immers, niet verre van de vriendelijke hoeve, wat lager af langs de rivier, zagen wij dien avond den donkeren Paardenberg. Tusschen de Koedoesdrift en Paardenberg zou het ongelukkige lager van Generaal Cronjé voor het laatst getrokken worden. Op Koedoesrand zou er te vergeefs tegen Generaal Kitchener gevochten worden, terwijl hij den kring van ijzer en staal om Cronjé's duizenden hielp trekken. Dezelfde drift, waar wij door kwamen, zou Generaal Cronjé geen twee maanden later trachten te bereiken; maar French zou hem daar te gauw zijn, en hem den doortocht voor goed afsnijden. Daar bij Koedoesrand zou de edele Hoofd-Generaal, Ignatius Ferreira, door een ongeluk in het holle van den nacht den dood ingaan—diep betreurd onder de duizenden, die met hem in den oorlog beweend worden. Ja, op den stoep, waarop wij gezellig zaten te praten, zou er een Britsch maxim geplant worden, en het huis, dat ons zoo goed ontvangen had, zou weldra verwoest worden. Waar zwerft onze grijze gastheer met zijne zwakke gade nu? Wat is er van hen geworden, sedert—zij met zoo velen als kaf voor den wind door de legioenen van Lord Roberts werden voortgedreven?

Den volgenden dag tegen 1 uur waren wij te Olifantsfontein, ten oosten van Kimberley, de hoofdkwartieren van Hoofd-Commandant C. Wessels. Voor het eerst bevonden wij ons in een Vrijstaatsch lager, dat der Hoopstadters namelijk. Sedert het einde van October waren zij reeds op bovengemelde plaats, die minstens zes mijl van Kimberley gelegen was. De Vrijstaters hadden verschillende kleine lagers van spoorlijn tot spoorlijn, dat is: van Dronfield Siding ten noorden tot Spijtfontein, ten zuiden der stad. De Transvalers hadden weer zekere posities op de tegenovergestelde helft van den cirkel rondom Kimberley.

De Hoofd-Commandant was ons zeer vriendelijk en voorzag ons van het noodige voor mensch en dier. Uit gesprekken met hem verstond ik: dat de grootste redenen waarom hij de stad niet nauwer insloot: _a._ gebrek aan water en _b._ gebrek aan kanonnen was, terwijl voor hem afdoende reden om geen aanval te wagen _c._ in de aanwezigheid van dynamietmijnen bij de toegangen tot de stad gelegen was. Zoo legde de Commandant de zaak uit. Of men zeker was op 't punt der dynamietmijnen, of slechts »het onbekende” vreesde, zooals meermalen in oorlogstijden gebeurt, laat ik aan anderen over om te beslissen. Dat het beleg van Kimberley een nog grooter _fiasco_ dan dat van Ladysmith of Mafeking was, wordt door velen beweerd. Mij kwam het voor, heel veel op een groote picnic in een dorre woestijn te gelijken. Heldendaden werden er heel zelden verricht. Men had er vooral met de ongevoelige Natuur te kampen, en die worsteling was soms bitter zwaar, zoo als ik uit eigen ondervinding kan getuigen. De droogte was dat jaar buitengewoon. Zelfs de ouden van dagen herinnerden zich niet zulk een aanhoudende, regenlooze treurigheid in die gewesten ooit gesmaakt te hebben. Was de omgeving van de diamantenstad nu schoon en schilderachtig, dan had men toch iets om oog en hart te bekoren, terwijl het lichaam van mensch en dier verkwijnde. De derde regel van de Genestet's prachtig couplet kon, echter, in die dagen op de omstreken van Kimberley, als een geheel, geenszins worden toegepast—de overigen wel:

_Natuur!—wat deert haar Uw lief of leed? Ze is reed'loos lieflijk En zielloos wreed._

XXVI

Te midden der Rebellen

Tegen drie uur weerklonk er een alarm door het lager; »de Engelschen komen uit de stad.” In een oogwenk was alles in rep en roer. Er werd geschreeuwd en geloopen, om de paarden in handen te krijgen. Haastig werd er opgezadeld en zoo als gewoonlijk, reden eenige burgers lang voor de overigen reeds in de richting der stad weg.

»Bokkie! zaal op die merrie”—het kwam ons voor, dat »_Ladysmith_” een goed rijpaard zou uitmaken, al was het dan ook braaf vreemd in die dagen, om vrouwelijke paarden op commando te bezigen. Het bleek ook later, dat »Kimberley” meer pijn dan pleizier aan zijn ruiter verschafte, terwijl »Ladysmith” een gemakkelijken gang had.

Zoo ging ik alleen voort, achter de paar kerels aan, die reeds waren vooruit gesneld, op avonturen en nieuwe ondervindingen belust. Na een goed half uur rijdens kwam ik op een heuvelrand, vanwaar de stad goed zichtbaar was, en ik ook eenig kanongebulder kon hooren. Daar ginds in de verte, links van onze posities, tegenover de Winburgers (als ik 't wel heb) werd er dan ook heel blauw _à la Kimberley_ gebombardeerd. Generaal Wessels trok ook met zijne burgers en een Krupp-veldstuk nader naar de stad, maar kreeg geene kans om een schot dien namiddag te lossen. Na het vreeselijk gedreun der scheepskanonnen te Ladysmith, was het mij alsof ik een kinderspel bijwoonde, waarbij er met kanonnetjes gevuurd werd—zoo klein en zwak waren de veldstukken van het garnizoen met »Long Cecil” maakte ik eerst later kennis.

Het veel belovend alarm was op niets uitgeloopen. Mogelijk was de geheele demonstratie slechts bedoeld om het garnizoen van verveling en _ennui_ te verlossen. Zij waren moede van het wachten en steeds wachten op Lord Methuen. Zij waren ziek van al de mooie heliogrammen en berichten, die allen op niets waren uitgeloopen. De belegering ontaardde al meer van onzen kant in een stilzitten, om te zien of de honger niet het werk van de kogels kon doen. Colonel Kekewich gaf ze stellig wat oefening dien namiddag, om ze wat tijdkorting te verschaffen en—wij willen het hopen—een _extra_ lb. vleesch voor hun avondeten te doen verdienen. Arme drommels! Zij kregen destijds slechts ¼ lb. vleesch en 14 ons brood per dag!