Zes maanden bij de commando's

Part 16

Chapter 163,646 wordsPublic domain

Toen de Harrismithers in den nacht den geduchten rand beklauterden, was hun leeraar, Ds. J. D. Kestell, in hun midden. Hij ging meê, niet om te vechten, maar om de gewonden te verplegen en de stervenden te troosten. Tot bij de Engelsche _sangars_, die door onze mannen stormenderhand werden ingenomen, volgde hij zijne gemeenteleden. Lezer! zijn geval is typisch. Zoo waren er meer Hollandsche predikanten in den oorlog. Hij is geene uitzondering op den regel: hij is één uit velen. Ik noem geene namen, omdat hun getal te groot is. Groot is de achting, die de Hollandsche Afrikaander zijn leeraar toedraagt; de oorlog heeft bewezen, dat de meeste predikanten die achting ten volle waardig zijn. Heb ik ze niet in regen, koude en zomerhitte bij de commando's aangetroffen? Waren zij niet steeds vol ijver en liefde voor hun zwaar geteisterd volk? Spraken zij niet altoos woorden van bemoediging en hoop en troost? De eeuwigheid alleen zal openbaarmaken, hoe diep en innig en hartelijk de band tusschen vele Hollandsche leeraren en hunne gemeenteleden op commando geweest is, en hoe veel de arbeid en 't voorbeeld dier trouwe herders hebben bijgedragen, om de burgers de wonderen van dapperheid en volharding te doen verrichten, welke de wereld verbaasd hebben. Enkelen gingen met 't geweer op den schouder; de meesten waren ongewapend; allen waren echte patriotten en geestelijke leidslieden. Zij waren één met hun volk: zij droegen de lasten en de belangen huns volks op 't hart, ja in hun lichaam, het voorbeeld van een Jesaja en Jeremia, en Esra en Nehemia volgend.

»Maar”—vraagt iemand—»wat heeft dit nu met den loop des oorlogs te doen”? Veel mijn vriend, ontzaggelijk veel. De godsdienstoefeningen, de krachtige preken, het voorbeeld, de geestdrift, de invloed der leeraren werkten zeer heilzaam op het karakter der burgers en de algemeene tucht en discipline der lagers. De meerderheid der Afrikaners hebben een teeder hart voor den godsdienst. Zij gelooven nog in den Bijbel. Zij respecteeren den Evangeliedienaar. Het kon niet anders, of de tegenwoordigheid van zulke flinke mannen moest als een zuurdeesem de commando's van ontaarding, achteruitgang en demoralisatie helpen bewaren. De Boeren bleven alzoo zichzelven gelijk en getrouw.

De meeste burgers waren eenvoudig, ongeletterd, bijna kinderlijk van aard. Hooge sentimenten, fijne gevoelens, eerzucht, hoogmoed en wat dies meer zij hadden niet zoo veel vat op hun gemoed als de godsdienst had. Of beter gezegd, de godsdienst was het kanaal, waardoor het hooge en het edele hen bereikten. Ze zagen Gods wil in alles: in hun verleden, hunne geschiedenis, hun nationaliteitsgevoel, hunnen vrijheidszin, hunnen oorlog. Niets was voor de meesten hunner toevallig; alles kwam van Boven. Natuurlijk was er ook geveinsdheid en bijgeloof onder de Boeren, zooals onder elk volk, waar de godsdienst algemeen geëerd en gevierd wordt. Maar het feit blijft: dat de Boeren, als volk, vroom en biddend zijn. Zij gingen dus ten strijde als Cromwell's »Ironsides” en Gustav Adolfs regimenten. Hunne predikanten waren hun een zichtbaar teeken van Gods nabijheid en hulp en steun. Elk verlies, elke nederlaag was hun slechts ter loutering en reiniging, en dus ter voorbereiding voor groote daden in de toekomst gezonden. Vandaar hunne taaie hardnekkigheid, hun' moed na moedeloosheid, hunne hoop na wanhoop, hunne volharding tot het bitter einde toe. Zij geloofden letterlijk:

»Er reikt van den Hemel onzichtbaar een Hand, Om 't lot van de menschen te meten.”

XXIV

Een Schitterende Week

In een vorig hoofdstuk hebben wij gezien, hoe donker het voor de Republikeinen tegen het einde van November uitzag. Zij hadden hunne eenige kans, om den toevoer van versche troepen naar hunne grenzen aftesnijden, laten voorbij gaan. Zij waren te langzaam in hunne bewegingen, anders konden zij de Britsche hulptroepen bij de zee reeds den weg versperd hebben. De spoorwegen door de twee Koloniën konden zij in bezit genomen, en alzoo het oorlogstooneel, voor jaren althans, van hunne landpalen verplaatst hebben. Dit werd echter niet gedaan, alhoewel het onverwachte ultimatum ongetwijfeld daartoe de gelegenheid gaf. Het ontbrak hun in die dagen aan den noodigen moed, om het initiatief op zulk een groote schaal te nemen. Zij vreesden het onbekende te zeer. Zij bleven om Kimberley en Ladysmith hangen, alsof er geen groote operaties mogelijk waren, eer die steden veroverd waren. Wat mannen als Rechter Hertzog en Commandant Kritzinger later met eenige honderden waagden, zou niemand met even zoo vele duizenden in de eerste weken des oorlogs ondernomen hebben. Alzoo wonnen de Engelschen het ééne noodige: Tijd. Generaal Buller kwam en ging met zijne hoofdmacht naar de Tugela; Lord Methuen rukte op Kimberley aan; Belmont en Graspan liepen slecht voor ons af; Generaal Joubert keerde teleurgesteld van de Mooirivier naar Colenso terug, en eene vlaag van moedeloosheid en somberheid greep de stoutste harten aan.

Mannen als Generaal de la Rey en Generaal Cronjé gingen Lord Methuen, echter, onverschrokken in den weg staan, en Generaal Botha nam vroolijk de wacht op de Tugela onder zijne zorg. Het bloedig en lang gevecht te Modderrivier toonde duidelijk aan, dat de Boer geenszins den moed verloren had. Het beleid van een de la Rey wekte vertrouwen op; de bloote naam van een Cronjé bracht wonderen te weeg. Nieuwe burgers stroomden naar Cronjé's vaandelen te Magersfontein, en de moed, het _moraal_, de vastberadenheid der Federalen werd bij den dag beter en sterker.

Op de hoogten bij de Stormberg Junctie stond commandant Olivier met een commando Vrijstaters en Koloniale rebellen (onder Commandant Swanepoel) de komst van Generaal Gatacre van het zuiden aftewachten.

Op alle punten, dus, waren de Boeren tot hun aloude tactiek teruggekeerd: zij stonden namelijk den vijand in posities, door henzelven uitgezocht, aftewachten; zij namen een zuiver defensieve houding aan. Van ouds af aan waren zij in de kunst van zelfverdediging geoefend en bedreven. Tegen Moselekatze en Dingaan hadden zij in 1836 en 1838 reeds hunne kracht in deze getoond. 't Was hun eigenlijk element. Vandaar dat het hun zoo zwaar viel, om van die vastgewortelde methode aftewijken, totdat jongere en geheel nieuwe Leiders ze later daarin voorgingen.

Niemand wist, echter, dat de Boer zulk een meester op defensief gebied was, als de onvergetelijke week, die met 10 December aanving, openbaarde. Op Laing's Nek had de Engelschman er een klein proefje van gehad; thans zou hij de volle maat ervan drinken. De »verachte, domme, ongeleerde” Boer gaf Generaal Gatacre op Zondagmorgen, den 10den December 1899, een _Stormberg_-nederlaag ter gedachtenis—den dag daarop kreeg Lord Methuen een _Magersfontein_-beker te drinken—en op Vrijdag, 15 December, verloor Generaal Buller met zijn 21,000 man, 30 veldstukken en 16 zware scheepskanonnen niet slechts den slag, maar ook tien kanonnen te _Colenso_!

De gansche wereld stond verbaasd! Engeland verstomde! De Boer was vereeuwigd!

Het kan zijn, dat een Europeaan over eenige eeuwen te Pretoria of Bloemfontein zal staan—God verhoede het!—en zijn reisgezel aldus mag toespreken:

»Hier hebben wij een der regeeringszetels van een uitgestorven volk: het volk der Boeren. Ze waren een eenvoudig en ongeletterd volk, zeer godsdienstig, zeer gehecht aan hun land, hartstochtelijk verkleefd aan hunne onafhankelijkheid en vrijheid. De grootste en rijkste goudmijnen der wereld werden, ongelukkig voor dat volk van boeren binnen hunne landpalen ontdekt. Een stroom van vreemdelingen vloeide hun land binnen. De meesten dezer waren Engelschen, en er bestond reeds lang tevoren eene wrijving tusschen Boer en Brit in Zuid-Afrika. Geen wonder, dus, dat het nieuwe en het oude element der bevolking het op den duur met elkander niet vinden konden. Zij wantrouwden elkaar! Het kwam later tot een samenzwering tegen de Boeren, waaruit de verradelijke inval van zekeren Jameson geboren werd. De spanning werd daardoor grooter dan immer te voren. Eindelijk ging de Imperiale Engelsche Regeering zich met de Uitlander-kwestie bemoeien, en.... de groote Oorlog ontstond, die den Boer zijn land, zijne onafhankelijkheid en later ook zijn volksbestaan kostte”..... Maar na een korte pauze, zal de denkbeeldige spreker er gewis ook dit bijvoegen:—

»Zij waren een dapper volk, die Boeren! Lang en hardnekkig hielden zij het tegen de overmacht van het Britsche Rijk vol. In ééne week versloegen zij drie Britsche legers: te _Stormberg_, _Magersfontein_ en _Colenso_! Nooit werden de Britsche wapenen zóó vernederd, als door die eenvoudige veeboeren. Zelden, indien ooit, heeft de wereld zulk eene volharding tot het bittere einde toe, zulk een edelen strijd voor de vrijheid aanschouwd. Al zijn de Boeren ook als een apart en zelfstandig volk van het wereldtooneel verdwenen, hunne naam is en blijft onsterfelijk.”

Wat ook de uitslag van den langen strijd zij, de burgers der twee Republieken van Zuid-Afrika kunnen den Engelschman fier in 't aangezicht zien. 't Is eene eer een Transvaler of Vrijstater te zijn, of te zijn geweest. Geen Hollandsche Afrikaner, die zelfrespect heeft, zal zich ooit kunnen schamen, dat het bloed der Boeren hem in de aderen vloeit.

En toch.... en toch.... is het uiterst jammer, dat deze overwinningen niet op een ander vreemd volk, dat onze kusten kwam aanvallen, door Boer en Brit te zamen behaald zijn. De Engelsche en Hollandsche elementen in Zuid-Afrika moeten te zamen één groot en sterk volk vormen, zal er iets van ons land terecht komen. Te zamen moeten wij leven en werken, eten en drinken, muziek en geschiedenis maken. Wederkeerige haat spelt en voorspelt slechts onheil, achteruitgang en ellende op elk gebied. Och! dat wij liever schouder aan schouder, zij aan zij, hand aan hand tegen een vreemde mogendheid hadden gestreden! Dan waren wij in den warmen gloed des oorlogs tot één patriotisch geheel samengesmolten. Geen Slachtersnek of Majuba, geen Jameson-inval of Kieswet zou ons van elkander hebben kunnen scheiden, indien wij gezamenlijk een vreemden indringer van onzen dierbaren, nationalen bodem geweerd hadden.

Die hoop is, echter, nu verijdeld. Van verzoening, samenwerking, wederkeerige achting tusschen de twee groote blanke rassen van onzen zuidhoek is er thans nauwelijks sprake. De hel dreigt dagelijks den hemel uit ons schoon maar ongelukkig land te verdringen.

Ziet! toen Sir George White in den trein te Durban stapte, op weg naar Ladysmith, riep een opgewondene schare hem toe: »Remember Majuba!” Dit wordt ons door Creswicke in zijn uitgebreid werk over den oorlog met blijkbaar welgevallen medegedeeld. _Nu_ hebben de lieve dames en heeren—wij noemen de dames vooraan, niet slechts beleefdheidshalve, maar omdat zij altoos in zulke zaken boven de heeren uitmunten—van Natal een »tweede Majuba” te betreuren. 't Is wel jammer voor hen, maar er is niets aan te doen. Het feit blijft. Der geschiedenis kan men niet _sh-t-t-t_ toeroepen. Eene daadzaak kan niet gearresteerd en levenslang verbannen worden!

Toen Generaal Buller voor de Residentie van den Gouverneur te Kaapstad afstapte, weerklonk het »Avenge Majuba! Avenge Majuba!” uit duizenden kelen. Dat vertelt dezelfde Engelsche schrijver ons, zonder eenige blijken van afkeuring. Mogelijk, gilde hij mee—als een echte »loyale” _van de twintigste eeuw_. Welnu, die goede lieden van de Kaapstad kregen een _Colenso_ en _Magersfontein_ in ééne week, om te herkauwen en te wreken.

De Boeren zijn ook geen Engelen—evenmin als zij Engelschen zijn. Wij hebben meer dan een—van de Britsche troepen als »die vuil natie” of »die vuil goed”, of »die verd...e rooinekke” hooren spreken, en ook andere ronde, Homerische uitdrukkingen hooren bezigen. Nooit echter hebben wij een geroep om wraak, als door Creswicke te boek gesteld, in de Republieken gehoord, of van zoo iets vernomen. Hunne nederlagen, zoowel als hunne overwinningen, werden bijna stilzwijgend ontvangen! Zij zijn phlegmatische, kalme, ingetogene menschen, in den regel; hunne zenuwen worden niet door het lezen van sensatiewekkende romans en nieuwsbladen en »penny weeklies” geprikkeld en verzwakt; zij houden niet van luidruchtige vertooningen, van fakkeloptochten, straatrumoeren, klokkengelui en vlagwaaierij. Zelfs na Colenso was Pretoria dood stil! Er was geen uitbundig gejuich en feestvreugde en dronkenschap: men ging ter kerke, om Gode de eer en den dank voor de overwinning te brengen.

De »loyale” Queenstowners hebben ook een groot ophef over Generaal Gatacre gemaakt, en meer dan één heeft gewis den mond volgehad van de »dirty Boers” en de »b—y Dutch”. Wij gelooven, echter, niet, dat zij ooit »Avenge Stormberg!” tot wapenkreet later gebruikt hebben, want hun held is daar het mikpunt der wereldbespotting geworden. Elkeen, zoo wel Brit als Boer, moet medelijden hebben met den armen Generaal, die met zijn leger zeven uur lang in den nacht ronddwaalde, om onverwachts tusschen zijne vijanden te land te komen. In plaats van aantevallen, werd hij aangevallen; en toen zijn voetvolk een heuvel wilden bestormen, werden zij door hun eigene batterijen in den rug beschoten! Arme drommels! Geen wonder, dat er ruim zes honderd stuks op het slagveld werden opgetild—waarvan velen aan 't slapen waren. Zij waren uitgeput, verward, moedeloos en vooral »disgusted” over den gekken afloop der onderneming. Of de Vrijstaters en de Koloniale Rebellen zich niet over het kluchtspel verbaasden!

Ongelukkige Gatacre. Aan persoonlijke dapperheid en lichamelijke energie ontbrak het hem niet, maar wel aan gezond verstand en een gelukster. Twee kanonnen verloor hij te Stormberg—de acht kanonnen, te Sanna's Post, door Generaal Christiaan de Wet later genomen, werden ook op zijne rekening gesteld. Hij kreeg zijn _congé_, hij moest van het oorlogstooneel verdwijnen.

»Waarom ging hij ons dan op een _Zondag_ morgen aanvallen?”—zal een Boer van den echten stempel eraan toevoegen. »Hij kon nog wel een dag langer gewacht zijn. Geen wonder, dat het met hem zoo slecht afliep.”

Dienzelfden Zondagnamiddag, zegt Conan Doyle, zond Lord Methuen zijn beroemde Schotsche Regimenten uit, om halfweg naar Cronjé's posities te Magersfontein te marcheeren. Om één uur den volgenden morgen zetten zij hun noodlottigen tocht—hun _via dolorosa_—voort. Gansch onverwachts kwamen ook zij onder het Mauser-vuur der Boeren en »700 man beten het stof in omtrent vijf minuten” (volgens Doyle). Generaal Wauchope, hun aanvoerder, werd doodelijk getroffen—eene paniek ontstond er onder de geoefende troepen—de eerste aanval was totaal mislukt. De Transvalers en Vrijstaters vochten dien dag als leeuwen, en Methuen met zijn 14,000 man kon zijn weg niet door dien levenden muur naar Kimberley doorbreken.

Later bezoeken wij het slagveld en spreken met Generaal Cronjé en anderen erover.

Bepalen wij onze aandacht wat langer bij de schitterendste, hoewel geenszins de zwaarste der Boerenoverwinningen: die van Colenso, op Vrijdag 15 December behaald.

Om dezen roemrijken slag te verstaan en te waardeeren, moet men weten, hoe moeilijk het ging, om den Boschkop of »Hlangwane” door onze mannen behoorlijk bezet te krijgen. Het fijne van de gansche geschiedenis is voor den Boer in dit ééne feit gelegen. Wij gingen in die dagen juist Generaal Meijer bezoeken, die nog te zwak en ongesteld was, om naar het front terug te keeren. Hij zat op zijn stoep te Pretoria en ons gesprek was bijna uitsluitend tot dien »Boschkop overkant der rivier” beperkt. De Generaal leefde als 't ware in den geest aan de Tugela bij zijn vriend en krijgskameraad, Louis Botha. Hij vertelde mij van de vele telegrammen, die er heen en weer over dien Boschkop gewisseld waren en nog werden. Hij zelf had aan Commandant Jozua Joubert van Wakkerstroom geseind, om persoonlijk zich voor het behoud dier gewichtige positie in de bresse te stellen—en later vond ik uit, dat gemelde Commandant dien eerepost met Commandant Muller van Standerton verdedigde. Ik vond ook later uit, hoe moeielijk het ging, om tot eene aannemelijke regeling omtrent de bemanning van dien gevaarlijken post te geraken. De opgewondenheid onder de officieren bij de Tugela moet zeer groot geweest zijn. Ja, het kwam zóó ver, dat op den Woensdagnacht vóór den slag er slechts één veldkornet met zijne manschappen op den Kop bleef. Zijn naam dient aan de vergetelheid ontrukt te worden. Het was Veldkornet Strijdom van Zoutpansberg. Had Buller dat geweten! In plaats van 1000 man, slechts een 50 of 60 op den sleutel tot de Tugela!

Wat zeg ik? Is Hlangwane niet ook de sleutel tot Ladysmith? Is dat niet later duidelijk gebleken? Toen Buller Hlangwane had, kon zelfs de Pieter's Hoogten niet tegen een flankaanval van den linkerkant (der Boeren) verdedigd worden. Zoo komt het mij althans voor. Maar ik kan in deze wel dwalen. Hoe het ook zij: Hlangwane was de sleutel tot de Tugela. Al onze overige posities beteekenden niets zonder het behoud van dien heuvel. De rivier schoot zoo diep naar het noorden in, dat de kop feitelijk achter de lijn der voornaamste heuveltjes en kopjes van ons centrum lag. Een paar kanonnen op Hlangwane—en wij moesten naar de groote bergranden tusschen Colenso en Pieter's terug!

»Die kop kan onmogelijk worden opgegeven”, seinden Generaal Botha en Generaal Burger. Kolonel Trichard was hetzelfde oordeel toegedaan. Generaal Erasmus evenzoo. Uit zijn ziekbed te Volksrust smeekte Generaal Joubert de burgers, om die positie toch niet in de handen des vijands te laten vallen. Van Pretoria telegrafeerde President Kruger, dat indien wij dien kop opgaven, wij alles konden opgeven. De ijverige, patriotische Staatssecretaris deed ook wat hij kon, om de officieren in deze moed in te praten. Aller aandacht was, vooral gedurende de laatste dagen, kort voor den aanval, op dit ééne groote punt gevestigd.

»Maar”—zegt iemand—»waarom was het dan zoo zwaar, om die positie te bezetten?” Omdat de kop zoo hoog en droog _over_ de rivier lag, zonder eene brug zelfs achter den rug, waarlangs men in tijd van nood kon retireeren, en daarbij zoo ver van al onze andere posities was verwijderd. Men moet weten, dat vele boeren niet zwemmen kunnen, en de meesten hunner niet in staat zijn over zulk een breeden stroom te zwemmen. Gelijk Kolonel Carleton's duizend man zouden zij daar op dien boschkop heel gemakkelijk kunnen worden ingesloten, indien het met de onzen slecht afliep. Als in een groot vinknest hing men daar hoog in de lucht, en dat wel aan den verkeerden kant der rivier! Dat was alles behalve prettig voor den gewonen burger. De Commandanten en Veldkornetten keken elkander schuin aan, en elkeen dacht bij zichzelven: »Waarom moet juist ik en niet hij, of hij op dien Eifeltoren gaan klimmen?” Alzoo liep de toren bijna leeg, terwijl Buller met zijn 21,000 man elk oogenblik kon aanstormen.

Generaal Botha werd bijna radeloos; maar, gesteund door de vele krachtige telegrammen uit Pretoria en van Volksrust, en onder den indruk van het gewicht der zaak, riep hij nog een laatsten krijgsraad op den Donderdag vóór den slag bijeen. Daar werd toen uitgemaakt, (door het lot, werd ons verteld!) welke veldkornetschappen daarheen zouden gaan. Alzoo stonden er duizend dapperen dien Donderdagnacht weer op Hlangwane, met twee flinke Commandanten aan hun hoofd. Den volgenden morgen vielen de Engelschen _eerst_ ons rechtervleugel en toen ons centrum en linkervleugel—op dien historischen heuvel—met geweld aan, om op elke punt met zwaar verlies te worden teruggeslagen. Ter elfder ure dus werd de sleutel tot de Tugela en Ladysmith door onze burgers goed en ferm aangegrepen en tegen alle aanvallen verdedigd. Later wierp de Z. A. S. M. er een stevige brug over de rivier tegenover de Tugela, en het was slechts uit gebrek aan manschappen, dat Generaal Botha tegen het einde van Februari die positie niet kon behouden.

[Illustratie: Slag bij Colenso.]

Onze voornaamste posities tegenover Colenso waren: _een klein heuveltje_,—met een fort erop, kort te voren door de Engelschen verlaten—vlak tegen de rivier aan, waar de gebrokene spoorwegbrug gelegen was. Daar achter en op scholen de Krugersdorpers en een kleine afdeeling Johannesburgsche Politie. Dat was links van den spoorweg naar het zuiden loopend. Aan den rechterkant van de lijn was er een tweede heuveltje en verder rechts vinden wij de voornaamste punten door ons centrum bezet: de _Rooi-Randjes_, zoo als de Boeren ze noemden. Het waren twee lange heuvels, die evenwijdig van elkander naar de rivier afliepen, en een derde, die ietwat hooger was en dwars tegenover en achter de anderen. Daarop waren er steenen muren gestapeld en een groot commando burgers uit verschillende districten namen daar hunne stelling in, vooral in de voorste twee randjes. Op den achtersten rand waren er 2 Krupps, 1 Howitzer en 1 Pom-pom gesteld. Dat was al het grof geschut voor ons centrum! Op Hlangwane was er niet eens een Pom-pom, volgens de informatie mij gegeven. Dan was er ook bij de Wagenbrug een klein kopje, door ons bemand.

Rechts van de »Rooi-Randjes” liep het groote wagenpad naar Ladysmith. Er was een wijde, effene vlakte van eenige mijlen, eer men weer schuiling kon vinden. Zoo groeven eene afdeeling Heidelbergers en de Swazieland Politie zich lange slooten van oost naar west. Deze was de eerste maal, dat er in Natal door onze burgers zoodanige grachten gemaakt werden. Het experiment beantwoordde uitmuntend—evenals te Magersfontein—en werd later meermalen beproefd. Dan volgde er een heuvelrand ook door de Zoutpansbergers bezet, en een Fransche snelvuurder werd ver naar achteren op een bergtop, ter bescherming dier posities gesteld. De Ermelo-burgers vormden onzen rechtervleugel. Zij maakten gebruik van eenige kopjes, die er in de breede vlakte waren en van de voorpunt van een grooten bergrand, waarop er ook een Creusot geplaatst werd.

Het verslag van 't gevecht door den heer Tobias Smuts—later tot Generaal gekozen—opgesteld, zal nu wel duidelijk zijn. Het luidt als volgt:

Colenso, 22 Dec. '99.

Den Weled. Heer N. HOFMEIJR, Pretoria.

_Waarde Heer en Vriend!_

Op uw verzoek zend ik U een verslag van het gevecht van 15 Dec. j.l. Gij moet in aanmerking nemen, dat ik mij daartoe niet in staat acht, toch wil ik trachten U zoo nauwkeurig mogelijk de toedracht van de zaak te beschrijven en U de feiten, die mogelijk eenige historische waarde mogen hebben, naar waarheid weertegeven, voorzooverre ik er ooggetuige van geweest ben. Daar gij zelf hier waart en onze posities gedeeltelijk in oogenschouw hebt genomen, vlei ik mij met de gedachte, dat mijn beschrijving voor U wel verstaanbaar zijn zal. Als U erin slaagt, daaruit eenige informatie te kunnen putten, en ik alzoo zal hebben bijgedragen tot het weergeven van de ware feiten, tot nut en leering van ons nageslacht en tot de juistheid onzer geschiedenis, zal ik mij voor mijne moeite volkomen beloond achten. Ik sluit hierbij eene schets van het terrein, die gij beschouwen moet, als komende van iemand, die van schetsen geen idee heeft.