Zes maanden bij de commando's

Part 15

Chapter 153,718 wordsPublic domain

Misschien is deze de plaats, om eens voor altoos te verklaren: dat al dat praten over _vreemde officieren_ onder onze Artilleristen puur onzin is. Wij hadden eenige Duitsche onderofficieren, zoo als de Tweede Luitenants Groothaus en Oelofse bijvoorbeeld, maar die waren al jaren vóór den strijd in onzen dienst, en zullen de laatsten zijn, om te zeggen, dat zij onze Majoors en Kapiteins en Luitenants hebben leeren schieten. Onze beste Artillerieofficieren waren ontegenzeggelijk geboren Transvalers (uitgesloten Majoor Albrecht, die den Vrijstaat onschatbare diensten bewezen heeft en bij »de twee Rivieren” vooral uitmuntend werk deed). Kapitein Schiel heeft niets met de kanonnen te Elandslaagte te doen gehad; de Villebois stond eenvoudig met bewondering bij Colenso toe te kijken, hoe onze burgers en Artilleristen zich van hun respectieve taken kweten; de heer Léon stelde slechts de Long Toms op hun »platforms,” en zelfs Majoor Albrecht was ruim twintig jaar in den Vrijstaatschen dienst, eer de ongelukkige oorlog begon. Al het schieten met de kanonnen, overal en in elken slag, was het werk van de gewone, bekende leden van de Artillerie Corps (meestal jonge boerenzoons) der twee kleine Republieken. Er is zelfs iets ironisch in die bijtende aanmerkingen in Engelsche bladen en boeken, omtrent de hulp door Europeesche, vooral Duitsche en Fransche Artillerieofficieren aan ons betoond. Hadden wij liever wat meer notitie van die Europeesche deskundigen genomen! De Boer denkt temin van den zoo genaamde deskundigen! Hunne raad werd zelden gevraagd, en, indien gegeven, bitter weinig opgevolgd. _Tot ons schade en nadeel—zagen onze Officieren die Europeanen gewoonlijk over het hoofd._

Gehoord hebbende dat mijn oude vrienden van het Ermelo-commando, op onzen rechtervleugel aan de Tugela lagen, stapten wij daarheen in de brandende hitte van dien zomerschen dag. 't Was eene wandeling van goed drie kwart uur, maar wij werden beloond door volop kost en een hartelijke ontvangst. Commandant Grobler gaf ons wat koffie en beschuit—of wij niet honger dien dag hadden!—en de heer Tobias Smuts was ons tot gastheer voor de weinige dagen, die wij daar mochten doorbrengen.

Dienzelfden avond nog vond er een _impromptu_, publieke vergadering, in het Ermelo-kamp plaats. Generaal Daniel Erasmus was van het Hoofdlager bij Ladysmith met een telegram van Generaal Joubert—toen op een ziekbed te Volksrust—overgekomen en Generaal Prinsloo vergezelde hem. Het geschiedde alles bij het licht der sterren en zonder eenige formaliteit. Men hoorde een geroep van: »Vergadering! Burgers!” en die lust had, ging naar de plaats, waar er een klein klompje reeds bijeengekomen was. Het klompje wies aan tot een vrij groot heir, en Generaal Erasmus nam het woord. De voornaamste punten waarop de Commandant-Generaal in zijn boodschap aan de burgers wees, waren: (_a_) de aanstelling van mannen als de burgers Fourie en Tobias Smuts—die later beiden tot Vecht-Generaals verhoogd werden—en andere geschikte burgers, ter assistentie der Generaals in 't gevecht, en (_b_) de keuze van een korporaal door elk klompje van vijfentwintig (min of meer) burgers van elk veldkornetschap, die als voorman van die kleine afdeeling in den strijd kon optreden. Alzoo werd de Boer allengskens wijzer, terwijl hij oorlog voerde, en kwam er langzamerhand orde en regel onder onze losse en onsamenhangende gelederen.

Generaal Prinsloo sprak ook een kort woord, dat nog al puntig en krachtig klonk. Hij was een korte, breede, gezette man, min of meer van hetzelfde postuur als Generaal Joubert en Generaal Cronjé—een typische patriarchale »vader in Israël”, zeer vroom en uiterst eenvoudig. Hij had echter noch het brein van een Joubert, noch het vuur van een Cronjé. Niemand echter, zou in die eerste dagen zulk een pijnlijk aftreden van 't oorlogstooneel als te Fouriesburg (onzaliger nagedachtenisse!) in _hem_ hebben tegemoet gezien!

De heer Tobias Smuts was in vele opzichten het tegenovergestelde van al de andere Boerenofficieren. Hij was kort en daarbij schraal, klein en fijngevormd; blond van kleur als Piet de Wet en voorzien van dezelfde azuren oogen. Daarbij echter was hij een man, die een degelijke opvoeding had genoten—te Stellenbosch en elders—en zich zeer goed in beide, 't Hollandsch en 't Engelsch, kon uitdrukken. Aan zijne persoonlijke dapperheid twijfelde niemand, aan zijne voorzichtigheid, zijn beleid en zijne helderheid van geest nog minder; maar de magnetische persoonlijkheid van Generaal Botha had hij niet. Uit zijne pen hebben wij een verslag van het Colenso-gevecht ontvangen, dat later in dit werk zal opgenomen worden. Van hem ontving ik ook een »Leven van Washington” in 't Engelsch, dat ergens op den tocht om Estcourt werd opgeraapt en mij en anderen later veel troost verschafte. De naam van Generaal Louis Botha was toen reeds op aller lippen. Jong als hij was (tusschen 35 en 40), werd hij door oud en jong bemind en geacht. Ongelukkig vonden wij hem niet in zijne tent—zoowat een half uur te paard van 't Ermelo-lager—toen wij hem den volgenden dag gingen bezoeken. Hij was druk bezig persoonlijk het terrein te bezoeken en te onderzoeken, en zich alzoo voor den grooten schok van het zuiden klaar te maken. Sterk en gezond, werkte hij in die dagen reeds zooals weinige Generaals het hem kon nadoen. Daar hij nog jong en onervaren was, ging hij steeds met zijn oudere wapenbroeders te rade. Ootmoedig en bescheiden van aard, raadpleegde hij mannen als Generaal Burger, Colonel Trichard en Generaal Daniel Erasmus, in verband met de door ons op te nemen stellingen te Colenso. Mogelijk is het aan dit ééne feit vooral te wijten, dat hij zelfs door zijne medeofficieren geacht en bemind werd. Alle jaloezie en naijver en achterdocht smolten weg voor zijn hartelijke, nederige, eerbiedige houding jegens zijn medegeneraals. Generaal Botha heeft wonderen in den oorlog verricht: dit laatste is, onzes erachtens, niet het kleinste!

Ver naar het zuiden, rechts van Frère-station kon men in die eerste dagen van December met een goed _Zeiss_ veldkijker de heuvelen zien, waar Generaal Buller zijne legertrossen verzamelde. De tijd om deze concentratie van troepen te beletten, door de communicatie met de zee aftesnijden, was voorbij. Met vastberadenheid en moed wachtte de Boer toen den naderenden storm af. Zijn talent voor wachten en zelfverdediging was altoos zijn sterke zij: aan de oevers der Tugela zou dat weêr schitterend bevestigd worden. Onze verkenners kropen 's nachts tot na aan het vijandelijke kamp (Kapitein Ricciardi bijvoorbeeld, een dappere Italiaan, die door Generaal Botha zeer geprezen werd), en waren van oordeel, dat het nog eenige weken kon duren, eer er een slag te Colenso zou plaats vinden. Dit was ongelukkig voor de twee landloopers, om redenen die hier niet behoeven genoemd te worden, van het Tugela-tooneel moesten verdwijnen naar Pretoria, om vandaar een nieuwe expeditie naar Magersfontein te ondernemen.

Toen wij met leedwezen onze vrienden aldaar verlieten, waren er reeds eenige duizenden kloeke burgers vergaderd. Generaal Andries Cronjé (Winburg) hield ver naar het westen voorbij Trichardsdrift de wacht op ons uitersten rechtervleugel, en dicht bij de Ermeloërs zagen wij de lagers van Standerton, Vrijheid en Wakkerstroom; terwijl die van Krugersdorp, Heidelberg, Zoutpansberg, en de Swazieland Politie in de richting van den spoorweg zich uitspreidden. De tenten blonken er in de zon bij honderdtallen—in die dagen had men reeds de tenten, te Dundee genomen, in gebruik, alsook anderen uit Pretoria en Johannesburg verzonden;—de zware wagens kwamen met een geweldig geruisch over het oude bergpad aanrollen—een duidelijk teeken van het zelfvertrouwen, dat er toen reeds in onze gelederen heerschte: een zelfvertrouwen, dat slechts de keerzijde van vertrouwen op God bij de meesten was.

XXIII

De »Platte Rand”

Van de Tugela naar den zoogenaamden Platrand ging het te voet. Per spoor waren wij Natal binnengekomen; per rijwiel zetten wij de reis voort; later ging het in een rolwagentje; thans volgden wij het voorbeeld der Duitsche studenten. Met Mauser-pistool en overjas over den schouder geworpen en een paar blikjes vleesch in den zak, verlieten wij de Tugela vroeg op een morgen. Wij bekommerden ons over geen pad, maar peilden recht uit in de richting van zekere hooge kopjes, die wij op onze reis naar Colenso langs den weg hadden opgemerkt. Het waren niets minder dan de beroemde Pieter's hoogten, die wij in 't oog hielden. Het geval wilde, dat Commandant Christiaan Botha, broeder van Generaal Louis Botha, de laatste man was, wien wij de hand bij de Tugela-posities drukten. Hij stond er dicht bij zijn lager (Zoutpansberg Politie), dat wij voorbij moesten. In postuur en gelaatstrekken gelijkt hij veel op zijn bekenden broeder. Later werd hij tot Vecht-Generaal verkozen en toen Buller tot aan Laing's Nek was doorgedrongen, tegen het einde van Mei 1900, was »Chris” Botha de eenig overgeblevene Boeren-Generaal in Natal, die hem met een paar duizend moedelooze burgers den weg trachtte te versperren. Vriendelijk, hartelijk en opgeruimd, groette hij ons dien vroegen morgen en dapper gedroegen hij en zijne mannen zich in het Colenso-gevecht.

Het was geen gemakkelijke taak, de steile hellingen van Pieter's hoogten te beklimmen. De hitte was ook bijzonder sterk en het kostte ons menige zweetdroppel. Wij wisten toen natuurlijk niet, dat die hoogten de laatste stellingen onzer burgers in hun geweldigen strijd tegen Buller zouden uitmaken, en dat er meer bloeddruppelen daar dan op eenige plaats in Natal, behalve op Spionkop zouden vallen.

Op den namiddag van 23 Februari 1900 zouden eenige Iersche regimenten twee maal alle krachten inspannen, om deze hoogten in te nemen, maar telkenmale met groot verlies teruggeslingerd worden. Veel, veel bloeds werd er daar verspild. Volgens Winston Churchill, die bij Buller was, zijn er niet minder dan 2 Kolonels, 3 Majoors, 20 andere officieren en 600 man op dien éénen namiddag daar gedood of gewond! Ook de onzen hebben er zwaar geleden. Ongelukkig kunnen wij geen cijfers opnoemen. Hoort ook hoe Conan Doyle zich over dit gevecht uitlaat:

»'t Was een uitermate brillante aanval tegen een uitermate standvastige verdediging, want de Boeren vochten nooit beter, dan zij dien dag deden. Onder een verpletterend kanonvuur, zooals geen levende schepsels ooit hebben doorgemaakt, stonden zij pal en ferm, snel en juist op de Ieren schietend. De Inniskillings waggelden, sprongen voorwaarts, waggelden nogmaals, werden door afdeelingen van de Dublins en Connaughts gesteund, snelden weer voorwaarts, waggelden nogeens en—werden nu eindelijk opgelost in brokjes en reepjes, die haastig terugliepen, om schuiling te zoeken. Nooit op deze aarde is er eene terugwijking geweest, waarover de overgeblevenen zich minder behoefden te schamen. Zij hadden tot het uiterste toe volhard. Menschelijke kracht kon niet meer verduren. Eere aan hen, en eere ook den dapperen Hollandschen (Afrikaanders), die zulk een hevigen aanval hebben getrotseerd. Vandaag voor hen, morgen voor ons—maar het past een soldaat den God des oorlogs voor waardige vijanden te danken!”

Hier op dezen heuvel viel de vroolijke, dappere Jan Luttig van Pretoria, een oud-leerling van 't Victoria College te Stellenbosch en jaren lang een trouwe ambtenaar der Zuid-Afrikaansche Republiek. Toen zijn aangenomen Staat in gevaar kwam, was hij een van de eersten, om het geweer in de vuist te nemen. Bij het opblazen van den Howitzer op Surprise Hill door de Engelschen, in den nacht van 12 December, had hij een nauwe ontkoming en onderscheidde hij zich op bijzondere wijze.

»Vier Engelschmans kregen Jan Luttig beet”, schreef een zoon van den heer F. W. Reitz, die zich ook aldaar zeer flink gedroeg,—» zij sloegen hem op 't hoofd met hun geweren en staken hem in den buik met een bajonet. Hij greep er twee hunner bij de keel en schreeuwde: »Help kerels”! Zijn naaste buren schoten er twee en de andere twee gingen er van door”. Bij deze gelegenheid sneuvelden ook de flinke Johnnie Niemeyer en Desiré de Villiers, van Pretoria. Jan Luttig keerde terug naar Ladysmith, na zijne wonden genezen waren, en als vrijwilliger zien wij hem te Pieter's vechten en helaas! sneuvelen.

»Geestige, grappige vriend! uw grafheuvel is ons niet bekend, maar uw naam is voor duizenden in Zuid-Afrika onsterfelijk. Rust in vrede!”

Welk een ontzettende kanonnen-symphonie zou er gedurende de laatste, donkere dagen van Februari—juist nu Generaal Cronjé zich had overgegeven!—alhier gehoord worden. De breede vlakte aan den voet der hoogten, van hier tot ver bij Bulwana, is betrekkelijk open en effen, bij uitnemendheid voor een flankbeweging op onzen linkervleugel geschikt. Zulks geschiedde dan ook, eer Buller de Pietershoogten in bezit kon krijgen. Gemakkelijk kon hij met zijn scheepskanonnen tot over de Kliprivier schieten, want de hooge en gewichtige Hlangwane was in zijn bezit geraakt. Men verhaalde ons later, dat de lyddiet-bommen het werkvolk aan den reusachtigen dam in de rivier op de vlucht sloegen. »Duizenden zakken zands, minstens 40 voet hoog boven de oppervlakte der wateren en zoo wat 70 tot 80 voet wijd over de rivier gestapeld”—zegt Lord Rosslyn in zijn werk »Twice Captured”—»waren het middel, waardoor men het grootste deel eener brug over de Kliprivier bouwde. 't Was een wonderwerk!” Het doel ervan was, om de Engelschen uit hunne schuilhoeken in de rivierwallen enz. te verjagen. Evenals menig ander groot en kostbaar werk in oorlogstijden, bleek het een totale mislukking—een Sisyphus arbeid—te zijn. Even als het beleg van Ladysmith, moest ook dat reuzenwerk gestaakt en opgegeven worden. Toornig en brullend verliet Long Tom No. II zijn hooge stelling op Bulwana's kruin in het holle van een donkeren nacht, terwijl de electrische zoeklichten en gevaarlijke scheepskanonnen van Ladysmith op Majoor Wolmarans en zijn trouwe trawanten speelden. Ook die arbeid was tevergeefs. Al de moeite en het lijden en de offers waren op niets uitgeloopen. O! welk een treurige nacht voor onze Generaals, toen zij, na Ladysmith 118 dagen te hebben ingesloten, de stad in der haast moesten verlaten. Waar was onze Frederik Hendrik—onze »Stedenbedwinger?”

Eén ding kon die ramp hebben voorkomen: de inneming van den Platrand. Dat wist elkeen. Daarvoor ijverde onze Staatsprocureur en de Villebois en ook andere mannen van invloed en energie, totdat het eindelijk, op 6 Januari 1900, zoo ver kwam—dat wij den Rand _bijna_ innamen. Bijna, maar nog niet. Bijna.... dus geheel en al niet!

Wij stapten van Pieter's naar het lager der Duitschers (ongeveer 100 man), dat het naast aan den Platrand lag, omdat wij vermoedden, dat er vroeger of later wat groots aldaar zou gebeuren. Wij wilden in elk geval het terrein goed in oogenschouw nemen en ook den sterken, drie mijl langen heuvel schetsen. Wederom ging het zonder wegwijzer of gids. Wij liepen eenvoudig voort in de richting van den Platten Rand, in de hoop er wel vroeger of later te zullen aanlanden. Een paar Kaffers werden op weg door ons aangetroffen, die ons van eenige hulp waren, toen wij verdwaald raakten. Zij konden ons tenminste met den vinger wijzen in de richting, waar er Boerenlagers waren. Treffend was het ons een ploeg op een stuk land door een os te zien trekken, onder toezicht van een paar Kaffers. Nuttige arbeid te midden van een onnoodigen, verwoestenden oorlog: landbouw tusschen gewapende legers! Zola heeft iets dergelijks lang voor ons in de omgeving van Sedan met het oog der verbeelding gezien, zooals de lezers van zijn »Débâcle” zich herinneren zullen. Geheel en al uitgeput kwamen wij tegen één uur dien dag bij de gastvrije tenten der Duitschers aan. De afstand van de Tugela naar het Duitsche lager wordt op twaalf of dertien mijl geschat, maar wij kenden den korsten weg niet en liepen eenvoudig »achter onzen neus aan”, zoo als men het noemt. Commandant von Quitzow en zijn opvolger Commandant Krantz behandelden ons beiden zeer vriendelijk. Wij waren hongerig, en wij kregen overvloedig te eten; dorstig, en men gaf ons genoeg te drinken. Een paar flesschen Duitsch bier, die wij met den heer Schmitz-Dumont in diens tent ontkurkt hebben, bleven ons in aangename herinnering, vooral toen de treurmare tot ons te Magersfontein de volgende maand doordrong: dat ook hij te Spionkop gevallen was! Luitenant Groothaus deelde zijn tent met mij en dikwijls bespraken wij de toestanden om Ladysmith met elkaar. Hij liet zich natuurlijk sterk uit over het fiasco, in een vroeger hoofdstuk beschreven, en ging met ons zoo na als mogelijk aan de Britsche posities, om ons het een en ander duidelijk te doen zien.

Het was, terwijl wij door onze veldkijkers de menigte forten en fortjes, sangars en schansen te Caesar's Kamp en Wagen Heuvel bekeken en bespraken, dat het Engelsche kanon van den Heuvel een paar schoten in onze richting loste. Geen seconde verliep er, naar het mij toescheen, tusschen het dubbele geluid, in zulke gevallen zoo duidelijk hoorbaar: het eerste wanneer de bom het kanon ontglipt, het tweede, wanneer hij in uwe nabijheid tegen den grond ontploft. 't Was mij alsof een geweldige Pom-pom twee harde schoten afvuurde. Zóó dicht bij de Engelsche verdedigingslijn, als wij daar waren, bevonden wij ons slechts bij de voorste posities der Pretoria-stedelingen, recht noord van de stad; maar daar was geen grof geschut op »Observation Hill”, of wat het Engelsche fort ook heeten moge. Er is trouwens ook slechts een breede, vruchtbare vallei, waarin de prachtige boerenplaats van den heer Willem Bester Sr. gelegen is, tusschen ons en Caesar's Kamp. Het woonhuis en de kraalmuren en landerijen van mijn ouden vriend, den heer Bester voornoemd, konden wij duidelijk onderscheiden. Twintig jaar geleden had ik het genot eene aangename muzikale week, onder datzelfde gastvrije dak door te brengen: thans is het huis verlaten en vliegen er Engelsche en Transvaalsche bommen en kogels over de plaats henen. Cachet's »Worstelstrijd der Transvalers” las ik voor het eerst daar in dat huis: thans zag ik een nieuwen, oneindig grooteren Worstelstrijd voor Vrijheid met eigen oogen. De eerste strijd bracht geen volkomene vrijheid: wat zou de tweede opleveren?

_Apropos_: een onzer slachtossen, ver achter ons weidend, werd in 't been dien dag door het kanon getroffen.

Laat ons het oog van deze hoogte wat rond werpen: links van ons, daar onder dien hoogen kop, eenige mijlen van het Duitsche Kamp, is er een lager. 't Is dat der Harrismithers onder hun dapperen Commandant Cornelis de Villiers. Als jongeling, hoewel Vrijstater, nam hij aan de bestorming van Majuba deel. Als grijsaard, hoewel nog in de volle kracht zijns levens, zal hij aan een veel grootere onderneming op 6 Januari het leven wagen. Boven op den top van de hoogte, bij zijn kamp, is er een Boerenfort, waarin Long Tom No. 3 bij zijne aankomst geplaatst werd. Spoedig echter, moest hij die gevaarlijke positie ontruimen, daar de lyddietbommen het hem te lastig maakten. Aan de Tugela, echter, en bij name in het gevecht tusschen de Pont- en Molendriften (Buller's _derde_ poging om door te breken), kreeg onze teleurgestelde Creusot zijne kans om wraak te nemen. »Maar deze is een andere storie”—zoo als Kipling het uitdrukt. Verder treffen wij de Winburgers, Heilbronners en een deel der Kroonstadters aan, die allen tezamen met de Harrismithers op 6 Januari de westelijke punt van den Platten Rand (Waggon Hill) zullen bestormen.

Rechts van ons zijn er de Vrijheid- en Utrecht-lagers, die, met vrijwilligers uit de Pretoria stedelingen, de Heidelbergers en de Lijdensburgers, de oostpunt (Caesar's Kamp) zullen bestoken.

Dat was een gevecht, zooals de oorlog er maar weinige heeft opgeleverd! Van 4 uur in den vroegen morgen tot den avond duurde het onafgebroken voort. De Vrijstaters verwierven zich grooten roem in den aanval en verloren eenige voorname mannen zooals Veldkornet J. C. Cilliers van Heilbron. De Transvalers hadden echter, volgens Conan Doyle, veel betere versterkte posities tegenover zich dan de Vrijstaters. Gevolgelijk kregen zij het wat zwaarder en verlieten zij het slagveld het eerst. Long Tom No. 1 kon dien dag ongelukkig niet helpen, daar Generaal Hunter hem en zijn zijmaat, den Howitzer, in den nacht van 9 December op Gun Hill had vernield. Ook hij echter kreeg zijn _revanche_ te Kimberley, waar hij onverwachts weer, als een Fenix uit de assche, te Kamfer's Dam verrees. Van Bulwana's hoogen top deed Majoor Wolmarans wat hij kon met Long Tom No. 2, om de twee Engelsche batterijen, die de verdediging steunden, in haar werk te belemmeren. Volgens alle rapporten ging het er woest en bloedig toe op den Heuvel op dien onvergetelijken dag. De Boeren vermeesterden de helft des Heuvels; maar de Britten klemden zich aan de andere helft zoo geducht vast, dat zij er niet van af te krijgen waren.—»Hadden zij, zooals in de oude Majubatijden (schrijft Conan Doyle) gevochten,—_en masse_ in gelid, bij hoopen en klompen schietend, en zich overal aan de kogels der Boeren blootstellend—zij zouden in een uur tijds van den Heuvel zijn afgeveegd.” De Brit had echter, ook al oorlogende, oorlog leeren voeren! Van den Boer nam hij de kunst van schuiling te zoeken en ook te vinden en te gebruiken over. Ook kregen de verdedigers veel geregelder en beter en meer dan wij, de zoo noodige versterking, die in zulke harde gevechten zoo onmisbaar zijn. In dat opzicht viel er heel wat onzerzijds te klagen—vernam ik uit goede bronnen. De samenwerking was nog niet, wat zij behoorde te zijn! En toch is de Platrand dien dag bijna voor de Engelschen verloren. Meer dan eens trilde het lot van Ladysmith op 6 Januari in de weegschaal. Getuige een heliogram als dit, bijvoorbeeld, uit Ladysmith naar Buller verzonden: »The attack received. Very hard pressed.” O! het was ongetwijfeld ook voor den vijand een zware en bijna wanhopige worsteling. Het lot van de stad stond op het spel. De val van Ladysmith zou noodwendig—volgens deskundigen—op de inneming van den Platten Rand zijn gevolgd. En dan?—Welk eene verandering had de oorlogsgeschiedenis niet mogelijk ondergaan? Maar genoeg: het is niet gebeurd. De Brit vocht met moed en de taaie Boer moest den strijd opgeven en den sleutel tot Ladysmith voor altoos uit zijne bebloede hand laten vallen.

Opmerkelijk is het, dat tegen 4 uur in den namiddag er een geweldige donderstorm, evenals te Elandslaagte, op de vechtenden losbrak. De watervloed kon echter het bloedbad niet dempen. De Homerische strijd duurde voort totdat de duisternis de aarde bedekte en de Federalen op alle punten de wijk namen, ruim honderd dooden op 't veld latend.

Op Spionkop, geen drie weken later, zou het beter voor ons afloopen: De Boer wordt wel ontmoedigd, maar zijn moed herleeft ook spoedig weer. Er is pit, er is ruggegraat in hem; hij kan volharden met eene volharding, die men zelden onder de meer beschaafde volkeren aantreft. Wij spreken natuurlijk van het beste deel der Transvalers en Vrijstaters,—dat deel, dat de onafhankelijkheid van land en volk liever had dan goud en gemak, huis en akker, vrouw en kind, ja dan het leven zelf.