Zes maanden bij de commando's

Part 14

Chapter 143,844 wordsPublic domain

Ik was erg uit mijn humeur over al dat praten en praten en nog eens praten, zonder meer, en toen eenige mannen in mijne nabijheid aan 't pochen gingen, viel ik hen in de rede met een vinnig:

»_Doet_ iets—wat _praat_ jullie zoo veel!” Een paar kerels gingen kort daarop henen, zonder een woord te uiten, en ik was de zaak reeds lang vergeten, toen mijne aandacht door een vijftig of meer ruiters getroffen werd. Zij verlieten den voet van Gun Hill en reden op een stap de vlakte der Kliprivier in. Na een half uur rijdens verdeelden zij zich in twee groepen en verdwenen zij geruimen tijd in de dichte doornboomen, die daar welig tieren. Aller aandacht werd van toen af in de richting van Helpmalkaar Heuvel getrokken. De ruiters gingen blijkbaar daarheen. Was het Fort op den top des heuvels verlaten, of scholen er Lee Metfords achter de vele schietgaten?—We hielden den adem op en zwegen. Plotseling knetterden de geweren in de schijnbaar verlaten vlakte. Er was niets in het fort te zien, maar, er werd ongetwijfeld daar geschoten. Wat gebeurde er? Wat was er van onze waaghalzen geworden?—Het antwoord kwam spoedig in den vorm van een boel jagende ruiters. Zij kwamen in vollen galop naar Lombard's Kop terug. Of de Lee Metfords en Maxims dreunden! Of onze Howitzer niet blij was, om een paar welgerichte bommen in 't midden en tegen de wallen van 't fort te spuwen. Hier komen de wilde jagers aan: sommigen zonder hoed. Anderen komen er achterna te voet aangehold. Later bleek het, dat de heeren Boshof en Maynard—die er met ons aan 't praten waren—een boel Ieren en anderen (Jack Hinton, de roekelooze Engelsch-Transvaler was er ook onder) bij malkaar gekregen had, en dus op een verkenningstocht naar het »verlaten fortje” gegaan waren. Zij kwamen op een paar Engelsche paardenruiters af, die zij uit hun zadels lichtten door kleine Mauserpillen en werden onmiddellijk daarop door een hagelstorm van kogels uit 't fortje begroet. Het fort was »very much alive” zei Jack Hinton! Menig Ier liet er een hoed achter en sommigen hunner konden niet gauw genoeg hun paarden bestijgen, vandaar de gedwongene voet-_race_. Een ambulancewagen snelde naar het vermeende slagveld, maar er was geen gewonde of doode te vinden. Het fraaiste van het heele kluchtspel was dit: dat geen officier die vagebonden gelast hadden het zaakje te ondernemen, maar de heeren Boshof en Maynard mij gaarne met eene _daad_ wilden verrassen!

Eenige weken later werd het andere raadsel mij eerst opgelost. De burger-officieren in de nabijheid van den Platrand hadden een eigen private vergadering gehad en waren tot het besluit gekomen: om _niets te doen_! Zij stemden in de minderheid in den bewusten grooten Krijgsraad hierboven genoemd; op _hen_ viel het gevaar van de bestorming—zij bleven dus eenvoudig in hunne tenten. Het waren Transvaalsche en Vrijstaatsche officieren—het was een schandaal een fiasco tegelijk; niet werd er echter in de zaak verder gedaan. Er werd ook gezegd, dat Generaal Prinsloo en Generaal Joubert beide tegen de bestorming waren, maar voor de waarheid hiervan kan ik mij niet borg stellen. Het andere, treurige, akelige heb ik van de beste bronnen vernomen.

Commentaar is onnoodig.

Ik heb dit feit, echter, met opzet prominent voor de aandacht gebracht, omdat het een helder licht werpt op de ontzaglijke moeilijkheden van oorlog voeren met een _volks_-leger. Wie kan zich een denkbeeld vormen van de taak, die onze voormannen op de schouders drukte? Wie kent de onderlinge jaloesie en naijver en wederkeerige verachting van elkander, die helaas! maar al te dikwijls onder onze Officieren gevonden werden? Zij waren de kinderen der Voortrekkers, de groote doch zeer menschelijke Helden, die hun die treurige erfenis nalieten.

Indien dit nu met »het groene hout” geschiedde, wat van »het drooge”? Wat van de gewone burgers? De brilliante schrijver, G. W. Steevens, de student der menschelijke natuur bij uitnemendheid teekent onze boeren aldus af:—

»Zij zijn groote, gebaarde mannen,—los van leden, onverschillig omtrent hunne kleeding,—die hun kleine paarden op een pas-gang (»rocking-chair canter”) rechtop en gemakkelijk berijden. Hun ongekamde, ruwe, door de zon gebrande gelaatstrekken en blauwe oogen drukken trage goedaardigheid, bedaarde standvastigheid en sluimerend vuur uit. Zij vragen om nieuws in zacht, lispend Hollandsch, als door eene vrouw gesproken; maar de trage heerschzuchtigheid in hunne manieren doorstralend bestempelt ze als vrije mannen.”

Ja! zij waren »vrije mannen”. Goddank voor den edelen vrijheidszin, de liefde voor onafhankelijkheid, die ook van de vaderen geërfd is. In oorlogstijd, echter, moet de gewone burger niet al te vrij zijn. Hoe kan er een behoorlijk, georganiseerd geheel zijn, als de leden, die dat geheel moeten vormen, geen tucht of discipline willen verduren?

't Is weer de oude, oude waarheid: _elke deugd heeft hare eigene ondeugd_, als men niet ervoor oppast! Elke lichtstraal vormt eene schaduw. Onze Boeren, gelijk alle andere menschen, hadden de schaduwzijde hunner bijzondere kracht, de fout hunner eigenaardige individualiteit, de beperking aan hun eigendommelijk karakter verbonden. Zij waren zeer vrij, al te vrij, veel te vrij voor de behoeften van een leger. De edele geest van onafhankelijkheid en gelijkheid werd ons ten vloek en ten val.... voor een tijd!

Krachtige persoonlijkheden als Generaals Cronjé, de la Rey, de Wet en Botha hebben veel door woord en daad bijgedragen, om den al te vrijen geest der burgers te beteugelen. Hun voorbeeld en ook dat van vele ernstige en invloedrijke mannen werkte als een krachtige zuurdeesem, tegen het dreigend gevaar van bederf en verrotting. Maar het was vooral door bittere, duurgekochte ondervinding, dat de overgeblevene burgers wijsheid leerden. De wreede, meedoogenlooze marsch der gebeurtenissen verwerkte het prachtige »ruwe materiaal” tot de beste commando's, die de wereld ooit aanschouwd heeft, tot keurbenden, die de Thebaansche phalanxen in bewegelijkheid en gevaarlijkheid overtroffen.

XXII

Naar de Tugela

Het begon ons weldra boos te vervelen bij Ladysmith. Onze voornaamste vijand was: de kleine Natalsche vlieg, koppiger dan eenig ding in de wijde wereld. De hitte werd ook al meer ondragelijk. Wij bezochten vele lagers, en vonden, dat lusteloosheid de algemeene kwaal was. De mannen van intellect en energie waren bepaald ziek van dat nietsdoen en werden somber en neerslachtig wanneer zij aan de toekomst dachten. De groote meerderheid der burgers, zijnde vaders van huisgezinnen en boeren, bezonnen allerlei plannen om een »verlofbriefje” meester te worden. Slechts de »arme blanken” waren in een Paradijs. Voor hen was de omgeving van Ladysmith »een land van melk en honig”—er was overvloedig versch vleesch en gedroogd brood, koffie en thee _en galore_, tabak _ad libitum_ alles _gratis_, en een lui lekker leven _ad infinitum_—naar het scheen. Ze waren er allen van top tot teenen in nieuwe kleederen gestoken. Er werd oorlog gemaakt! »Wat een aardig geval!” Hoe langer het duurde, hoe beter. Voor de eerste maal in hun leven waren zij bij eene plek aangeland, waar er »_genoeg_” van alles was: zoo als zekere oude vrouw uitriep, toen zij voor 't eerst bij den oceaan kwam.

In de eerste week van December gingen wij op reis naar de Tugela, waar Generaal Louis Botha bezig was zijn commando's voor den grooten aanval van Generaal Buller voortebereiden. Generaal Lucas Meijer was nog ongesteld te Pretoria, en zijn mantel viel als van zelven op zijn jongeren wapenbroeder en vriend, wiens magnetische persoonlijkheid, dapperheid en buitengewone populariteit hem als de beste man om te Colenso den post van gevaar en van eere te vervullen aanwezen. Hem werd het opperbevel over de federale machten aan de Tugela opgedragen en hij was inderdaad »de rechte man op de rechte plek.” De Regeering had even veel vertrouwen in hem als de Commandant-Generaal had, en de burgers in 't algemeen kleefden hem aan. Hij werd weldra de Held van de Tugela.

Wij gingen per bicycle tot aan het Artilleriekampje van Majoor Wolmarans, achter Bulwana Berg. Opweg maakten wij een korte halt bij het Middelburg lager, dat toen op 't punt stond naar de Tugela verplaatst te worden. Een fraaie schets en een paar nieuwe laarzen werden door mijn vriend daar in der haast opgedaan.

Het orakel werd aldus bewerkt:—Bij elk lager was er eene tent of soms ook eene kamer, die als een »Algemeene Kleeren en Schoenen Winkel” onder toezicht van een paar burgers gedreven werd. Daar moet de behoeftige burger aankloppen en zijn nood klagen. Niemand kreeg er echter iets zonder een bewijs te teekenen, de ontvangst van een pak kleeren of een paar laarzen enz. erkennend, met den naam van zijn commando en veldkornetschap erbij gevoegd. Onze artist had verbeeldingskracht genoeg, om zich als tot »het commando van Generaal Joubert” behoorende aantemelden. Het maakte effect, en het zaakje liep flink van stapel. Inderdaad was onze Transvaalsche Washington ook de eenige authoriteit waarop wij ons in dergelijke gevallen steeds beroepen konden, daar ik de volgende kennisgeving van hem in mijn zak droeg:

_Hoofdlager, 30 October 1899._

_Aan alle officieren, burgers en ambtenaren. Zij het mits dezen kennelijk, dat de heer N. Hofmeyr met mijn verlof en toestemming de verschillende lagers bezoekt en van een en ander merkwaardige gebeurtenis aanteekening houdt._

P. J. JOUBERT.

Er vloeide een machtige stroom van kleederen en schoenen, uit Pretoria en vooral uit Johannesburg naar de vele lagers. De Z. A. S. M. stoomde op en af, door Britsch gebied en met Britsche kolen, waar zij dit noodig had; maar het geroep bleef altoos: »Nog meer! Nog meer!” De behoeften aan kleeren was onverzadigbaar. De groote winkels van Johannesburg—vooral de verlatene—werden een na den ander geopend en geledigd, op last der Regeeringscommissie van 't Commissariaat. Achter valsche muren, onder valsche vloeren, boven het plafond en uit alle mogelijke en onmogelijke bergplaatsen werden de goederen gehaald en naar 't front gezonden. De heer Japie Cilliers, 't wakkere Hoofd der Commissie in de goudstad groef er eens een 30,000 wollen hemden uit één enkele schuilplek op! Alles stroomde naar de lagers, maar de lagers hadden nooit genoeg. De Commissie werd radeloos. 't Was haar alsof zij water in een mand droegen. 't Ging haar als de dochteren van Danaüs in de onderwereld. Al de rivieren stroomden in de zee (van burgers), maar de zee werd nimmer vol. Eindelijk vond men de lekkage uit: er waren vele vroolijke kornuiten onder de burgers, die een rekbaar geweten er op na hielden, en gedurig op verlof naar huis keerden met welbeladene kleerenkoffers, die toevallig zeer leeg naar het front met hun eigenaars telkenmale terugkeerden. Geen wonder dat de dam nooit vol liep: er waren heel wat gaten in den wal. Voorwaar, menig dappere zoon des lands zal het na den oorlog zeer moeilijk vinden, om weer hard te werken voor de noodige contanten—voor broek en hemd, jas en stevels, kost en tabak.

Een paar aangename dagen werden door ons bij Majoor Wolmarans doorgebracht. Hij was een onzer beste en knapste Artillerieofficiers. Jong en sterk, zonder eenige _airs_ en inbeeldingen sliep hij op den harden grond met zijne tentgenooten. Zonnig en gezellig van aard, werd hij door allen bemind. Kalm en kloek in het hevigste vuur, werd hij door onderofficieren en manschappen gerespecteerd en vertrouwd. Matig in leefwijze, gematigd in taal, meester van zijn vak, schoon en welgevormd, was hij een sieraad voor 't Artillerie-Corps der Zuid-Afrikaansche Republiek. Veel hebben wij samen gesproken en besproken. De Majoor had een helder en gezond inzicht in zake den grooten strijd, waarin wij gewikkeld waren, en betreurde gedurig het gemis aan de noodige samenwerking en solidariteit tusschen en onder onze burgers en officieren. De toekomst was hem niet helder, omdat wij niet genoeg _esprit de corps_ hadden.

Den langen kronkelenden weg naar den top van Bulwana hebben wij te paard afgelegd. Het nam ons bijna een uur rijdens. Welk een werk voor onze Artilleristen en burgers! Een groot span sterke ossen trok het groote vestingkanon op dien hoogen berg. Daar er overvloed aan helder water boven op was, kon Sir George White er gemakkelijk een onneembaar fort opgebouwd hebben, vanwaar hij het belegeren der stad ten zeerste kon belemmerd en onze communicaties met de Tugela bijna onmogelijk gemaakt hebben.

Het uitzicht van Bulwana was verrassend ruim en schoon. Al de Engelsche forten en Boerenposities waren duidelijk te zien, alsmede de stad en het schijnbaar verlaten kamp er vlak boven liggend. De talrijke kronkelingen van de Kliprivier konden wij met het oog gemakkelijk volgen en naar het zuiden verhieven zich de hooge bergen en bergtoppen, die thans zoo historisch geworden zijn, terwijl de reusachtige Drakensbergen een prachtigen achtergrond voor de majestueuse schilderij vormden.

Naar Colenso ging het op een open »trolley” (rolwagen)! Er was geen betere kans om daar te komen. De weg liep over steile bergpassen en onze wielen waren _cadux_. Met een overjas en een paar blikjes vleesch gewapend, sprongen wij op het stampende en hortende rijtuig, vrolijk als schooljongens, die op een expeditie in het veld uit zijn. De weg—spreek mij niet van een weg!—was niets anders dan het oude, lang vergetene, ongebaande, ongebruikte pad der Voortrekkers, uit de dagen toen Natal nog eene Republiek heette! Andries Pretorius, vader van den eersten Transvaalschen President, heeft dat pad meer dan eens bereden. Maar dat gebeurde in 1838 en 1840! Door de Kliprivier, die nog al lastig vol kan worden, links voorbij Pieter's station, over Pieter's hoogte, door Groblerskloof werden wij op ongenadige wijze geschommeld en gekneusd. Later heeft de Z.A.S.M. een locomotief te Johannesburg uit elkaar gehaald en tot aan Pieters vervoerd (geen kleine taak!), alwaar er een goederentrein _minus_ machine door de Engelschen werd achtergelaten, zoodat Sir George White uit zijn luchtballon op een dag met verbazing een heele, levendige trein, door Natalsche kolen gedreven, van het tweede spoorwegstation op den lijn van Ladysmith naar Colenso kon zien stoomen! »_Hm_.... die domme Boeren.... zoo vuil en ongekamd ook.... met hun vervl.... taal—wat drommel doen zij _daar_ nu weer?”—kon hij wel dien dag tot zichzelven gezegd hebben. »Het was een aardig geval” voor de belegerden: treinen dagelijks van het noorden tot dicht bij de stad stoomend, en dan (gelijk sommige rivieren) verdwijnend ... en weer te Pieters plotseling opdoemend—vol voedsel en ammunitie?

Voort gingen wij in de brandende zon. Het was een eindeloos gesukkel, want we hadden er zes van de luiste muilen in een lui land te vinden vóór het onbarmhartige rijtuig. Van Pietersstation af aan heeft elke duim pads zijn eigen steen, of gat, of sloot. Het gedruisch van ons wagentje was als dat van een pom-pom in een gevecht. Maar wat gaven wij erom? Wij wilden Colenso en de Tugela zien! Wij kwamen de leêge Onderbroekspruit (een naam om Quintilianus te doen verstommen!) veilig door en reden verder tot aan het Artilleriekampje van Kapitein Pretorius.

Binnen een uur zou de zon achter den horizon verdwijnen, maar wij waren te ongeduldig, om daar voor den nacht te vertoeven. Naar de Tugela! Naar de Tugela! wilden wij. De avontuurgeest had zich van ons meester gemaakt en wij waren niet te keeren. Te voet ging het nu verder naar de groote wagenbrug bij Colenso, een goed half uur loopens van het kampje, om ergens in het ons onbekende Colenso een herberg voor den nacht te zoeken. Als twee landloopers zagen we er uit. Wij wisten niets omtrent het dorpje, waarheen wij gingen. Wij vroegen niets omtrent de positie onzer buitenposten. Het onbekende, het onzekere, het vage verhoogde slechts de pret.

Eindelijk zijn wij bij den breeden stroom, die er zoo statig en onbekommerd henenvloeit, alsof er niets buitengewoons op zijne oevers gaande was, alsof het treffendste drama van den ganschen oorlog—de worsteling tusschen Buller en Botha—niet aan zijne zoomen zou opgevoerd worden. Morgen zullen wij ons in de historische wateren baden, vanavond moeten wij een herberg zoeken. Aan de overzijde der rivier kwamen een paar Boeren ruiters ons tegen: zij waren op weg van Hlangwane-heuvel naar hun lager. Uit een gesprek met hen bevonden wij, dat er een Boerenvoorpost op genoemden heuvel was, maar geen enkele wacht te Colenso of ergens anders ten zuiden der rivier. Daar Hlangwane nu in een gelijke lijn met het Artilleriekamp van Kapitein Pretorius was, wegens een groote noordwaarts uitschietende bocht in de rivier, waren wij wel een mijl of drie nader aan de Engelsche voorposten dan onze medeburgers op dien Kop gestationeerd. Dat was minder geruststellend dan interessant voor ons, maar wij waren nu eenmaal zoo ver gekomen, dus—voorwaarts, marsch!

Er kwam een vreemd gevoel in ons op, toen de ruiters ons »Goei'n Na'nd” toeriepen. Wij waren alleen in een vreemd land, in een vijandig land. Er mocht wat gebeuren vannacht in Colenso. En dan?—De coolies in het dorpje staarden ons verbaasd aan, terwijl zij ons den weg naar het station aanwezen, waar wij eene kamer hoopten te vinden. Het huis van den chef was heel schoon van buiten, maar van binnen—zoo als gewoonlijk—tamelijk gespeend op het punt van meubelen. Een dubbele bedstede, zonder matras, kon ons echter voor éénen nacht wel dienen; in de keuken maakten wij koffie (van de coolies gekocht), en met een paar stukjes vleesch in de maag begaven wij ons ter ruste. Eene geur van _jodoform_ vervulde het gansche huis, dat blijkbaar als hospitaal kort te voren gediend had, en onze eetlust werd daardoor niet verbeterd. Gelukkig hadden wij een fleschje eerste klas »Scotch” meegebracht, dat veel kwaads bedekte—en 't was alles zoo romantisch, zoo nieuw, zoo origineel, zoo avontuurlijk, dat....

»Maar! Als de Engelschen eens vannacht op ons afkwamen?”—opperde mijn vriend. »Of als de Coolies het in den zin krijgen, om ons te komen vermoorden?”

Ik _gevoelde_ mij inwendig alles behalve op mijn gemak, maar was mijn Dundee- en Pepworth-les niet vergeten. Grootpraten is de helft der Victorie! Dus:

»Gunst! man! bent je gek? Niemand zal ons vannacht plagen. Geloof mij. _Ik_ verzeker het je.”

Alzoo bezwoer ik de booze geesten der verbeelding in mijn vriend en (onder ons, lezer) in mijzelven. Wij keken tusschenbij, echter, zoo ongemerkt door het venster onzer kamer, die direct naar het zuiden zag, waar de Engelschen waren.

»Maar, veronderstel eens dat er gevaar komt”, vervolgde hij, »wat zullen wij doen?”

»Al langs den spoorweg hard loopen en op de eene of andere wijze door de rivier zien te komen. Dat 's het minste!”

Ik wist er niets vanaf, maar volgde het voorbeeld van alle goede Generaals, die steeds veel meer gesteld zijn op den _moed_ hunner troepen, dan—wel, laat mij het maar uitspreken—dan op de _waarheid_. En waarom niet? Een goed Generaal wil den naderenden slag winnen, niet waar? Wel, als de naakte waarheid den moed zijner manschappen zal doen zinken, is de onderdrukking ervan dan niet de beste politiek om te volgen? Kan een verstandige Generaal zijne manschappen in zijn vertrouwen nemen? Moet hij niet soms de waarheid vermijden, om een nederlaag te voorkomen? Ja, zijn er niet oogenblikken denkbaar, wanneer een verhaal omtrent eene overwinning, _die bloot op de verbeelding gegrond is_, noodzakelijk mocht zijn? We zeggen het niet: we vragen het maar!

Wat is de mensch toch een zonderling wezen! Zoo groot en toch zoo klein. De verbeelding, bijvoorbeeld, is een van de heerlijkste schatten zijns geestes. Zonder verbeelding is godsdienst of kunst mogelijk, noch begrijpelijk. Zonder verbeelding is de taal denkbaar, noch bruikbaar. Diezelfde verbeeldingskracht, echter, maakt ons soms tot de grootste lafaards en de ellendigste aller schepselen. De groote Napoleon kende de onmetelijke macht der verbeelding. Welke edele rol liet _hij_ de verbeelding onder zijne troepen niet spelen! »Uit niets” moet een goed Commandant gedurig »eene wereld” scheppen. Zoo lang zijne manschappen met een geest van geloof en moed bezield zijn—_al zijn al de feiten tegen het behoud van zoodanigen geest_—kunnen zij wonderen van dapperheid en volharding verrichten. Zoodra die geest verdwijnt (al zijn de feiten ook er voor), valt zijn leger, bij den minsten tegenstand, in duigen. Geen wonder dus, dat er in oorlogstijden allerlei leugens—moedgevende, patriotische, schoone, bezielende leugens!—de ronde doen. Geen wonder, dat er ook wel schijnoverwinningen gefabriceerd worden om werkelijke zegepralen voor te bereiden. Het ὁι πολλοι, het gewone volk, dat vecht, _moet_ van overwinningen en hoopvolle gebeurtenissen hooren, anders verdwijnt de moed, de vechtgeest. Wat nu gedaan, als er geen gunstige feiten zijn? Ze moeten uit niets getooverd worden! 't Is pijnlijk, vernederend, onzedelijk, verachtelijk.... maar gebeurt het niet overal en altoos, waar er met wisselend fortuin wordt oorlog gevoerd? We vragen het maar: we zeggen het niet!

Met die filosofische paradoxen heb ik, echter, mijn vriend dien avond niet lastig gevallen. Natuurlijk niet. Ook vraag ik den lezer, en bij name alle deskundigen op krijgsgebied om verschooning voor deze afwijking over zaken, die eigenlijk niet in mijn kader passen. Wat verstaat een gewone burger, een leek op oorlogsgebied, van zulke diepe dingen?

Wat er van ons dien nacht geworden is?—Wij werden wel degelijk aangevallen! Onze bestormers waren geducht en hardnekkig ook. Hun getal was legio. Ook waren zij geen bloote scheppingen der verbeelding, lezer. O neen! Ze waren levende, koppige wezens, die ons geen rust gaven. Lang hielden wij den strijd vol. Eindelijk moesten wij zwichten. De overmacht was te groot, de strijd te ongelijk—even als het later met de Federalen in 't algemeen het geval was. Moedeloos, verslagen, gedemoraliseerd, vol puisten en pijnen, lagen wij er onder het bed op den harden vloer—ons laatste wanhopige manoevre, die door een flank beweging van beide kanten verijdeld werd—want geen sterveling kan het tegen de moskieten der Tugela des zomers volhouden.

Wij sliepen niet. Wij spraken niet. Wij lagen er eenvoudig—elkeen zijn eigen toorn, »zijn eigen rook—à la Thomas Carlyle—slikkend”.

Vroeg den volgenden morgen verlieten wij het onherbergzame huis, om de groote spoorwegbrug, die pas door dynamiet vernield was, te zien en te teekenen, en ook (_sotto voce_, lezer) om een weinig nader aan onze menschen te zijn, want wij wisten niet wat er elk oogenblik mocht gebeuren. Vandaar ging het langs de rivier op naar de wagenbrug, om er een heerlijk bad te nemen, en toen retireerden wij naar de tent van Kapitein Pretorius. Hij wordt als de »beste schutter” met het kanon onder onze Artillerieofficieren gerekend. Wat hij onder schot krijgt is »er bij”. Hij is onze »fancy shot”—zoo als Luit. Mike du Toit mij eens zei. Schraal en slank van postuur, met fijn gesneden gelaatstrekken, en een soort van franschen bokkebaard, ziet hij er nogal aristocratisch uit. In den omgang is hij stil—toch aangenaam; een man van daden, niet van woorden; steeds op den achtergrond staande, maar _nolens volens_ op den voorgrond tredend. Zijn solied karakter, zijn moed en onmiskenbare talenten wonnen hem spoedig de bewondering der burgers in 't algemeen en het vertrouwen van Generaal Louis Botha in 't bijzonder. Zoek hem met zijn onfeilbare vuurmonden steeds in de nabijheid van gemelden Generaal. Destijds had hij er twee Creusot's en een Howitzer en Pom-pom onder zijne zorg. Daar zat de jonge Transvaler, doodbedaard en kalm, met ijzeren zenuwen, de geduchten Buller met zijn 30 Veldstukken en niet minder dan 16 Scheepskanonnen bij de beroemde »rooikopjes” boven Colenso aftewachten. Hoe Pretorius zijn werk op den 15den December verricht heeft, is aan de gansche wereld bekend. Op dien dag, echter, was er ook nog een Creusot veldkanon op onzen rechtervleugel en een tweede achter ons centrum geplaatst, terwijl de onzichtbare Mausers eigenlijk den bestormers het grootste kwaad aandeden.