Part 13
Laat ons echter niet vergeten, dat de gansche wereld destijds verbaasd was, dat de eenvoudige boeren en burgers der twee kleine Republieken een Engelschen Generaal met 12,000 troepen en vijftig vuurmonden in Ladysmith konden vastzetten en vasthouden. Was het niet de algemeene opinie onder het Engelsche publiek, dat Sir George White binnen weinige weken te Pretoria zou zijn? Werd er niet in Britsche militaire kringen met beslistheid geprofeteerd: dat de Engelsche marsch naar Pretoria de wereld zou verbazen? Nog meer: ook de groote meerderheid der opgewonden Afrikaanders meenden, dat de oorlog geen drie maanden zou voortduren, daar de Engelsche overmacht in getallen en kanonnen te geweldig was. Toen Dundee in 't holle van den nacht door een leger van 4 of 5000 man met drie eerste klas veldbatterijen ontruimd werd, kon de beschaafde menschheid het nauwelijks gelooven. Spoedig daarop echter, volgde de slag van Modderspruit en Nicholson's Nek en—men verstomde! Wat? Een leger van 12,000 met 50 kanonnen teruggeslagen door boeren en klerken? En een duizend man gevangen genomen?—Men wreef zich de oogen uit. Het klonk al te gek! De Engelsche officieren hadden de wereld verbaasd, maar—niet juist zooals zij het bedoelden.
Het scheen mij, alsof Sir George het in het begin niet kon gelooven, dat hij werkelijk vastgenageld en ingesloten was door de »domme, onnoozele Boeren”. Op Vrijdag, 3 November, (wij gaan nu eenige weken terug) zond hij een sterke afdeeling ruiterij en voetvolk uit in de richting van Colenso, om te zien of er geen kans was de Vrijstaters vandaar te verjagen. 't Was op een helderen, warmen namiddag, dat de poging werd aangewend en ik zat op Pepworth's Heuvel met mijn veldglas, om zooveel mogelijk van het tooneel met eigen oogen te zien. Ongelukkig woei de wind in de richting van het gevecht, zoo kon ik niets hooren en bitter weinig (dank zij den uitvinder van rookeloos kruit) zien. Stofwolken zag ik er overvloedig—ver, aan de overzijde van Ladysmith—en dikke, zwarte streepen, die nu en dan vlammen uitschoten, en daar ginds op de heuveltoppen, waarin de Heilbronners en Winburgers en Bethlemieten zich genesteld hadden, zijn er kleine, blanke wolkjes. Er wordt met de Engelsche Armstrongs gebulderd en de wolkjes toonen de plaats aan waar de Engelsche granaat-kartetsen bersten. In den verren achtergrond, op den hoogen Tafelkop, is er van tijd tot tijd een groote rookwolk te zien, die langzaam opwaarts stijgt. Daar was het ééne Vrijstaatsche kanon, dat op den vijand schieten kon, tegen de Engelsche batterijen aan 't bassen.
Hé! wat dreunt er op mijn linkerhand? 't Is Long Tom, die ook mee wil spreken. Hoog over de stad slingert hij zijn geweldige projectielen; lang moeten wij wachten, eer wij weten waar zijn bommen neerslaan—zoo ver schiet onze oude staatmaker!—»daar barst hij” roept er een uit. Werkelijk! daar bij de zwarte streepen ploft de 85 lb. bom neer, ruim 11,000 meter van hier! Wij hooren zelfs zijne granaten niet ontploffen—de slag gelijkt een »Dumb Charade.”
Plotseling verschijnen er vier Engelsche veldstukken op de helling van een heuvel vóór ons (»Observation Hill” in Engelsche boeken geheeten.) Ze zijn boos op onzen grooten Bulhond, die keffertjes, en zij blaffen hem tegen, zoo hard als zij het kunnen. In een paar minuten tijds komt Luitenant De Jager met een Creuzot snelvuurder en een Krupp van den top van Pepworth's Heuvel aangejaagd. Hij trekt zijne stukken in positie hier dicht bij ons (een paar honderd treden rechts van hun vorige stellingen), en blakert op de Armstrongs los. Het dreunt en barst en vlamt hier om ons voor een half uur, toen de batterij het veiliger achtte naar Ladysmith de wijk te nemen. Slechts de scheepskanonnen en Long Tom blijven aan deze zijde van de stad aan het orkest deelnemen, terwijl de Engelsche ruiterij de Heilbronners bestormen. Lange maanden daarna verhaalde Generaal Christiaan De Wet mij, hoe hij en zijn Heilbronners (onder Commandant Steenkamp) het zóó zwaar kregen, dat zijn broeder Piet De Wet met eene afdeeling Bethlehem-burgers en Commandant Theunissen met een vijftigtal burgers ter hulpe moesten snellen.
Alles liep goed af. De Vrijstaters stonden pal. Sir George White voerde niets uit. Wederom toonen de roode stofwolken ons, dat zijne manschappen en kanonnen op de stad terugvallen.
Op den 14den November werd er nog een aanval op de Vrijstaatsche posities gedaan, maar deze was zóó flauw, dat het bij de laatste flikkering van eene stervende kaars kan vergeleken worden. De Boerenmuur was te hecht, te sterk, te flink om de stad getrokken. Sir George berustte in het onvermijdelijke—al liep het ook op paardenvleesch en meliepap uit.
En toen?—Ladysmith werd _niet_ bestormd, en werd bij den dag al meer en meer verschanst en voorbereid tegen latere bestormingen!
Onze vurige Staatsprocureur deed wat hij kon om het tot eene bestorming der stad te brengen; hij was als 't ware vereenzelvigd met de plaats, die hij tegen het einde van October reeds hoopte binnen te rijden; maanden lang vertoefde hij in het lager, in zijn wagentje, in zijne tent met eenige vrienden; met ééne gedachte in hart en brein: »_Delenda est_, of liever, _Captanda est Ladysmith_!” Krijgsraden woonde hij bij; gesprekken voerde hij dagelijks met onze Generaals en Commandanten; meer dan eens reed hij om de stad te paard met mannen van ervaring en kennis in zake het bestormen van steden; meer dan eens zond hij telegrammen over deze brandende kwestie naar Pretoria. Het hielp alles niets—totdat het eigenlijk te laat was, totdat de bestorming ons honderd lijken kostte—en toch niet kon gelukken! Gelijk een Cato van ouds gedurig uitriep: »delenda est Carthago”, zoo herhaalde hij onverpoosd: »captanda est Ladysmith” (Ladysmith _moet_ ingenomen worden!)—maar hij heeft niet het geluk van den Romein in deze mogen smaken.
In die dagen stelden onze officieren en burgers _te veel_ vertrouwen in de macht hunner kanonnen—de noodzakelijke reactie op hun vorig smalen op de Artillerie. Een tweede Long Tom werd van de Pretoria-Forten gehaald en op het hooge Bulwana gesteld. Dat was een Boerenmeesterstuk! Begrijp u, lezer, in den slag van Modderspruit hadden de Engelschen geen gewoon veldkanon op Lombard's Kop, noch »Gun Hill”, laat staan Bulwana's Kruin. Het gewoon gezond verstand van een Afrikaansch burger kan zulk een abuis niet vatten. Indien Sir George grof geschut op die heerschende posities gesteld had, was het met zijn rechtervleugel geheel anders afgeloopen.
Ook de tweede Long Tom kon geen wonderen verrichten. Een derde moest ter hulpe snellen. Met groote moeite werd No. 3 van Pretoria naar Elandslaagte en van daar om het zuiden der belegerde stad gevoerd. Toen moest het op een hoogen bergtop, den weg naar Colenso en den beroemden »Plat Rand” beheerschend, door mensch en dier langs maagdelijke bergpaden en niet-paden getrokken worden—om de taaie stad te bedwingen. Tezamen met de twee andere vesting Creusot's en al de overige kleinere stukken zou er zóó op Ladysmith gebombardeerd worden, dat de stad op het geklank der kanonmuziek (als een tweede Jericho) moest bezwijken.
Er werd wel een soort van algemeenen aanval (zoo genaamd) op 9 November reeds ondernomen, maar het kostte ons slechts een paar dooden en enkele gewonden, alhoewel er van 5 uur 's morgens tot 3 uur 's namiddags »gestormd” werd! De kanonnen moesten het onmogelijke verrichten, terwijl de burgers een soort van demonstratie op touw zetten.
Tegen 1 December, toen ik met den heer Oerder Ladysmith voor de tweede maal bezocht, hadden wij de volgende kanonnen en maxims op de volgende posities om de stad:—
_Op Bulwana_: 1 Vestingkanon, 1 Creusot snelvuurder en 1 handmaxim (te Talana den vijand ontnomen).
_In den Nek_ (tusschen Bulwana en Gun Hill): 1 Krupp en 1 Pom-pom.
_Op Gun Hill_ (de projectie van Lombards Kop, op Ladysmith ziende): 1 Vestingkanon (van Pepworth daarheen gebracht), 1 Krupp Howitzer, 1 handmaxim.
Tegenover Generaal Burger's Lager: 1 Pom-pom.
_Op Pepworth's heuvel_: 1 Creusot snelvuurder, 1 Krupp Howitzer, 1 Pom-pom.
_Bij de Pretoria burgers_: 1 Engelsch bergkanon, 1 Krupp Howitzer.
_Bij de Johannesburgers_ (verder, noordwestwaarts): 1 Pom-pom.
_Bij de Vrijstaatsche commando's_ (van Harrismith, deel Winburg, Heilbron, Kroonstad, deel Senekal en Ventersburg, west en zuidwest van de stad): 1 Krupp, 1 Creusot snelvuurder, 3 Krupp's (oud model), 1 Vestingkanon, en eindelijk
_Bij het Duitsche commando_ (zuid van de stad): 1 Krupp en 2 Pom-poms.
* * * * *
De Engelschen hadden zich intusschen goed verschanst, dank zij ons verzuim om krachtig op te treden. Er waren heel wat heuvels om de stad, veel nader dan die, welke wij in bezit namen. In die binnenste lijn was er bijvoorbeeld de geduchte Platrand, een breede, hooge en lange heuvel, die spoedig met forten en »sangars” en loopgraven als bezaaid was. De oostpunt werd »Ceasar's Kamp”, de westpunt »Wagon Hill” genoemd. Er was een »Colt” veldkanon bij Caesar's Kamp en, ingeval van een aanval op den Plat Rand, konden twee batterijen veldstukken in een ommezien de bemanning der forten en grachten ter hulpe snellen—zoo als later ook geschiedde, toen de groote aanval van 6 Januari 1900 plaats vond. Ten noorden der stad, wederom, was de »Observation Hill” en »Rifleman's Post”, die den Pretorianen den weg versperden. Ten zuidoosten, in de Kliprivier vallei, stond de »Helpmalkaar Heuvel” met een groot fort erop. Van het westen kon er onmogelijk met eenig succes een aanval gedaan worden, daar er een groote opene vlakte tusschen de stad en de verre heuvelen-forten der Vrijstaters gelegen was. Manschappen, geweers, ammunitie had Sir George White meer dan voldoende, ter verdediging van al die buitenposten, om zijn vijftig vuurmonden (waaronder twee 4.7 Scheeps- en 4 twaalfponder kanonnen) niet te noemen.
Spoedig was het onzen Officieren overduidelijk, dat de Platrand de sleutel tot Ladysmith was. Van daar kon men al de andere forten en de stad incluis gemakkelijk beheerschen en plat schieten. Had men dien sterken, breeden heuvel in handen en eenige kanonnen erop, goed verschanst, dan zou geen Engelsche macht uit Ladysmith in staat zijn, de positie te hernemen. Die plek _moest_ bestormd!—dat gevoelde men al meer en meer.
Ten Noorden was er ook eene kans om nader aan de stad te komen, namelijk, als men Observation Hill kon nemen. Die heuvel werd, echter, bijzonder sterk bemand; ook was er een ruime opene vlakte (waardoor de spoorweg naar Harrismith liep) tusschen de Engelsche schansen en de begeerige Pretorianen, vlak er tegenover. Verscheidene halfhartige en zwakbestuurde pogingen werden door de Pretorianen ondernomen, om dien geduchten heuvel vol wallen en schietgaten te naderen, maar het gaf niets dan moeite en verdriet en ontevredenheid. Weinig roems werd er behaald, en weinig bloeds gestort. Toch—_daar_ werd er wel _iets_ gedaan; elders moesten de kanonnen de kastanje's uit het vuur zien te krijgen. Behalve op den noodlottigen 6den Januari, waarover later meer.
De Platrand, dus was de Achilleshiel van Ladysmith. Op dat punt vestigden onze Officieren alle aandacht. Dag na dag, week na week werd er over die »Platrand” gesproken, en nog eens gesproken. Krijgsraden werden erover gehouden; Commissies van onderzoek gekozen; den sprong wilde men echter niet wagen. Het zou te veel levens kosten, te veel bloed eischen. Zoo is het ook—zoo bleek het later wel; maar zonder bloed krijgt men niets in den oorlog. Er is geene keuze in deze, geene ontkoming aan de groote wet der bloedstorting. De noodzakelijke bestorming werd uitgesteld en steeds uitgesteld. Wij wilden den prijs voor Ladysmith niet betalen, en moesten de gevolgen voor lief nemen: zoo wat zes duizend burgers (minder of meer) bleven bij Ladysmith »picnicen”, totdat Lord Roberts al onze plannen in duigen deed storten.
De heer G. W. Steevens, de talentvolle nieuwsbladcorrespondent reeds genoemd, kan ons best vertellen hoe wij de stad belegerd hebben. Hoort eens!
»Bommen zijn een holle vrees—veel geraas bij tijden, een vreeselijke symphonie.... De Boeren voeren krijg gelijk heeren, die op hun gemak leven; zij beperken hun werksuren met de stiptheid van een Werkers' Unie. 's Zondags was er altoos vacantie; desgelijks den dag na er bijzonder veel gevuurd was. Zelden begonnen zij het schieten vóór het dag werd; tegen etenstijd hielden zij geregeld op. Zij vuurden bijna nooit na »thee” en nooit in den regen. De Boeren hebben de groote fout van alle amateur-soldaten: zij hebben hun gemak lief en zijn niet van plan om gedood te worden.” En op eene andere plaats:
»Vermoeiend, eentonig, flauw, nutteloos is de heele zaak. In 't begin van het beleg gaf een bombardement eene rilling, later werd het eene grap—thans is het niets dan een vermoeiende, afmattende verveling. Wij doen niets dan eten, drinken en slapen—een soort van dof-droevig bestaan.”
Zoo is het. Kanonnen kunnen slechts bang maken, indien men eerst tijd had zich een gat in den grond te boren. Denk aan Generaal Cronjé te Paardenberg! De moederaarde is den krijgsman zeer goed, als deze slechts zijn gezond verstand wil gebruiken. Denk aan Baden-Powell te Mafeking! Wij wisten het wel, maar hoopten tegen de hoop, ja tegen ons beter weten, dat de verdedigers der stad (zooals de Korybanten van ouds door 't fluitspelen) door ons kanongebulder dronken en machteloos zouden worden.
't Is een pijnlijke bladzijde uit de geschiedenis van den oorlog, van Republikeinsche zijde beschouwd. Te Mafeking ging het evenzoo. Er werd getalmd en getalmd—totdat Sarel Eloff zijn brillante poging aanwendde en er bijna in slaagde. »Bijna, maar nog niet!” Bittere woorden om neer te schrijven, vooral als men weet hoe ellendig de loyale samenwerking, zoo onmisbaar in zulke zaken, daar geweest is!
Te Kimberley ging het nog treuriger toe, maar later brengen wij ook die stad een bezoek.
Intusschen kwam Buller al nader naar de Tugela; Methuen lag reeds bij de Modderrivier zich voor een laatsten sprong naar het nabijgelegen Kimberley krommend, en President Steyn riep luide om hulp tegen den storm, die zijn naakten, bergloozen Staat bedreigde. Overal was er reeds behoefte aan meer burgers: te Magersfontein, Colesberg en aan de Tugela vooral. De nood was hoog en zou al hooger stijgen. In 's Hemelsnaam, Mannen! Broe-Broeders! laat ons iets doen. De burgers worden hier verwijfd, ontzenuwd, gedemoraliseerd. De picnic duurt te lang: 't Is oorlog, _oorlog_, OORLOG! Captanda est Ladysmith!
XXI
Een Fiasco
't Was op een Maandag namiddag, den laatsten Maandag in November, dat ik een grooten gecombineerden Krijgsraad der Federale Officieren onder de breede schaduwen van een mimosaboom bij ons veldhospitaal (Pepworth's woonhuis) zag bijeenkomen. De Vrijstaters waren daar van het westen en het zuiden; de Transvalers van het noorden, het oosten en het zuidoosten van Ladysmith. Generaal Schalk Burger, de plaatsvervanger van den Commandant-Generaal, nam den eerestoel in. Er was een groote schare van ernstige mannen. Zij gevoelden het allen: _iets moet er gedaan worden, en dat terstond_. Generaal Prinsloo en Generaal Erasmus waren daar met een twintigtal Commandanten en Veldkornetten. De rustelooze, onversaagde »pushfull” Staatsprocureur was natuurlijk ook tegenwoordig, vol geest en leven en energie, en Majoors Erasmus en Wolmarans van de Staatsartillerie bleven niet achterwege.
Ik zat op een lekkeren leuningstoel bij de vriendelijke gastvrije tent van »Burke's Ambulance”, waar ik pas een goed ontbijt had genoten, en bemerkte spoedig, dat er groote dingen op 't spel stonden. Uren lang werd er geredeneerd. Er broeide iets in 't gras onder dien historischen boom. Wat zou het wezen?—Mijn vriend, Kapitein Bosman, lag krank in het Hospitaal, maar ik gevoelde mij gedrongen om hem te verlaten, en het »groot geheim” te gaan opsporen. Eenige dagen later kwam ik er achter: er zou een groote, algemeene aanval op Ladysmith schijnbaar plaats vinden, maar _de Platrand_ was het eigenlijk doelwit, waarop alles zou uitloopen. De sleutel tot Ladysmith zou eindelijk in onze handen vallen! Dit vernam ik slechts op den avond voor de bestorming zou gebeuren en ik maakte mij voor wat groots en heerlijks gereed.
Lang voor de heete zon het hoofd boven de oosterkim verhief, waren wij—de heer Oerder en ik—in den zadel onzer patente bicycles. Als een pijl uit een boog vlogen wij op onze bouwvallige ijzeren rossen over het open veld naar Lombard's Kop. Wij waren enkel opgewondenheid. Nu of nooit!—dachten wij. Vandaag zullen wij een gevecht zien. Welk eene kans voor schilder en schrijver! Hoe prachtig zullen wij alles van de voorste punt van Lombard's hoogen Kop gadeslaan—daar op »Gun Hill”, waar onze Long Tom zijn langen nek vooruit steekt! Voort! Er wordt gevochten vandaag! Laat de bicycles maar janken en kraken—wat geven wij om zulke kleinigheden van morgen?
Hé! Daar staan onze Lijdenburgers al, achter een klipkopje verscholen, aan den weg tusschen Pepworth's en Lombard's. Sht.... Ze hebben een Pom-pom met vier flinke muilen bespannen bij zich, voor eenige ontwikkeling en verwikkeling, of wat men die dingen ook noemt, gereed. Doodstil, kant en klaar staan zij daar het psychologisch moment ongeduldig af te wachten.
Wij snellen ze voorbij, ongestoord: men acht ons waarschijnlijk tot de depêche-rijders van Daniël Theron te behooren.
Onder aan den voet van den nek (pas) tusschen Lombard's Kop en Gun Hill laten wij onze wielen bij het Artilleriekamp van Majoor Erasmus, en stappen haastig naar de kanonnen. Er is een vrij goede weg daarheen gemaakt en 't was geen kwart uur loopens. Boven gekomen, gingen wij naar onzen ouden vriend van Pepworth's Hoogte, Long Tom, die in den slag van Modderspruit in den open muil door een Armstrong bom getroffen werd,—gelukkig van ter zijde, anders was de wond heel wat ernstiger dan thans nog zichtbaar is. Onze »zuigeling” is in den nacht heel stilletjes hier gebracht en opgesteld, terwijl Luitenant de Jager er een groote, lange boomstam in zijne plaats te Pepworth's Heuvel laat prijken. Achter de sterke en hooge borstwering van grond en steenen voor Long Tom vervaardigd is er ook ruimte voor een groot gat, dat de Artilleristen er in de aarde gegraven hebben. Er worden granaten en granaat-kartetsen in volmaakte veiligheid geborgen en—ook whisky wordt daar soms gedronken, zooals thans het geval is.
»Goeden morgen”—roepen de jolige kornuiten ons uit het gat toe. »Wil jullie 'n zoopje hebben?”
»Heel graag, kerels; goeden morgen ook. Hoe gaat het?”
't Is nog vóór zonop, maar 't is oorlogstijd, en er wordt zelden van dat gevaarlijke vocht onder onze burgers gezien en nog zeldzamer ons aangeboden. Dus—_prosit_ burgers!
Na nog een paar haastige woorden gewisseld te hebben, daalden wij de punt van den heuvel een vijftig treden lager af en zaten wij daar Ladysmith te bekijken. De ondervinding op Pepworth's heuvel had mij geleerd, dat het _onder en vóór_ de lijn van het kanonvuur verre weg het veiligste is. Open en onverschillig zaten wij daar onder een overhangende rots, overtuigd dat de Engelsche kanonniers bij dien tijd de afstanden goed kenden, en geen veldglas een paar menschen daar tegen het ruwe bergfront aan zou kunnen ontwaren. De hitte zou spoedig ondragelijk worden en wij hadden schuiling noodig, terwijl wij het een en ander bekeken en schetsten.
't Was een heerlijk panorama aan onze voeten ten toon gespreid. Ladysmith en de Platrand waren duidelijk te zien, alsook het Intombi Kamp voor de gewonden, zieken en niet-vechtenden. Maar—
_Boem_—dondert het boven onze hoofden. Weg vloog de 85 lb. ijzeren vogel. Wij konden hem de stille morgenlucht hooren doorklieven. Wij keken opwaarts! ja, een dikke, witte wolk stond er boven het fort, waarachter Long Tom schuilde. Ongelukkig kon hij zijne tegenwoordigheid niet verbergen: zijn kruit verraadde hem. Verbeeld u, lezer, 18 zware ponden kruit, groote zwarte kruitsteentjes, werden hem in de ingewanden gestopt en dan—»_Boem!_ Hier ben ik!” riep hij luidkeels al de Britsche kanonnen toe..... »Raak mij als jullie kunt!” 't Was puur bravado, echter, want Long Tom was slim genoeg om na elk schot onmiddellijk achter zijn schans te duiken. 't Was bijna onmogelijk om hem te beschadigen door kanonvuur; daarom deed Generaal Hunter het geen twee weken later (9 December) op een andere wijze (worse luck!).
Eene vlam schiet er uit het fort, dicht bij het klooster, op eene hoogte bij de stad gebouwd—en in een oogwenk gonst het schreeuwend ijzer over onze hoofden schram over Long Tom henen. 't Is het antwoord van het lang scheepskanon, dat geweldig, snel en goed schiet. Een tweede bom wordt in de wallen vóór Long Tom begraven. Uitslag: stof, kleine steentjes gruis, en nog eens stof. Verder niemendal. Het monster brult afgrijzelijk en schiet raak ook, maar _cui bono?_ _Was giebt's?_ Stof, niets dan stof.
Van »Surprise Hill”, rechts van het Pretoria-commando, dat dien dag eene demonstratie of schijnaanval moest doen, doet onze Howitzer ook zijne plicht, en zelfs het kleine bergkanonnetje ten noorden der stad blaft samen met de grootere oorlogshonden. Links van de Platrand, van ons oogpunt beschouwd, betimmert Luitenant Groothaus het Engelsche Colt kanon, dat het davert en kraakt, en hoog boven allen uit doet Long Tom No. II zijn diepe basstem van Bulwana's Kruin trillen. Majoor Wolmarans is daar aan 't roer, en hij doet altoos goed werk. Luitenant de Jager lacht een grooten langen lach, terwijl de matrozen zijn boomstam met dure granaten begroeten. Zoodra niet, echter, is zijn _ruse de guerre_ ontdekt, of hij laat zijn Fransch Kanon en Howitzer aan 't koor deelnemen.
Het rumoer is verschrikkelijk en wij zitten met onze veldkijkers op den Platrand te turen, groote dingen verwachtende.
Ai!.... tap, tap, tap—tek, tek, tek, tek, tek—daar rechts, boven de stad. De begeerige maar ongelukkige Pretorianen zijn al weer aan den gang met de Mausers en Martini's. Ze zijn het naast van allen aan de Engelsche scherpschutters, en »sniping” over en weêr is daar dagelijks aan de orde. Zij »maken maar bang” van daag. 't Is slechts om de aandacht van het zuiden af te trekken. Eenige weken geleden nog lagen zij daar onder bij het treinspoor een ganschen dag (sommigen hunner wakkerste jongkerels) achter de miershoopen in de brandende zon te bakken. Zij konden noch naar voren, noch naar achteren. De avondschaduwen vielen op de arme drommels, eer zij meer dood dan levend uit hun benauwde positie verlost raakten. Vandaag echter, lachen zij over het afgeloopen gevaar, terwijl zij van achter hun steenen muren de bandeliers leegschieten.
Tek—tek—tek—tak—tak—tak.... zonder einde aan de noordzijde. Stilte aan den kant van Generaal Burger. Boem—kraak—whirr—shuut, en allerlei onder- en bovenaardsche geluiden boven onze hoofden en op de hoogten. Het woedend sissen en spatten der granaatscherven vlak boven ons bij onze kanonnen, was vooral huiveringwekkend en het gedonder van Long Tom oorverdoovend. De _Balon-captif_ steeg ten hemel uit de rivierwallen en bosschen ten zuiden der stad en wij meenden toen stellig, dat er iets ernstigs gaande was, maar geen geweerschot werd van de zuidzijde vernomen. Wat moest dat beduiden? Waar blijven de bestormers?
Voor afwisseling mikte Long Tom een paar maal op den ballon. Roode stofwolken stegen er uit de dichte bosschen, maar verder ging alles zijn ouden, tragen gang. De zon was reeds een uur op en het begon reeds warm te worden daar op de rotsen. Het bombardement werd vervelig en hield eindelijk geheel en al op, behalve boven op Bulwana.
Op den Platrand heerschte een doodsche stilte!
Wij gingen weer op naar onze kanonnen en vonden Kolonel Trichard daar, boos, teleurgesteld en zwijgend!
Alzoo liep de groote algemeene bestorming van den Platrand af! De berg had voor de honderdste maal in de wereldgeschiedenis niets dan muizen gebaard, en dat wel met veel omslag en moeite.