Part 12
Tot onze verwondering zagen wij (welk eene verlichting, om nu dat woordje »wij”, in plaats van het vervelige »ik” te mogen bezigen!), dat er ook boerenvrouwen daar logeerden. Sommigen woonden er pal, anderen waren op bezoek; allen waren echter, waar zij niet behoorden te zijn. Niemand nam het den Generaal ooit kwalijk, dat zijne oude, trouwe levensgezellin en »krijgskamerade” maanden lang bij Ladysmith in het hoofdlager vertoefde; zij was een historisch figuur van den oorlog 1880-81—zij was een noodzakelijk bijvoegsel, als 't ware, tot »Oom Piet”. Er lag dus geen humor hoegenaamd in zijne strenge bevelen, dat geen vrouwen (behalve die aan 't medisch departement verbonden waren, natuurlijk) bij de commando's mochten worden toegelaten. Newcastle en Dundee wemelden reeds van vrouwen, die hun mans kwamen bezoeken. Nu is de voorhoede van het Amazonen-leger al te Elandslaagte! Zou dat den krijgslust verder zuidwaarts bevorderen? Zou dat onze menschen niet naar huis doen verlangen? De geschiedenis der twee Republieken toont meer dan één treurige bladzijde onder het opschrift: »Huis toe”. Hoe zal het gaan als de »verlofpest” (zooals het aanhoudend gekerm om verlof later bestempeld werd) onder ons uitbreekt? Ter eere onzer burgers dient echter gezegd, dat (voor zoover mij bekend is) slechts eenige weinige echtgenooten van »burgers op commando” toegelaten werden, om verder dan Elandslaagte te gaan. In het westen, rondom Kimberley en zelfs bij Magersfontein bijvoorbeeld, ging het erger. Maar hierover later.
De verlofziekte is eene natuurlijke onder mannen, die niet als gehuurde soldaten te velde trekken. De meeste burgers zijn gehuwd; zij hebben vrouw en kind tehuis; zij hebben grond en vee en akker, om naar om te zien. Als zij eene maand op commando zijn, verlangen zij naar hunne woningen terug te gaan. Als het twee maanden wordt, smeken zij hun commandant om verlof. Als zij drie maanden van huis zijn, breken zij den Generaal het hoofd, als hij ze geene kans geeft, om eenige weken naar vrouw en kind en plaats te gaan. 't Is wel jammer, dat er niet van den beginne af aan een bepaald systeem van verlof werd vastgesteld—eene wet die automatisch en algemeen kon werken, en in de natuurlijke behoefte om naar huis te gaan kon voorzien »zonder gunst of vrees.” Hoe ging het thans? Het persoonlijk element trad op den voorgrond. Een burger gaat naar zijn Commandant, wiens tent ten allen tijde voor hem open staat. Daar nu, ten aanhoore van elk een, die er mocht zitten rooken of praten, wordt zijn verzoek ingediend, besproken, overwogen en afgehandeld! Heel gezellig, familiaar, losjes weg gaat het toe—en toch wordt er een allergewichtigste zaak beslecht. De toekomst van den oorlog is in de verlofkwestie begrepen—dat moet de Commandant natuurlijk weten. De onmiddellijke toekomst van den burger—hetzij hier te blijven of zijne vrouw te gaan zien—weegt natuurlijk het zwaarst bij den applikant. Zulke dingen moeten volgens vaste regels, geheel en al onpersoonlijk, geregeld worden. Het is een aller pijnlijkste positie, waarin een Commandant geplaatst wordt, als hij in elk bijzonder geval als rechter in zulke brandende kwesties moet optreden.
Het gevolg bleef niet lang achterwege. Het bleek heel spoedig, dat terwijl één Commandant bijna geen verzoek weigerde, een andere bijna elkeen afsloeg. Binnenkort ontstonden er natuurlijk ontevredenheid, twist, klachten bij den Commandant-Generaal, telegrammen naar den President, ja een menigte klaagliederen van verontwaardigde Penelope's, die heur mans zeer beminden en erg van noode hadden, trilden door de lengte en breedte van het land.
De bepaling werd toen gemaakt, dat slechts de Generaal of diens plaatsvervanger (de verschillende Hoofdgeneraals) verlofbrieven mochten uitreiken. Zóó ging het wel wat beter, daar de Generaals zeer karig in 't uitreiken van »huis-toe-gaan passen” waren, maar het spreekt van zelf, dat de moeielijkheid hoegenaamd niet daardoor opgelost werd. Een vast stelsel, eene wet met bepaalde regulatiën ontbrak er. De gewichtige kwestie hield de aandacht van beide Presidenten en hun raadgevers en voornaamste Krijgsofficieren gedurig en lang bezig, want men gevoelde, dat zij een levenskwestie voor de Federalen was, en later werd er een soort van formule gevonden, waarop wij later mogelijk terugkomen; maar de vraag mag wel gedaan worden: »Of het mogelijk is, een leger van boeren en burgers, die niet betaald worden, op het punt van verlof onder vaste, systematische militaire regelen te brengen!”
Het was waarlijk vermakelijk daar te Elandslaagte, om den stroom van komende en gaande burgers gade te slaan. Beide waren even gelukkig, beide schenen even talrijk. Zij reisden allen met eerste klas biljetten, die vrolijke kerels. Niemand wilde in een tweede klas rijtuig gaan zitten. De Regeering betaalde voor alles, ook voor de spoorwegkaartjes. Waarom dan niet zoo lekker als mogelijk reizen? Op weg bij de stations kregen zij versch brood, blikjes vleesch, jam, visch, tabak—wat wil men meer? Koffie kon men op weg voor 6 d. per kopje koopen. O! welk een pret! Zij lachten en zij tergden elkaar, als groote schooljongens. Zij groetten elkander luidruchtig, wanneer twee treinen elkander passeerden. Ping—ping—ping vlogen de Mauserkogels door de lucht achter een wild bokje aan: de trein in volle vaart, het wild in dollen angst. Ping—ping—ping—ping—ping; uit elk raam staken de roers en de schaterende gezichten. De Regeering was rijk; er was overvloed van ammunitie; »Oom Paul” had er voor gezorgd! Schiet maar op, kerels! Ha! Ha! Ha! hoe loopt het diertje. Allemaal mis! Hij is vrij. Het was wel verboden, dat verspillen van patronen; maar wie stoorde zich in die dagen aan een verbod? Er was wel eene boete van £ 5 op dien misdaad gelegd; maar wie klaagde ooit een _burger_ (die onbetaald voor zijn land ging vechten) aan, en welke vrije burger heeft die boete ooit betaald, indien aangeklaagd en schuldig bevonden? Druk maar op, jongens, schiet! O 't is zoo heerlijk, dat schieten met de nieuwe Mausers, die zoo goed treffen, met patronen, die geen penny kosten. Zulk eene kans komt nooit weêr! Zulk een holiday keert nimmer terug! Neen—dat 's waar ook.... De holiday ging spoedig voorbij, om niet weer terug te keeren! Buller en Methuen, French en Roberts, met hun kwart millioen troepen en honderden kanonnen en duizenden lyddiet bommen hebben de prettige vacantie eenigszins gestoord.
En toch—gunnen wij van harte hun die korte vroolijkheid en brooddronkenheid. De burgers lezen geen sensatiewekkende romans. Zij bezoeken geen schitterende theaters. Zij verlustigen zich niet in de heerlijke muziek van schoone opera's. Zij worden niet geboeid door de groote geschiedenissen van oudere en nieuwere volkeren. De betooverende kracht van de beroemde werelddichters en schilders is hun nog niet bekend. (Wij spreken natuurlijk van de overgroote meerderheid onzer burgers.) Ja, van heeler harte gunnen wij hun al die vreugde, al die weelde, al die uitgelatenheid. Zij hebben het zwaar gehad, en zij zullen het nog zwaarder krijgen. Hun leven was altoos eentoonig; het kanongebulder bij de Tugela zal hun weldra tot dagelijksche muziek moeten dienen. Vermaken hebben zij niet vele, en spoedig zullen zij stof leveren voor vele romans. De genietingen der hoogere beschaving kennen zij niet, maar zelf zullen zij ten tooneele optreden en de wereld met hun opera's verbazen, terwijl toekomstige Afrikaansche dichters, schilders en schrijvers hunne daden zullen vereeuwigen. Het een en ander zal echter veel bloed en tranen en lijden en ellende kosten. Dus—geniet den vroolijken dag van heden, jongens. Gij weet nog niet wat het woord oorlog alles met zich meêbrengt. Gij weet nog niet hoe vele troepen en hoe veel schepen en hoe veel hulpbronnen Engeland bezit.
Ai mij! indien gij alles vooruit wist!.... maar neen! 't is beter zoo. De handschoen is neergeworpen. Tot het bittere einde gaat het! God zegene u, geharde, taaie, eenvoudige, zorgelooze, lachende, schietende schare van reizende medeburgers! Als ware »sportsmen” treedt gij het gevaar te gemoet. Gij haat den »Rooinek” niet—neen! dat niet!—er wordt slechts gejaagd, gebuit, geschoten, gegeten en gedronken, en dat vindt gij zoo prettig, niet waar? »Goeien dag dan, burgers! Pleizierig!”—morgen en overmorgen en nog lang daarna zullen wij weenen en begraven. Heden wordt er gelachen en geschertst.
Wij bezochten Dundee, van Glencoe onze wielen gebruikende. Den volgenden dag ging het naar »de plaats van Maritz”, waar de paar honderd Engelsche ruiters werden vastgekeerd. Dat was eene onderneming per bicycle. Ouf! welke wegen, welk eene hitte, welk een zweeten en zwoegen was dat! Een fraaie schets van het tooneel—ziedaar! ons loon voor een zwaar dagwerk.
Naar Talana Heuvel (waarop de dappere Veldkornet Sassenberg en nog vele brave burgers begraven zijn) ging het gemakkelijker. Wij reden tot de plaats, waar Generaal Sir Penn-Symons van zijn paard geschoten werd (Smith's Farm) en toen ging het te voet den berg op. Alle eer der Engelsche Infanterie voor hare bestorming onder een kogelregen nog al, van dien steilen heuvel. Het kostte hun veel tijds en veel bloeds, maar een zeker aantal kwam toch eindelijk boven op den top. Waren de twee muren van losse steenen niet daar op de helling, zij bereikten hun doel nooit. Vooral de lange muur, die van noord naar zuid liep en den geheelen heuvel in de breedte in tweeën deelde, vormde een volmaakte borstwering tegen de Transvaalsche scherpschutters, die er boven op den heuvel stonden. Wat wil men meer? De muur was sterk en hecht en hoog en lang genoeg om eenige regimenten te dekken. Zij aan zij, schouder aan schouder, knielden de Britten daar achter, terwijl de Republikeinen aan bom en schroot en geweerkogel waren blootgesteld. Wij vonden er wel eenige duizenden ledige Lee Metford-patronen achter die welkome, natuurlijke vesting. Zij schijnen er werkelijk te hebben getabernakeld, eer zij verder opwaarts gingen. Zij bleven er inderdaad wachten, totdat onze kanonnen tot zwijgen gebracht waren en de Boeren nauwelijks het hoofd konden oplichten.
Wij zagen de plaatsen (onder bij Dundee), waar de Engelsche kanonnen getrokken werden—geen 3000 treden van den top des heuvels! Er waren slechts 2 Krupps, 1 Fransch kanon (Creusot snelvuurder), en een handmaxim op Talana Kop. En op een spitsvormigen heuvel, rechts van Talana (van Dundee kijkende) stond er slechts één pom-pom, zonder meer. Deze stukken en niets meer weerstonden het vuur van al het grof geschut uit Dundee: 12 kanonnen (Armstrongs) die tusschen 2000 en 2300 treden van ons vuurden, en nog 6 van hetzelfde kaliber bij het kamp. Om half tien ure moesten onze stukken het vuur staken: zij werden eenvoudig weggenomen naar achteren en alzoo in veiligheid gebracht. Toen werd er met verdubbelde energie om het verdunde klompje Boeren boven op Talana gebombardeerd, en—de Infanterie kon den langen muur eindelijk verlaten, _om vooral door hun eigen kanonnen in den rug met schroot begoten te worden_. Arme kerels! Zij verdienden een beter lot. Zij streden zwaar en lang en moedig—en toen zij den laatsten, steilsten, zwaarsten sprong deden, maaiden hunne eigene Artilleristen ze bij tientallen af!
Maar hoe is het, dat de Boeren dien prachtigen muur niet in bezit namen? Er is een breed terras achter dien muur eer de laatste, korte steilte naar den top begint. De muur omzoomt het terras. De plek was uitgeknipt voor onze Mausers en geen voetvolk zou van Smith's Farm levend bij dien muur zijn aangekomen, terwijl geen granaat of granaat-kartets ze achter dien steenen zoom zou gedeerd hebben. 't Is wel jammer, dat er slechts weinige Boeren van die prachtige positie gebruik maakten, maar àl oorlog voerende leerden wij oorlog voeren. 't Was onze eerste slag in den oorlog en onze eerste aanval op Britsche troepen (met kanonnen). Dit ééne feit bedekt veel, zeer veel, in verband met de verwarring en mislukking van den stoutmoedigen aanval op Dundee.
* * * * *
't Was terwijl de heer Oerder dien onvergetelijken muur teekende, dat een onbekende zijn splinternieuwe bicycle buit maakte! Hij had een ander bij Smith's Farm gelaten, geen mensch ziende, geen diefstal vermoedende. Aangenaam zat hij te schetsen, maar die schets kostte hem nog duurder dan de vorige. Nooit meer per wiel in Natal reizen, vooral niet in oorlogstijd! Wij fabriceerden een armoedigen plaatsvervanger uit een aantal oude, versletene, lamlendige bicycles, die wij in de publieke kantoren van Dundee vonden, en hij reisde zijn weg verder al krassend en krakend en binnensmonds groote woorden mompelend. Mijn wiel had ook zijn eerste _lustrum_ al achter den rug, zoo verschafte ik mijn vriend een passend accompagnement voor de geluiden, die hij maakte.
Schoone, golvende heuvelen van Natal. Den dichter doet gij denken aan machtige golven, al golvende versteend op den boezem eener wreede, prozaische aarde. Den schilder, helaas! herinnert gij slechts aan kreunende en steunende en afmattende apologieën voor bicycles.
XIX
Een donkere Week
De laatste week van November brachten wij te Ladysmith door. 't Was een donkere, angstige tijd. Lord Methuen kwam snel van de Oranje Rivier aanrukken op Belmont, waar de Vrijstaters hun voorpost hadden. Er waren niet velen: slechts een 1800 man. Lord Methuen had er 8000 man en twaalf kanonnen van de Royal Field Artillery (Armstrong vijftien ponders). Kapitein (later werd hij tot Majoor verheven) Albrecht had er een paar oude Vrijstaatsche Kruppkanonnetjes, zonder meer. De slag duurde nauwelijks vier uur en liep natuurlijk slecht voor ons af. We hadden er een 40 dooden en 80 gewonden (waaruit 21 in de handen des vijands kwamen), terwijl de Engelschen er (volgens Engelsche boeken) een vijftigtal dooden en twee-honderd gewonden telden.
De ontsteltenis onder degenen, die »achter de gordijnen” mochten kijken, (dat wil zeggen: die de telegrammen in het hoofdlager mochten lezen) was groot. Met gespannen aandacht volgden wij den loop van zaken.
De blijde tijding drong tot ons door: Generaal de la Rey is erheen gesneld, om de Vrijstaters te steunen. Wij hadden geloof in die schralen, kalmen, taaien man. Te _Graspan_ (_Rooilaagte_ of ook wel _Enslin_ genoemd) kwam het tot een treffen op 25 November reeds, twee dagen na Belmont. Er werd ditmaal veel beter en hardnekkiger door de onzen gevochten, maar de overmacht was te geweldig. De la Rey kon slechts een 700 Transvalers in der haast daarheen voeren, met 1 Krupp en 2 maxims. De Vrijstaters kregen het vooral zwaar dien dag en de dappere Commandant Lubbe van Jacobsdal verloor er een oog. Van zonsopgang tot twaalf uur hielden zij, echter, staande, met zware verliezen. Wederom hadden de Britten ruim twee honderd dooden en gewonden, maar—de weg naar Kimberley was geheel open!
Had Lord Methuen het slechts geweten! De toestand was hachelijk. Ons westerfront was gebroken. 't Was een ernstige ure in de geschiedenis van den oorlog. Dienzelfden noodlottigen 25sten dag van November werd ons lager te Derdepoort onverwachts door gewapende Kaffers aangevallen! Een donkere wolk scheen zich over onze arme Republiek te verspreiden. Hoe zal het ons gaan, indien de Zulu's, de Swazies, de Basuto's, de Lijdenburg en Zoutpansberg Kaffers het voorbeeld der Barolongs volgden? Welk eene slachting zou dat afgeven: blanken tegen blanken, en zwarten tegen blanken! O! het was een treurige, droevige, akelige dag, die 25ste November, toen de tijding van Derdepoort op die van Graspan volgde—die dag was voor ons de donkerste in de eerste periode van den oorlog.
Het ging ons gelijk vader Job, toen de fortuin hem den rug toekeerde: een _derde_ treurmare kwam er van Kimberley. Pas was generaal de la Rey weg, of de voorposten van het Bloemhof commando, ten westen van Kimberley, werd door den dapperen Scott-Turner met succes bestormd. Zoo wat dertig Transvalers werden gevangen genomen, maar het kanon werd, als gewoonlijk gered. Drie dagen later, echter, hadden de Bloemhoffers weêr hunne beurt, toen Scott-Turner met 21 man op dezelfde plaats gedood en 28 gewond werden (volgens Conan Doyle's »Great Boer War”).
De 25ste November kan een _crisis_ in de geschiedenis des oorlog genoemd worden. Generaal Joubert was, na lang wachten, eindelijk er toe gekomen (op 13 November) om een _reconnaissance en force_ naar het zuiden van Natal persoonlijk te ondernemen. Hij had goed 2500 man onder zijne banier, een keurbende Transvalers en ook een aantal Vrijstaters. Was hij 's daags na den Modderspruitslag gegaan, hij was gewis tot aan de zee doorgedrongen! De weg lag zoo te zeggen open! Er was toen geen Britsche macht, die 2500 Boeren, zoo als hij bij hem had, door eenige Creusot snelvuurders en Pom-Poms gesteund, kon tegenhouden. De hulptroepen, die het hem later te Mooi Rivier zoo lastig maakten, waren nog op de wateren. Pietermaritzburg en Durban lagen in het holle zijner hand,—maar, even als in het Westen, zoo ging het ons in het Zuiden: wij waren te langzaam. Het schijnt echter boven allen twijfel verheven, dat »_Generaal Joubert's tocht Buller en zijn hooge raadgevers tot een voor de Engelschen zeer noodlottig besluit bracht_.” In plaats namelijk, van zijn _oorspronkelijk plan_ uittevoeren en _door den Vrijstaat_ naar de Transvaal door te dringen—zoo als Lord Roberts later zoo gemakkelijk deed—ging hij bij de Tugela met Generaal Joubert's uitgezochte commando's zijne krachten meten! Hij kon, volgens Conan Doyle en andere Engelsche schrijvers, 60,000 man in de eerste week van December reeds bij de Grootrivier gebracht hebben. Met onze duizenden bij Mafeking, duizenden om Kimberley, en bij de achtduizend in Natal, om van al de andere posten niet te gewagen, konden wij Buller niet op de opene vlakten van den Vrijstaat gekeerd hebben. Hij kon, even als Lord Roberts, al onze legers _omgereden_ zijn—door louter flank-bewegingen uit zijn weg geruimd hebben. Tegen Februari kon hij bij de Vaal met een nog grootere macht zijn geweest. En dan?—was Ladysmith van zelf ontzet geworden, en Kimberley als overrijpe vrucht hem in den schoot gevallen. Dan hadden de Engelschen geen Magersfontein en Stormberg, Colenso en Spionkop te betreuren.
Generaal Joubert ging wel wat laat—te laat om Natal te veroveren—maar hij drong toch door tot aan de Mooirivier (40 mijl van Natal's hoofdstad) na te Chieveley een gepantserde trein met een kanon en prisoniers te hebben opgepikt. Een groote 15,000 versche troepen waren echter op 9 November reeds te Durban aangekomen en er bestond niet de minste kans toen voor de Boeren om veel verder te gaan. Het Estcourt garnizoen gedroeg zich ook zeer flink in een nachtelijken aanval op Generaal Joubert's mannen ten zuiden van Estcourt, het zoogenaamde »Willow Grange” gevecht. In een hevigen donderstorm kwamen de troepen op de burgers aangestormd en, hoewel zij met vrij groot verlies werden teruggeslagen, gaven zij toch den indruk aan den Generaal, dat het voor hem veiliger zou zijn den terugtocht te blazen.
»Ik ben hier in een akelige en onaangename positie”, telegrafeerde de grijze krijgsman naar Pretoria; »wij regenen hier verrot met alles wat wij hebben. Terugkeeren is noodzakelijk.” En zoo deed hij ook: teleurgesteld, ontmoedigd, uitgeput en—krank. Door het struikelen van zijn paard had hij zich erg bezeerd, zoodat hij weken lang te Volksrust in het Hospitaal moest blijven.
Opmerkelijk is het echter, dat de Natalsche bladen den tocht als een »allerbrilliantste manoeuvre” beschouwden—dat Maritzburg en zelfs Durban in den grootsten nood geraakten, en Buller alzoo zedelijk verplicht was naar Natal met alle beschikbare machten te snellen. Het Ministerie te Downingstraat had bij monde van den Natalschen Gouverneur—zoo hoorden wij later—de gansche macht van 't Rijk verpand om Natal, zoo noodig, tegen de Boeren te verdedigen. De beangste inwoners van de Tuin Kolonie maakten aanspraak op de vervulling van dat akkoord, en—Buller moest toegeven. Uit een zedelijk oogpunt deed hij wat recht was; uit een militair oogpunt beging hij de grootste »_blunder_” die den Engelschen in den ganschen oorlog kan ten laste gelegd worden.
Zóó gaat het in den oorlog: beide kanten begaan grove fouten, omdat zij niet ten volle op de hoogte van de zaken der tegenpartij zijn. Terwijl de Engelschen in doodsangst verkeerden, was onze Commandant-Generaal in grooten nood, dat hij in den bergpas te Weenen, waar hij door moest, zou worden afgesneden!
Weinig wisten de burgers om Ladysmith in die bange dagen, wat de telegraafklerken vreesden! Zij vreesden, dat de Generaal met zijn geheele leger afgesneden was. Goddank! zij kwamen er veilig door, maar de Generaal is nooit weer de man geworden, die hij te Modderspruit was. Hij was krank naar 't lichaam, en krank naar den geest. De berichten omtrent Belmont en Graspan, Derdepoort en 't Bloemhof lager waren te veel voor zijn zwaarmoedig karakter. Hij gevoelde de hopeloosheid der groote worsteling zoo als nimmer te voren. De twee Presidenten hadden een lang en ernstig gesprek _per_ telegraafdraad met elkander—een gesprek, dat strikt geheim was, maar later gerust mag bekend gemaakt worden. Het werpt een helder licht op de groote, doch korte crisis van die eerste periode des oorlogs. Is het noodig te zeggen, dat, dagen reeds vóór den slag van Modderrivier verademing gaf, onze twee groote Voormannen elkander en anderen hadden bemoedigd en versterkt, om den strijd met kracht voorttezetten?
Een vriend vertelde mij later te Pretoria, met aandoening en geestdrift, hoe dat President Kruger in die duistere dagen zijn oud geloof en zelfs zijn opgeruimden geest niet voor een oogenblik verloor, en den Leden van den Uitvoerenden Raad Psalm 103 liet voorlezen! Die vreugdepsalm was hem in den nacht van God gezonden, zeide hij, tot troost en bemoediging voor hem en anderen.
Vechten kon hij niet meer: Psalm 103 was zijn antwoord op de uitdaging van Belmont en Graspan. 't Geweer kon hij niet meer hanteeren: hij zond Bijbelteksten naar 't front!
Toen volgde (op 29 November) het bloedige gevecht bij den samenloop der Riet- en Modderrivieren—»Twee Rivieren” zoo noemden de Boeren destijds den slag—een gevecht, dat van den morgen tot den avond duurde. Feitelijk was de slag een onbesliste. Geen der beide partijen wist, hoe het met den tegenstander gesteld was. Beiden waren uitgeput, afgemat, hongerig en dorstig. Wegens de duisternis werd het schieten gestaakt, en den volgenden morgen waren de Boeren verdwenen. Lord Methuen was zoo geducht gehavend, dat hij eerst na elf dagen het waagde, de Boeren te Magersfontein aan te tasten. Hij had dus niets bij den slag gewonnen. Voor de Republieken echter, was die dag een keerpunt ten goede. De Boeren vochten hardnekkig, flink, boven verwachting goed, over 't algemeen. Hun _morale_ verbeterde dus na elke nederlaag. Methuen worstelde tegen een Hydra. Te Belmont bleven zij slechts drie uur lang staan, te Graspan zes uur, te Modderrivier den ganschen dag. De hoop herleefde. Met mannen als Generaal de la Rey en Generaal Cronjé aan hun hoofd, zouden zij den volgenden keer wonderen van dapperheid verrichten. Modderrivier was ons Alkmaar, »van waar de victorie begon!” De donkere nacht was voorbij!
XX
»Delenda est.... Ladysmith”!
De geschiedschrijver Thucydides vertelt, dat de kracht der oude Spartanen niet in het belegeren van steden gelegen was. Ze waren ontegenzeggelijk een dapper volk, maar in het bedwingen van steden muntten zij geenszins uit. Hetzelfde kan van de Boeren gezegd worden. Hunne belegeringen waren allen mislukkingen. Geen versterkte stad werd door ons ingenomen. Dundee werd verlaten vóór dat het belegerd werd, zoo kan de val van die stad niet in deze worden meêgerekend. Baden-Powell te Mafeking, Kekewich te Kimberley en Sir George White te Ladysmith stonden alle drie pal en ferm op hun respectieve posten, totdat zij ontzet werden. Zij verdienen allen lof voor hun beleid en volharding en moed; maar het feit blijft: de Boer is geen Frederik Hendrik, geen »Stedenbedwinger!”