Part 1
+----------------------------------------------------------------+ | | | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | | | | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, | | verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te | | moderniseren. | | | | Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het | | einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Voetnoten zijn | | verplaatst naar het eind van de alinea met de verwijzing. | | | | De in het origineel als cursieve tekst is weergegeven als | | _cursief_. Uitgespatieerde tekst is weergegeven als | | ~uitgespatieerd~; vette tekst is weergegeven als #vet#. | | | | Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn | | gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn behouden: bv. | | met/zonder accent, met/zonder afbreekstreepje, | | met/zonder hoofdletter, met/zonder extra spatie. | | | | Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de | | aangebrachte correcties. | | | | De illustraties zijn beschikbaar bij de html-versie van | | dit e-boek op https://www.gutenberg.org/ | | | +----------------------------------------------------------------+
ZES MAANDEN BIJ DE COMMANDO'S
ZES MAANDEN BIJ DE COMMANDO'S
DOOR
N. HOFMEYR
_Aangesteld als Geschiedschrijver van den Oorlog door den Uitvoerenden Raad Z. A. R._
[Decoratieve illustratie]
's-Gravenhage
W. P. VAN STOCKUM & ZOON
1903
VOORREDE
De volgende bladzijden zijn tijdens den oorlog te Pretoria begonnen en te Oudtshoorn verder voortgezet. Zij zijn niet geschreven, om de eene of andere geliefkoosde stelling, in verband met de groote Zuid-Afrikaansche worsteling, te verdedigen of te wederleggen. Aan de critiek en de politiek heb ik mij zooveel mogelijk onthouden. Ik heb slechts willen verhalen, uit een en ander door mij gezien en ondervonden, gedacht en gevoeld gedurende de eerste negen maanden van den strijd, waaraan ook ik, als Transvaalsche burger, heb deelgenomen. Met verstand en geweten, zoowel als met hart en bloed, sta ik aan de zijde der Republikeinen. Ik maak derhalve geene aanspraak op de schoon-klinkende, maar voor de meeste menschen onmogelijke onpartijdigheid. Daarbij echter, heb ik mijne oogen niet willens en wetens voor het goede en het edele in de tegenpartij gesloten. De klove tusschen de twee groote blanke rassen van ons land is reeds zóó groot, en eene mannelijke verzoening en samenwerking tusschen die beide is zóó noodzakelijk voor de stoffelijke, intellectuëele, zedelijke en godsdienstige welvaart van Zuid-Afrika, dat het de plicht van elken waren patriot is, om zoo veel mogelijk die klove te dempen en de gewenschte harmonie te bevorderen. Zelfs Sir Alfred Milner—die, onzes inziens, in vele opzichten »de teekenen der tijden” in ons zuidhoek verkeerdelijk gelezen heeft—heeft moeten erkennen, dat het heil van Zuid-Afrika in de wederkeerige achting der Hollandsche en Engelsche bevolking voor elkander gelegen is. Daartoe heb ik ook het mijne willen bijdragen, door de eenvoudige en ongekunstelde waarheid en werkelijkheid, zoo als die aan mij duidelijk geworden zijn, zonder vrees of gunst—maar niet zonder liefde, en gastvrijheid van geest—bekend te maken.
N. HOFMEYR
_Oudtshoorn_, April 1901
I
Oorlog of Vrede?
't Is de maand September van het jaar 1899. De beide Volksraden zitten te Pretoria. Dikwijls, al te dikwijls is er een geheime zitting, nu eens in den Eersten, dan weêr in den Tweeden Raad. Soms vindt er ook wel een vereenigde zitting plaats met gesloten deuren. Wat is er gaande? Wat wordt er besproken? De oningewijden weten slechts dit: dat de politieke situatie hoogst ernstig is en dat de oorlogswolken zich boven den geliefden Staat samenpakken.
Oorlog of vrede?—ziedaar de vraag, die in elk hart onophoudelijk opdoemt, en op aller lippen zweeft. Gretig wordt elk nieuwsblad verslonden; angstig wordt het gelaat van den grijzen President, wanneer hij zijn kantoor verlaat, bestudeerd. Wat zal het zijn? Is er hoop op een vreedzame schikking? Is er kans op een eervolle oplossing? Wat zal het nieuwe depêche nu weer bevatten? O! die akelige kabelgrammen! Zij maken het ons zoo zwaar, om kalm en bedaard te denken en te spreken. Zij vullen ons gemoed met toorn. Zij verspreiden een onuitblusschelijk vuur van rassenhaat. Zij willen den oorlog, niets minder dan den oorlog! God vergeve die draadtrekkers: want zij weten niet wat zij doen. Zij lachen nu; later zullen zij niet meer lachen, maar wel op de tanden knersen.
Gij ontmoet iemand op de straat. Vroeger wisselde hij geen woord met u. Thans komt hij u tegen met de ernstige vraag: »weet ge ook wat nieuws over de situatie? Wat staat ons voor de deur?” Gij spreekt als oude kennissen met elkander: de groote, brandende, alles verslindende kwestie doet vreemdelingen zelfs voor het oogenblik ineensmelten.
Een vriend uit Johannesburg, die _uw_ oordeel nooit over eenig onderwerp inriep, komt u tegen met de vraag: »Zal ik mijn goudaandeelen van de hand zetten, of nog meer geld in aandeelen beleggen?”
»Man! wat weet _ik_ van zulke zaken af? Ik ben geen makelaar. Waarom vraagt u _mijne_ opinie over zulke dingen?”
Hij fluistert u in 't oor: »Jij kent meneer Reitz, niet waar? Of Jan Smuts, den Staats-Procureur? Of een van de Leden van den Uitvoerenden Raad of den Volksraad. Hebben _zij_ u niets verteld? Hoe lijkt het, vriend? Zeg mij in 's hemels naam, wat ik doen moet om.... geen geld te verliezen.”
In vroegere eeuwen klonk het: »wat moet ik doen om zalig te worden?” Thans hoort men gewoonlijk: »wat moet ik doen, om geld te maken?” Geld kan immers zoo vele dingen koopen, die (op 'n manier!) ook zalig maken!
Groot is de man, in de maand September 1899 te Pretoria woonachtig, die in een tram gezien wordt met den heer Reitz sprekend—mogelijk over het weêr, of over een gedicht! Nog grooter de man, die zich een vriend van een Lid van den Uitvoerenden Raad durft noemen. Grootste van al, die zijne pijp met presidentieel tabak op den welbekenden stoep in de Kerkstraat gestopt heeft! Elk een, die hem tegen komt, verlangt van hem het jongste nieuwtje te vernemen. Elk een hoopt door zijne bemiddeling een kijkje achter de gordijnen te krijgen.
Oorlog of Vrede? Wat zal het zijn? Waar gaan wij henen? Wat staat ons voor de deur? Elk huis, elk hart, elk uur, elke plaats wordt overschaduwd door een donkere, angstige onzekerheid, over het gansche Zuid-Afrika hangt er een huivering-wekkend?
Johannesburg loopt langzamerhand leêg, zeggen de couranten. De »Uitlanders”, die hun uiterste krachten hadden ingespannen om de Transvaal in een oorlog met Engeland te wikkelen, zijn nu zeker dat hun doel zal bereikt worden. Zij gaan derhalve bijtijds naar Durban, Port Elizabeth of de Kaapstad—»voor eenige weken, of maanden,” zeggen zij, »wanneer de Britsche legers wel zegevierend Pretoria zullen instappen.” Twee, later drie treinen per dag dragen de loyale Britten en anderen, die zich in den naderenden strijd niet mengen willen, naar de kust. 't Is een slecht teeken voor degenen, die den vrede begeeren en om den vrede bidden. De schaduw des oorlogs schijnt bij voorbaat reeds op het land te vallen. De Engelsche nieuwsbladen worden al onstuimiger. Zij blazen het oorlogsvuur al meer en meer aan. Zij ontvlammen de kalmste en bezadigste gemoederen. Weten zij wel wat zij doen? Willen zij de zaden van een eeuwigen rassenhaat in Zuid-Afrika planten? Willen zij het Britsche volk bedwelmen door hun buitensporige artikels, hun lage leugentaal, hun hartstochtelijke uitbarstingen? Willen zij de Regeering, de Raadsleden, ja elken man en elke vrouw, die zich »Transvaler” of »Afrikaner” noemt, met woede vervullen, en alzoo een vreedzame schikking onmogelijk maken? Helaas! het schijnt maar al te waar: de _Star_, de _Transvaal Leader_, de _Cape Times_, om andere organen niet te noemen, werken met macht en kracht voor den oorlog en tegen alle toenadering tusschen de twee Regeeringen en volkeren, die elkander reeds niet te veel liefde toedragen.
Groot is de macht der pers; grooter is de macht van het goud der kapitalisten; vereenigd in een onheilig verbond kunnen die twee machten werelddeelen tegen elkaar in 't harnas jagen.
Menig gesprek mocht ik in die dagen van spanning met mijn twee naaste buren, de heeren Piet Cronjé en Koos de la Rey, voeren. Eerstgemelde hield met de hem eigene hardnekkigheid vol, dat het tot geen oorlog komen zou. »God zou het niet zoo ver laten komen”—was zijn vast geloof. Tot op het laatst nog, toen hij mij groette bij zijn vertrek als Hoofd-Generaal der westelijke commando's—toen nog beweerde hij heel kalm, dat er een vreedzame oplossing zou gevonden worden.
Kenmerkend van den man is het volgende, dat ik bijna woordelijk, zoo als door hemzelven gesproken, teruggeef. Het was op een namiddag, kort na hij van eene vergadering van den Uitvoerenden Raad, (waarvan hij lid was) naar zijn woonhuis was teruggekeerd, dat ik hem ging bezoeken. Voor zoo ver ik mij herinner, gebeurde het tegen het midden van de maand September.
»Er zal geen oorlog zijn,” zei de grijze held, op zijn zachte doch zeer besliste wijze. »God heeft het mij in een droom of gezicht geopenbaard. Ik zag een groot beest op mij afkomen. Het was een vreeselijk monster—een soort beer, of zoo iets. Het kwam al nader en nader. Ik was in den grootsten nood, want ik had slechts mijn knipmes als wapen tegen het beest. Het ding scheen op het punt om op mij te springen. Wanhopig opende ik mijn mes om mij te verdedigen. Doch ziet! wat gebeurde? Het ondier viel vlak voor mij neêr, zoo effens links van mij, en lag doodstil op zijn rechter zij. Verbaasd liep ik toe, om het van nabij te bekijken—en toen zag ik, wat er meê gebeurd was: er waren groote, sterke touwen of draden om zijn lijf gewikkeld, zoodat het monster zich niet kon verroeren!”
Op mijne vraag: wat dat al mocht beduiden, antwoordde mijn eerbiedwaardige oude vriend met den grootsten eenvoud. »Kijk, het beest moet natuurlijk Engeland, het machtige Engeland voorstellen. Ik ben de Transvaal. De touwen of draden zijn Europeesche verwikkelingen, die Engeland beletten zullen om ons te verbrijzelen.”
Toen ik later eenige maanden te Magersfontein bij Generaal Cronjé's commando's vertoefde, vond ik in hem nog dezelfde kinderlijke, eenvoudige zekerheid, dat God hem zijn wil bekend maakte, ook in verband met oorlogszaken!
De man, die later als Generaal de la Rey wereldberoemd zou worden, was van een gansch anderen stempel. Hij had ook een ander oordeel over de brandende kwestie van den dag. Innig vroom, zooals bijna alle mannen van karakter en gewicht onder het oudere geslacht der Boeren, was hij daarbij volkomen nuchter en helder van geest. Hij was een Lid van den Eersten Raad, die steeds als »progressief” gekenmerkt stond. In menig opzicht veroordeelde hij de politiek van President Kruger. Zijn patriotisme was boven allen twijfel verheven, maar hij gaf zich nooit over aan blinde partijzucht en uiterste maatregelen. »De teekenen der tijden” bestudeerde hij met zijn helder en gezond verstand en zij leerden hem het volgende: »Er is een oorlog op handen”—zei hij, kalm, ernstig, bedroefd, vooral bedroefd. »Wij kunnen er niets aan doen. Al geven wij ook toe op het punt van 't stemrecht, het zal toch niet helpen. Onze vijanden willen ons land, ons goud hebben. Als wij op één punt toegeven, komt er weer een tweede eisch voor den dag. Als het tweede uit den weg geruimd wordt, komt er een derde op het tooneel. En zoo zal het voortgaan, totdat de vijand zijn zin krijgt. 't Is een uitgemaakte zaak—welke concessies wij ook geven—hoe wij ons ook vernederen—de oorlog komt gewis.”
Heel toevallig kwam ik in die onvergetelijke dagen ook met mijn ouden vriend uit den Vrijstaat, den heer Christiaan de Wet in aanraking. Het was op het perron van het prachtige Park-Station te Johannesburg dat wij elkander eenige minuten mochten zien. Het gesprek liep over de bekende »Gezamenlijke Commissie” door den heer Chamberlain in een zijner laatste depêches voorgesteld. Ik trachtte een woordje ten gunste der aanname van dat voorstel intebrengen, maar de toekomstige held van Sanna's Post was er beslist tegen. Hij zag er geen heil in, daar hij den heer Chamberlain met een volkomen wantrouwen wantrouwde? Ook hij was van oordeel, dat »de Engelschen ons land en onze mijnen wilden hebben.” Ook hij meende, dat de oorlog geheel en al onvermijdelijk was. Ook hij protesteerde, dat er geene schikking zou of kon plaats vinden. Met innige droefheid zag de la Rey den naderenden storm tegemoet, met uitdagende fierheid riep de Wet uit: »Laat hem komen.” Kalm als een Stoicijn redeneerde de schrandere Transvaler over den onvermijdelijken strijd; de onverschrokkene Vrijstater deed denken aan het ongeduldige oorlogsros van 't Boek Job, »dat den Krijg van verre riekt.” Beiden zijn zij later gewogen, keer op keer gewogen in de hitte zoowel als de koude des strijds, in maanden van voorspoed en in weken van moedeloosheid,—en geen van beide werd te licht bevonden.
Voor eenige dagen flikkerde de hoop op een vreedzame oplossing der situatie weêr op in menig vredelievend gemoed, maar ook dat laatste vonkje werd spoedig uit gebluscht. Wij zinspelen op de delikate, semi-officieele onderhandeling tusschen den Heer Jan Smuts, den Staatsprocureur, en den Heer Conyngham Greene, den Britschen Agent te Pretoria. Onze lezers weten, hoe de ongelukkige schaduw der zoogenaamde »Suzereiniteit”—dat onheilspellend spook uit de Middeleeuwen—ook die poging verijdelde. _Bijna_ kwam het tot eene overeenkomst, maar helaas! de teleurstelling was des te pijnlijker, omdat de verzoening zoo nabij scheen:—
_»The pity of it, Iago, the pity of it.”_
De stroom was te machtig geworden. De oorlogskoorts was te hoog gestegen. Het bloed van Majuba scheen om wraak te roepen, en 't Engelsche volk riep luide om oorlog. »Majuba moet gewroken! Majuba moet gewroken!”—zoo klonk het uit veler mond en in veel meer harten. De couranten en tijdschriften—ja, zelfs de kansels—hadden gezaaid; het zaad had diepe wortels geschoten; de oogsttijd was gekomen.
De oorlogskoorts ging van den Brit op den Boer over.
»Niet meer toegeven! Geen duim meer!”—klonk het door de lengte en breedte van den Transvaal. »Genoeg, genoeg!”—riepen de Vrijstaters. En de Koloniale Afrikaanders, en ook velen, die zich niet Afrikaanders maar Britten noemen, zeiden »Amen” erop. De Republikeinen van Zuid-Afrika waren immers ook menschen van vleesch en bloed, en van gelijke beweging als andere natiën. Zij werden boos; zij werden woedend. De maat hunner vernedering was vol geworden. Hunne schande werd ondragelijk. Hun toorn liep over. Hun nationaal zelfrespect was op 't spel. Hun nationaal bestaan scheen bedreigd. Welaan dan, liever als helden sterven, dan als verachte lafaards blijven leven.
II
Te Wapen!
Generaal Joubert, de bekende Commandant-Generaal van den Transvaal was een van de meest vredelievende menschen op den aardbodem. De natuur heeft hem niet voor een man van ijzer en bloed bestemd, maar de burgers kozen hem nochtans herhaaldelijk tot Opperbevelhebber. Zijne politiek, als Lid van het Uitvoerend Gezag, was tevens allesbehalve vijandig tegen Uitlander of Engelschman. Hij pleitte steeds voor een gematigde, billijke, sympathieke behandeling van alle kwesties tusschen de oude en de nieuwe burgers. Den heer Rhodes wantrouwde hij lang voor den Jameson-Inval reeds, maar hij wanhoopte niet aan de mogelijkheid van harmonie, samenwerking en vrede tusschen Brit en Boer. Zijn ideaal mocht hij echter niet verwezenlijkt zien. Integendeel, de groote Boer-Kampioen voor de Uitlander-zaak werd door een vreemd noodlot bestemd, om zijn volk tegen Uitlander en Engelschman in den krijg aantevoeren. Waarlijk: »de mensch mikt, maar God beschikt”! Sedert den onbezonnen en verraderlijken inval van Dr. Jameson op Transvaalschen bodem won de _anti_-Engelsche politiek bij den dag veld, en de jongste presidentsverkiezing was slechter dan eenig vorige voor den Generaal uitgevallen. De tijden en de winden waren hem inderdaad tegen.
Lang, echter, verzette hij zich tegen de gedachte zelfs, dat er een oorlog aan de deur van Zuid-Afrika klopte. De gedachte was hem te onaangenaam, te akelig, te verschrikkelijk. Hij hield de oogen zoolang mogelijk er van af. Hij hoopte tegen de hoop, lang na alle anderen alle hoop op vrede hadden vaarwel gezegd. Zijne wensch worstelde met de werkelijkheid, zijne idealen bekampten zijne overtuigingen.
De Britsche troepen worden nader en steeds nader naar onze grenzen geschoven. Bij Kimberley vooral zijn zij gevaarlijk dicht bij de Vrijstaatsche lijn. Een gevoel van angst en onrust trilt door de Republieken. Men herinnert zich de bange dagen van Jameson. Men vreest eene herhaling van die geschiedenis—op groote schaal! Allerlei geruchten vliegen van mond tot mond—zooals in dagen van overspanning en angst altoos het geval is. Aan kalme redeneering is er, wat de groote meerderheid der bevolking betreft, een einde, en de algemeene opinie is: dat de oorlog hoe eerder hoe liever maar beginnen moest.
O! dat waren dagen, zwanger aan groote gebeurtenissen—gebeurtenissen, die niemand kon beletten, die niemand kon bedwingen. De verstandigste, gematigdste, meest verlichte en progressieve Transvalers redeneerden (met enkele uitzonderingen) als volgt:
»Daar de oorlog toch onvermijdelijk is, laat het dan hoe eerder hoe liever maar tot het uiterste komen. De Engelschen hebben veel belang er bij om tijd te winnen. Ons eenig voordeel ligt hierin, dat wij _terstond_ beginnen! Indien wij wachten, zullen wij al de strijdbare krachten van Engeland te gelijk te bekampen hebben. Nu kunnen wij ze »bij de kleine maat” beet pakken, eerst de troepen, die reeds in Zuid-Afrika zijn, daarna de legers, die geland zullen worden. Als wij bevinden, dat wij tegen White, Baden-Powell en Kekewich niet bestand zijn, dan kunnen wij het hoofd in den schoot leggen en vrede vragen. Er is bitter weinig kans voor ons, om het op den duur te winnen, maar hoe langer wij wachten, hoe kleiner wordt de kleine kans. De strijd wordt al ongelijker en zwaarder, hoe langer hij wordt vertraagd. »Nu of nooit”—dat is ons wachtwoord!”
Tegen 't begin van October begonnen de commando's zich te verzamelen op de grenzen der Zuid-Afrikaansche Republiek. Weken te voren, echter, begon het Staats-Gymnasium leêg te loopen. Niemand werd opgeroepen, maar elkeen wilde »op commando” gaan. Geen een werd gecommandeerd, maar ruim veertien dagen voor den oorlog zat er geen enkele buitenjongen van zestien en opwaarts op de schoolbanken. Zij hadden hunne ouders per brief gesmeekt om ook het geweer in de vuist te mogen leggen, en o! hoe blijde waren zij, wanneer er een gunstig oor aan hun smeeken verleend werd.
Vroolijke, bezielde jongens! nog zie ik u, een voor een, uit de klas verdwijnen. Nog hoor ik het »Meneer! ik moet naar huis. Mijn vader zegt, ik kan ook op commando gaan.” En dan werd er haastig hier en daar met de hand gegroet en de jongen verdween, door al de achterblijvenden benijd. Den volgenden morgen werd hetzelfde tooneel herhaald, totdat het Gymnasium, zoo wat tien dagen voor den oorlog, moest gesloten worden, omdat er zoo weinig leerlingen waren.
Vroolijke, onbedachtzame jongens! Ik heb meer dan een van u later bij de commando's ontmoet, nadat gij bij eigene ervaring de beteekenis van het vreeselijk woord, oorlog, geleerd had. Toen stond er ernst, zoo wel als levenslust op uw gelaat te lezen. Toen hadt gij mij veel van gevechten te vertellen, maar niet zonder ‘vreeze en beving’. Toen waren er weinigen onder u, die geen bloedverwant of vriend onder de gesneuvelden betreurden.
Vroolijke, dappere jongens! Velen uwer zijn niet meer in het land der levenden. Ik heb uwe graven gezien bij Dundee en Elandslaagte en Magersfontein. Uwe teedere beenderen zijn aan de oevers van de Tugela en de Modderrivier begraven, en over vele andere slagvelden verstrooid. In 't prille uwer jeugd zijt gij afgesneden, gij edele zonen van een edel geslacht. Gij wordt door menig vader- en moederhart beweend, maar de dag komt dat uwe dierbaren over u slechts roemen zullen, want gij stierft voor vaderland en voor volk, en fluistert ons toe van uit het rijk der dooden:
_Dulce est pro patria mori._
De geestdrift om te velde te trekken was algemeen in de eerste dagen van October. Alle klassen en standen wedijverden met elkander in vaderlandsliefde en offervaardigheid. Elk beroep en ambt werd onder de commando's vertegenwoordigd. Alle talen werden er gehoord. Geen nationaliteit werd er gemist—zelfs niet de Engelsche, daar er verscheidene geboren Britten in de Transvaal waren, die van harte met de republieken sympathiseerden. Welk een tooneel was er dagelijks bij het spoorwegstation te Pretoria te zien! De Britsche Agent verstomde zich en zelfs de Transvaalsche Regeering was verbaasd over de wonderbare eenstemmigheid en de hooge geestdrift die er allerwege geopenbaard werden. Boeren en ambtenaren, advocaten en procureurs, winkeliers en agenten, schoolmeesters en klerken, pennelikkers en ellenridders—zij waren allen met één geest vervuld; zij snelden allen naar de grenzen van hun geboorteland of aangenomen vaderland; zij gevoelden zich allen bereid en gewillig, om voor een vrije Transvaal te vechten en, zoo noodig, te vallen. Velen hunner waren lange jaren Britsche onderdanen geweest; sommigen hadden den grootsten eerbied voor Engelands geschiedenis en instellingen; allen wisten zij echter, even als elk ware Brit of Rus, Duitscher of Franschman of Japanner het weet: _dat het veel beter en edeler is om een vrij, dan om een onderworpen volk te zijn_.
»Gaat _gij_ ook tegen de Engelschen vechten, indien het tot een oorlog komt?”—de vraag werd mij op straat door mijn Engelschen collega gedaan.
»Wel stellig”—was mijn antwoord. »Er bestaat bij mij geen kwestie in deze.”
Hij stond stil en zag mij aan, om te zien of ik het werkelijk meende. Toen vervolgde hij:
»Ik verbaas mij, hoe jullie _Koloniale_ kerels zoo kunt spreken. 't Is mij een raadsel!”