Yougo-Slavia

Part 5

Chapter 53,652 wordsPublic domain

Met de komst van Peter Karageorge, den vriend der Bosniakken, op den Servischen troon, verbeterden zich de betrekkingen tusschen de Serviërs der Donau-Monarchie en die van het Servische koninkrijk; ze werden inniger na 1905, toen de Serviërs der Donau-Monarchie en de Kroaten hun onderlingen strijd hadden bijgelegd, maar het Piemont der Zuid-Slaven werd het Servische koninkrijk eerst in 1913, toen het de Turken had teruggedreven en met Montenegro, Griekenland en Roemenië een hechte barrière had opgeworpen tegen „den Drang nach Osten” der Duitschers.

Door de nederlagen der Turken was Oostenrijk-Hongarije op den Balkan teruggeworpen en de poort naar Saloniki, die Andrassy door de occupatie van Bosnië-Herzegowina voor de Habsburgers geopend had, dichtgeslagen. Maar wat voor de Duitschers der Monarchie en Magyaren verpletterender was: thans zagen zij op eenmaal den afgrond aan hun voeten liggen, waarheen een erbarmelijke politiek tegenover hun Zuid-Slavische bevolking hen had gesleept. Trots al de ellende, waarin de Magyaren onder het oog der Duitsch-Oostenrijkers de Serbo-Kroaten hadden gestort, hadden deze niet opgehouden het oog op Oostenrijk gevestigd te houden, alsof zij vandaar hun verlossing wachtten; thans werd het „hoch Oesterreich” overstemt door den woedenden kreet: „Austria-Hungaria delenda est!”

Oostenrijk-Hongarije stond voor een catastrophe. Zoo het de Monarchie niet gelukte den gerechtvaardigden drang der Yougo-Slaven naar vereeniging te breken, wat bereikt kon worden door het Servische koninkrijk te vernietigen, dan was het met haar grootheid gedaan. Want bij een afscheiding harer Serbo-Kroatische bevolking en de vereeniging van de Zuidelijke deelen der Monarchie met het Servische koninkrijk zou het zeker niet gebleven zijn; ook de Noordelijke Slavische bevolking der Monarchie, de Tsechen, Polen, Roethenen en Slowaken, zou deze gelegenheid aangegrepen hebben om zich af te scheiden.

Dat de Donau-Monarchie te gronde zou gaan, kon Duitschland niet dulden, omdat zij in zijn algemeene politiek een factor van overwegende beteekenis uitmaakte. Duitschland moest op Oostenrijk-Hongarije kunnen rekenen, in tweeërlei opzicht. Eensdeels als leverancier van soldaten, om Europa te kunnen beheerschen, anderdeels als een van de staten, die naast den Balkan en het Turksche rijk aan zijn macht goedsmoeds moesten onderworpen worden, om zijn Hamburg-Perzische Golf-politiek te kunnen realiseeren.

Misschien—ofschoon twijfelachtig—zou de Donau-Monarchie het gevaar eener débâcle hebben kunnen bezweren door het dualisme den rug toe te keeren en een radicale hervorming te brengen in haar binnenlandsche staatkundige verhoudingen, maar behalve dat ze geen staatsman van beteekenis kon aanwijzen, die zulk een taak durfde, waartegen de Magyaren zich met hand en tand verzetten zouden, zou ze dan toch voor Duitschland verloren geweest zijn. Een Oostenrijksche staat, die zijn volken de rechten inruimt, waarop zij aanspraak mogen maken, moet anti-Duitsch zijn.

Oostenrijk-Hongarije had beproefd het gevaar, dat het dreigde na de overwinning van de Balkanstaten op de Turken, te weren door de Bulgaren in het vuur tegen hun vroegere bondgenooten te drijven. Het middel had echter gefaald, omdat Bulgarije was verslagen geworden. En thans had een sterke Balkan-federatie, Roemenië, Servië, Montenegro en Griekenland, met een zeer sterke neiging tot de Entente, een dam opgeworpen tegen de hegemonie-plannen der Centrale Mogendheden en zag Duitschland den weg Hamburg-Perzische Golf op eenmaal versperd. Een verzwakt Bulgarije en een geruïneerd Turkije vermochten daartegen niets.

Duitschland had het Yougo-Slavische gevaar te bezweren dat èn den bondgenoot dreigde te gronde te richten èn hetzelf een barrière opwierp op den weg naar de Perzische Golf. Het was daarom voor de Yougo-Slaven een veeg teeken, toen Wilhelm en Frans Ferdinand te Konopitsch te samen kwamen; men ging inzien dat de Europeesche oorlog zou komen. Het is de moord op Frans Ferdinand, welke dien oorlog heeft verhaast.

De oorlog gaf de Donau-Monarchie een gereede aanleiding om opruiming te houden onder het intellect der Zuid-Slavische bevolking en ze heeft er ruimschoots gebruik van gemaakt. Bij honderden werden de Serbo-Kroaten in gevangenissen opgesloten, geëvacueerd en hun goederen geconfisceerd; de galgen kraakten onder het gewicht der ongelukkige Serviërs, wier eenige misdaad was, dat zij met al hun kracht hadden gestreefd zich aan de onderdrukking, waaraan zij waren overgeleverd, te ontworstelen.

In Bosnië waren reeds voor de mobilisatie meer dan 5000 Serviërs in de gevangenis geworpen, waaronder in de eerste plaats de pioniers der nationale idee. In Dalmatië werden alle prefecten der steden en bijna alle afgevaardigden van het volk in den kerker gebracht. In Marburg (Stiermarken) alleen werden 332 Dalmatiners gevangen genomen. In Triëst bedroeg het aantal gevangenen 1000. In Bosnië-Herzegowina werd niet één orthodoxe priester vrijgelaten.

De regeering greep weder naar haar oude tactiek: de processen van hoogverraad werden weder in scène gezet, op de manier zooals Agram ons getoond heeft. Op 3 Maart 1915 begon te Banjeloeka een proces tegen 28 leerlingen, den directeur en 3 leeraren van de Hoogere Burgerschool. De leerlingen zouden het voornemen opgevat hebben een Yougo-Slavische vereeniging op te richten, terwijl de directeur en 3 leeraren het niet hadden verhinderd. Er werden straffen uitgesproken van 2 jaar tot 4 maanden gevangenis. Op 13 Juli 1915 begon te Trebinje een proces tegen 65 leerlingen. Straffen werden gegeven, varieerend van 3 jaar tot 6 maanden gevangenis. Op 13 September 1915 begon een proces tegen 38 leerlingen en 3 leeraren te Tuzla. Een beschuldigde werd ter dood veroordeeld, door middel van ophanging en talrijke anderen kregen 15, 14 en 12 jaar gevangenisstraf. Behoudens enkele uitzonderingen waren alle beschuldigden in dit proces minderjarig en er waren er onder, die nauwelijks 15 jaren telden. In het geheel werd in dit proces uitgesproken: één doodstraf en 155 jaar en 10 maanden gevangenisstraf. Op 9 November 1915 begon een monsterproces te Banjeloeka. Er werden daar 98 menschen veroordeeld, waaronder 16 tot de doodstraf. Alle ter dood veroordeelden woonden de executie bij en een voor een werd opgehangen. Vasyl Grdjic, afgevaardigde en secretaris van Provesta (een vereeniging van meer dan 6000 leden, ten doel hebbende de ontwikkeling van het Servische volk door ondersteuning van scholen, het organiseeren van cursussen etc.), wien men het zwaarst wilde treffen, werd het laatst opgehangen. In het geheel werd er in dit proces 858 jaar gevangenis uitgesproken. De rechters in dit proces waren...... Duitschers.

De regeering confisceerde de vermogens van alle vereenigingen, die de zaak harer Servische onderdanen bevorderden. Zoo 3 millioen kronen van Provesta; 100.000 kronen van de vereeniging Dobrotwima Zadroega, voor een groot deel een schenking van Miss Irby, een Engelsche; 15.000 kronen van het fonds Karageorge, gesticht door den vader van den tegenwoordigen Servischen koning om de studie van jonge Serviërs te bevorderen.

Bijna al de leeraren der lyceums werden afgezet, zonder opgaaf van redenen; andere leeraren werden gevangen genomen. Bij de decreten van 7 en 13 October 1914 werden alle goederen van hen, die zich in het buitenland bevonden, geconfisceerd. Een ordonnantie van 7 December van dit jaar verklaarde, dat een deel der geconfisceerde vermogens kon afgestaan worden aan loyale burgers, met andere woorden, aan spionnen en verklikkers.

Toen de Oostenrijksche soldateska in dezen oorlog de gevangenissen van Agram, Laibach en Zara tot bersten toe vulde met de Servische onderdanen der Monarchie, toen zij de galgen deed kraken onder het gewicht van veroordeelde Serviërs, toen zij Servische grijsaards, vrouwen en kinderen van hof en haard verdreef en als een kudde wilde beesten voor zich uitdreef en ze liet omkomen van gebrek en door mishandeling, toen zij het Servische vermogen confisceerde en het gedeeltelijk schonk aan spionnen en verklikkers, toen riep ook de consul der Monarchie in New-York de Servische onderdanen van Frans Jozef op om hun plaats te gaan innemen in de rijen van het Oostenrijksch-Hongaarsche leger. Een antwoord, waaruit slechts gloeiende haat sprak, kwam: „Ga heen, satan, de melk van onze moeder is ons te heilig dan dat wij ons zouden kunnen verheffen tegen onzen broeder. Wij kennen je, satan! Je naam is Oostenrijk. Ga heen, we hooren je oproep niet. De stem der Servische strijders bereikt ons hart en onze ziel zweeft over het Servische heldenland, waar ge je graf zult vinden en waarin voor ons, Kroaten, de gouden zon der geheiligde vrijheid zal opgaan, die gij ons, zondaar, te lang verborgen hebt gehouden”.

Was een ander antwoord mogelijk? Van Kroaten, die in Amerika de vrijheid hadden leeren kennen? „De zon der geheiligde vrijheid, die gij ons, zondaar, te lang verborgen hebt gehouden!” In deze beschuldiging wordt den Habsburgers de oorzaak aangegeven, waarom zich de Yougo-Slaven van hen hebben afgewend. Och, zoo deze slechts het gebed van den dichter Jowan Jowanowitch hadden verstaan: „Heer, zegt ons dat uwe woede is bedaard en dat ge onze fouten hebt vergeven! Heer, maakt een einde aan de kwellingen der zonen van Lazar, den martelaar van Kossowo! Heer, geeft ons de plaats die ons toekomt in het midden der naties en bevrijdt ons van de Turken en de Schwaben!” Welk een geheel anderen loop zou de geschiedenis genomen hebben! Maar thans is het te laat, voor altijd te laat.

In dezen oorlog zijn de Yougo-Slaven voor altijd voor de Habsburgers verloren gegaan. „Austria-Hungaria delenda est!” Een andere kreet kent de Yougo-Slaaf niet meer.

En vanuit Rome, waar de Kroatische emigranten, de besten uit het volk, in Februari 1915 vereenigd waren, klonk het den Oostenrijkers en Magyaren toe: het Kroatische volk beschouwt zich als één met het Servische, vereenigd door de heilige banden van den bodem, het bloed en de taal.

De Yougo-Slavische eenheid was uitgeroepen.

Oostenrijkers en Magyaren mogen zich nu tot de meening bekeerd hebben, dat het dualisme in de Donau-Monarchie heeft afgedaan en dat het plaats moet maken voor een trialisme, bestaande uit Oostenrijk, Hongarije en Serbo-Kroatië-Slavonië, het is thans te laat. Na alles, wat er gebeurd is, zijn de Zuid-Slaven der Monarchie er niet meer voor te vinden. „Na al de martelingen, die wij hebben ondergaan onder het afschuwelijke Oostenrijk-Hongaarsche juk, mag geen voet van onzen nationalen bodem en geen deel van ons volk onder de heerschappij blijven van Oostenrijk of van Hongarije, zelfs zoo deze beide staten onder den een of anderen vorm de verschrikkelijkste débâcle, die hen wacht en die zij wel verdiend hebben, mochten overleven. Wij hebben slechts één kreet: Austria-Hungaria delenda est, en een onbuigzaam algemeen voornemen: de vereeniging met onze broeders Serviërs en Slowenen in één compacten staat en onder één dynastie, de roemrijke dynastie der Karageorge's”, riep dr. Hinkowitch uit in een rede, die hij op 27 April 1915 te Parijs hield.[2]

[2] Deze vereeniging onder alle Yougo-Slaven onder Karageorge's is uitgeroepen bij de declaratie van Corfu op 20 Juli 1917.

Het is duidelijk gesproken. Het is een rechtvaardige eisch. Het is tevens een eisch, die geschreven staat in de oorlogsvaan der Entente.

En, zou men meenen dat het den Duitschers en Magyaren ernst was met hun voornemen om den nationaliteiten recht te doen wedervaren?

In tijden van nood hebben de Habsburgers altijd concessies gedaan aan hare nationaliteiten, maar hun woord hebben zij nooit gehouden. In tijden van nood, zooals de Monarchie ook thans weder doormaakt, wordt het divide et impera een korten tijd opgeborgen, maar zoodra zijn deze tijden niet achter den rug, of het wordt opnieuw gedreven als een wig tusschen de nationaliteiten, die ze dan op de oude manier weder tegen elkander ophitst.

Terwijl aan de eene zijde Oostenrijk zich nauwer gaat aansluiten bij Duitschland en daarvoor zelfs een deel van zijn onafhankelijkheid zal prijsgeven, belooft het aan de andere zijde zijn nationaliteiten recht te doen wedervaren. Van tweeën een. Of het bedriegt Duitschland, of het bedriegt zijn nationaliteiten. Het bedriegt zijn nationaliteiten, omdat, zoo den nationaliteiten recht wordt gedaan, het met de hegemonie van Duitschers en Magyaren is gedaan. Zou men meenen, dat Duitschland het zou dulden?

Of Duitschland wordt verslagen en dan is het met de Donau-Monarchie gedaan, òf Duitschland wordt niet verslagen—zij dat het overwint of dat de oude status quo wordt hersteld—en dan is het met de nationaliteiten der Donau-Monarchie gedaan; een middenweg is hier niet.

3. HET YOUGO-SLAVISCHE PROGRAMMA.

De Servische eenheid moest komen, wat voor iedereen, die de toestanden in het Zuiden der Donau-Monarchie en in de Servische landen ten Zuiden van Donau en Save kende, duidelijk zichtbaar was. De idee: één homogene natie, één taal, één verleden, één staat had zich ten slotte ook van de Yougo-Slaven meester gemaakt. De vraag was slechts hoe deze eenheid tot stand zou komen.

Tot 1912 was Agram het middelpunt van het Zuid-Slavische leven, ofschoon er reeds vóór dien tijd genoeg kenteekenen aan te wijzen waren, die op een verplaatsing van het centrum van Zuid-Slavisch leven naar Belgrado wezen. De komst van Peter Karageorge op den Servischen troon, onder wiens regeering Servië zich wist te herstellen van de ruïne, waartoe Milan het gebracht had, zich in een ongekenden bloei ging verheugen en zich wist vrij te maken van Oostenrijksche invloeden, was voor de Donau-Monarchie geen fortuin. Haar belang eischte een geruïneerd, chaotisch en anarchisch Servië; een Servië met een sterke regeering, dat de toestanden wist te ordenen en de finantiën te regelen, was voor haar een gevaar, vooral bij den chaotischen toestand welke, door eigen schuld, in hare Zuid-Slavische landen heerschte.

Voor het jaar 1912 hoopte het meerendeel der Zuid-Slaven op het tot stand komen van een Groot-Kroatische staat, omvattende Kroatië-Slavonië, de Servische deelen van de Monarchie, het land der Slowenen, Bosnië-Herzegowina en Dalmatië, met Agram als hoofdstad en onder den scepter der Habsburgers. Doch na de overwinningen der Serviërs op de Turken in 1912 richtten de Zuid-Slaven den blik op het Servische koninkrijk, dat zij als het Piemont van een Yougo-Slavischen staat gingen beschouwen.

Thans is het Yougo-Slavische probleem tot een der levensbelangen van dezen oorlog geworden, want zoo uit dezen oorlog geen zelfstandige Zuid-Slavische staat mocht geboren worden, dan zal Europa niet tot rust komen en het doel, voortaan de volkeren in vrede naast elkander te doen leven, zal niet worden bereikt. „De vereeniging der Yougo-Slaven is een der vitale problemen van dezen oorlog en de oprichting van een sterken Yougo-Slavischen staat, die alle Serviërs, Kroaten en Slowenen omvat, zal de zekerste vredes-garantie zijn in het Zuid-Oosten van Europa”, schreef Seton-Watson (de auteur van het beroemde werk: The Southern Slav Question and the Habsburg-Monarchie) in den herfst van 1915.

Er zijn thans niet veel Yougo-Slaven, die hun stem kunnen doen hooren, want er bevinden zich betrekkelijk weinig vertegenwoordigers van hen in het buitenland, maar zij, die er zich bevinden en bijtijds hun land konden ontvluchten en daardoor den galg zijn ontsnapt, of die reeds vóór het uitbreken van den oorlog in ballingschap leefden, zijn de voornaamsten hunner. Met hun stem, die thans luid weerklinkt, spreekt het geheele Zuid-Slavische volk. Deze groep ballingen is haar actie te Rome begonnen, kort na het uitbreken van den oorlog, en heeft zich tot een comité geconstitueerd met het doel uit dezen oorlog een zelfstandige, sterke Yougo-Slavische staat te doen ontstaan, omvattende alle Serbo-Kroaten en Slowenen, onder de vaan der Karageorge's.

President van het Yougo-Slavische Comité is de bekende Dr. Ante Trumbitch, de vroegere burgemeester van Spalato, in Dalmatië, en oud-afgevaardigde in het Oostenrijksche parlement. Onder de leden, Dalmatieërs, Bosniakken, Kroaten, Serviërs en Slowenen, treft men mannen aan als Dr. Hinko Hinkovitch, de bekende verdediger der beschuldigden uit het schandelijke hoogverraad-proces te Agram, wien men het verblijf in de Oostenrijk-Hongaarsche landen onmogelijk heeft gemaakt en de bekwame, arme en door en door eerlijke journalist Frano Supilo—sedert in Londen overleden—welbekend uit het Friedjung-proces, Dr. Nicola Zupanitch, conservator van het ethnographisch museum te Belgrado en Mihajlo Pupin, professor aan de Columbia Universiteit te New-York. Verder treft men er talrijke bekende advokaten onder aan en de bekende beeldhouwer Iwan Mestrowitch, de schepper van het mooie beeld Moja Majka (mijne moeder).

Het Comité reikte den 1en Mei 1915 aan Delcassé en aan Iswolski een memorie over, waarin de ongelukkige situatie, waarin zijn landgenooten verkeerden en hunne aspiratie's werden uiteengezet en den 4en Juli een andere memorie aan lord Creve, die toenmaals Sir Edward Grey verving. Sedert den 1en October van hetzelfde jaar geeft het regelmatig een bulletin uit, in het Fransch en in het Engelsch.

In Amerika, waar zich talrijke kolonies Serbo-Kroaten bevinden, roerden de Yougo-Slaven zich geducht. Op 10 Maart 1915 werd te Chicago een groot congres gehouden, waar 563 afgevaardigden bijeenkwamen. Te Pittsburg werd een petitie door 2000 afgevaardigden aangenomen en te Cleveland kwamen de vertegenwoordigers der Narodna Hrvatska Zajednitsa, een Kroatische vereeniging met 35000 leden, en de Servische vereenigingen Sloga en Srboran bijeen en namen er de volgende resolutie aan: „Wij Kroaten, Slowenen en Serviërs, één enkele natie door het bloed, de taal, de algemeene aspiratie's, voelen ons met ziel en hart verbonden met het volk, met het leger en met het gouvernement onzer broeders van Servië en van Tsrna Gora (Montenegro). Hun zaak is de onze; wij zijn bereid te strijden, zijde aan zijde, tegen de gemeenzame vijanden: Teutonen, Magyaren en Turken, om de vrijheid te veroveren en de vereeniging van alle Yougo-Slaven in één grooten, nationalen staat. Wij hopen dat geen enkel deel van ons volk, geen duim van onzen bodem, in het Westen, in het Oosten, in het Noorden of in het Zuiden, vallen zal onder het vreemde juk.”

Het programma, dat het Yougo-Slavische Comité heeft opgesteld, eischt dat vereenigd zullen worden in één rijk: 1o. Servië en Montenegro, 2o. Bosnië-Herzegowina, 3o. Dalmatië met zijn Archipel, 4o. Kroatië-Slavonië met Rika (Fiume) en de Medjoemoeje (tusschen de Drave, Mur en Stiermarken), 5o. Batschka (tusschen Theiss en Donau) en het Banaat (Zuidelijk-Hongarije), ten Noorden van den Donau, zich uitstrekkend tot de Theiss met steden als Temesvar, Becskereck, Kikinda, Panschewo, Orsowa, Resica; 6o. Istrië met zijn eilanden en Triest; 7o. de Krain en Goritz en 8o. Zuidelijk Karinthië en Zuidelijk Stiermarken.

Er wonen in Oostenrijk-Hongarije 6½ millioen Yougo-Slaven, in Servië en Montenegro 4½ millioen en 11 millioen Yougo-Slaven zouden dus, volgens hun eisch, vereenigd worden in één rijk; het zou dus een staat van beteekenis worden.

Eén rijk onder de Karageorge's! In dezen eisch der Yougo-Slaven ligt opgesloten, dat de koning van Montenegro voor hen niet meer bestaat. Ook niet voor het Montenegrijnsche comité voor de nationale eenheid, dat zich geheel heeft aangesloten aan het programma der Yougo-Slaven. President van dit comité is Andriija Radowitch, vroeger minister-president en minister van buitenlandsche zaken van Montenegro.

De Montenegrijnen kunnen den ouden Nicolaas zijn dubbelzinnige houding in dezen oorlog niet vergeven en het allerminst de laffe wijze, waarop hij en zijn familie het land heeft verlaten, die zulk een schrille tegenstelling vormt met den schitterenden terugtocht van het Servische leger, met zijn koning in het midden. Ja, als Nicolaas thans met een leger, hoe gedecimeerd ook, aan het front in Saloniki stond, dan zouden er genoeg Montenegrijnen gevonden worden, die hem niet zouden afgevallen zijn, zelfs nu zijn verblijf op den Montenegrijnschen troon een anomalie zou zijn, maar thans? Neen, zijn verdwijnen van het tooneel van den strijd heeft hun eer aangetast en dat vergeven zij hem nooit. Zelfs een van zijn meest reactionaire ministers, Jowan Plamenac, heeft openlijk verklaard dat Nicolaas, door de wijze waarop hij in de catastrophe verdwenen is, voor Montenegro niet meer bestaat.

Nicolaas schijnt echter niet van plan te zijn vrijwillig van zijn troon afstand te doen. Het zal hem echter niet helpen. De Yougo-Slaven en zijn Montenegrijnen zijn niet meer van hem gediend. De Italiaansche afgevaardigde Arthur Labriola zegt volkomen terecht in de Lavoro van 14 Augustus 1917: „de dynastie Petrowitch weet zeer goed, dat de Yougo-Slavische unie zich zonder haar zal voltrekken. Door het streven dezer familie te steunen, zou men niet alleen het plan der Yougo-Slaven dwarsboomen, maar ook den uitdrukkelijken wil der Montenegrijnen. Koning Nicolaas zou een onafhankelijk Montenegro willen doen voortbestaan, maar zijn onderdanen verzetten zich tegen zulk een voornemen. Italië zou een zeer zware fout begaan, zoo het de persoonlijke politiek van den koning van Montenegro aanmoedigde.”

„De rol van Montenegro is afgespeeld. Het kan niet langer bestaan ten pleiziere van eenige liefhebbers van antiquiteiten en een dynastie, die boven alles zijn eigen belangen en ambitie's plaatst. In den toekomstigen staat van Serviërs, Kroaten en Slowenen willen de Montenegrijnen geen republiek van San Marino zijn”, schrijft Andriija Radowitch in „Le monde slave” (December '17).

De Yougo-Slaven weten dat, zoo de Duitschers overwinnaars in dezen oorlog mochten zijn, hun streven naar nationale eenheid met geweld zal worden onderdrukt in lange, lange jaren, omdat het de pan-germaansche heerschzucht in den weg staat. Maar ze weten ook, dat hun eischen ingewilligd zullen worden, zoo de Entente de zege behaalt, omdat:

1o. de vereeniging van alle Yougo-Slaven in één rijk de zuivere consequentie is van het nationaliteitsprincipe, zooals het door de Entente in haar oorlogsvaan geschreven is;

2o. een vrede in het Zuid-Oosten van Europa illusoir zou zijn, zoolang aan het nationale streven der Yougo-Slaven niet is voldaan;

3o. een sterke Zuid-Slavische staat een barrière zal opwerpen tegen pan-germaansch streven. Het oude Servische keizerrijk, dat sterk was zoolang het een sterke heerscher had, is te gronde gegaan, omdat het een barrière vormde tegen den drang naar het Noorden van de Turken; het Servische koninkrijk, dat zwak was omdat het slechts een klein deel van het Servische volk omvatte, ging te gronde, omdat het een barrière vormde tegen den drang naar het Oosten van de Duitschers; slechts een Yougo-Slavische staat, die sterk zal zijn omdat hij het Zuid-Slavische volk in zijn geheelen omvang omvatten zal, zal in de toekomst voor een catastrophe bewaard blijven.

4. ITALIË EN DE YOUGO-SLAVEN.

_De Yougo-Slaven zullen met of tegen Italië zijn; de keuze is aan Italië._

't Zal zoo ongeveer in de maand Mei van het jaar 1915 geweest zijn, toen ik, te Nisch in Servië verblijf houdend, vernam, dat de geheime diplomatie weder eens op haar manier aan het werk—aan het konkelen, zou ik haast geschreven hebben—was geweest.

Ik houd niet van de geheime diplomatie. Ze heeft de wereld heel wat leed berokkend en heel wat waardeloos werk geleverd, omdat het volk niet achter de regeering staat, als ze in het geheim aan het werk tijgt. Aan haar verwijt ik, dat het rebus sic stantibus is uitgevonden, dat ze van een diplomaat een intrigant en van een contract een vod papier maakt, in één woord is: „la diplomatie contre la nation.”