Part 3
Deze diefstallen schijnen de Bulgaren in hun eigen oogen niet te onteeren, want de Sobranja—de Bulgaarsche volksvertegenwoordiging—nam een wet aan, waarbij de goederen van hen, die het land verlaten hadden, uit vrees voor de Bulgaren natuurlijk, tot Bulgaarsch staatseigendom werden verklaard. En ik heb het bijgewoond, dat iemand, die in twee steden eigendom bezat, het moest aanzien, dat zijn eigendom in een der steden tot staatseigendom werd verklaard, omdat hij daar niet aanwezig was.
De minister van handel had vroeger reeds een besluit genomen dat alle in beslag genomen Servische boeken—en het waren boeken, die men èn particulieren èn boekhandelaars ontnomen had—tegen 15 centimes per kilo zouden worden verkocht voor de papierfabricatie.
Men bracht het Servische volk tot den bedelstaf door roof; men liet het echter nog op andere wijze verarmen. Want men overstroomde het land met Oostenrijksch papiergeld dat straks, als de vrede zal worden geteekend, door het bankroet van de Donau-Monarchie, volkomen waardeloos zal zijn.
Het Servische papiergeld werd door de Bulgaren plotseling waardeloos verklaard, toen zij nauwelijks een maand het Servische gebied in hun bezit hadden.
Er liep in Servië zeer weinig groot bankpapier om; biljetten van 100 dinaren (franc) zag men er zelden. Doch talrijk waren de biljetten van 10 dinaren, die in handen van iedereen waren. Men kan zich dus denken welk een geweldigen slag de Bulgaren de bevolking van het door hen bezette gebied toebrachten; ineens was de geheele bevolking straatarm geworden. Nisch was wanhopig.
Wij konden aanvankelijk zelfs niet gissen, waarom de Bulgaren zulk een maatregel namen. Het Servische papier was behoorlijk gedekt en al had de vijand zich niet meester kunnen maken van het goud en zilver der Nationale Bank, een overeenkomst zou toch wel te treffen geweest zijn om de Servische bevolking voor een ramp te behoeden. Maar zelfs al ware zulk een overeenkomst niet mogelijk geweest, dan nog had de Bulgaarsche regeering haar toevlucht niet tot zulk een noodlottigen maatregel mogen nemen. Het is een domheid de bevolking van een land, dat men annexeeren wil, tot den bedelstaf te brengen. Een volk van bedelaars is geen aanwinst voor een staat.
We ontdekten echter spoedig wat er achter den Bulgaarschen maatregel stak, want enkele dagen nadat de Servische bankbiljetten waardeloos verklaard waren, zaten de hotels en koffiehuizen van Nisch vol met Spaansche Joden uit Sofia, die er de bankbiljetten van 10 dinaren kwamen opkoopen tegen den prijs van 4 levs (franc). En als men nu weet, dat het niet zoo gemakkelijk was om in dien tijd van Sofia naar Nisch te reizen en dat men daarvoor de bijzondere toestemming noodig had van Sofianer autoriteiten, dan is de gevolgtrekking, dat Sofia zaken wilde doen en speculeeren met de ellende en op den wanhoop der Serviërs, niet gewaagd. Kort daarop stelde Sofia den prijs der Servische bankbiljetten van 10 dinaren vast op, naar ik meen, vijf levs.
Zeer groote zaken zullen de Bulgaren met hun manoeuvre wel niet gemaakt hebben, want de Serviërs waren verstandig genoeg om zich zoo weinig mogelijk om het voorschrift der Bulgaren te bekommeren. Groot nadeel leden alleen zij, die met koopen niet wachten konden en geen ander geld dan Servisch tot hun beschikking hadden. Dit waren juist de minst vermogenden. De boeren bezaten echter veel zilver en ofschoon ook dit geld, volgens het voorschrift der Bulgaren, in waarde sterk gereduceerd was, zij leden er niet veel onder, omdat zij geen ander geld wilden aannemen dan juist Servisch en niemand van hen ook ander geld bekomen kon. En ik heb den tijd gekend, in den zomer van 1916, dat het waardeloos verklaarde bankpapier van 10 dinaren in Servië hooger in prijs stond dan tien kronen van de Oostenrijksche onderdrukkers.
Aanvankelijk begreep ik niets van al de maatregelen van geweld, die de Bulgaren tegenover de Servische bevolking namen; eerst later ontdekte ik systeem in hun barbaarschheid en dat elke maatregel slechts een deel uitmaakte van een systeem, dat leiden moest naar één groot, afschuwelijk doel, zooals het alleen in de hoofden van geraffineerde Aziaten, van 19e eeuwsche Hunnen, kon opkomen: de uitroeiïng van de Servische bevolking. Haar tot den bedelstaf brengen, was slechts één der maatregelen, de anderen waren: onderdrukking van het Servische nationale leven, uitroeiïng van de dragers van dit leven, zooals de geestelijkheid, interneering van de mannelijke bevolking, om ze in den vreemde langzaam te doen sterven en, wijl men toch niet zooals in den tijd van Herodus, alle kinderen kon gaan vermoorden, het zenden van Bulgaarsche schoolmeesters en Bulgaarsche schoolmamsels naar het bezette gebied, om van de Servische kinderkens Bulgaarsche te maken.
Men doorzocht de woningen der Serviërs naar Servische boeken en Servische schilderijen; men haalde alle Servische boekwinkels leeg en vroeg er niet naar, of men den eigenaar ruïneerde; alles wat Servisch was, moest worden vernietigd, al waren het slechts onschuldige boeken.
De Serviërs kregen Bulgaarsche namen; de zakenlui moesten hun Servischen firmanaam omdoopen in een Bulgaarschen.
Het zal alles tevergeefs zijn; het helpt niet of men den Serviër een Bulgaarschen rok aantrekt.
Wat helpt het of men thans Servische boeken vernietigt? Ze zullen altijd gedrukt worden.
Wat geeft het of Popowitch thans Popoff heet? Onder den Bulgaarschen naam verschuilt zich een Servische ziel.
Wat helpt het of men Servische kinderen Bulgaarsch laat leeren door Bulgaarsche schoolmeesters? Ze hebben Servische moeders.
Wat helpt het of men den Serviërs de afbeeldingen hunner heiligen ontneemt en hun Sint-Save in den ban doet? Hun Slawafeest zullen ze niettemin blijven vieren, waaraan men den Serviër herkennen kan.
Doch de Bulgaren denken met een Tartaarsch assimileeringssysteem, ondoordacht, tergend en wreed, hun doel te bereiken en van de Serviërs Bulgaren te maken. Wat den Duitschers niet gelukt is in Polen en in Elzas-Lotharingen, den Magyaren en Duitschers niet in de Donau-Monarchie, dat zou een Tartaro-Bulgaar gelukken in Servië?
De Servische geestelijken zijn naar Bulgarije gebracht, te voet, midden in den winter, in de sneeuw. Hoevelen zijn er aangekomen? En hoevelen zijn onderweg vermoord? Ge kunt, lezer, de namen van de vermoorden lezen in: „les Souffrances”. Barbaarsch, vindt ge niet? Maar niettemin bezitten de Bulgaren een edelmoedige ziel, volgens Paskoff.
Men kan zich denken welk soort van bestuur de Bulgaarsche regeering naar het bezette gebied zond. Want voor dit soort werk, zooals de Bulgaren in Servië wilden ondernemen, is zelfs niet iedere Bulgaar geschikt.
De burgemeester van Nisch moet, volgens de getuigenis van een Bulgaar, een gewezen kroeghouder zijn; hij ranselde het volk met een zweep af. De prefect van Nisch, Iwanoff, was, volgens de getuigenis van een anderen Bulgaar, Savadjan (in: La Bulgarie en guerre) redacteur van een blaadje, dat van tijd tot tijd verscheen met chantage-doeleinden; hij was reeds vroeger door de Bulgaarsche justitie veroordeeld wegens afpersing. De prefect van Monastir heette Boyadjieff en was door zijn vader, den generaal, uit het ouderhuis gejaagd als onverbeterlijk, waarvan deze in de pers mededeeling had gedaan. Op de dorpen was het leven der Serviërs in handen gegeven van Bulgaarsche gendarmen, een zeer lief volk.
Er zijn niet veel mannen meer te vinden in het door de Bulgaren bezette gebied. Waar ze gebleven zijn? Men heeft ze naar Bulgarije gebracht en ook naar Klein Azië. Men laat ze er allerlei werk verrichten; ze sterven bij tientallen tegelijk van ellende en gebrek. Juist, wat de Bulgaren verlangen.
Of alle Servische mannen, die bijvoorbeeld uit Nisch en omgeving verdwenen zijn, ook gedeporteerd of geïnterneerd zijn? Wie zal het ons vertellen? Och, roepen de Nischers uit, als de vesting eens spreken kon? En schuw kijkt hij de oude Turkenvesting aan, waarin zoo'n naamloos leed geleden wordt en hij siddert als hij er aan denkt, wat er met hen gebeurt, die er werden opgesloten.
De vesting en de Nischewa, het snelstroomende riviertje dat in Bulgarije ontspringt, door Nisch stroomt en zich in de Morawa stort, ze zullen beide ten eeuwigen dage door de Nischers vervloekt worden. Want beide verbergen in zich ontzettende geheimen. Als de Nischewa droog liep, zei ons eens een Nischer, dan zoudt ge ontdekken dat haar bed met menschenlijken is geplaveid. En er is geen Nischer te vinden, die thans visch uit de Nischewa zal eten, ondanks zijn honger.
Er wonen in het door ons bezette gebied geen Serviërs, beweren de Bulgaren; de bevolking is er Bulgaarsch en het land is indertijd ten onrechte bij Servië gevoegd. Het zouden dus eigen landgenooten zijn, die door de Bulgaren vermoord worden. En het zijn er niet weinigen. Men zegt, dat de Bulgaren twintig duizend menschen in het bezette gebied over de kling hebben gejaagd. Het cijfer is niet te controleeren, thans niet, maar dat het er velen, ontelbaar velen zijn, daarover kan geen twijfel bestaan.
Is het onder zulk een régime niet verklaarbaar dat een bevolking, tot den bedelstaf gebracht, gekneveld en geplaagd, die het moet aanzien dat vaders, broeders en zelfs moeders en zusters in koelen bloede door de Bulgaarsche bestiën worden vermoord, uit vertwijfeling naar de wapens grijpt, die verborgen zijn, om er den geweldenaar mede neer te slaan? En dat de Serviërs zich beginnen te verzetten?
Het verzet tegen de Bulgaren is een tijdlang zeer hevig geweest en ook zeer gevaarlijk en ging ten slotte over in een formeelen opstand. Op het einde van Maart van het vorige jaar kregen de inwoners van Nisch bevel hunne huizen gedurende twintig dagen niet te verlaten; huis aan huis werd er doorzocht. De kanonnen rolden door de straten van het stadje en in de verte donderde het geschut.
Er was oproer uitgebroken in Prokoeplje, ten Westen van Nisch, dat zich snel had uitgebreid over Koeschoemlija en zelfs over Leskowats. De Bulgaren zonden onmiddellijk talrijke troepen met kanonnen en mitrailleusen, waartegen de opstandelingen natuurlijk geen stand konden houden; het oproer werd in bloed gesmoord, talrijke dorpen werden met den grond gelijk gemaakt en de inwoners: mannen, vrouwen, kinderen en grijsaards door de Bulgaren vermoord.
Tandenknersend en het hart vol wrok, gerechten wrok, maar schijnbaar kalm, draagt de Serviër zijn naamloos leed. Fier houdt hij het hoofd omhoog, vol moed, trots ellende en honger, want het geloof, dat de dag van vergelding komen zal, leeft onverwoestbaar in hem voort.
IV. HET BULGAARSCHE VERRAAD.
Wilde de Duitsche „Orientpolitiek” met succes bekroond worden, dan mocht Duitschland op zijn weg naar de Perzische Golf geen staten ontmoeten, die het een slagboom konden opwerpen. Een vrij en onafhankelijk Oostenrijk-Hongarije, een Zuid-Slavisch rijk, een zelfstandig Bulgarije en een Turkije, die zich tegen zijn wil verzetten konden, een Rusland, dat het èn op den Balkan èn in Klein-Azië den weg versperren kon, een Engeland, machtig genoeg om het een gebiedend halt toe te roepen, was onduldbaar. De Duitsche „Orientpolitiek” kon dan alleen slagen, zoo Duitschland zijn vijanden versloeg en zijn vrienden tot onderwerping bracht. Het eerste is tot heden niet gelukt, het laatste daarentegen schijnt maar al te goed te gelukken. Op zijn weg naar de Perzische Golf zal het, zoo het zijn vijanden verslaat, geen staten ontmoeten, die zich tegen zijn wil durven verzetten.
Servië is uitgeschakeld; het is in handen der Duitschers; de Oostenrijkers en de Bulgaren, die het hebben bezet, zijn slechts de mandatarissen van Duitschland, al dragen zij den naam van bondgenooten. Zijn echter deze bondgenooten, de Bulgaren en de Oostenrijkers, er beter aan toe dan het vertrapte Servië en België? Neen, want ook in Oostenrijk en Bulgarije zijn de Duitschers heer en meester en regeert hun wil alleen. Ook met de onafhankelijkheid van deze landen is het gedaan, zoo de Duitscher mocht overwinnen. Al de pogingen van keizer Karel om zijn noodlot te ontkomen, zullen hem niet baten, zullen hem niet uit den greep van den Duitscher verlossen; het is het resultaat van een averechtsche binnenlandsche politiek van meer dan een halve eeuw. Turkije mag vrij zijn om zijn Armeniërs, die de Turksch-Germaansche toekomstplannen in den weg staan, te vermoorden, het heeft zich, als gevolg van de noodlottige politiek van een Enver Pascha, gedwee en zonder morren te onderwerpen aan den wil van Wilhelm II, den zoogenaamden beschermer der Mahomedanen. En de imperialistische tendenzen der Bulgaarsche staatslui, die parallel loopen met het Duitsche pangermanisme, hebben van het Groot-Bulgarije der toekomst tevens een Duitsche vazalstaat gemaakt; de Duitschers zullen de Bulgaren niet beter behandelen dan zij het hun Herero's hebben gedaan.
Nu is het wel juist, dat economische en militaire overeenkomsten tusschen Staten met zulk een verscheidenheid in belangen en tusschen volken van zulk een verschil in ras, overeenkomsten daarenboven, die de hegemonie van den een over al de anderen moeten bevestigen, niet van duur kunnen zijn, vooral niet waar 70 millioen menschen hun wil dicteeren aan 127 millioen, maar hier zouden ze toch juist zoo lang duren als het Duitsche zwaard in staat was ze te verdedigen. Europa zou dus in een blijvend oorlogskamp herschapen worden, een der noodlottige gevolgen van een Duitsche overwinning.
Dat dit zoo komen zou, is echter niet de wil der volken uit deze staten geweest; het is het gevolg van de fouten hunner bestuurders. Behalve de Duitschers en de Magyaarsche edelen wil geen mensch in de Donau-Monarchie met Duitschland te maken hebben en zoowel het Bulgaarsche als het Turksche volk verfoeien den Duitscher. Niet alleen in België en Frankrijk, maar ook in Oostenrijk-Hongarije, op den Balkan en in het Turksche Rijk is de Boche de meest gehate man.
„Een heroïsche worsteling ontrolt zich voor ons: de heilige en machtige Germaansche cultuur worstelt met de verrotte Fransche cultuur, die, ten doode opgeschreven, tracht achter haar al de volken van Europa mede te sleepen,” schreef de Bulgaar Petkoff in 1914. Ik zou Petkoff thans wel eens willen spreken en vragen naar zijn meening van thans over de heilige en machtige Germaansche cultuur, waarmede Bulgarije geïnfecteerd wordt. Ik heb gedurende den oorlog een anderen Bulgaar gesproken, die, minder bombastisch en nuchterder dan Petkoff, me de vraag voorlegde: hoe krijgen we de kerels er weer uit, waarmede hij vragen wilde, hoe ontworstelen wij, Bulgaren, ons aan de Duitsche overheersching? Zij, die den Balkan overheerschen willen, zien zich thans op hun beurt overheerscht.
De zucht der Bulgaren naar de hegemonie op den Balkan heeft henzelf, maar ook de Zuid-Slavische zaak heel wat nadeel berokkend. Tot hun verontschuldiging kan aangevoerd worden, dat het de Russische politiek is geweest, die op hen de hegemonie-bacil heeft geënt. Het begon bij San-Stefano, waar de Russen den Bulgaar over het paard hebben getild. Het daar in elkaar gezette Groot-Bulgarije is de nachtmerrie geworden der Sofianer politici, die ze geen oogenblik met rust liet. Dit Groot-Bulgarije hebben ze ook beproefd tot stand te brengen in den eersten Balkanoorlog, toen zij van geen herziening der verdragen met Servië en Griekenland wilden weten, wat toch noodzakelijk was na een oorlog, die andere resultaten had opgeleverd dan verwacht waren. En toen zij hun wil niet konden doorzetten, namen zij hun toevlucht tot verraad, dat hen naar Boecarest bracht, waar hen aan het verstand werd gebracht, dat de kans op een Groot-Bulgarije was verkeken. Dat was het gevolg van „het werk der camarilla, die de Balkan-confederatie vernietigde en Bulgarije zonder genade als holocaustum aan Oostenrijk overleverde”, beweert—en terecht—de Bulgaarsche generaal Vazoff.
Miljoukov heeft, als lid van het Carnegie-Comité, in het „Journal de Paris”, op 12 December 1916, beweerd, dat, zoo de overeenkomst tusschen Bulgarije en Servië van 1912 gerespecteerd was geworden op het Congres van Boecarest van 1913, Bulgarije niet aan de zijde der Centrale Mogendheden zou zijn opgetreden.
Behalve dat met zulk een eisch, om op het Congres van Boecarest het tractaat van 1912 te respecteeren, waarlijk al te veel gevergd is, is daarenboven zijn oordeel niet juist.
Bulgarije had Servië en Griekenland plotseling overvallen, nadat prins Fürstenberg aan Boecarest had te verstaan gegeven, dat de Donau-Monarchie, in het geval dat er een conflict tusschen Servië en Bulgarije ontstond, het laatste rijk met de wapens verdedigen zou. En wel met het doel met geweld het tractaat van 1912 door te voeren, waarvan een herziening een eisch van billijkheid was met het oog op de resultaten verkregen in den oorlog tegen Turkije. En dan zou men, nadat Bulgarije verslagen was, aan dit tractaat zelfs niet mogen tornen?
Maar zelfs al had men zich in Boecarest aan dit tractaat gehouden, een onzinnige eisch, te meer daar Macedonië _niet_ Bulgaarsch is, dan nog zou Bulgarije in dezen oorlog aan de zijde der Centrale Mogendheden opgetreden zijn. En wel omdat het imperialistische streven der Bulgaren zich verder uitstrekt dan tot Macedonië. Wat zelfs de Buxtons nooit hebben ontdekt.
Er bestaat een Bulgaarsch werk onder den titel: „De kameraad van den soldaat, handboek voor de soldaten van alle wapens”. Het is gepubliceerd overeenkomstig de order no. 76 van 14 Maart 1907 van het Bulgaarsche ministerie van oorlog en werd aanbevolen door ditzelfde ministerie bij circulaire no. 28 van 21 Maart 1907. Het is dus een officieel Bulgaarsch boek, dat in handen komt van iederen Bulgaar, omdat iedere Bulgaar een tijdlang kazernebewoner is. Op bladzijde 56 van het geschiedkundige deel van dit werk komt een kaart van Groot-Bulgarije voor, waarin het „reeds bevrijde” Bulgarije in rose, de „nog niet bevrijde” deelen in rood zijn gekleurd. Welnu, tot het rood gekleurde deel behoort niet alleen Macedonië met de steden Monastir en Prisrend, maar ook een deel van Servië, met Nisch, en de geheele Dobroedscha met Constanza en ook bijna geheel Tracië met Adrianopel. Deze rood gekleurde deelen kon Bulgarije in rose overschilderen, alleen door aan de zijde der Centrale Mogendheden op te treden. En om dit te bereiken heeft het, kortzichtig als zijne diplomaten zijn, de Slavische zaak verraden, de débâcle van het Servische leger veroorzaakt en voor Duitschland den weg naar het Oosten geopend.
Dat Bulgarije een zwaar verraad aan de Zuid-Slavische zaak heeft begaan, zien de Sofianer politici wel in, en om het te verdedigen, maakt er een, Ghenadieff, een politieke salto mortale en vertelt ons: „het Slavisme is een fatale hinderpaal voor onze nationale macht en ons enthousiasme. Het wordt tijd voor ons om deze dwaling te herstellen en niet langer een dergelijken leugen te propageeren”. Laat ik er echter bijvoegen, dat Ghenadieff niet een man is, wiens oordeel men hooge zedelijke waarde mag toekennen; op den Balkan kent men de gestes van dien oud-minister al te goed en weet men waartoe hij alzoo in staat is. Maar goed, de Bulgaarsche politici, in den trant van Ghenadieff, willen thans van de Slavische zaak niets meer weten, sedert de realisatie van hun imperialistisch streven het verraad der Zuid-Slavische zaak beteekende. Servië, het Piemont der Zuid-Slaven, wat Bulgarije niet kon zijn, moest daarom vernietigd worden; „dat is de hoogste noodzakelijkheid voor de toekomst der menschheid”, schreef Narodni Prava op 19 Mei 1916. De Bulgaren, die niet weinig inbeelding bezitten, schijnen te meenen dat zij, Slaven in een Tartaren-omhulsel en met Tartaren-manieren, de geheele menschheid vertegenwoordigen.
Het woord pan-bulgarisme heeft men tot heden niet gebruikt. Maar al bestaat het woord niet, het begrip bestaat niettemin. Het beteekent voor de Bulgaren hetzelfde als het pan-germanisme voor de Pruisen.
Onder pan-germanisme verstaat men niet het streven der Pruisen om alle landen, waar Duitschers in compacte massa te zamen wonen, onder zich te vereenigen, doch het is in waarheid het streven der Pruisen om zich meester te maken van alle landen, die Duitschland noodig heeft of meent noodig te hebben ter wille van de macht der Hohenzollerns.
Precies zoo is het gesteld met het streven der Bulgaren. Ook zij wenschen te bezitten, wat zij meenen noodig te hebben om hun alleenheerschappij op den Balkan te verzekeren. Ze trachten het te bereiken op eenmaal, in twee étappes of ook in drie, al naar de omstandigheden. Bereiken zij hun doel niet heden, dan morgen of overmorgen.
Thans verkondigen ze openlijk, dat iedere Bulgaar voelt dat Turkije moet blijven bestaan. Ze zullen het net zoo lang verkondigen tot ze kans zien de hand op Constantinopel te leggen. Ze verkondigen thans ook, dat een deel van Servië in handen van Oostenrijk behoort te blijven. Doch zoodra zij kans zien den Oostenrijker uit den Balkan te jagen, zullen zij hem gaan zeggen dat hij er niet behoort, dat geheel Servië Bulgaarsch is. Deze tactiek noemen zij met een Duitsch woord: „Realpolitik”.
Ze streven hun doel op iedere wijs na en om het te bereiken deinzen ze voor niets terug. Iedereen, die hun daarin van dienst kan zijn, is hun welkom. De goede tante is die, welke de grootste taart geeft, beweren ze. Ze zullen echter de goede tante verraden, als er een andere komt, die hun grootere brokken toewerpt. En straks als de débâcle Duitschland zal gaan achterhalen, zal men de Bulgaren een diplomatischen zwaai naar de Entente zien maken, om het doel, waarnaar zij streven, niettemin te bereiken, voor zoover slechts mogelijk is.
De Bulgaren wilden geen vazal van Rusland worden. Waarin ze gelijk hadden. Ze hadden een Stamboeloff, die ervoor heeft gewaakt. Maar Stamboeloff is dood en een nieuwen hebben de Bulgaren niet. En omdat er geen Stamboeloff in Bulgarije meer is, maar er slechts diplomaten te vinden zijn die geen kijk op de toekomst hebben en slechts hun oogenblikkelijk belang kennen, worden ze vazallen van het Duitsche rijk. Wel bekome het ze!
En den goeden man, die me indertijd vroeg: hoe krijgen we de kerels er weer uit, kan ik alleen antwoorden: door jelui eigen nederlaag; dan kunt ge, zij het ook met geruïneerde finantiën en met het kenmerk van het verraad op het voorhoofd, weder vrij worden.
Een jaar na den overval op de Serviërs en de Grieken, die geleid heeft tot den vrede van Boecarest, in Juni 1914 dus, erkenden mannen als de Bulgaren Guechoff, dr. Daneff, Malinoff, Janco Sakasoff en generaal Iwanoff, dat op 29 Juni 1913 door de Bulgaren verraad was gepleegd, „het resultaat van de dubbelzinnigheid onzer binnenlandsche en buitenlandsche politiek, die te allen tijde het openbare leven in Bulgarije heeft vergiftigd.”
Maar, in October 1915, plegen de Bulgaren weder verraad en straks, als de Centrale Mogendheden niet mochten overwinnen, zullen we weder precies dezelfde lamentaties hooren als in Juni 1914.
Het is te hopen dat dan de Entente tot de ontdekking zal zijn gekomen, dat Bulgarije van zijn ziekte, zijn dubbelzinnigheid in de politiek, die tot verraad leidt, niet te genezen is. Verraad is voor den Bulgaar louter een element in zijn politiek tot een bepaald doel. Wordt dit doel bereikt, dan voert het hem tot zelfverheerlijking, wordt het niet bereikt, dan brengt het hem tot zelfbeschuldiging, tot inkeer echter nooit.
V. EEN YOUGO-SLAVISCHE STAAT IN WORDING.
1. DE YOUGO-SLAVEN.