Part 2
„Là où il ne peut pas se servir de sa force, le Bulgare lutte par le mensonge, l'hypocrisie, la sournoiserie, la calomnie et la supercherie. Quand il se plaint, ses lamentations bruyantes s'élèvent vers le ciel et lorsqu'il craint quelqu'un, il se prosterne. Il est prêt à toutes les trahisons et il est fier de son astuce.” Dit getuigenis, dat Victor Kuhne van de Bulgaren geeft, klinkt anders dan dat van Petkoff. En het is ook heel wat juister.
II. DE SERVIËRS, ZOOALS ZE ZIJN EN ZOOALS ZE NIET ZIJN.
Ondankbare moordenaarsbende onder de regeering ring van een koning, wiens handen met bloed bevlekt is. Dit getuigenis, dat de brave onderdanen van den Habsburger van de Serviërs geven, alsof in hun politiek tegenover de „blutbefleckte Wege der Serbischen Intrigen-politik” slechts braafheid richtsnoer is, alsof er geen Rauchs, geen Khun Hedervary, geen Cuvaj, geen Agrammer hoogverraad-proces, geen Friedjung-proces, geen actenvervalsching, geen diplomaat als Forgach een rol hebben gespeeld in hun politiek tegenover Servië—om van den allerlaatsten tijd slechts te spreken—, is niet bijzonder mooi. Maar is het ook waar?
Ondankbaar! Nu, over de dankbaarheid van de Serviërs kan de Oostenrijker zeker niet roemen! Maar heeft hij ook recht om er aanspraak op te maken? De Donau-Monarchie heeft getoond de aartsvijandin der Serviërs te zijn, op wier ondergang zij zich immer heeft toegelegd. En wie eischt er nu dankbaarheid van hem, op wiens vernietiging men zich toelegt?
Wijst mij, heeren Oostenrijkers, niet op uw gezant Khevenhüller, die in 1885 den Bulgaren te Pirot een halt toeriep. Want ik zou u wijzen op Bismarck, die u heeft gezegd dat gij het geweest zijt, die koning Milan in den oorlog tegen de Bulgaren gedreven hebt en dat uw Länderbank daarvoor het geld heeft verschaft. De Serviërs beschouwden hun koning Milan als een agent der Donau-Monarchie en waren noch hun koning, noch de Oostenrijkers dankbaar voor hun politiek, die Servië ten verderve moest strekken.
Moordenaarsvolk! En de Oostenrijkers wijzen op den moord op Karageorge, op Mihael, op Alexander en zijn vrouw en ten slotte op aartshertog Frans Ferdinand en diens gemalin.
Karageorge werd, naar men zegt, op last van Milosch vermoord. Of het waar is, weten we niet, maar onmogelijk is het niet. Beide vrijheidshelden, Karageorge en Milosch, die voor meer dan een eeuw den strijd tegen de Turksche overheersching aanbonden, werden niet geplaagd door overgevoeligheid, waren menschen van het ruwe geweld; de een stond den ander in den weg. Maar ze waren opgevoed onder een Turksch régime, kenden alleen Turksche zeden en gewoonten en konden daarom geen andere dan Turksche praktijken volgen. Wie zal het hun ten kwade duiden?
Mihael, de verlichtste vorst, dien Servië ooit gehad heeft, werd in 1868 door een drietal Serviërs in het park van Topschider bij Belgrado neergeschoten. Het was een politieke moord. De moordenaars kennen we, maar van de aanstichters van den moord weten we niets af. De Serviërs beweren dat men in de Donau-Monarchie de aanstichters wel kent. Doch hoe het ook zij, een feit is het dat Mihael, die met zijn minister Garaschamin een anti-Oostenrijksche politiek volgde, vermoord werd een jaar nadat in Boecarest het accoord tusschen Servië en het Bulgaarsche volk tot stand was gekomen en dat zijn dood voor Servië een slag, voor de Donau-Monarchie een fortuin was.
Men moet de geschiedenis der regeering van den „Lebemann” Milan en zijn zoon Alexander kennen, om zich den moord op den laatsten en diens vrouw te kunnen verklaren. Milan ruïneerde de Servische finantiën, trad met geweld tegen de radicale partij op, die negen tienden van het volk vertegenwoordigt, wierp zijn politieke tegenstanders in de gevangenis of dreef ze in de verbanning, maakte geweld en list tot regeeringsmiddelen en sloot met de Donau-Monarchie een tractaat, waarin hij den Oostenrijkers den weg naar Saloniki openstelde over Belgrado; hij deed heel Europa spreken over zijn schandalig huwelijksleven. Zijn zoon Alexander, in tegenstelling met zijn vader, die een schitterende geest bezat, een man met minder dan middelmatige geestvermogens, opgevoed in de ellendige atmospheer van een twistend ouderenpaar, zonder ware vrienden, was niet in staat de nadeelen, die de regeering van zijn vader het land berokkend had, te herstellen en beging zelfs den misstap een vrouw te huwen, die, zooals algemeen in Servië beweerd wordt, de maitresse van zijn vader was geweest. En deze vrouw, Draga Maschin, een bekende schoonheid, prikkelde zeer gevaarlijk het leger door haar beide broeders, nietswaardige onderofficieren, in het officierencorps te doen opnemen.
Nu is in Servië de koning niets anders dan de eerste landsdienaar, en zoo men den Serviërs mocht spreken over den gezalfden des Heeren of over koningen bij de gratie Gods, dan zouden ze u niet begrijpen. Hun koning is hun ambtenaar, wel is waar de hoogste, maar niettemin hun ambtenaar. Aan de regeering van Alexander moest een einde gemaakt worden, wilde het land niet te gronde gericht worden; zijn vader had het land geruïneerd, hij kon diens fouten niet herstellen en beiden hadden ze de eer van het land te grabbelen gegooid. Als men hem dus had afgezet en hem met zijn vrouw uit het land verwijderd, was er tegen dit optreden niets te zeggen geweest. Doch men heeft hem en zijn vrouw beestachtig vermoord.
Maar wat heeft het volk daarmede te maken? Het vólk heeft hem en zijn vrouw niet vermoord; er was geen spoor van een revolutie in de bloednacht te ontdekken; de schuldigen zijn een bende dronken officieren geweest.
En nu wordt den tegenwoordigen Servischen koning verweten, dat hij den kroon heeft aangenomen uit de met bloed bevlekte handen der moordenaars. Maar had hij dan den kroon moeten weigeren, tot ze hem aangeboden werd door hen, die met den moord niets te maken hadden gehad? Met andere woorden: hij had het land aan de anarchie moeten prijsgeven. Want deze zou het gevolg geweest zijn van zijn weigering. Wat zou dan de Oostenrijksche regeering een mooie gelegenheid gehad hebben om in te grijpen, het land te bezetten en in bezit te nemen. Het is in den tegenwoordigen koning te loven, dat hij den Oostenrijkers die gelegenheid niet geboden heeft.
En thans de moord op den aartshertog Frans Ferdinand. Wat heeft daarmede het Servische volk te maken? Wat zelfs de Servische regeering? Te beweren dat deze de hand in het spel gehad heeft, is Servië van zelfmoord beschuldigen en de Servische regeering waanzinnig verklaren. Pachitsch waanzinnig! De Servische regeering, die er de lucht van gekregen had dat er iets tegen Frans Ferdinand broeide, had de Oostenrijksche regeering gewaarschuwd. En wanneer de laatste geen acht sloeg op deze waarschuwing, dan is dit niet de schuld der Servische regeering. Joseph Reinach, die van den aanslag op den aartshertog een diepe studie heeft gemaakt, vertelt in zijn rede van 8 Februari 1917, dat zich bij hem de overtuiging gevestigd heeft, dat de aanslag van Cabrinovitch door de Oostenrijksche politie in scène is gebracht, doch dat die van Prinzip haar heeft verrast.
Na deze inleiding zal ik thans trachten den Serviër te beschrijven in zijn goede en slechte hoedanigheden. Maar laat ik u vooruit zeggen: _mij_ is hij zéér sympathiek. En niet alleen mij, maar allen Hollanders, die in de oorlogen van de laatste jaren met hem hebben kennis gemaakt.
De Serviër is een groote man, nochtans niet plomp en log, maar lenig en vlug, van donker uiterlijk, met zwart haar en donkere oogen, ofschoon er ook heel wat blonde typen in Servië voorkomen.
Hij is levendig in den omgang, spraakzaam en hartelijk. Van zijn hart maakt hij geen moordkuil en als hij verontwaardigd is, drukt hij zich niet altijd parlementair uit, hoe goed hij overigens zijn woorden weet te kiezen; het vloeken verstaat hij nog beter dan een Hollander.
Hij is een geboren optimist, doch zijn optimisme wordt voortdurend onderbroken door vlagen van pessimisme, die echter niet lang stand houden. De Servische zon is zoo fel, dat zelfs het donkerste gemoed voor haar niet onbereikbaar is.
Zijn fantasie is bijzonder groot; hij goochelt met cijfers en overdrijft geweldig; hij overschat zijn eigen krachten en die zijner vrienden in hooge mate, maar onderschat die van zijn vijanden.
Hij is zeer voorkomend en zeer hoffelijk, zal u helpen zoo het hem slechts mogelijk is, maar ziet er ook niet tegen op, u onder de mooiste woorden, de hoffelijkste termen en de schoonste beloften met een kluitje in het riet te sturen. Een meester in deze kunst is de Servische minister-president Paschitch. Journalisten, die hem komen interviewen, weet hij urenlang aangenaam aan de praat te houden, maar als zij thuis komen en het interview op papier willen brengen, komen zij tot de ontdekking, dat hij hun heelemaal niets heeft verteld.
De Serviër is gastvrij en zijn gasten, waaronder hij iedereen verstaat, die zich maar als gast aanmeldt, onthaalt hij op voortreffelijke manier, zijn zeer beperkte middelen in aanmerking genomen.
Spaarzaam is de Serviër niet; het geld is rond en daarom laat hij het rollen. Een deugd is dit nu juist niet, maar zoo het een ondeugd is, dan is het er een, waarmede men zich meer vrienden maakt dan met de hoogste deugd.
Hij is evenmin wantrouwend, integendeel, zijn vertrouwen is dikwijls roekeloos groot en men moet heel wat tegen hem misdreven hebben, wil men het voor altijd verloren hebben.
Hij is evenmin haatdragend; zijn haat vergeet hij even spoedig als zijn leed.
Hij is zeer bevattelijk, dikwijls al te glad en meent van alles verstand te hebben. Hij kan u een geheel betoog houden over dingen, waarvan hij absoluut niets weet.
Hij wordt gaarne gevleid en beschouwt allen, die hem vleien, als zijn vrienden. Hij kan zich moeilijk voorstellen, dat ge een vriend van hem zijt, zoo ge hem uw kritiek niet spaart.
Hij is fier op zijn vrijheid en zijn onafhankelijkheid en duldt geen dwang. Aan discipline onderwerpt hij zich noode en niet langer dan strikt noodzakelijk is.
Hij is buitengewoon moedig, heeft geen vrees voor den dood en voelt zich volkomen solidair met zijn rasgenooten.
Zijn vaderlandsliefde boezemt eerbied in. Als het vaderland in nood verkeert, is geen offer hem te zwaar; gewillig en zonder morren offert hij er goed en bloed voor op. Nochtans ontaardt dit patriotisme wel eens in chauvinisme. Wat overigens verklaarbaar is in een jong volk, dat, na eeuwenlange onderdrukking, zijn vrijheid bevochten heeft, buren bezit, die zijn vrijheid belagen en dat naar eenheid van zijn volk streeft.
Hij is, in één woord, de Franschman van den Balkan.
* * * * *
De Serviërs zijn een jong volk. Zoo zegt men. Is het wel juist? Servië, zooals het zich thans aan ons vertoont, is een jong rijk, maar de Serviërs zijn geen jong, doch een oud volk, dat een grootsche geschiedenis achter zich heeft liggen. De grootheid van Servië is echter niet van langen duur geweest en op een korte, glansrijke periode is er een van eeuwenlange onderdrukking gevolgd.
Ook Servië heeft zijn Karel de Groote gehad. Hij heette daar Doeschan de Groote. Ook Servië kan zijn groote geschiedkundige figuren aanwijzen, zijn Sava, Lazar, Obilitch, Kraljevitch Marko en in de nieuwere geschiedenis: zijn Zwarte George en zijn Milosch. En evenals om sommige groote figuren uit de Germaansche landen, hebben zich ook om de groote figuren uit de Servische geschiedenis mythen gesponnen. Welk een overweldigenden indruk maken niet de legendarische figuren van Lazar, Obilitch en Kraljewitch Marko op ons uit de Kossowo-Cyclus, deze Servische rijmlooze gedichten, die onder het Servische volk van mond tot mond zijn gegaan en door de eene generatie de andere zijn voorgezongen, in de herbergen op de kruispunten der wegen in het gebergte en in de Zadroega's, door blinde barden en onder begeleiding van de goesla!
* * * * *
Als ik thans deze Kossowo-cyclus herlees, deze legendarische beschrijving van de daden der helden uit het dramatische tijdperk van den ondergang van het Servische keizerrijk, dan rijst het beeld der Bejania van dezen tijd, van 1915, mij voor den geest, van deze heldenmoedige en rampspoedige terugtocht der Serviërs, die als drama niet onderdoet voor Kossowo en die, na eeuwen, door de Serviërs even legendarisch zal bezongen worden als de débâcle van 1389 op het vervloekte Amselveld. Want is ze niet een geweldig drama, deze heroïsche terugtocht der Serviërs, die, aan zichzelf overgelaten door hunne bondgenooten, wijken moeten voor een overweldigend aantal vijanden, waartegen geen stand te houden is? Kan men zich een aangrijpender drama voorstellen dan deze vlucht van het Servische leger, met zijn koning en zijn ministers in het midden, in regen en sneeuw, dwars door Albanië, over bergen en langs wegen, onbegaanbaar door de modder en bezaaid met gebroken voertuigen, met doode paarden en ossen en met de lijken van burgers, die op de vlucht waren geslagen voor Schwaben en voor Bulgaren en van honger en koude waren omgekomen of door de woeste Albaneezen vermoord?
„Nicht allein der Triumphator, Nicht allein der sieggekrönte Günstling jener blinden Göttin, Auch der blut'ge Sohn des Unglücks,
„Auch der heldenmüt'ge Kämpfer, Der dem ungeheuren Schicksal Unterlag, wird ewig leben In der Menschen Angedenken.”
zong Heine, de Duitsche banneling.
Men kent bij ons den Serviër niet of slecht. En nog minder kent men zijn geschiedenis. Men weet bij ons alleen, dat er ergens in het Zuiden van Europa een Servisch koninkrijk ligt met een paar millioen inwoners, men weet niet dat er 11 millioen Serviërs in compacte massa bijeenwonen. Men zegt daarom bij ons: het is een klein volk en wijdt er geen aandacht aan. Maar ik zeg u: het is een gróót volk, dat uw aandacht ten volle waard is.
III. ARM SERVIË.
De Servische socialistische partij, vertegenwoordigd door den heer D. Popowitch, secretaris dier partij en den afgevaardigde T. Katzlerowitch, heeft den 10en November 1917 aan den secretaris van het Hollandsch-Scandinavische Comité te Stockholm, den heer Camille Huysmans, een gedenkschrift overhandigd, dat de onweerlegbare documenten bevat der Austro-Hongaarsche en Bulgaarsche wreedheden, bedreven op de burgerlijke bevolking van Servië.
Dit gedenkschrift werd gepubliceerd onder den titel: Les Souffrances d'un peuple en, voorzien van een inleiding van Camille Huysmans, in dit jaar door de Librairie Kundig te Genève uitgegeven.
In het Zwitsersche appèl, op de eerste bladzijde van Les Souffrances afgedrukt, stellen 46 mannen van beteekenis, waaronder de bekende professor O. Nippold te Bern, de vraag: „zal de beschaafde wereld niet de middelen en den weg vinden om paal en perk te stellen aan dit afschuwelijk schrikbewind?”
Als het doel van dit werk is daartoe de beschaafde wereld op te eischen, dan is het, naar mijne meening althans, tevergeefs geschreven. Ingrijpen in dit afschuwelijke régime der Oostenrijkers en der Bulgaren kan niemand. En zonder dit ingrijpen zal noch de Oostenrijker, die er niet tegen opzag zijn eigen bevolking uit te moorden, te knevelen, te mishandelen en te berooven, alleen omdat ze Servisch is, noch de Bulgaar, deze Tartaar, die de manieren van de Duitschers in België heeft afgekeken, van zijn schrikbewind afzien. Aan een misdaad stelt men geen paal en perk, zoolang men zich niet van den misdadiger meester maken kan.
Maar, al wordt dit doel niet bereikt, toch is met dit boek een goed werk verricht. Want hier worden de schuldigen gebrandmerkt. En straks, als er over den vrede onderhandeld zal worden, zal men hen herkennen aan hun brandmerk.
De heeren Popowitch en Katzlerowitch hebben een tijdlang gezucht onder het wreede regime van de Oostenrijkers, tot zij kans zagen het land te verlaten. En oogenblikkelijk daarop hebben zij de documenten, die zij verzameld hadden, gepubliceerd. Het werk geeft dan ook slechts een opsomming van misdaden, bedreven door Oostenrijkers en door Bulgaren, met hier en daar een conclusie; het geeft geen aaneengeschakeld verhaal, dat meesleept door schrijverstalent. Het is ook niet noodig. Want deze eenvoudige opsomming laat zelfs het hardste gemoed niet ongeroerd.
Ik kan het werk der beide Servische socialisten aanbevelen; het geeft de waarheid en niets dan de waarheid, zonder overdrijving. Ik kan dit beweren, omdat ik zelf langen tijd verblijf hield in dit deel van Servië, dat door de Bulgaren is bezet en waar ik deze heeren aan het werk heb gezien, tot de Duitschers ontdekten, dat ik gevaarlijk kon worden en mij gevangen namen.
Om nu de opsomming, die „Les Souffrances” ons geeft, aan te vullen en te versterken, te versterken vooral, doe ik u hier het verhaal mijner ervaringen:
* * * * *
Servië was een rijk land.
Dit klinkt paradoxaal voor ons, Hollanders, die steeds in de meening verkeerden, dat Servië een ongecultiveerd bergland was, met een bevolking zonder behoeften en die van den Serviër gehoord hadden, dat hij even gerust op den harden grond van een landweg of van een armzalige schuur sliep als wij in een goedverwarmde kamer in een zacht bed en dat hij leven kon van droog brood en uien.
Het is waar: de Servische boer leeft zeer sober en kent geen luxe, volgens onze opvattingen althans. En nochtans was Servië rijk. Levensmiddelen waren er steeds in overvloed te vinden en hongersnood, zooals wel eens in het rijke Roemenië voorkwam, was den Serviër onbekend. Hij bezat een prachtigen veestapel: ossen, koeien, schapen en varkens. Het vleesch was in Servië goedkoop. Tarwe, rogge, maïs groeiden er welig en het brood was er voortreffelijk. Het pluimvee: kippen, ganzen, eenden, kalkoenen, was er ontelbaar. Eieren waren er spotgoedkoop. Aan vruchten: pruimen, appelen, peren en druiven, was geen gebrek. De wijn was er voortreffelijk. En de pakhuizen en de winkels der Servische kooplui waren immer tot berstens toe gevuld met de producten der industrie, die van buiten moesten worden ingevoerd. Gebrek kan er bij ons nooit ontstaan, al duurt de oorlog nog zoo lang, zei de Serviër. Hij zou gelijk gehad hebben, zoo hij slechts zijn vijanden buiten de landpalen had kunnen houden.
Servië was rijk, maar thans, nu het in de handen van Oostenrijkers en Bulgaren is geraakt, is het o zoo arm geworden. Want zijn rijkdom is gestolen en geroofd, door Duitschers, door Bulgaren en door Oostenrijkers, die het land hebben leeggehaald en de bevolking tot den bedelstaf gebracht.
Wij strijden niet tegen het Servische volk, maar tegen den Servischen koning en zijn leger, zei de veldmaarschalk Mackensen in een proclamatie, die hij op de hoeken der straten van de Servische steden liet aanplakken.
Ja, waarlijk, excellentie, ge hebt de geheele bevolking niet over de kling gejaagd, dat is waar, maar ge hebt ze naakt laten uitschudden en gij, uwe soldaten en uwe waardige bondgenooten hebben goede sier gemaakt van hetgeen Servische arbeid op Servischen bodem had voortgebracht en, toen gij met uw staf het land verliet om uw rooftocht voort te zetten, toen liet ge den honger in Servië achter. Ge hebt niet alle Serviërs vermoord, doch ge hebt ze zoo diep in de ellende gestort, dat zelfs de schitterende Servische zon de duisternis uit hun ziel niet meer verdrijven kon.
Toen de Duitschers het Servische land betraden, stonden ze verstomd over zijn rijkdom. Men had hun verteld, dat de Serviërs zeer dapper waren, maar dat het Servische land arm, o zoo arm was. Toen ze kwamen, ontdekten ze, dat de Serviërs werkelijk zeer dapper waren, maar dat het land rijk was. En thans? De Serviërs zijn even dapper gebleven, maar het land is arm geworden. Waar een Hun en een Tartaar hun voet gezet hebben, groeit zelfs geen gras meer!
De Duitschers, Oostenrijkers en Bulgaren waren nog geen maand in Servië, of het land was leeggehaald. Verdwenen was de veestapel. Leeg waren de magazijnen en de winkels. Berlijn at Servische ossen en de Duitsche soldaten deden zich te goed aan Servische varkens, Servische schapen en Servisch pluimvee.
Men requireerde, men roofde en men stal; alles wat waarde had, was naar de gading der veroveraars.
Duitschers, Oostenrijkers en Bulgaren requireerden. Op echte en op valsche bons. Want valsche bons werden ook afgegeven. Ik heb een bon gezien, uit vele andere valsche, onderteekend met: „Königpeterzahlt”, afgegeven aan een Serviër natuurlijk, die geen woord Duitsch verstond. De echte bons werden door de Duitschers betaald in Marken en met 20 tot 45 pCt. korting op de prijzen, die zij zelf bij de requisitie hadden vastgesteld. Ook de Bulgaren betaalden met.... wissels op de eeuwigheid.
Men requireerde niet alleen, men roofde ook. De woningen van Nisch bijvoorbeeld, die door de Serviërs verlaten waren bij den intocht der Bulgaren, werden door de Bulgaren leeggehaald en de meubelen en kleeren der gevluchte bewoners publiek verkocht, hetzij in Nisch of elders. De opbrengst der geroofde goederen verdween.... ik zal maar zeggen in de Bulgaarsche schatkist.
Vaten met wijn, met cognac, wagenvrachten manufacturen, comestibles werden door de Bulgaren geroofd en de koopmansboeken der eigenaars werden verbrand.
Ik was door de Duitschers gevangengenomen en achter slot en grendel gezet in een groote particuliere woning in Nisch, die tot gevangenis was ingericht. Wegens den toestand mijner gezondheid veroorloofde men mij echter mij vrij op de binnenplaats mijner gevangenis te bewegen, bewaakt natuurlijk door Duitsche soldaten met geladen geweren.
Deze binnenplaats was aan de voorzijde afgesloten door het tot gevangenis ingerichte gebouw, aan de achterzijde door een tweetal zeer groote magazijnen. In deze magazijnen hadden de Bulgaren de geroofde goederen van een mij bekenden koopman opgeslagen; goederen, die naar mijne schatting eene waarde van 40 tot 50 duizend gulden vertegenwoordigden. Ze werden heel nauwkeurig door Bulgaarsche officieren met hun ondergeschikten geïnventariseerd en daarna bij wagenvrachten weggesleept.
Op zekeren dag, toen de geheele voorraad zoo goed als ingeladen was en ik op de binnenplaats van mijn gevangenis wandelde, kwam een Bulgaarsch officier op mij toe en sprak mij aan.
„Monsieur, parlez-vous français?” vroeg hij mij.
„Mais oui, monsieur”, antwoordde ik.
„Je voulais demander quelque chose au Feldwebel, ayez la bonté de le traduire.”
„Le Feldwebel n'est pas ici, monsieur.”
„C'est dommage.”
Na een oogenblik nagedacht te hebben ging hij voort:
„Nous voulons exécuter un acte, en quoi votre présence nous gêne.”
Ik had genoeg van het Fransch van den Bulgaar en antwoordde kort:
„Je quitterai la cour.”
„Groote goden, wat een ezel,” dacht ik, maar ik verliet de binnenplaats en.... zocht een plaatsje op, van waaruit ik ongezien kon waarnemen, welke daad, waarbij ik hinderlijk was, de Bulgaren te verrichten hadden.
Er werd een brandstapeltje gemaakt van stroo, papier en wat droog hout. Het werd aangestoken en toen het goed oplaaide, kwamen Bulgaarsche soldaten met groote koopmansboeken aandragen, trapten ze aan stukken en wierpen ze in het vuur.
„Aha,” zei ik tot mezelf, „de heeren vernietigen de bewijzen van hun diefstal, en, als na den oorlog de eigenaar den Bulgaarschen staat een proces wil aandoen om de waarde van de gestolen goederen vergoed te krijgen, zal hij geen enkel bewijs kunnen leveren.”
Er is, door de Bulgaren vooral, ontzettend gestolen in het bezette gebied; iederen dag kwamen er wagonladingen met gestolen goederen te Sofia aan en de Bulgaarsche couranten somden met welgevallen den buit op, die weder was binnengehaald. De Tartaar stond te likkebaarden.