Woordenlijst Voor De Spelling Der Nederlandsche Taal Met Aanwij

Chapter 70

Chapter 702,811 wordsPublic domain

Woordenboekschrijver, M., -schrijvers.

Woordenkeus V.

Woordenlijst, V., -lijsten; -lijstje, O., -jes.

Woordenpraal, V.

Woordenrijk, -rijker, -rijkst.

Woordenrijkheid, V.

Woordenschat, M.

Woordenspel, O.

Woordenstrijd, M.

Woordentwist, M.

Woordenwisseling, V., -wisselingen.

Woordenzifter, M., -zifters.

Woordschikking, V.

Woordspeling, V., -spelingen.

Woordverklaring, V., -verklaringen.

Woordvoerder, M., -voerders.

Woordvorming, V.

Worden, wordt, werd, is geworden.

Wording, V.

Worg, M.

Worgen en Wurgen, worgde (wurgde), heeft geworgd (gewurgd).

Worging en Wurging, V.

Worgkoord, O., -koorden.

Worgpaal, M., -palen.

Work, M., worken.

Worken, workte, heeft geworkt.

Worm en Wurm (diertje), M., wormen en wurmen. Wormpje en wurmpje, O., -jes. Verg. Wurm.

Wormachtig.

Wormer (naam van een polder), V.

Wormig, wormiger, wormigst.

Wormkoekje, O., -koekjes.

Wormkruid, O.

Wormstekig, -stekiger, -stekigst.

Wormstekigheid, V.

Worp, M., worpen.

Worst, V., worsten. Worstje, O., -jes.

Worstelaar, M., worstelaars en worstelaren.

Worstelen, worstelde, heeft geworsteld.

Worsteling, V., worstelingen.

Worstelkunst, V.

Worstelmeester, M., -meesters.

Worstelperk, O., -perken.

Worstelplaats, V., -plaatsen.

Worstelspel, O.

Worstelwedstrijd, M., -wedstrijden.

Worstelstrijd, M.

Worstenmaker, M., -makers.

Worstepen, V., -pennen.

Wort, O.

Wortel, M., wortels en wortelen. Worteltje, O., -jes.

Wortelboer, M., -boeren.

Wortelen, wortelde, is geworteld.

Wortelgrootbeid, V., -grootheden.

Wortelklinker, M., -klinkers.

Wortelloof, O.

Wortelteeken, O., -teekens.

Worteltrekken, O.

Worteltrekking, V., -trekkingen.

Wortelvorm, M., -vormen.

Woud, O., wouden.

Woudduif, V., -duiven.

Woudezel, M., -ezels.

Wouterman, M., -mans; -mannetje, O., -jes.

Wouw (vogel), M., wouwen.

Wouw (plant), V.

Wraak en Wrake, V.

Wraakbaar, -baarder, -baarst.

Wraakgierig, -gieriger, -gierigst.

Wraakgierigheid, V.

Wraakgodin, V., -godinnen.

Wraakgoed, O.

Wraaklust, O.

Wraakneming, V.

Wraakzucht, V.

Wraakzuchtig, -zuchtiger, -zuchtigst.

Wraddel, M., wraddels.

Wrak, wrakker, wrakst.

Wrak, O., wrakken.

Wraken, wraakte, heeft gewraakt.

Wrakheid, V.

Wraking, V., wrakingen.

Wrang, V., wrangen.

Wrang, wranger, wrangst.

Wrangheid, V.

Wrangkruid, O.

Wrat, V., wratten. Wratje, O., -jes.

Wratachtig, -achtiger, -achtigst.

Wrattenkruid, O.

Wrattig, wrattiger, wrattigst.

Wreed, wreeder, wreedst.

Wreedaard, M., wreedaards.

Wreedaardig, -aardiger, -aardigst.

Wreedaardigheid, V.

Wreedaardiglijk.

Wreedelijk.

Wreedheid, V., -heden.

Wreef, V., wreven.

Wreekster, V., wreeksters.

Wreken, wreekte, heeft gewroken.

Wreker, M., wrekers.

Wreking, V.

Wrenschen, wrenschte, heeft gewrenscht.

Wrevel, M.

Wrevelig, wreveliger, wreveligst.

Wreveligheid, V.

Wriemelen, wriemelde, heeft gewriemeld.

Wriggelen, wriggelde, heeft gewriggeld.

Wrijfbak, M., -bakken.

Wrijfborstel, M., -borstels.

Wrijfdoek, M., -doeken; -doekje, O., -jes.

Wrijfgoed, O.

Wrijfhout, O., -houten.

Wrijflap, M., -lappen; -lapje, O., -jes.

Wrijfmand, V., -manden.

Wrijfmolen, M., -molens.

Wrijfpaal, M., -palen.

Wrijfpakking, V.

Wrijfrol, V., -rollen.

Wrijfsel, O., wrijfsels.

Wrijfsteen, M., -steenen.

Wrijfster, V., wrijfsters.

Wrijfwas, O. en V.

Wrijten, wrijtte, heeft gewrijt.

Wrijter, M., wrijters.

Wrijven, wreef, wreven, heeft gewreven.

Wrijver, M., wrijvers.

Wrijving, V., wrijvingen.

Wrijvingssas, V., -sassen.

Wrikken, wrikte, heeft gewrikt.

Wrikriem, M., -riemen.

Wrikwiel, O., -wielen.

Wringen, wrong, heeft gewrongen.

Wringhaak, M., -haken.

Wringhout, O., -houten.

Wringing, V.

Wrocht. Zie Werken.

Wroegen, wroegde, heeft gewroegd.

Wroeging, V., wroegingen.

Wroeten, wroette, heeft gewroet.

Wroeter, M., wroeters.

Wrok, M.

Wrokken, wrokte, heeft gewrokt.

Wrokkig, wrokkiger, wrokkigst.

Wrong, V., wrongen. Wrongetje, O., -jes.

Wrongel, V.

Wrongstuk, O., -stukken.

Wuft, wufter, wuftst.

Wuftheid, V.

Wui, V., wuien. Wuitje, O., -jes.

Wuit, V., wuiten. Wuitje, O., -jes.

Wuiven, wuifde, heeft gewuifd.

Wuiving, V., wuivingen.

Wulf, O., wulven.

Wulk, V., wulken. Wulkje, O., -jes.

Wulp, M., wulpen.

Wulpsch, wulpscher.

Wulpschheid, V.

Wurg, M., wurgen.

Wurgdraad, M., -draden.

Wurgen. Zie Worgen.

Wurm (diertje). Zie Worm.

Wurm (stumper, sukkel), M., wurmen. Wurmpje, O., -jes.

Wurmen (moeite doen), wurmde, heeft gewurmd.

X

X, V., x-en.

Xantippe (booze vrouw), xantippes.

X-beenen (mv.), O.

X-stralen (mv.), M.

Z

Z. V., z's.

Zaad, O., zaden. Zaadje, O., -jes.

Zaadbakje, O., -bakjes.

Zaadhandelaar, M., -handelaars.

Zaadhuisje, O., -jes.

Zaadkorrel, V., -korrels.

Zaadleider, M., -leiders.

Zaadlob, V., -lobben.

Zaadwinkel, M., -winkels.

Zaadzolder, M., -zolders.

Zaag, V., zagen. Zaagje, O., -jes.

Zaagbek, M., -bekken.

Zaagbok, M., -bokken.

Zaagkruid, O.

Zaagkuil, M., -kuilen.

Zaagloon, O.

Zaagmachine, V., -machines.

Zaagmeel, O.

Zaagmolen, M., -molens.

Zaagmolenaar, M., -molenaars.

Zaagpeul, V., -peulen.

Zaagsel, O.

Zaagvijl, V., -vijlen.

Zaagvisch, M., -visschen.

Zaagvormig.

Zaaibaar, -bare.

Zaaibloem, V., -bloemen.

Zaaiboon, V., -boonen.

Zaaien, zaaide, heeft gezaaid.

Zaaier, M., zaaiers.

Zaaigoed, O.

Zaaiing, V., zaaiingen.

Zaaikoren, O.

Zaaikorf, M., -korven.

Zaailand, O., -landen.

Zaailing (zaaiplant), M., zaailingen.

Zaailing (hennep), V.

Zaaimaand, V., -maanden.

Zaaimachine, V., -machines.

Zaaiplant, V., -planten.

Zaaiploeg, M., -ploegen.

Zaaisel, O., zaaisels.

Zaaitijd, M.

Zaaiveld, O., -velden.

Zaaizak, M., -zakken.

Zaak, V., zaken. Zaakje, O., -jes.

Zaakgelastigde, M., -gelastigden.

Zaakkennis, V.

Zaakrijk, -rijker, -rijkst.

Zaakrijkheid, V.

Zaakwaarnemer, M., -waarnemers.

Zaal (ruime kamer), V., zalen. Zaaltje, O., -jes.

Zaal (zadel), O., zalen.

Zaalwachter, M., -wachters.

Zaan, V.

Zaat, V.; zaatje, O.

Zaathout, O.

Zabbelaar, M., zabbelaars.

Zabbelen, zabbelde, heeft gezabbeld.

Zabberaar, M., zabberaars.

Zabberdoek, M., -doeken.

Zabberen, zabberde, heeft gezabberd.

Zacht, zachter, zachtst.

Zachtaardig, -aardiger, -aardigst.

Zachtaardigheid, V.

Zachtaardiglijk.

Zachtblad, O.

Zachtelijk.

Zachtharig.

Zachtheid, V.

Zachtigheid, V.

Zachtjes.

Zachtkens.

Zachtmoedig, -moediger, -moedigst.

Zachtmoedigheid, V.

Zachts.

Zachtzinnig, -zinniger, -zinnigst.

Zachtzinnigheid, V.

Zadel, M. en O., zadels. Zadeltje, O., -jes. Verg. Zaal.

Zadelboog, M., -bogen.

Zadeldak, O., -daken.

Zadelen, zadelde, heeft gezadeld.

Zadelknop, M., -knoppen.

Zadelmaker, M., -makers.

Zadelrug, M.

Zagen, zaagde, heeft gezaagd.

Zager, M., zagers.

Zagersbok, M., -bokken.

Zak, M., zakken. Zakje, O., -jes.

Zakalmanak, M., -almanakken.

Zakbijbeltje, O., -bijbeltjes.

Zakboekje, O., -jes.

Zakdoek, M., -doeken; -doekje, O., -jes.

Zakelijk, -lijker, -lijkst.

Zakelijkheid, V.

Zakformaat, O.

Zakgeld, O.

Zakinktkoker, M., -inktkokers.

Zakkammetje, O., -kammetjes.

Zakken (in den zak steken), zakte, heeft gezakt.

Zakken (dalen), zakte, is gezakt.

Zakkendrager, M., -dragers.

Zakkenlinnen, O.

Zakkenrollen, O.

Zakkenroller, M., -rollers.

Zakkijker, M., -kijkers.

Zakking, V., zakkingen.

Zakmes, O., -messen; -mesje, O., -jes.

Zakwoordenboek, O., -woordenboeken; -boekje, O., -jes.

Zalf, V., zalven. Zalfje, O., -jes.

Zalfachtig, -achtiger, -achtigst.

Zalfachtigheid, V.

Zalfolie, V., -oliën.

Zalfpot, M., -potten; -potje, O., -jes.

Zalig, zaliger, zaligst.

Zaligen, zaligde, heeft gezaligd.

Zaliger (gedachtenis).

Zaligheid, V., -heden.

Zaliging, V.

Zaligmakend.

Zaligmaker, M.

Zaligmaking, V.

Zaligspreking, V., -sprekingen.

Zaling, V., zalings.

Zalm (een visch), M., zalmen. Als stofnaam, V. Zalmpje, O., -jes.

Zalmachtig.

Zalmkleur, V.

Zalmkleurig.

Zalmteelt, V.

Zalmtractaat, O., -tractaten.

Zalmvisscherij, V.

Zalven, zalfde, heeft gezalfd.

Zalvend, zalvender, zalvendst.

Zalving, V., zalvingen.

Zamelen, zamelde, heeft gezameld.

Zameling, V., zamelingen.

Zamen. Te Zamen en Samen. Als eerste lid eener samenstelling altijd Samen of Saam.

Zand, O., zanden. Zandje, O., -jes.

Zandaardappel, M., -aardappelen.

Zandachtig.

Zandbad, O., -baden.

Zandbak, M., -bakken.

Zandbank, V., -banken.

Zandbestorting, V., -bestortingen.

Zanden, zandde, heeft gezand.

Zanderig, zanderiger, zanderigst.

Zanderigheid, V.

Zanderij, V., zanderijen.

Zandgoed, O.

Zandgrond, M., -gronden.

Zandhaas, M., -hazen.

Zandheuvel, M., -heuvels.

Zandhoop, M., -hoopen.

Zandig, zandiger, zandigst.

Zandigheid, V.

Zandkorrel, V., -korrels.

Zandlooper, M., -loopers; -loopertje, O., -jes.

Zandraap, V., -rapen.

Zandruiter, M., -ruiters.

Zandschip, O., -schepen.

Zandschipper, M., -schippers.

Zandstreek, V., -streken.

Zandtaartje, O., -taartjes.

Zandtrein, M., -treinen.

Zandvlakte, V., -vlakten.

Zandweg, M., -wegen.

Zandwoestijn, V., -woestijnen.

Zandzak, M., -zakken.

Zang, M., zangen.

Zangberg, M.

Zangbodem, M., -bodems.

Zangcursus, M., -cursussen.

Zanger, M., zangers.

Zangeres, V., zangeressen.

Zangerig, zangeriger, zangerigst.

Zangerigheid, V.

Zangersfeest, O., -feesten.

Zanggodin, V., -godinnen.

Zangkoor, O., -koren.

Zangkunst, V.

Zangles, V., -lessen.

Zanglijster, V., -lijsters.

Zangoefening, V., -oefeningen.

Zangschool, V., -scholen.

Zangster, V., zangsters.

Zangstuk, O., -stukken.

Zangvereeniging, V., -vereenigingen.

Zangvogel, M., -vogels.

Zangwedstrijd, M., -wedstrijden.

Zaniken, zanikte, heeft gezanikt.

Zaniker, M., zanikers.

Zat, zatter, zatst.

Zaterdag, M., -dagen.

Zaterdagsch.

Zatheid, V.

Zatlap, M., -lappen.

Zavel, O.

Zavelachtig, -achtiger, -achtigst.

Zavelboom en Zevenboom, M., -boomen; -boompje, O., -jes.

Zavelig, zaveliger, zaveligst.

Zebra, M., zebra's.

Zede, V., zeden.

Zedelijk.

Zedelijkheid, V.

Zedeloos, -loozer.

Zedeloosheid, V.

Zedenbederf, O.

Zedenbedervend, -bedervender, -bedervendst.

Zedenbederver, M., -bedervers.

Zedenkunde, V.

Zedenkundig.

Zedenleer, V.

Zedenleeraar, M., -leeraars.

Zedenles, V., -lessen.

Zedenmeester, M., -meesters.

Zedenpreek, V., -preeken.

Zedenspreuk, V., -spreuken.

Zedenverbastering, V.

Zedenwet, V.

Zedig, zediger, zedigst.

Zedigheid, V.

Zediglijk.

Zee, V., zeeën. Zeetje, O., -jes.

Zeeanemoon, V., -anemonen.

Zeearend, M., -arenden.

Zeearm, M., -armen.

Zeeassurantie, V.

Zeebad, O., -baden.

Zeebadplaats, V., -plaatsen.

Zeebanket, O.

Zeebonk, M., -bonken.

Zeebeer (waterkeering), M., -beeren.

Zeebeer (dier), M., -beren.

Zeebrak, O.

Zeedienst, M.

Zeedier, O., -dieren.

Zeedijk, M., -dijken.

Zeedorp, O., -dorpen.

Zeedrift, V.

Zeef, V., zeven.

Zeefvormig.

Zeeg, ook Zeegt (scheepsw.), V.

Zeegat, O., -gaten.

Zeegevecht, O., -gevechten.

Zeegezicht, O., -gezichten.

Zeeghaftig.

Zeeghaftigheid, V.

Zeegod, M., -goden.

Zeegras, O.

Zeegroen.

Zeehandelaar, M., -handelaars.

Zeeheld, M., -helden.

Zeehond, M., -honden.

Zeekaart, V., -kaarten.

Zeekapitein, M., -kapiteins.

Zeekasteel, O., -kasteelen.

Zeekust, V., -kusten.

Zeel, O., zeelen. Zeeltje, O., -jes.

Zeeland, O.

Zeeleeuw, M., -leeuwen.

Zeelt, V., zeelten. Zeeltje, O., -jes.

Zeelucht, V.

Zeem (bereide huid), O.; mv. (als voorwerpsnaam) zeemen. Zeempje, O., -jes.

Zeem (honig), O.

Zeemacht, V.

Zeeman, M., -lieden en -lui.

Zeemanschap, V.

Zeemanshuis, O., -huizen.

Zeemanstaal, V.

Zeemeermin, V., -meerminnen.

Zeemeeuw, V., -meeuwen.

Zeemen, zeemde, heeft gezeemd.

Zeemen (bnw.).

Zeemleder en -leer, O.

Zeemlederen en -leeren (bnw.).

Zeemogendheid, V., -mogendheden.

Zeemonster, O., -monsters.

Zeeofficier, M., -officieren.

Zeeoorlog, M., -oorlogen.

Zeep, V., zeepen.

Zeepaard, O., -paarden.

Zeepaccijns, M.

Zeepbakje, O., -bakjes.

Zeepdoos, V., -doozen; -doosje, O., -jes.

Zeepen, zeepte, heeft gezeept.

Zeeper, M., zeepers.

Zeeperij, V., zeeperijen.

Zeephout, O.

Zeepig, zeepiger, zeepigst.

Zeepost, V.

Zeepsop, O.

Zeeptonnetje, O., -tonnetjes.

Zeepzieden, O.

Zeepzieder, M., -zieders.

Zeepziederij, V., -ziederijen.

Zeer, O.

Zeer, zeere.

Zeer (bijw.).

Zeeramp, V., -rampen.

Zeerecht, O.

Zeereis, V., -reizen.

Zeergeleerd.

Zeergestreng.

Zeerig, zeeriger, zeerigst.

Zeerigheid, V.

Zeerob, M., -robben.

Zeeroof, M.

Zeeroover, M., -roovers.

Zeeschade, V.

Zeeschilder, M., -schilders.

Zeeschip, O., -schepen.

Zeesoldaat, M., -soldaten.

Zeestad, V., -steden.

Zeestoomboot, V., -stoombooten.

Zeestraat, V., -straten.

Zeet, V., zeten. Zeetje, O., -jes.

Zeeterm, M., -termen.

Zeetijding, V., -tijdingen.

Zeetocht, M., -tochten.

Zeeuw, M., Zeeuwen.

Zeeuwsch.

Zeevaarder, M., -vaarders.

Zeevaardig.

Zeevaardigheid, V.

Zeevaart, V.

Zeevaartkunde, V.

Zeevaartschool, V., -scholen.

Zeevang, V.

Zeevarend.

Zeevast.

Zeever, V.

Zeeveraar, M., zeeveraars.

Zeeveren, zeeverde, heeft gezeeverd.

Zeevering, V.

Zeevisch, V. (stofnaam).

Zeevisscherij, V., -visscherijen.

Zeevogel, M., -vogels.

Zeevoogd, M., -voogden.

Zeewaardig.

Zeewater, O.

Zeewering, V., -weringen.

Zeewezen, O.

Zeezaken (mv.), V.

Zeezand, O.

Zeeziek, -zieker, -ziekst.

Zeeziekte, V.

Zefier en Zefir, M., zefiéren en zéfirs.

Zege, V.

Zegel, O., zegels. Zegeltje, O., -jes.

Zegelbelasting, V.

Zegelbewaarder, M., -bewaarders.

Zegelen, zegelde, heeft gezegeld.

Zegeling, V., zegelingen.

Zegelkantoor, O., -kantoren.

Zegellak, O.

Zegelrecht, O.

Zegelring, M., -ringen.

Zegelwet, V.

Zegen (heil), M.

Zegen (net), V., zegens.

Zegenaar, M., zegenaars.

Zegenen, zegende, heeft gezegend.

Zegening, V., zegeningen.

Zegenrijk, -rijker, -rijkst.

Zegepraal, V., zegepralen.

Zegepralen, zegepraalde, heeft gezegepraald.

Zegevieren, zegevierde, heeft gezegevierd.

Zeggen, zeide en zei, heeft gezegd en gezeid.

Zegger, M., zeggers.

Zeggingskracht, V.

Zegsman, M., -lieden en -lui.

Zegster, V., zegsters.

Zegsvrouw, V., -vrouwen.

Zegswijze en -wijs, V., -wijzen.

Zeiken, zeikte, heeft gezeikt.

Zeil, O., zeilen. Zeiltje, O., -jes.

Zeilage, V.

Zeilbaar, -baarder, -baarst.

Zeilboot, V., -booten.

Zeildoek, O.

Zeilen, zeilde, heeft en is gezeild.

Zeiler, M., zeilers.

Zeiljacht, O., -jachten.

Zeilklaar.

Zeilmaker en Zeilenmaker, M., -makers.

Zeilmakerij en Zeilenmakerij, V., -makerijen.

Zeilorde, V.

Zeilpriem, M., -priemen.

Zeilpunt, O.

Zeilree.

Zeilschip, O., -schepen.

Zeilschuit, V., -schuiten.

Zeilsteen, M., -steenen.

Zeiltocht, M., -tochten.

Zeilvaardig.

Zeilvaartuig, O., -vaartuigen.

Zeilvereeniging, V., -vereenigingen.

Zeilweder en -weer, O.

Zeilwedstrijd, M., -wedstrijden.

Zeilwind, M., -winden.

Zeis, V., zeisen.

Zeisen, V., zeisenen en zeisens.

Zeisenkramer, M., -kramers.

Zeisensmederij, V., -smederijen.

Zeisensmid, M., -smeden.

Zeisvormig.

Zeker, zekerder, zekerst.

Zekerheid, V.

Zekerheidshalve.

Zekerheidstelling, V., -stellingen.

Zekerlijk.

Zelden.

Zeldzaam, -zamer, -zaamst.

Zeldzaamheid, V., -heden.

Zelf, zelve.

Zelfbedrog, O.

Zelfbegoocheling, V.

Zelfbehaaglijk.

Zelfbehagen, O.

Zelfbeheersching, V.

Zelfbehoud, O.

Zelfbeoordeeling, V.

Zelfbeproeving, V., -beproevingen.

Zelfbeschuldiging, V., -beschuldigingen.

Zelfbestuur, O.

Zelfbevlekking, V.

Zelfbewust.

Zelfbewustheid, V.

Zelfbewustzijn, O.

Zelfgenoegzaam, -zame.

Zelfgenoegzaamheid, V.

Zelfgevoel, O.

Zelfheid, V.

Zelfkant, M., -kanten.

Zelfkanten (bnw.).

Zelfkastijding, V., -kastijdingen.

Zelfkennis, V.

Zelfklinker, M., -klinkers.

Zelfkweller, M., -kwellers.

Zelfkwelling, V., -kwellingen.

Zelfmoord, M., -moorden.

Zelfmoordenaar, M., -moordenaars.

Zelfonderricht, O.

Zelfonderzoek, O.

Zelfontbranding, V.

Zelfopoffering, V.

Zelfregistreerend.

Zelfrichtend.

Zelfs.

Zelfsmerend.

Zelfstandig, -standiger, -standigst.

Zelfstandigheid, V., -heden.

Zelfstrijd, M.

Zelfverbranding, V.

Zelfverdediging, V.

Zelfverheffing, V.

Zelfverlaging, V.

Zelfverloochening, V.

Zelfvernedering, V.

Zelfvertrouwen, O.

Zelfverwijt, O., -verwijtingen, V.

Zelfverzaking, V.

Zelfvoldoening, V.

Zelfwerkend.

Zelfzucht, V.

Zelfzuchtig, -zuchtiger, -zuchtigst.

Zelling, V., zellingen.

Zeloot, M., zeloten.

Zemelen (mv.), V. Zemeltje, O., -jes.

Zemelig, zemeliger, zemeligst.

Zemelknoopen, zemelknoopte, heeft gezemelknoopt.

Zemelknooper, M., -knoopers.

Zendbrief, M., -brieven.

Zendeling, M. en V., zendelingen. V. ook zendelinge.

Zendeling-arts, M., -artsen.

Zendelingsgenootschap, O.

Zenden, zond, heeft gezonden.

Zender, M., zenders.

Zending, V., zendingen.

Zendingsfeest, O., -feesten.

Zendingshospitaal, O., -hospitalen.

Zendingsschool, V., -scholen.

Zendingswerk, O.

Zendster, V., zendsters.

Zeng, V., zengen.

Zengen, zengde, heeft gezengd.

Zenging, V.

Zenith, O.

Zenuw, V., zenuwen. Zenuwtje, O., -jes.

Zenuwaandoening, V., -aandoeningen.

Zenuwachtig, -achtiger, -achtigst.

Zenuwachtigheid, V.

Zenuwberoerte, V., -beroerten.

Zenuwknoop, M., -knoopen.

Zenuwkoorts, V., -koortsen.

Zenuwkwaal, V., -kwalen.

Zenuwlijder, M., -lijders; V., -lijderes en -lijdster, -lijderessen en -lijdsters.

Zenuwloos, -looze.

Zenuwpijn, V., -pijnen.

Zenuwstelsel, O.

Zenuwtrekking, V., -trekkingen.

Zenuwvlecht, V., -vlechten.

Zenuwziekte, V., -ziekten.

Zerk, V., zerken. Zerkje, O., -jes.

Zerkenlichter, M., -lichters.

Zerp, zerper, zerpst.

Zerpheid, V.

Zes (telw.). Als znw. V., zessen. Zesje, O., -jes.

Zesbladig.

Zesdaagsch.

Zesde.

Zesdehalf, -halve.

Zesderhande.

Zesderlei.

Zesdraadsch.

Zesduizend.

Zesduizendste.

Zeshoek, M., -hoeken.

Zeshoekig.

Zeshonderd.

Zeshonderdste.

Zesjarig.

Zeskantig.

Zesmaal.

Zesponder, M., -ponders.

Zesregelig.

Zestal, O., -tallen.

Zestallig.

Zesthalf, M., zesthalven. Zesthalfje, O., -jes.

Zestien, zestienen.

Zestiende.

Zestiendehalf, -halve.

Zestienderhande.

Zestienderlei.

Zestienhonderd.

Zestienjarig.

Zestienmaal.

Zestienvoud, O., -vouden.

Zestienvoudig.

Zestig, zestigen.

Zestiger, M., zestigers.

Zestigjarig.

Zestigmaal.

Zestigponder, M., -ponders.

Zestigste.

Zestigtal, O., -tallen.

Zestigvoud, O., -vouden.

Zestigvoudig.

Zesvoud, O., -vouden.

Zesvoudig.

Zet, M., zetten. Zetje, O., -jes.

Zetangel, M., -angels.

Zetbaas, M., -bazen.

Zetboer, M., -boeren.

Zetbord, O., -borden.

Zetel, M., zetels. Zeteltje, O., -jes.

Zetelen, zetelde, heeft gezeteld.

Zetfout, V., -fouten.

Zetgang, V., -gangen.

Zethaak, M., -haken.

Zethamer, M., -hamers.

Zethengel, M., -hengels.

Zetijzer, O., -ijzers.

Zetkastelein, M., -kasteleins.

Zetlijn, V., -lijnen.

Zetmachine, V., -machines.

Zetmeel, O.

Zetpil, V., -pillen; -pilletje, O., -jes.

Zetplank, V., -planken.

Zetschipper, M., -schippers.

Zetsel, O., zetsels. Zetseltje, O., -jes.

Zetten, zette, heeft gezet.

Zetter, M., zetters.

Zetterij, V., zetterijen.

Zetting, V., zettingen.

Zeug, V., zeugen.

Zeulen, zeulde, heeft gezeuld.

Zeur (zeurder, zeurster), M. en V., zeuren. Zeurtje, O., -jes.

Zeur (vod), V., zeuren.

Zeuren, zeurde, heeft gezeurd.

Zeurig, zeuriger, zeurigst.

Zeurkous, M. en V., -kousen.

Zeven (telw.). Als znw., V., zevens. Zeventje, O., -jes.

Zeven, zeefde, heeft gezeefd.

Zevenblad, O.

Zevenbladig.

Zevenboom. Zie Zavelboom.

Zevendaagsch.

Zevende.

Zevendehalf en Zevendhalf, -halve.

Zevenderhande.

Zevenderlei.

Zevendhalfje, O., -jes.

Zevenduizend.

Zevenduizendste.

Zevengesternte, O.

Zevengetijde, O.

Zevenhoek, M., -hoeken.

Zevenhoekig.

Zevenhonderd.

Zevenhonderdste.

Zevenjaarsbloem, V., -bloemen.

Zevenjarig.

Zevenklapper, M., -klappers; -klappertje, O., -jes.

Zevenkleurig.

Zevenkramer (koopman in zeven), M., -kramers.

Zevenmaal.

Zevenmaandsch.

Zevenmaker, M., -makers.

Zevenmijlslaars, V., -laarzen.

Zevenoog, V., -oogen; -oogje, O., -jes.

Zevenslaper, M., -slapers.

Zevenstoot, M., -stooten.

Zevental, O., -tallen.

Zeventallig.

Zeventien, zeventienen.

Zeventiendaagsch.

Zeventiende.

Zeventiendehalf, -halve.

Zeventienderhande.

Zeventienderlei.

Zeventienhonderd.

Zeventienjarig.

Zeventienmaal.

Zeventienvoud, O., -vouden.

Zeventienvoudig.

Zeventig, zeventigen.

Zeventiger, M., zeventigers.

Zeventigjarig.

Zeventigmaal.

Zeventigste.

Zeventigvoud, O., -vouden.

Zeventigvoudig.

Zevenvoud, O., -vouden.

Zevenvoudig.

Zich.

Zicht (kleine zeis), V., zichten.

Zicht (gezicht en vertoon), O.

Zichtbaar, -baarder, -baarst.

Zichtbaarheid, V.

Zichten, zichtte, heeft gezicht.

Zichtig, zichtiger.

Ziedaar.

Zieden, zood, zoden, heeft gezoden.

Zieder, M., zieders.

Zieding, V.

Ziegezagen, ziegezaagde, heeft geziegezaagd.

Ziehier.

Ziek, zieker, ziekst.

Ziekbed, O., -bedden.

Zieke, M. en V., zieken.

Ziekelijk, -lijker, -lijkst.

Ziekelijkheid, V.

Zieken, ziekte, heeft geziekt.

Ziekenbewaarder, M., -bewaarders.

Ziekenboeg, M., -boegen.

Ziekenfonds, O., -fondsen.

Ziekenhuis, O., -huizen.

Ziekenkamer, V., -kamers. Ook Ziekekamer.

Ziekenmoeder, V., -moeders.

Ziekenoppasser, M., -oppassers.

Ziekenoppasseres, V., -oppasseressen.

Ziekenoppassing, V.

Ziekenstal, M., -stallen.

Ziekentroost, M.

Ziekentrooster, M., -troosters.

Ziekenvader, M., -vaders.

Ziekenverpleegster, V., -verpleegsters.

Ziekenverpleger, M., -verplegers.

Ziekenverpleging, V.

Ziekenwagen, M., -wagens.

Ziekenzaal, V., -zalen.

Ziekenzuster, V., -zusters.

Ziekestoel, M., -stoelen.

Ziekte, V., ziekten.

Ziektegeschiedenis, V., -geschiedenissen.

Ziektegeval, O., -gevallen.

Ziektekiem, V., -kiemen.

Ziektestof, V., -stoffen.

Ziekteverschijnsel, O., -verschijnselen.

Ziel, ook Ziele, V., zielen. Zieltje, O., -jes.

Zielegrootheid, V.

Zieleleed, O.

Zieleleven, O.

Zielelijden, O.

Zielenadel, M.

Zielenherder, M., -herders.

Zielental, O.

Zielesmart en Zielssmart, V.

Zielestrijd, M. Ook Zielsstrijd.

Zielevreugde en Zielsvreugde, V.

Zielkunde, V.

Zielloos, -looze.

Zielmis, V., -missen.

Zielroerend, -roerender, -roerendst.

Zielsangst, M., -angsten.

Zielsbedroefd.

Zielsbeminde, M. en V., -beminden.

Zielsblij en -blijde.

Zielsgedachte, V., -gedachten.

Zielsgeliefde, M. en V., -geliefden.

Zielsgenoegen, O.

Zielskracht, V.

Zielskwelling, V., -kwellingen.

Zielsrust, V.

Zielsveel.

Zielsverdriet, O.

Zielsverhuizing, V.

Zielsvermogen, O., -vermogens.

Zielsverrukking, V.

Zielsvervoering, V.

Zielsvriend, M., -vrienden.

Zielsvriendin, V., -vriendinnen.

Zielsziekte, V., -ziekten.

Zieltogen, zieltoogde, heeft gezieltoogd.

Zieltoging, V.

Zielverheffend.

Zielverkooper, M., -verkoopers.

Zien, zag, zagen, heeft gezien.

Zienderoogen.

Ziener, M., zieners.

Zienersblik, M., -blikken.

Zienersoog, O.

Zienlijk.

Zienswijze en -wijs, V., -wijzen.

Zier, V. Ziertje, O., -jes.

Ziezoo.

Zift, V., ziften.

Ziften, ziftte, heeft gezift.

Zifter, M., zifters.

Zifting, V., ziftingen.

Zigzag, M., zigzags.

Zigzaglijn, V., -lijnen.

Zigzagsgewijs en -gewijze.

Zij.

Zij (znw.). Zie Zijde.

Zijbalk, M., -balken.

Zijblad, O., -bladen.

Zijdak, O., -daken.

Zijdam, M., -dammen.

Zijde en Zij (kant), V., zijden. Zijtje, O., -jes.

Zijde en Zij (stof), V.

Zijdeachtig.

Zijdelings (bijw.).

Zijdelingsch (bnw.).

Zijden (bnw.).

Zijdenhemdje, O., -jes.

Zijderups, V., -rupsen.

Zijdestof, V.

Zijdeur, V., -deuren; -deurtje, O., -jes.

Zijdewever, M., -wevers.

Zijdeworm en Zijworm, M., -wormen.

Zijdgeweer, O.

Zijgang (het gaan), M., -gangen.

Zijgang (gaanderij), V., -gangen; -gangetje, O., -jes.

Zijgen, zeeg, zegen, heeft en is gezegen.

Zijkamer, V., -kamers; -kamertje, O., -jes.

Zijl (waterloop), V., zijlen.

Zijlaan, V., -lanen; -laantje, O., -jes.

Zijlijn, V.

Zijlinie, V.

Zijlvest, O., -vesten.

Zijlvestenij, V., -vestenijen.

Zijmuur, M., -muren.

Zijn.

Zijn, is, was, waren, is geweest.

Zijnent (Te -).

Zijnenthalve.

Zijnentwege.

Zijnentwil (Om -).

Zijpad, O., -paden; -paadje, O., -jes.

Zijraam, O., -ramen; -raampje, O., -jes.

Zijreeder, M., -reeders.

Zijreederij, V., -reederijen.

Zijsprong, M., -sprongen; -sprongetje, O., -jes.

Zijstraat, V., -straten; -straatje, O., -jes.

Zijstuk, O., -stukken.

Zijtak, M., -takken.

Zijwaarts (bijw.).

Zijwaartsch (bnw.).

Zijwang, V., -wangen.

Zijweg, M., -wegen; -wegje, O., -jes.