Woordenlijst Voor De Spelling Der Nederlandsche Taal Met Aanwij
Chapter 68
Wasscher, M., wasschers.
Wasscherij, V., wasscherijen.
Wassching, V., wasschingen.
Wassen (bnw.).
Wassen (met was bestrijken), waste, heeft gewast.
Wassen (groeien), wies, wiesen, is gewassen.
Wassenaar, M., wassenaars.
Wassenbeeldenspel, O., -spellen.
Wat.
Water, O., wateren en waters. Watertje, O., -jes.
Waterachtig, -achtiger, -achtigst.
Waterafvoer, M.
Waterbaars (als stofnaam), V.
Waterbak, M., -bakken.
Waterbed, O., -bedden.
Waterbloem, V., -bloemen.
Waterbouw, M.
Waterbouwkunde, V.
Waterbouwkundig.
Waterbouwkundige, M., -kundigen.
Waterbroodje, O., -jes.
Waterchocolade, V.
Waterdamp, M.
Waterdicht.
Waterdier, O., -dieren.
Waterdrager, M., -dragers.
Waterdruppel, M., -druppels.
Wateren, waterde, heeft gewaterd.
Water-en-vuurnering, V., -neringen.
Waterflesch, V., -flesschen.
Watergeus, M., -geuzen.
Watergezwel, O., -gezwellen.
Waterglas, O., -glazen.
Waterheld, M., -helden.
Waterhoen, O., -hoenders.
Waterhoofd, O., -hoofden.
Waterig, wateriger, waterigst.
Waterigheid, V.
Watering. Zie Wetering.
Waterkan, V., -kannen.
Waterkaraf, V., -karaffen.
Waterkeering, V., -keeringen.
Waterketel, M., -ketels.
Waterkoud.
Waterkraan, V., -kranen.
Waterkruik, V., -kruiken.
Waterkussen, O., -kussens.
Waterlaag, V., -lagen.
Waterlaars, V., -laarzen.
Waterlanders (mv.), M.
Waterlegger, M., -leggers.
Waterleiding, V., -leidingen.
Waterlelie, V., -leliën.
Waterlijn (niveau), V.
Waterlijn (in papier), V., -lijnen; -lijntje, O., -jes.
Waterlinie, V.
Waterloos, -looze.
Waterloozing, V.
Watermerk, O., -merken.
Watermolen, M., -molens.
Waterpartij, V., -partijen.
Waterpas, O., -passen.
Waterpas (bijw.).
Waterpassen, waterpaste, heeft gewaterpast.
Waterpassing, V., -passingen.
Waterplaats, V., -plaatsen.
Waterplant, V., -planten.
Waterplas, M., -plassen.
Waterpokken (mv.), V.
Waterpolitie, V.
Waterpoort, V., -poorten.
Waterpot, M., -potten.
Waterrat en -rot (dier), V.; (persoon), M.; -ratten en -rotten.
Waterrijk, -rijker, -rijkst.
Waterschaarschte, V.
Waterschap, O., -schappen.
Waterschapsbestuur, O., -besturen.
Waterschapsreglement, O., -reglementen.
Waterschoenen (mv.), M.
Waterschout, M., -schouten.
Waterschouw, V.
Watersnood, M.
Watersnoodpoëet, M., -poëten.
Waterspiegel, M.
Waterstaat, M.
Waterstaatsbelang, O., -belangen.
Waterstaatswerken (mv.), O.
Waterstand, M., -standen.
Waterstof, V.
Waterstoof, V., -stoven.
Waterstraal, M., -stralen.
Waterstroom, M., -stroomen.
Watertanden, watertandde, heeft gewatertand.
Watertocht, M., -tochten; -tochtje, O., -jes.
Waterton, V., -tonnen.
Watertoren, M., -torens.
Wateruurwerk, O., -uurwerken.
Waterval, M., -vallen.
Waterverf, V., -verven.
Waterverval, O.
Waterverversching, V.
Watervlak, O.
Watervlek, V., -vlekken.
Watervogel, M., -vogels.
Watervoorraad, M.
Watervrees, V.
Watervrij.
Waterweegkundige, M., -kundigen.
Waterweg, M., -wegen.
Waterwerken (mv.), O.
Waterwild, O.
Waterzak, M., -zakken.
Waterzeil, O., -zeilen.
Waterzonnetje, O.
Waterzucht, V.
Waterzuchtig, -zuchtiger, -zuchtigst.
Watteeren, watteerde, heeft gewatteerd.
Watten (mv.), V. Watje, O., -jes.
Watten (bnw.).
Wattenfabriek, V., -fabrieken.
Wauw, wauwer, wauwst.
Wauwelaar, M., wauwelaars.
Wauwelaarster, V., wauwelaarsters.
Wauwelen, wauwelde, heeft gewauweld.
Web, O., webben.
Webbe, V. en O., webben. Webbetje, O. -jes.
Wed, O., wedden.
Wedde, V., wedden.
Wedden, wedde, heeft gewed.
Weddenschap, V., -schappen. Weddenschapje, O., -jes.
Wedder, M., wedders.
Weder en Weer (ram), M., weders en weeren.
Weder en Weer (luchtgesteldbeid), O. Weertje, O.
Weder en Weer, bijw. (Zoo ook in de meeste samenstellingen).
Wederantwoord, O., -antwoorden.
Wederantwoorden, antwoordde weder, heeft wedergeantwoord.
Wederbegeeren, begeerde weder, heeft wederbegeerd.
Wederbrengen, bracht weder, heeft wedergebracht.
Wederbrenger, M., -brengers.
Wederbrenging, V.
Wederdienst, M., -diensten.
Wederdoop, M.
Wederdooper, M., -doopers.
Wederdooperij, V.
Wederdoopster, V., -doopsters.
Wedereisch, M.
Wedereischen, eischte weder, heeft wedergeëischt.
Wedererlangen, erlangde weder, heeft wedererlangd.
Wederga. Zie Wedergade.
Wedergaaf en Wedergave, V.
Wedergade, ook Wederga en Weerga, V.
Wedergeboorte, V.
Wedergeboren.
Wedergeven, gaf weder, gaven weder, heeft wedergegeven.
Wedergroet, M.
Wedergroeten, groette weder, heeft wedergegroet.
Wedergunst, V.
Wederhalen, haalde weder, heeft wedergehaald.
Wederhelft, V., -helften.
Wederhouden, wederhield, heeft wederhouden.
Wederinstorting, V.
Wederkaatsen. Zie Weerkaatsen.
Wederkant. Zie Weerkant.
Wederkeer, M.
Wederkeeren, keerde weder, is wedergekeerd.
Wederkeerig.
Wederkeerigheid, V.
Wederkomen, komt weder, kwam weder, kwamen weder, is wedergekomen.
Wederkomst, V.
Wederkoopen, kocht weder, heeft wedergekocht.
Wederkrijgen, kreeg weder, kregen weder, heeft wedergekregen.
Wederlegbaar, -bare.
Wederlegbaarheid, V.
Wederleggen, wederlegde en wederleide, heeft wederlegd en wederleid.
Wederlegger, M., -leggers.
Wederlegging, V., -leggingen.
Wederleveren, leverde weder, heeft wedergeleverd.
Wederliefde, V.
Wedermin, V.
Wedernemen, nam weder, namen weder, heeft wedergenomen.
Wederom.
Wederontmoeting, V., -ontmoetingen.
Wederopbouw, M.
Wederopbouwing, V.
Wederoprichter, M., -oprichters.
Wederoprichting, V.
Wederopstanding, V.
Wederpartij, V., -partijen.
Wederpartijder, M., -partijders.
Wederrechtelijk, -lijker, -lijkst.
Wederrechtelijk (bijw.).
Wederrechtelijkheid, V.
Wederroepelijk.
Wederroepen, wederriep, heeft wederroepen.
Wederroeping, V.
Wederschelden, schold weder, heeft wedergescholden.
Wederspanneling, M. en V., -spannelingen. V. ook -spannelinge.
Wederspannig, -spanniger, -spannigst.
Wederspannigheid, V.
Wederspoed, M.
Wederspraak, V.
Wederspreken, wedersprak, wederspraken, heeft wedersproken.
Wederstaan, wederstaat, wederstond, heeft wederstaan.
Wederstand en Weerstand, M.
Wederstreven, wederstreefde, heeft wederstreefd.
Wederstrever, M., -strevers.
Wederstrevig, -streviger, -strevigst.
Wederstreving, V., -strevingen.
Wedersturen, stuurde weder, heeft wedergestuurd.
Wedervaren, wedervoer, is wedervaren.
Wedervaren, O.
Wedervergelden, vergold weder, heeft wedervergolden.
Wedervergelding, V.
Wederverkooper, M., -verkoopers.
Wederverschijning, V.
Wedervinden, vond weder, heeft wedergevonden.
Wedervraag, V.
Wederwaardigheid, V., -heden.
Wederwoord, O., -woorden.
Wederwraak, V.
Wederzenden, zond weder, heeft wedergezonden.
Wederzien, ziet weder, zag weder, zagen weder, heeft wedergezien.
Wederzijde, V.
Wederzijds (bijw.).
Wederzijdsch (bnw.).
Wedijver, M.
Wedijveren, wedijverde, heeft gewedijverd.
Wedloop, M., -loopen.
Wedloopen, O.
Wedlooper, M., -loopers.
Wedprijs, M., -prijzen.
Wedren, M., -rennen.
Wedster, V., wedsters.
Wedstrijd, M., -strijden.
Weduwe, ook Weduw en Weeuw, V., weduwen. Weeuwtje, O., -jes.
Weduwendracht, V.
Weduwenfonds en Weduwfonds, O., -fondsen.
Weduwenkas, V., -kassen.
Weduwgeld, O., -gelden.
Weduwgift, V., -giften.
Weduwjaar, O.
Weduwlijk.
Weduwnaar en Weeuwenaar, M., weduwnaars en weeuwenaars.
Weduwschap, O.
Weduwstaat, M.
Weduwvrouw, V., -vrouwen.
Wee, O., weeën.
Wee (bnw.).
Wee (tusschenw.).
Weedasch, V.
Weede, V.
Weedom, M.,
Weefgetouw, O., -getouwen.
Weefkunst, V.
Weefloon, O., -loonen.
Weefsel, O., weefsels en weefselen.
Weefster, V., weefsters.
Weefstoel, M., -stoelen.
Weegblad, O.
Weegbree, V.
Weegbrug, V., -bruggen.
Weegglas, O., -glazen.
Weegkunde, V.
Weegloon, O., -loonen.
Weegluis, V., -luizen; -luisje, O., -jes.
Weegschaal, V., -schalen; -schaaltje, O., -jes.
Weegsteen, M., -steenen.
Weegstempel, M., -stempels.
Weeheid, V.
Week (het weeken), V.
Week (zeven dagen), V., weken. Weekje, O., -jes.
Week (week gedeelte), O.
Week, weeker, weekst.
Weekbak, M., -bakken; -bakje, O., -jes.
Weekbakken.
Weekbericht, O., -berichten.
Weekbeurt, V., -beurten.
Weekblad, O., -bladen; -blaadje, O., -jes.
Weekboekje, O., -boekjes.
Weekbriefje, O., -briefjes.
Weekdarm, M., -darmen.
Weekdier, O., -dieren.
Weekelijk, -lijker, -lijkst.
Weekelijkheid, V.
Weekeling, M. en V., weekelingen. V. ook weekelinge.
Weeken, weekte, heeft en is geweekt.
Weekgeld, O., -gelden.
Weekhartig, -hartiger, -hartigst.
Weekhartigheid, V.
Weekheid, V.
Weekhoevig.
Weeklacht, V., -klachten.
Weeklagen, weeklaagde, heeft geweeklaagd.
Weekloon, O., -loonen.
Weekmaken, maakte week, heeft weekgemaakt.
Weekmarkt, V., -markten.
Weekstaat, M., -staten.
Weelde, V., weelden.
Weelderig, weelderiger, weelderigst.
Weelderigheid, V.
Weeldig, weeldiger, weeldigst.
Weemoed, M.
Weemoedig, -moediger, -moedigst.
Weemoedigheid, V.
Weenen, weende, heeft geweend.
Weening, V.
Weepsch, weepscher, meest weepsch.
Weepschheid, V.
Weer (ram). Zie Weder.
Weer (wering), V.
Weer (luchtsgesteldheid). Zie Weder.
Weer (bijw.). Zie Weder.
Weerbaar, -baarder, -baarst.
Weerbaarheid, V.
Weerbaarheidsbond, O.
Weerbarstig, -barstiger, -barstigst.
Weerbarstigheid, V.
Weerbericht, O., -berichten.
Weerdruk, M.
Weerga, V.
Weergaasch, weergasche.
Weergal, V., -gallen.
Weergalm, M.
Weergalmen, weergalmde, heeft weergalmd.
Weergaloos, -looze.
Weergeld, O.
Weerglans, M.
Weerglas, O., -glazen.
Weerhaak, M., -haken; -haakje, O., -jes.
Weerhaan, M., -hanen; -haantje, O., -jes.
Weerhanerij, V.
Weerhuisje, O., -jes.
Weerkaatsen, weerkaatste, heeft weerkaatst.
Weerkaatsing, V.
Weerkant en Wederkant, M.
Weerkauwen, weerkauwde, heeft weerkauwd.
Weerklank, M.
Weerklinken, weerklonk, heeft weerklonken.
Weerkunde, V.
Weerkundig.
Weerkundige, M. en V., -kundigen.
Weerlicht (natuurverschijnsel), O.
Weerlicht, V. (Naar de - en Als de -).
Weerlichten, weerlichtte, heeft geweerlicht.
Weerlichts (bijw.).
Weerlichtsch (bnw.).
Weerloos, -loozer.
Weerloosheid, V.
Weeromreis, V., -reizen.
Weeromstuit, M.
Weerpijn, V., -pijnen.
Weerplicht, M.
Weerplichtig.
Weerplichtigheid, V.
Weerprofeet, M., -profeten.
Weerschijn, M. Weerschijntje, O., -jes.
Weerschijnen, weerscheen, weerschenen, heeft weerschenen.
Weerschijnsel, O., -schijnsels.
Weersgesteldheid, V., -heden.
Weerskanten (Van - of Aan -).
Weerslag, M., -slagen.
Weersmaak, M.
Weerspannig, -spanniger, -spannigst.
Weerspannigheid, V.
Weerspiegelen, weerspiegelde, heeft weerspiegeld.
Weerstand, M.
Weerstroom, M.
Weerstuit, M.
Weersverandering, V., -veranderingen.
Weerszijden (Van - of Aan -).
Weertafel, V., -tafels.
Weertij, O., -tijen.
Weervloed, M.
Weervoorspeller, M., -voorspellers.
Weerwijs, -wijze.
Weerwijzer, M., -wijzers.
Weerwil, M. (In -).
Weerwolf, M., -wolven.
Weerwolfsziekte, V.
Weerziek, -zieker, -ziekst.
Weerzin, M.
Wees, M. en V., weezen. V. ook weeze. Weesje, O., -jes.
Weesburger, M., -burgers; V. -burgeres, -burgeressen.
Wees-gegroet, O.
Weeshuis, O., -huizen.
Weesje (prieeltje), O., -jes.
Weesjongen, M., -jongens.
Weeskamer, V., -kamers.
Weeskind, O., -kinderen.
Weesmeester, M., -meesters en -meesteren.
Weesmeisje, O., -meisjes.
Weesmoeder, V., -moeders.
Weesvader, M., -vaders.
Weet, V. Weetje, O.
Weetal, M. en V., weetallen.
Weetgierig, -gieriger, -gierigst.
Weetgierigheid, V.
Weetgraag, -grager, -graagst.
Weetlust, M.
Weetniet, M. en V., weetnieten.
Weeuw. Zie Weduwe.
Weeuwenaar. Zie Weduwnaar.
Weeuwenaarsbotje, O.
Weeuwenaarspijn, V.
Weeuwkrop, V., -kroppen.
Weeuwplant, V., -planten.
Weeuwtje. Zie Weduwe.
Weezenfonds, O., -fondsen.
Weg, M., wegen. Wegje, O., -jes.
Weg (bijw.).
Wegbannen, bande weg, heeft weggebannen.
Wegbergen, borg weg, heeft weggeborgen.
Wegbijten, beet weg, beten weg, heeft en is weggebeten.
Wegblazen, blies weg, bliezen weg, heeft weggeblazen.
Wegblijven, bleef weg, bleven weg, is weggebleven.
Wegboegseeren, boegseerde weg, heeft weggeboegseerd.
Wegborstelen, borstelde weg, heeft weggeborsteld.
Wegbranden, brandde weg, heeft en is weggebrand.
Wegbreken, brak weg, braken weg, heeft en is weggebroken.
Wegbreking, V.
Wegbrengen, bracht weg, heeft weggebracht.
Wegcijferen, cijferde weg, heeft weggecijferd.
Wegdampen, dampte weg, is weggedampt.
Wegdenken, dacht weg, heeft weggedacht.
Wegdieven, diefde weg, heeft weggediefd.
Wegdoen, deed weg, deden weg, heeft weggedaan.
Wegdooien, dooide weg, is weggedooid.
Wegdragen, droeg weg, heeft weggedragen.
Wegdraven, draafde weg, is weggedraafd.
Wegdrijven, dreef weg, dreven weg, heeft en is weggedreven.
Wegdringen, drong weg, heeft en is weggedrongen.
Wegdrogen, droogde weg, is weggedroogd.
Wegdruipen, droop weg, dropen weg, is weggedropen.
Wegdrukken, drukte weg, heeft weggedrukt.
Wegduiken, dook weg, doken weg, is weggedoken.
Wegduwen, duwde weg, heeft weggeduwd.
Wegdwalen, dwaalde weg, is weggedwaald.
Wegedoorn en Wegedoren, V.
Wegen, woog, wogen, heeft gewogen.
Wegens.
Weger (plank), M., wegers. Ook Weeger.
Wegeren, wegerde, heeft gewegerd. Ook Weegeren.
Wegering, V. Ook Weegering.
Wegfrommelen, frommelde weg, heeft weggefrommeld.
Weggaan, gaat weg, ging weg, is weggegaan.
Weggaloppeeren, galoppeerde weg, is weggegaloppeerd.
Wegge, V., weggen. Weggetje, O., -jes.
Weggeven, gaf weg, gaven weg, heeft weggegeven.
Weggieten, goot weg, goten weg, heeft weggegoten.
Wegglijden, gleed weg, gleden weg, is weggegleden.
Weggoochelen, goochelde weg, heeft weggegoocheld.
Weggooien, gooide weg, heeft weggegooid.
Weggraven, groef weg, groeven weg, heeft weggegraven.
Weggraving, V.
Weggrijpen, greep weg, grepen weg, heeft weggegrepen.
Weghakken, hakte weg, heeft weggehakt.
Weghakking, V.
Weghalen, haalde weg, heeft weggehaald.
Weghaling, V.
Wegharken, harkte weg, heeft weggeharkt.
Weghebben, heeft weg, had weg, hadden weg, heeft weggehad.
Weghelpen, hielp weg, heeft weggeholpen.
Weghouwen, hieuw weg, heeft weggehouwen.
Weghuppelen, huppelde weg, is weggehuppeld.
Wegijlen, ijlde weg, is weggeijld.
Weging, V., wegingen.
Wegjagen, jaagde weg, heeft weggejaagd; ook joeg weg.
Wegkaatsen, kaatste weg, heeft weggekaatst.
Wegkabbelen, kabbelde weg, heeft en is weggekabbeld.
Wegkankeren, kankerde weg, is weggekankerd.
Wegkankering, V.
Wegkapen, kaapte weg, heeft weggekaapt.
Wegknippen, knipte weg, heeft weggeknipt.
Wegkomen, komt weg, kwam weg, kwamen weg, is weggekomen.
Wegkrabbelen, krabbelde weg, heeft weggekrabbeld.
Wegkrabben, krabde weg, heeft weggekrabd.
Wegkrijgen, kreeg weg, kregen weg, heeft weggekregen.
Wegkrimpen, kromp weg, is weggekrompen.
Wegkruien, krooi weg, krooien weg, heeft en is weggekrooien; ook kruide weg, heeft en is weggekruid.
Wegkruipen, kroop weg, kropen weg, is weggekropen.
Wegkunnen, kan weg, kunnen weg, konde of kon weg, gij kondt weg, konden weg, heeft weggekund.
Wegkwijnen, kwijnde weg, is weggekwijnd.
Wegkwijning, V.
Weglaten, liet weg, heeft weggelaten.
Weglating, V., -latingen.
Wegleggen, legde weg en leide weg, heeft weggelegd en weggeleid.
Wegleiden, leidde weg, heeft weggeleid.
Wegleiding, V.
Weglokken, lokte weg, heeft weggelokt.
Wegloopen, liep weg, is weggeloopen.
Wegmaaien, maaide weg, heeft weggemaaid.
Wegmaaiing, V.
Wegmaken, maakte weg, heeft weggemaakt.
Wegmalen, maalde weg, heeft weggemalen.
Wegmaling, V.
Wegmarcheeren, marcheerde weg, is weggemarcheerd.
Wegmarcheering, V.
Wegmoffelen, moffelde weg, heeft weggemoffeld.
Wegmolmen, molmde weg, is weggemolmd.
Wegnemen, nam weg, namen weg, heeft weggenomen.
Wegneming, V.
Wegpakken, pakte weg, heeft weggepakt.
Wegpleisteren, pleisterde weg, heeft weggepleisterd.
Wegplukken, plukte weg, heeft weggeplukt.
Wegpraten, praatte weg, heeft weggepraat.
Wegraken, raakte weg, is weggeraakt.
Wegrapen, raapte weg, heeft weggeraapt.
Wegredeneeren, redeneerde weg, heeft weggeredeneerd.
Wegreizen, reisde weg, is weggereisd.
Wegrekenen, rekende weg, heeft weggerekend.
Wegrijden, reed weg, reden weg, heeft en is weggereden.
Wegroeien, roeide weg, heeft en is weggeroeid.
Wegroepen, riep weg, heeft weggeroepen.
Wegroesten, roestte weg, is weggeroest.
Wegrollen, rolde weg, heeft en is weggerold.
Wegrooven, roofde weg, heeft weggeroofd.
Wegrotten, rotte weg, is weggerot.
Wegrotting, V.
Wegruimen, ruimde weg, heeft weggeruimd.
Wegruiming, V.
Wegrukken, rukte weg, heeft en is weggerukt.
Wegschaven, schaafde weg, heeft weggeschaafd.
Wegschenken, schonk weg, heeft weggeschonken.
Wegschenking, V.
Wegscheppen, schepte weg, heeft weggeschept.
Wegscheren (scherende wegnemen), schoor weg, schoren weg, heeft weggeschoren.
Wegscheren (zich -), (wegpakken), scheerde zich weg, heeft zich weggescheerd.
Wegscheuren, scheurde weg, heeft en is weggescheurd.
Wegschieten, schoot weg, schoten weg, heeft en is weggeschoten.
Wegschillen, schilde weg, heeft weggeschild.
Wegschoffelen, schoffelde weg, heeft weggeschoffeld.
Wegschoppen, schopte weg, heeft weggeschopt.
Wegschrabben, schrabde weg, heeft weggeschrabd.
Wegschrapen, schraapte weg, heeft weggeschraapt.
Wegschrappen, schrapte weg, heeft weggeschrapt.
Wegschudden, schudde weg, heeft weggeschud.
Wegschuieren, schuierde weg, heeft weggeschuierd.
Wegschuilen, school weg, scholen weg, is weggescholen.
Wegschuimen, schuimde weg, heeft weggeschuimd.
Wegschuiven, schoof weg, schoven weg, heeft en is weggeschoven.
Wegschuiving, V.
Wegschuren, schuurde weg, heeft en is weggeschuurd.
Wegschuring, V.
Wegsijpelen, sijpelde weg, is weggesijpeld.
Wegsjouwen, sjouwde weg, heeft weggesjouwd.
Wegslaan, slaat weg, sloeg weg, heeft en is weggeslagen.
Wegsleepen, sleepte weg, heeft weggesleept.
Wegsleepend, -sleepender, -sleependst.
Wegslenteren, slenterde weg, is weggeslenterd.
Wegslijten, sleet weg, sleten weg, is weggesleten.
Wegslijting, V.
Wegslingeren, slingerde weg, heeft en is weggeslingerd.
Wegslinken, slonk weg, is weggeslonken.
Wegsluipen, sloop weg, slopen weg, is weggeslopen.
Wegsluiten, sloot weg, sloten weg, heeft weggesloten.
Wegsluiting, V.
Wegsmelten, smolt weg, is weggesmolten.
Wegsmelting, V.
Wegsmijten, smeet weg, smeten weg, heeft weggesmeten.
Wegsnappen, snapte weg, heeft en is weggesnapt.
Wegsnellen, snelde weg, is weggesneld.
Wegsnijden, sneed weg, sneden weg, heeft weggesneden.
Wegsnijding, V.
Wegsnoeien, snoeide weg, heeft weggesnoeid.
Wegsnoeiing, V.
Wegsnorren, snorde weg, is weggesnord.
Wegspatten, spatte weg, is weggespat.
Wegspoeden, spoedde weg, is weggespoed.
Wegspoelen, spoelde weg, heeft en is weggespoeld.
Wegspoeling, V.
Wegsporen, spoorde weg, is weggespoord.
Wegspringen, sprong weg, is weggesprongen.
Wegstappen, stapte weg, is weggestapt.
Wegsteken, stak weg, staken weg, heeft weggestoken.
Wegstelen, stal weg, stalen weg, heeft weggestolen.
Wegsterven, stierf weg, stierven weg, is weggestorven.
Wegstommelen, stommelde weg, heeft weggestommeld.
Wegstompen, stompte weg, heeft weggestompt.
Wegstoomen, stoomde weg, is weggestoomd.
Wegstooten, stiet weg, heeft weggestooten; ook stootte weg.
Wegstoppen, stopte weg, heeft weggestopt.
Wegstormen, stormde weg, heeft en is weggestormd.
Wegstrijken, streek weg, streken weg, heeft en is weggestreken.
Wegstrooien, strooide weg, heeft weggestrooid.
Wegstroopen, stroopte weg, heeft weggestroopt.
Wegstuiven, stoof weg, stoven weg, is weggestoven.
Wegsturen, stuurde weg, heeft weggestuurd.
Wegstuwen, stuwde weg, heeft weggestuwd.
Wegsukkelen, sukkelde weg, is weggesukkeld.
Wegtimmeren, timmerde weg, heeft weggetimmerd.
Wegtooveren, tooverde weg, heeft weggetooverd.
Wegtrappen, trapte weg, heeft weggetrapt.
Wegtrekken, trok weg, trokken weg, heeft en is weggetrokken.
Wegtroonen, troonde weg, heeft weggetroond.
Wegvallen, viel weg, is weggevallen.
Wegvaren, voer weg, heeft en is weggevaren.
Wegvegen, veegde weg, heeft weggeveegd.
Wegvijlen, vijlde weg, heeft weggevijld.
Wegvisschen, vischte weg, heeft weggevischt.
Wegvlieden, vlood weg, vloden weg, is weggevloden.
Wegvliegen, vloog weg, vlogen weg is weggevlogen.
Wegvloeien, vloeide weg, is weggevloeid.
Wegvluchten, vluchtte weg, is weggevlucht.
Wegvoeren, voerde weg, heeft weggevoerd.
Wegvoering, V.
Wegvreten, vrat weg, vraten weg, heeft en is weggevreten.
Wegwaaien, waaide weg, heeft en is weggewaaid; ook woei weg, woeien weg.
Wegwandelen, wandelde weg, is weggewandeld.
Wegwasschen, wiesch weg, wieschen weg, heeft weggewasschen.
Wegwedstrijd, M., -wedstrijden.
Wegwenschen, wenschte weg, heeft weggewenscht.
Wegwentelen, wentelde weg, heeft weggewenteld.
Wegwerken, werkte weg, heeft weggewerkt.
Wegwerker, M., -werkers.
Wegwerking, V.
Wegwerpen, wierp weg, heeft weggeworpen.
Wegwerping, V.
Wegwillen, wilde weg, heeft weggewild.
Wegwippen, wipte weg, is weggewipt.
Wegwisschen, wischte weg, heeft weggewischt.
Wegwrijven, wreef weg, wreven weg, heeft weggewreven.
Wegzagen, zaagde weg, heeft weggezaagd.
Wegzakken, zakte weg, is weggezakt.
Wegzeilen, zeilde weg, is weggezeild.
Wegzenden, zond weg, heeft weggezonden.
Wegzending, V.
Wegzetten, zette weg, heeft weggezet.
Wegzijgen, zeeg weg, zegen weg, is weggezegen.
Wegzinken, zonk weg, is weggezonken.
Wegzwemmen, zwom weg, zwommen weg, is weggezwommen.
Wegzweven, zweefde weg, is weggezweefd.
Wei (veld). Zie Weide.
Wei (hui), V.
Weiachtig, -achtiger, -achtigst.
Weiachtigheid, V.
Weide en Wei, V., weiden.
Weidegrond, M., -gronden.
Weiden (grazen en hoeden), weidde, heeft geweid.
Weider, M., weiders.
Weiderij, V., weiderijen.
Weiding, V., weidingen.
Weidmes en Weimes, O., -messen.
Weidsch, weidscher, meest weidsch.
Weidschheid, V.
Weifelaar, M., weifelaars en weifelaren.
Weifelachtig, -achtiger, -achtigst.
Weifelen, weifelde, heeft geweifeld.
Weifeling, V., weifelingen.
Weifelmoedig, -moediger, -moedigst.
Weifelmoedigheid, V.
Weigeld, O.
Weigeraar, M., weigeraars en weigeraren.
Weigerachtig, -achtiger, -achtigst.
Weigeren, weigerde, heeft geweigerd.
Weigerig.
Weigering, V., weigeringen.
Weigroen, O.
Weikaas, V., -kazen.
Weiland, O., -landen.
Weiman, M., -lieden en -lui.
Weimes. Zie Weidmes.
Weinig, minder, minst.
Weinigje, O.
Weit, V.
Weitasch, V., -tasschen.
Weitebrood, O., -brooden.
Weitekoek, M., -koeken.
Weitemeel, O.
Wekelijks (bijw.).
Wekelijksch (bnw.).
Wekken, wekte, heeft gewekt.
Wekker, M., wekkers. Wekkertje, O., -jes.
Wekkerklok, V., -klokken; -klokje, O., -jes.
Wekstem, V., -stemmen.
Wekster, V., weksters.
Wel, V., wellen. Welletje, O., -jes.
Wel, beter, best.
Welaan.
Welbearbeid.
Welbebouwd.
Welbedacht.
Welbegrepen.
Welbehaaglijk.
Welbehagen, O.
Welbeklant.
Welbekomen, O.
Welbekookt.
Welbemand.
Welbemind.
Welberaamd.
Welberaden.
Welbereid.
Welbespraakt, -bespraakter, -bespraaktst.
Welbespraaktheid, V.
Welbesteed.
Welbevolkt.
Welbewaakt.
Welbewerkt.
Welbewoond.
Welbezeild, -bezeilder, -bezeildst.
Welbezeildheid, V.
Welbezocht.
Welboot, V., -booten.
Weldaad, V., -daden.
Weldadig, -dadiger, -dadigst.
Weldadigheid, V., -heden.
Weldadigheidsbazar, M., -bazars.
Weldadigheidsconcert, O., -concerten.
Weldoen, doet wel, deed wel, deden wel, heeft welgedaan.
Weldoen, O.
Weldoener, M., -doeners.
Weldoenster, V., -doensters.
Weldoordacht.
Weldoorkneed, -doorknede.
Weldoortimmerd.
Weldoorvoed.
Weldra.
Weledel.
Weledelachtbaar.
Weledelgeboren.
Weledelgestreng.
Weledelheid, V., -heden.
Weledelzeergeleerd.
Weleer.
Weleerwaard.
Weleerwaardig.
Welfsel, O., welfselen en welfsels.
Welgaan, gaat wel, ging wel, heeft welgegaan.
Welgat, O., -gaten.
Welgeaard.
Welgeboren.
Welgebouwd.
Welgedaan, -gedaner, -gedaanst.
Welgedaanheid, V.
Welgegoed, -gegoeder, -gegoedst.
Welgegrond.
Welgelegen, -gelegener, -gelegenst.
Welgeliefd.
Welgelijkend.
Welgelukken, O.
Welgelukkig.
Welgelukzalig.
Welgemaakt, -gemaakter, -gemaaktst.
Welgemaaktheid, V.
Welgemanierd, -gemanierder, -gemanierdst.
Welgemanierdheid, V.
Welgemeend.
Welgemoed.
Welgemoedheid, V.
Welgemutst.
Welgeordend.
Welgeschapen.
Welgeslaagd.
Welgesteld, -gestelder, -gesteldst.