Woordenlijst Voor De Spelling Der Nederlandsche Taal Met Aanwij
Chapter 5
34. De meervouden _ritten_ en _binten_ bewijzen, dat de _d_ van _rijden_ en _binden_ in de genoemde woorden tot _t_ is verscherpt, gelijk zulks ten aanzien van de _d_ van _mede_ in het voorzetsel _met_ sinds lang algemeen erkend is. De woorden _rid_, _bind_ en _med_ met _d_ hebben dus feitelijk opgehouden te bestaan, en zijn door _rit_, _bint_ en _met_ vervangen. Het is derhalve regelmatig ook _ritmeester_, _gebinten_ en _metgezel_ te schrijven. (_Grondbeg._ § 102).
35. Dezelfde verscherping heeft de _d_ ondergaan voor het achtervoegsel -_nis_ in de stammen der werkwoorden, die uitgaan op _d_, voorafgegaan door eene _l_ of _n_. Ten onrechte heeft men in _beeldtenis_ en _verbindtenis_ eene _d_ ingevoegd, die aan eene afleiding met _-te_ doet denken. De ware spelling is _beeltenis_ en _verbintenis_, evenals _ontstentenis_, waarin men nooit eene _d_ heeft geschreven, hoewel het op gelijke wijze afstamt van _ontstanden_, bijvorm van _ontstaan_ (in den ouden zin van _ontbreken_). (_Grondbeg._ § 102).
36. Ofschoon de stofnaam _kruit_ (poeder), wat den oorsprong betreft, hetzelfde woord is als _kruid_ (gewas), is het echter thans door de geheel afwijkende beteekenis voor ons gevoel daarvan gescheiden. Reeds hierom is het wenschelijk, het onderscheid van beteekenis ook in de spelling te doen uitkomen. Daar komt bij, dat het woord in den zin van _poeder_ nu, zoo al niet tot de onverbuigbare, dan toch tot de onverbogen woorden behoort, aan welke de taal liefst de scherpe sluitletter pleegt toe te kennen. Het verkeert in hetzelfde geval als _schroot_, dat ook eigenlijk _schrood_ luidde (van 't ww. _schroden_, snijden), en waarnevens nog _schroodbeitel_ en _schroodijzer_ bestaan. Wij schrijven daarom _kruit_ (poeder), _buskruit_, _rattenkruit_, nevens _kruid_ (gewas), _kruiden_, _nieskruid_, _wormkruid_. (_Grondbeg._ § 127).
37. De woorden op -_lei_ en -_hande_ zijn eigenlijk samenstellingen, waarin het eerste lid in den vrouwelijken 2den nv. staat. Regelmatig gevormd zijn derhalve _allerlei_, _eenerlei_, _velerlei_, _menigerlei_, _twintigerlei_ en -_hande_ enz. Daarentegen hebben andere, als _vierderlei_, _vijfderlei_, _zesderlei_ en -_hande_, eene _d_ ingelascht, die echter aan de beteekenis niets toedoet. Ten aanzien van twee woorden handelt het gebruik niet eenparig; men vindt _tweeërlei_, _drieërlei_ (-_hande_), en _tweederlei_, _driederlei_ (-_hande_) geschreven. Het is raadzaam, die onregelmatige vormen te verwerpen en aan de spraakkunstig juiste spelling _tweeërlei_ en _drieërlei_ (-_hande_) de voorkeur te geven. (_Grondbeg._ § 93).
38. De spelling _Kersdag_, _Kersfeest_, _Kersmis_ enz. maakt die woorden geheel onverstaanbaar. Het ongerijmde van die schrijfwijze komt vooral in _kersboom_ belachelijk uit. De herstelling der _t_ van den naam _Kerst_ (_Christus_) doet den zin der woorden begrijpen, en verhindert althans aan eene verkeerde afleiding te denken. Wij schrijven daarom _Kerstdag_, Kerstf__eest, _Kerstmis_, _kerstboom_ enz.--Daarentegen is er geene afdoende reden om in _kermis_ en _kerspel_ de _k_ van _kerk_ weder in te voegen. Sedert de kermissen in ons land niet meer met de feestdagen der kerkpatronen samenvallen, en _spel_ de beteekenis van _rechtsgebied_ verloren heeft, zou de spelling _kerkmis_ en _kerkspel_ deze woorden vooral niet verstaanbaarder maken. Wij behouden daarom de gebruikelijke spelling _kermis_, _kerspel_.
39. Reeds in de middeleeuwen onderging het woord _liicteken_ (_lijkteeken_, d. i. _blijkteeken_) verbastering en ging over in _licteken_ en _litteken_. Het veranderde tevens van beteekenis, en dit had eene miskenning van het geheele woord ten gevolge. Men vatte het op als teeken in het vleesch (_lijk_) en schreef daarom _likteeken_, hetgeen niet verhinderde dat men voortging _litteeken_ uit te spreken. Daar nu de spelling _likteeken_ zoomin de afleiding als de beteekenis duidelijker maakt, schrijven wij overeenkomstig de uitspraak en het eeuwenoude gebruik: _litteeken_. (_Grondbeg._ § 131).
De lipletters _v_ en _f_.
40. De gebruikelijke spelling _diefegge_ doet denken aan eene samenstelling van _dief_ met zeker onbekend woord _egge_. Deze uitgang echter is slechts een achtervoegsel; het woord is niet door samenstelling, maar door afleiding gevormd. Het moet derhalve ook op de wijze der afgeleide woorden gespeld worden, dat wil hier zeggen, de _f_ moet in _v_ veranderen: dus _dievegge_, gelijk in _dieverij_, _lieverd_ enz. (_Grondbeg._ § 107).
41. De beschaafde uitspraak heeft de _v_ van _vonk_ in het afgeleide _fonkelen_, wanneer dit woord overdrachtelijk wordt opgevat, tot _f_ verscherpt, en zoodoende een nieuw woord doen ontstaan nevens _vonkelen_, vonken schieten, in de eigenlijke opvatting. Wij schrijven daarom in den oneigenlijken zin _fonkelen_, en dus ook _fonkelnieuw_. (_Grondbeg._ § 111).
De sisletters _s_ en _z_.
42. Uit de bijwoordelijke uitdrukking _te zamen_ ontstond eerst het bijw. _tsamen_, en hieruit, door het wegvallen der _t_, nadat zij de _z_ tot _s_ verscherpt had, _samen_. Dit is dus inderdaad in oorsprong een ander woord dan zamen, en de scherpe uitspraak, die nog altijd de heerschende is, steunt op een goeden grond. Wij schrijven daarom _samen_ met _s_ aan het begin van alle samenstellingen, en zoo ook, wanneer het woord alleen staat: _samenkomen_, _samenwerken_, _samenspraak_, _samenhang_ enz. _Te samen_ zou echter niet te verdedigen zijn, dewijl het niets anders kan beteekenen dan _te te zamen_, met dubbel voorzetsel. Daarom schrijven wij: _Zij zullen er te zamen_ (of _er samen_) _heengaan_. Ook blijft de _z_ in het midden der woorden, die door samenstelling of door aanhechting van een voorvoegsel van _zamen_ gevormd zijn, als in _opzamelen_, _inzamelen_, _verzameling_. (_Grondbeg._ § 108).
43. De gebruikelijke spelling schrijft naar eisch der afleiding en uitspraak _geenszins_, maar strijdig met beide _allezins_, _anderzins_, _eenigzins_, _veelzins_. Naar analogie van het geheel onberispelijke _geenszins_, behoort men ook _alleszins_, _anderszins_, _eenigszins_, _veelszins_ te schrijven: eene spelling, die aan alle eischen der spraakkunst beantwoordt. (_Grondbeg._ § 125).
44. Het schrijven van _wijsst_, _boosst_, _loosst_, als overtreffende trappen van _wijs_, _boos_, _loos_, zou met de Nederl. begrippen aangaande de spelling in strijd en iets ongehoords zijn. Daarmede vervalt dan ook de spelling _wijsste_, _boosste_, _loosste_, en, naar analogie hiervan, ook _valschst_, _verschst_ enz. Wij schrijven derhalve, in de gevallen waar dergelijke harde vormen niet te vermijden mochten zijn: _wijst_--_wijste_, _loost_--_looste_, _malscht_--_malschte_ enz., overeenkomstig de gebruikelijke spelling van _Friesch_ (niet _Friessch_), _trotsch_ (niet _trotssch_), van _Fries_ en _trots_, die zelve op _s_ eindigen.
Het achtervoegsel -_ster_, dat vrouwelijke persoonsnamen vormt, maakt steeds eene afzonderlijke lettergreep uit, en verschilt dus daarin van -_s_ en -_sch_. Het behoudt daarom zijne _s_, b. v. in _ziekenoppasster_, _mutsenwaschster_ enz. (_Grondbeg._ § 124).
De samenstellingen.
45. _Samengestelde woorden_ zijn verbindingen van woorden, die tot één geheel vereenigd zijn met het doel om een nieuw begrip uit te drukken, verschillende van de som der begrippen, die door de afzonderlijke deelen aangeduid worden. Zoo beteekenen b. v. _grootschrift_ en _kleinkind_ iets anders dan _groot schrift_ en _klein kind_.
46. Alle samenstellingen bestaan uit twee deelen, _leden_ genoemd, die echter zelve samenstellingen kunnen zijn; b. v. _huis-knecht_, _op-stellen_, _horloge-maker_, _werk-tuig_, _horlogemakers-werktuig_.
47. De deelen der samengestelde woorden worden aaneen geschreven of door een koppelteeken verbonden, soms met verandering van den vorm van het eerste lid. Hieruit volgt, dat de spelling in de eerste plaats de middelen aan de hand moet geven om te onderkennen, welke opeenvolgingen van woorden samenstellingen zijn en dus óf aaneen geschreven óf door koppelteekens verbonden moeten worden. Vervolgens moet zij ook den aard der veranderingen van het eerste lid doen kennen, voor zooverre deze niet duidelijk uit de uitspraak blijken.
Regels voor het onderkennen der samenstellingen. (Grondbeg. § 134-153).
48. Samengestelde woorden--en dus aaneen te schrijven--zijn alle opeenvolgingen van woorden, die los staande óf geene óf een verkeerden zin zouden opleveren.
I. Tot de eerste soort behooren alle opeenvolgingen van woorden, die, wanneer zij vaneen geschreven werden, geen verstaanbaren zin zouden opleveren, tenzij men door verandering van den vorm der deelen, door omzetting of invoeging van andere woorden, den zin nader aanduidde; b. v. _ijzerdraad_, _ijzeren draad_; _tweehonderd_, tweemaal honderd; _godmensch_, goddelijk mensen; _zeshoek_, figuur met zes hoeken; _badkuip_, kuip om te baden, enz.
Bijzondere soorten der hier bedoelde woorden zijn:
1. De uitdrukkingen, door middel van een achtervoegsel van op zich zelve staande woorden gevormd; t. w.:
_a._ Vele zelfst. nw. op -_er_, -_ster_ en -_ing_, als _houthakker_, van _hout hakken_; _droogscheerder_, van _droog scheren_; _invrijheidstelling_, _tekortkoming_, van _in vrijheid stellen_, _te kort komen_.
_b._ Vele bijvoegl. nw. op -_ig_ en -_sch_, als _vierhoekig_, van _vier hoeken_; _alledaagsch_, van _alle dagen_, enz.
_c._ Alle bijwoordelijke uitdrukkingen met de zoogenaamde bijwoordelijke _s_, als _veeltijds_, _buitendijks_, _terloops_.
2. Die zelfst. nw., wier eerste lid een bijvoegl. nw. is, dat in de rede geene naamvalsveranderingen ondergaat, maar steeds denzelfden vorm behoudt; b. v. _grootmeester_, _oudoom_, _kleinzoon_ enz. Men zegt: _des grootmeesters_, _uwen oudoom_, _zijne kleinzoons_, niet _des grooten meesters_, _uwen ouden oom_, _zijne kleine zoons_, dan met verandering der beteekenissen.
3. De uitdrukkingen, waarin woorden voorkomen met spraakkunstige vormen, die buiten zulke samenstellingen niet meer in gebruik zijn. Hiertoe behooren:
_a._ De uitdrukkingen met het eerste lid in den sterken manl. of onz. 2den nv., als _goedsmoeds_, _blootshoofds_ enz., dewijl men niet meer zegt: _des goeds moeds_, _des bloots hoofds_ enz.
_b._ De uitdrukkingen, bestaande uit een bijv. nw. in den sterken 2den nv. op -_er_, met een zelfst. nw., in oneigenlijken zin genomen; als _allerwegen_, _langzamerhand_, _toevalligerwijze_ enz.
_c._ De uitdrukkingen, bestaande uit een voorzetsel, gevolgd van een 2den nv.; als _binnensmonds_, _buitenshuis_ enz.
_d._ De uitdrukkingen, waarin het verbogen lidwoord _de_ _in ter_ is veranderd; als _metterdaad_, _mettertijd_ enz.
_e._ De uitdrukkingen, beginnende met _dèr_, _dès_ en _wès_, verouderde 2de nvll. van _die_ en _wie_; als _derhalve_, _desgelijks_, _deskundige_, _weshalve_ enz.
II. Tot de tweede soort behooren alle opeenvolgingen van twee woorden, in welke een van beide of beide hunne gewone beteekenis hebben afgelegd, zoodat de zin der vereenigde begrippen een andere is dan die, welken de bloote som der beide begrippen zou medebrengen.
Als zoodanig worden aaneen geschreven:
1. De werkwoorden met de voorzetsels _aan_, _achter_, _bij_, _door_, _om_, _onder_, _op_, _over_, _tegen_, _uit_ en _voor_, welke voorzetsels alsdan in bijwoorden zijn overgegaan, en die met de bijwoorden _af_, _mede_ en _toe_, als: _aanbinden_, _doorsteken_, _uithalen_, _afgaan_, _medeloopen_, _toestemmen_ enz.
2. De werkwoorden, verbonden met een zelfst. of bijv. naamw., óf met een bijwoord van wijze, wanneer de beteekenis dier woorden of die van het werkw. zelf is gewijzigd; b. v. _gadeslaan_, _rechtspreken_, _gevangennemen_, _goeddoen_, _vrijlaten_, _voortgaan_, _aaneenbinden_, _ondereenmengen_ enz.
Wanneer het eerste woord eene bepaling bij zich nemen of in een der trappen van vergelijking staan kan, is zulks een bewijs, dat er geene samenstelling plaats heeft. Zoo zijn b. v. _staat maken_ en _fraai schrijven_ geene samenstellingen, omdat men kan zeggen _geen staat op iets maken_, _fraaier schrijven_ enz.
3. De bijvoegl. naamw., vergezeld van de bijw. _wel_, _vol_ en _al_, wanneer deze woorden den zin hebben van _zeer_, als _welbespraakt_, _volzalig_, _aloud_ enz.; alsmede de titels, beginnende met _edel_, _hoog_, _wel_ en _zeer_, als _Edelgeboren_, _Hooggeleerd_, _Weledel_, _Zeergeleerd_ enz.
4. De benamingen van kleuren, uit twee bijvoegl. nw. bestaande, als _hooggeel_, _lichtblauw_, _donkerbruin_, _zwartbont_ enz.
5. De voornaamw. _degene_, _diegene_, _hetwelk_, _dezulke_ en _dezelfde_.
6. De bijwoordelijke uitdrukkingen, bestaande uit twee bijwoorden, als _veeleer_, _zoozeer_, _zoolang_, _evengoed_ enz. (verschillende van _veel eer_ of _eerder_, _zoo zeer_, _zoo lang_, _even goed_); of uit een bijwoord en een voorzetsel, dat bijwoord geworden is, als _kortom_, _voluit_ enz.
7. De bijwoorden _hier_, _daar_ en _waar_, gevolgd door een voorzetsel, dat echter in deze verbinding als bijwoord moet opgevat worden. Zoo b. v. _hierdoor_, _daaruit_, _waaronder_ enz.
8. De bijwoordelijke uitdrukkingen, bestaande uit een voorzetsel gevolgd van een zelfst. of bijvoegl. nw., een bijwoord of een voornaamw., wanneer er wijziging van beteekenis plaats heeft; b. v. _achterwege_, _overeind_, _overlang_, _voorzeker_, _voorgoed_, _vanhier_, _vandaar_, _overal_, _ondereen_ enz., verschillende van _voor zeker_, _voor goed_, _van hier_, _van daar_.
9. De bijwoorden _terstond_, _terug_ en _ternauwernood_.
10. De voorzetsels _tegenover_, _rondom_, _niettegenstaande_ en _ingevolge_.
Andere uitdrukkingen, die de waarde van een voorzetsel hebben, als _uit hoofde_, _in geval_, _door toedoen_, _met betrekking_ enz., blijven gescheiden, omdat het tweede lid, dat altijd een zelfst. nw. is, steeds zelf eene bepaling vereischt; als _uit hoofde van_, _in geval van_, _met betrekking tot_ enz.
11. Alle uitdrukkingen met de waarde van een voegwoord, waarin de beteekenis van ieder deel niet duidelijk uitkomt; b. v. _alhoewel_, _zoodat_, _doordien_, _dientengevolge_ enz.
12. De tusschenwerpsels _helaas_ en _eilieve_.
Het gebruik van het koppelteeken. (Grondbeg. § 154-158).
49. Wanneer het werkelijk aaneen schrijven van de deelen eener samenstelling een woord zou opleveren van een te vreemd voorkomen, of dat wegens zijne lengte moeilijk zou te overzien zijn, dan worden de deelen door een koppelteeken vereenigd.
50. Het koppelteeken wordt derhalve gebezigd:
1. In woorden, waarin eigennamen of van eigennamen gevormde bijv. nw. voorkomen; als in _Cayenne-peper_, _Manilla-sigaren_, _Portorico-tabak_, _Zuidzee-traan_, _Schakel-lijm_ enz., _Berlijnsch-blauw_, _Friesch-groe_n enz., _Engelsch-Russisch_, _Indo-Germaansch_ enz. Niet echter, wanneer de eigennaam in de uitspraak onherkenbaar misvormd of wel geheel vergeten is, als in _portwijn_, _kwassiehout_, _spijkerbalsem_ enz.
2. In titels, bestaande:
a. Uit twee bastaardwoorden, als _adjunct-commies_, _minister-resident_, _luitenant-kolonel_ enz.
b. Uit een Nederl. woord en een bastaardwoord, die beide reeds op zich zelve titels zijn, of waarvan het achterste een bijv. nw. is; als _grootmeester-nationaal_, _kapitein-geweldiger_, _Staten-Generaal_, _raad-pensionaris_ enz.
3. In geographische namen, bestaande uit een eigennaam en een bijv. nw. of bijwoord; als _Groot-Britannië_, _Nieuw-Holland_, _Noord-Brabant_, _West-Friesland_, _Beneden-Egypte_ enz.
Bijvoegl. naamw. echter, van woorden als de hier bedoelde gevormd, worden (volgens § 48, I, 1, _b_) zonder koppelteeken aaneen geschreven; b. v. _Noordhollandsch_, _Oostfriesch_ enz.
4. In samenstellingen, waarin het eerste lid--hetzij een bijv. nw., hetzij een voornaamwoord, lidwoord of telwoord--alleen betrekking heeft op het eerste gedeelte der volgende samenstelling, en niet op dit woord in zijn geheel; als _bolvormige-driehoeksmeting_, _dolle-hondsbeet_, _klein-kinderschooltje_, _oude-mannenhuis_, _ijzeren-spoorweg_, _Sint-Jansdag_, _St.-Catharinagasthuis_, _Lieve-Vrouwenkerk_, _Mijns-Heerenland_, _'s-Gravenhage_, _'s-Hertogenbosch_, _de Vier-Heerenlanden_ enz.
De verbindingsklanken tusschen de leden der samenstellingen. (Grondbeg. § 161-213).
51. In de meeste samenstellingen blijft het eerste lid onverminkt; maar niet zelden neemt het een toevoegsel aan, hetwelk _verbindingsklank_ of _verbindingsletter_ genoemd wordt.
52. Verminkingen hebben plaats:
_a._ Bij de woorden op eene toonlooze _e_, welke die _e_ ook buiten de samenstelling kunnen missen; b. v. in _aardbewoner_, _eindbesluit_ enz.
_b._ Bij de woorden, die in het mv. op -_eren_ of -_ers_ uitgaan. Deze werpen in de samenstelling -_en_ of -_s_ af, als: _kalvermarkt_, _raderwerk_ enz., niet _kalversmarkt_, _raderenwerk_.
_c._ Bij werkwoorden, wier eerste lid eene zoogenaamde onbepaalde wijs is. Deze werpen de _n_ weg, b. v. in _spelevaren_, voor _spelen varen_.
_d._ Bij de stammen op _d_, voorafgegaan door een helderen klinker of tweeklank, waarin eene _i_ of _u_ voorkomt, t. w. _ij_, _ei_, _ui_, _ie_ en _ou_. Deze werpen, althans in dagelijksche woorden, de d af, als in _rijkunst_, _leiboom_, _luiklok_, _verspiejacht_, _houpaardje_, van _rijd_(_en_), _leid_(_en_), _luid_(_en_), _verspied_(_en_) en _houd_(_en_).
53. De _verbindingsklanken_ zijn -_e_-, -_n_-, -_el_-, -_en_-, -_er_- en -_s_-. In de meeste gevallen leert de uitspraak, wanneer in een woord verbindingsklanken voorkomen, en welke het zijn. Slechts in twee gevallen kan er onzekerheid bestaan, namelijk ten aanzien eener _n_ achter eene toonlooze _e_, b. v. in _paardemarkt_ of _paardenmarkt_; en ten aanzien eener _s_, wanneer het tweede lid met _s_ of _z_ begint, b. v. in _dorpschool_ of _dorpsschool_, _varkenziekte_ of _varkensziekte_. De spelling heeft regels te geven voor het gebruik der verbindings-_n_ en der verbindings-_s_, vermits de _n_ achter de toonlooze _e_ veelal zeer onduidelijk uitgesproken of wel geheel onderdrukt wordt, en eene _s_ in eene volgende _s_ of _z_ wegsmelt.
Regels voor het gebruik der verbindings-_n_.
54. Wanneer het tweede lid eener samenstelling met een klinker of eene _h_ aanvangt, voegt men ter vermijding van de gaping (_hiatus_) eene _n_ achter de toonlooze _e_; b. v. in _galgenaas_, _ganzenei_, _brillenhuisje_, _vossenhol_ enz.
Uitgezonderd zijn de samenstellingen met het onverbuigbare _mede_, en met die zelfst. nw., welke, gelijk bede, bode, vrede, op eene toonlooze _e_ eindigen, die niet onderdrukt kan worden; b. v. _medearbeider_, _bedehuis_, _bodeambt_, _vredehandel_ enz. Hiertoe behoort ook _minnehandel_, van het oude _minne_, dat thans _min_ luidt, maar in samenstellingen den ouden vorm behoudt, als _minnebrief_, _minnedicht_ enz.
55. In woorden als _'s-Gravendeel_, _'s-Gravenhage_, _'s-Gravenland_, _'s-Heerenberg_, _'s-Hertogenbosch_, _Mijns-Heerenland_, _Prinsenhage_, behoort eene _n_ als teeken van den 2den nv.
56. Wanneer het eerste lid _noodwendig_ de voorstelling van een meervoud medebrengt, dan wordt achter eene toonlooze _e_ eene _n_ gevoegd als teeken van het meervoud; b. v. in _boekenkast_, _brievenbesteller_, _brillenslijper_, _dievenbende_, _hoedenmaker_, _kaarsenmakerij_, _stoelendraaier_ enz.
57. Wanneer het eerste lid _noodwendig_ een enkelvoud voorstelt, schrijft men het woord zonder _n_, behalve in die gevallen, waarin deze letter, volgens § 54, ter vermijding van den hiatus gevorderd wordt. Zoo b. v. _brilleglas_, _bruggegeld_, _eendevleugel_, _galgebrok_, _mollevel_, _paardevijg_, _speldeknop_ enz.
Tot deze soort van woorden behooren mede de samenstellingen op -_boom_, wier eerste lid ook op zich zelf als de benaming van den boom gebezigd wordt: b. v. _berkeboom_, _beukeboom_, _eikeboom_ enz.
In _galgenaas_, _eendenei_, _duivenoog_, _brillenhuisje_, _bruggenhoofd_ enz., kan de _n_, wegens de volgende klinkers of _h's_ niet gemist worden, ofschoon het eerste lid enkelvoudig is. Evenmin dus ook in _berkenhout_, _eikenhout_ enz.
58. In woorden, het dagelijksch leven betreffende, wordt geene _n_ ingevoegd, wanneer de beteekenis de gedachte aan een enkelvoud maar eenigszins toelaat; dus niet in _flesschebakje_, _hondeketting_, _pennemes_, _pijpedop_, _hoededoos_ enz.--Wanneer echter het enkelvoud geheel tegen de natuurlijke opvatting aandruischt, is ook in zulke woorden de meervoudsvorm met _n_ onvermijdelijk, b. v. in _flesschenrek_, _hondenkoopman_, _pennenkoker_, _speldenkussen_, _speldenwerk_, _takkenbos_ enz.
59. Woorden, wier eerste lid een persoonsnaam is, die zekeren stand in de maatschappij uitdrukt, en het mv. uitsluitend met -_en_ vormt, als _boer_ (_boeren_), _heer_, _slaaf_, _vrouw_ enz., eischen den meervoudsvorm op _n_; b. v. _boerendochter_, _heerenknecht_, _slavendienst_, _vorstentelg_, _vrouwenkleed_ enz.
60. Woorden, wier eerste lid een manlijke diernaam is, die geene samenstellingen met _s_ vormt, nemen eene _n_ als teeken van het meerv. aan, wanneer zij _gewoonlijk_ gebezigd worden in eene beteekenis, waarbij men aan het geheele geslacht denkt; b. v. _apengezicht_, _berenjong_, _drakenbloed_, _hazenlip_, _leeuwenwelp_ enz.
61. De samengestelde namen van planten, wier eerste lid een diernaam is, zijn in twee soorten te onderscheiden. Zij zijn óf namen van lichaamsdeelen, als _ganzetong_; óf zij geven te kennen, dat de plant tot de diersoort in eenige betrekking staat, als slangenwortel. In het eerste geval staat de diernaam in het enkelvoud, b. v. in _kattestaart_, _slangekop_; in het laatste in het meervoud, b. v. in _kattendoorn_, _slangenkruid_.
62. De samengestelde namen op -_boom_, wier eerste lid de vrucht aanduidt die de boom oplevert, of de bloem die hij voortbrengt, hebben het eerste lid in den enkelvoudsvorm; b. v. _kerseboom_, _kastanjeboom_, _rozeboom_, _seringeboom_ enz.
63. De woorden, wier eerste lid _stellig_ nu eens op een enkel- dan op een meervoud ziet, hebben twee vormen, den eenen zonder, den anderen met de _n_, naar gelang der omstandigheden; b. v. _ossevleesch_ en _ossenvleesch_, _gemzeleder_ en _gemzenleder_, _paardestal_ en _paardenstal_. In twijfelachtige gevallen kiest men dien vorm, die het meest te pas komt; b. v. _ossevleesch_, maar _paardenstal_.
64. Wanneer eene samenstelling in haar geheel een zelfst. nw. is, dat uit een bijvoeglijk woord en een zelfst. nw. bestaat, als _hoogepriester_, _zoutevisch_, _roodekool_, _eenhoorn_, dan wordt het bijvoegl. woord gedacht in den 1sten nv. te staan en blijft den vorm van dien nv. onveranderlijk behouden. Zoo zegt men b. v. niet alleen _de hoogepriester_, _de eenhoorn_, maar ook _des hoogepriesters_, _den eenhoorn_ enz.
65. Wanneer het laatste lid eener samenstelling een zelfst. nw., maar het geheele woord een bij- of voegwoord is, dan staat de geheele uitdrukking in den 2den of in den 4den nv., en heeft het eerste lid den vorm, dien geslacht en naamval vereischen. Zoo b. v. _grootendeels_ (2de nv. onz.), _dewijl_ (4de nv. vrouwel.).
Regels voor het gebruik der verbindings-_s_.
66. De verbindings-_s_ wordt als teeken van den 2den nv. niet alleen gevoegd achter manl. en onz. woorden, b. v. in _bakkersnering_, _dorpsherberg_, maar ook achter vrouwelijke, als in _stadsbestuur_, _zielsverdriet_, _vriendschapsbetoon_. In woorden, wier tweede lid met _s_ of _z_ begint, wordt zij ingelascht, wanneer ook de overige samenstellingen, waarin het eerste lid voorkomt, ontwijfelbaar eene _s_ hebben. Zoo leeren b. v. _krijgsmansdeugd_, _krijgsmanseed_, _krijgsmanseer_, _dorpsherberg_, _dorpshuis_, _dorpsleeraar_, _stadsmuur_, _stadswal_, _waarheidsliefde_ enz., dat men ook eene _s_ heeft te voegen in _krijgsmansstand_, _dorpsschool_, _stadszegel_, _waarheidszucht_ enz.
67. De woorden, wier eerste lid op -_ier_ eindigt en de beteekenis van een meerv. heeft, of een geheelen stand vertegenwoordigt, lasschen de _s_ in als teeken van het meervoud; b. v. _officierssabel_, _onderofficiersstrepen_ enz.
De bastaardwoorden.
(_Grondbeg._ § 214-256).