Woordenlijst Voor De Spelling Der Nederlandsche Taal Met Aanwij
Chapter 43
Openbreken, brak open, braken open, heeft en is opengebroken.
Opendoen, doet open, deed open, deden open, heeft opengedaan.
Openen, opende, heeft geopend.
Opengaan, ging open, is opengegaan.
Openhartig, -hartiger, -hartigst.
Openhartigheid, V.
Openheid, V.
Openhouden, hield open, heeft opengehouden.
Opening, V., openingen. Openingetje, O., -jes.
Openingsrede, V., -redenen.
Openkrabbelen, krabbelde open, heeft opengekrabbeld.
Openkrabben, krabde open, heeft opengekrabd.
Openkrijgen, kreeg open, kregen open, heeft opengekregen.
Openlaten, liet open, heeft opengelaten.
Openleggen, legde open en leide open, heeft opengelegd en opengeleid.
Openliggen, lag open, lagen open, heeft opengelegen.
Openlijk.
Openmaken, maakte open, heeft opengemaakt.
Openprikken, prikte open, heeft opengeprikt.
Openrijten, reet open, reten open, heeft opengereten.
Openrukken, rukte open, heeft opengerukt.
Openscheuren, scheurde open, heeft opengescheurd.
Openschuiven, schoof open, schoven open, heeft opengeschoven.
Openslaan, slaat open, sloeg open, heeft en is opengeslagen.
Opensluiten, sloot open, sloten open, heeft opengesloten.
Opensnijden, sneed open, sneden open, heeft opengesneden.
Openspalken, spalkte open, heeft opengespalkt.
Openspringen, sprong open, is opengesprongen.
Openstaan, staat open, stond open, heeft opengestaan.
Openstaand.
Openstellen, stelde open, heeft opengesteld.
Openstooten, stiet open, heeft opengestooten; ook stootte open.
Openteren, enterde op, is opgeënterd.
Op-en-top.
Opentrappen, trapte open, heeft opengetrapt.
Opentrekken, trok open, trokken open, heeft opengetrokken.
Openvallen, viel open, is opengevallen.
Openvliegen, vloog open, vlogen open, is opengevlogen.
Openzeilen, zeilde open, heeft opengezeild.
Opera, V., opera's. Operaatje, O., -jes.
Operateur, M., operateuren en operateurs.
Operatie, V., operatiën en operaties.
Operatiekamer, V., -kamers.
Operatielijn, V., -lijnen.
Operazanger, M., -zangers.
Opereeren, opereerde, heeft geopereerd.
Operette, V., operettes.
Operment, O.
Opeten, at op, aten op, heeft opgegeten.
Opfladderen, fladderde op, is opgefladderd.
Opflakkeren, flakkerde op, is opgeflakkerd.
Opfleuren, fleurde op, is en heeft opgefleurd.
Opfleuring, V.
Opflikken, flikte op, heeft opgeflikt.
Opflikkeren, flikkerde op, is opgeflikkerd.
Opflikkering, V., -flikkeringen.
Opfluiten, floot op, floten op, heeft opgefloten.
Opfoeliën, foeliede op, heeft opgefoelied.
Opfokken, fokte op, heeft opgefokt.
Opfokker, M., -fokkers.
Opfokking, V.
Opfrisschen, frischte op, heeft en is opgefrischt.
Opfrissching, V.
Opgaaf en Opgave V., -gaven. Opgaafje, O., -jes.
Opgaan, gaat op, ging op, is opgegaan.
Opgaand.
Opgalmen, galmde op, heeft opgegalmd.
Opgang, M., -gangen.
Opgaren, gaarde op, heeft opgegaard.
Opgave. Zie Opgaaf.
Opgeblazen, -geblazener, -geblazenst.
Opgeblazenheid, V.
Opgebruiken, gebruikte op, heeft opgebruikt.
Opgeien, geide op, heeft opgegeid.
Opgeld, O., -gelden.
Opgeruimd, -geruimder, -geruimdst.
Opgeruimdheid, V.
Opgeschikt, -geschikter, -geschiktst.
Opgeschiktheid, V.
Opgeschoten.
Opgesmukt, -gesmukter, -gesmuktst.
Opgesmuktheid, V.
Opgetogen, -getogener, -getogenst.
Opgetogenheid, V.
Opgeven, gaf op, gaven op, heeft opgegeven.
Opgever, M., -gevers.
Opgeving, V.
Opgewekt, -gewekter, -gewektst.
Opgewektheid, V.
Opgewonden, -gewondener, -gewondenst.
Opgewondenheid, V.
Opgezet.
Opgezetene, M. en V., -gezetenen.
Opgezwollen, -gezwollener, -gezwollenst.
Opgezwollenheid, V.
Opgieten, goot op, goten op, heeft opgegoten.
Opgisten, gistte op, is opgegist.
Opglanzen, glansde op, heeft opgeglansd.
Opglimmen, glom op, glommen op, is opgeglommen.
Opglinsteren, glinsterde op, is opgeglinsterd.
Opglippen, glipte op, heeft opgeglipt.
Opgloeien, gloeide op, heeft en is opgegloeid.
Opgloeiing, V.
Opgloren, gloorde op, is opgegloord.
Opgooien, gooide op, heeft opgegooid.
Opgorden, gordde op, heeft opgegord.
Opgording, V.
Opgrabbelen, grabbelde op, heeft opgegrabbeld.
Opgraven, groef op, groeven op, heeft opgegraven.
Opgraver, M., -gravers.
Opgraving, V., -gravingen.
Opgrijpen, greep op, grepen op, heeft opgegrepen.
Opgroeien, groeide op, is opgegroeid.
Ophaal, M., -halen. Ophaaltje, O., -jes.
Ophaalbrug, V., -bruggen.
Ophaalnet, O., -netten.
Ophaken, haakte op, heeft opgehaakt.
Ophakken, hakte op, heeft opgehakt.
Ophakker, M., -hakkers. Ophakkertje, O., -jes.
Ophakkerig, -hakkeriger, -hakkerigst.
Ophakkerigheid, V.
Ophakkerij, V., -hakkerijen.
Ophalen, haalde op, heeft opgehaald.
Ophaler, M., -halers.
Ophaling, V., -halingen.
Ophanden.
Ophangen, hing op, heeft opgehangen.
Ophanging, V., -hangingen.
Ophappen, hapte op, heeft opgehapt.
Opharken, harkte op, heeft opgeharkt.
Ophaspelen, haspelde op, heeft opgehaspeld.
Ophebben, heeft op, had op, hadden op, heeft opgehad.
Ophef, M.
Opheffen, hief op, hieven op, heeft opgeheven.
Opheffing, V., -heffingen.
Ophekelen, hekelde op, heeft opgehekeld.
Ophelderen, helderde op, heeft en is opgehelderd.
Opheldering, V., -helderingen.
Ophelpen, hielp op, heeft opgeholpen.
Ophemelen, hemelde op, heeft opgehemeld.
Ophemeling, V., -hemelingen.
Ophicleïde, V., ophicleïdes.
Ophielen, hielde op, heeft opgehield.
Ophijschen, heesch op, heschen op, heeft opgeheschen.
Ophitsen, hitste op, heeft opgehitst.
Ophitser, M., -hitsers.
Ophitsing, V., -hitsingen.
Ophoepelen, hoepelde op, is opgehoepeld.
Ophoogen, hoogde op, heeft opgehoogd.
Ophooging, V., -hoogingen.
Ophoopen, hoopte op, heeft opgehoopt.
Ophooping, V., -hoopingen.
Ophooren, hoorde op, heeft opgehoord.
Ophouden, hield op, heeft opgehouden.
Ophouder, M., -houders.
Ophtalmoloog, M., -logen.
Ophuppelen, huppelde op, heeft en is opgehuppeld.
Opijken, ijkte op, heeft opgeijkt.
Opium, O.
Opiumkit, V., -kitten.
Opiumpacht, V.
Opiumregie, V.
Opiumschuiver, M., -schuivers.
Opjagen, jaagde op, heeft opgejaagd; ook joeg op.
Opkamer, V., -kamers. Opkamertje, O., -jes.
Opkammen, kamde op, heeft opgekamd.
Opkappen, kapte op, heeft opgekapt.
Opkatten, katte op, heeft opgekat.
Opkeeren, keerde op, heeft opgekeerd.
Opkeggen, kegde op, heeft opgekegd.
Opkijken, keek op, keken op, heeft opgekeken.
Opkikkeren, kikkerde op, heeft opgekikkerd.
Opkisten, kistte op, heeft opgekist.
Opkisting, V., -kistingen.
Opkladden, kladde op, heeft opgeklad.
Opklampen, klampte op, heeft opgeklampt.
Opklappen, klapte op, heeft opgeklapt.
Opklaren, klaarde op, heeft en is opgeklaard.
Opklaring, V.
Opklauteren, klauterde op, heeft en is opgeklauterd.
Opkleppen, klepte op, heeft opgeklept.
Opkleuren, kleurde op, heeft en is opgekleurd.
Opklimmen, klom op, klommen op, heeft en is opgeklommen.
Opklimming, V., -klimmingen.
Opklinken, klonk op, heeft opgeklonken.
Opklooven, kloofde op, heeft opgekloofd.
Opkloppen, klopte op, heeft opgeklopt.
Opklossen, kloste op, heeft opgeklost.
Opkluiven, kloof op, kloven op, heeft opgekloven.
Opknappen, knapte op, heeft en is opgeknapt.
Opknapping, V., -knappingen.
Opknijpen, kneep op, knepen op, is opgeknepen.
Opknoopen, knoopte op, heeft opgeknoopt.
Opknooping, V., -knoopingen.
Opkoelen, koelde op, heeft en is opgekoeld.
Opkoeling, V.
Opkoken, kookte op, heeft opgekookt.
Opkoking, V.
Opkomen, komt op, kwam op, kwamen op, is opgekomen.
Opkomer, M., -komers.
Opkomst, V.
Opkooien, kooide op, heeft opgekooid.
Opkooksel, O., -kooksels.
Opkoop, M.
Opkoopen, kocht op, heeft opgekocht.
Opkooper, M., -koopers.
Opkooping, V., -koopingen.
Opkoopster, V., -koopsters.
Opkorten, kortte op, heeft en is opgekort.
Opkrabbelen (openkrabbelen), krabbelde op, heeft opgekrabbeld.
Opkrabbelen (uit eene ziekte opkomen), krabbelde op, is opgekrabbeld.
Opkrabben, krabde op, heeft opgekrabd.
Opkramen, kraamde op, is opgekraamd.
Opkrassen, kraste op, heeft en is opgekrast.
Opkrauwen, krauwde op, heeft opgekrauwd.
Opkrijgen, kreeg op, kregen op, heeft opgekregen.
Opkrimpen, kromp op, is opgekrompen.
Opkrimping, V.
Opkroezen, kroesde op, heeft opgekroesd.
Opkroppen, kropte op, heeft opgekropt.
Opkropping, V.
Opkruien, krooi op, krooien op, heeft en is opgekrooien; ook kruide op, heeft en is opgekruid.
Opkruipen, kroop op, kropen op, is opgekropen.
Opkrullen, krulde op, heeft en is opgekruld.
Opkuipen, kuipte op, heeft opgekuipt.
Opkunnen, kan op, kunnen op, konde en kon op, konden op, heeft opgekund.
Opkweeken, kweekte op, heeft opgekweekt.
Opkweeking, V.
Opkwikken, kwikte op, heeft opgekwikt.
Oplaag en Oplage, V., -lagen.
Opladen, laadde op, heeft opgeladen.
Oplader, M., -laders.
Oplading, V., -ladingen.
Oplage. Zie Oplaag.
Oplangen, langde op, heeft opgelangd.
Oplanger, M., -langers.
Oplappen, lapte op, heeft opgelapt.
Oplapping, V., -lappingen.
Oplaten, liet op, heeft opgelaten.
Oplaveeren, laveerde op, is opgelaveerd.
Opleggen, legde op en leide op, heeft opgelegd en opgeleid.
Oplegging, V.
Oplegsel, O., -legsels. Oplegseltje, O., -jes.
Opleiden, leidde op, heeft opgeleid.
Opleider, M., -leiders.
Opleiding, V., -leidingen.
Opleidingsschip, O., -schepen.
Oplepelen, lepelde op, heeft opgelepeld.
Opletten, lette op, heeft opgelet.
Oplettend, -lettender, -lettendst.
Oplettendheid, V., -heden.
Opleven, leefde op, is opgeleefd.
Oplezen, las op, lazen op, heeft opgelezen.
Oplichten (helderder worden), lichtte op, is opgelicht.
Oplichten (opheffen, bedriegen, enz.), lichtte op, heeft opgelicht.
Oplichter, M., -lichters.
Oplichterij, V., -lichterijen.
Oplichting, V., -lichtingen.
Oplichtster, V., -lichtsters.
Oploeven, loefde op, is opgeloefd.
Oploop (opschudding), M. Oploopje, O., -jes.
Oploop (scheepsw.), M., -loopen.
Oploopen, liep op, is en heeft opgeloopen.
Oploopend, -loopender, -loopendst.
Oploopendheid, V.
Oplooping, V.
Oplosbaar, -bare.
Oplosbaarheid, V.
Oplossen, loste op, heeft opgelost.
Oplossing, V., -lossingen.
Opluchten, luchtte op, heeft opgelucht.
Opluiken, look op, loken op, is opgeloken.
Opluiking, V.
Opluisteren, luisterde op, heeft opgeluisterd.
Opluistering, V.
Opmaakster, V., -maaksters.
Opmaken, maakte op, heeft opgemaakt.
Opmaker, M., -makers.
Opmaking, V.
Opmalen, maalde op, heeft opgemalen.
Opmaling, V., -malingen.
Opmarcheeren, marcheerde op, is opgemarcheerd.
Opmerkelijk, -lijker, -lijkst.
Opmerken, merkte op, heeft opgemerkt.
Opmerkenswaardig, -waardiger, -waardigst, of meer en meest -waardig.
Opmerker, M., -merkers.
Opmerking, V., -merkingen.
Opmerkingsgave, V.
Opmerkzaam, -zamer, -zaamst.
Opmerkzaamheid, V.
Opmeten, mat op, maten op, heeft opgemeten.
Opmeting, V., -metingen.
Opmetselen, metselde op, heeft opgemetseld.
Opmetseling, V.
Opmonteren, monterde op, heeft opgemonterd.
Opmontering, V.
Opnaaien, naaide op, heeft opgenaaid.
Opnaaisel, O., -naaisels. Opnaaiseltje, O., -jes.
Opname, V.
Opnemen, nam op, namen op, heeft opgenomen.
Opnemer, M., -nemers.
Opneming, V., -nemingen.
Opnemingsvaartuig, O., -vaartuigen.
Opnieuw.
Opnoemen, noemde op, heeft opgenoemd.
Opnoeming, V., -noemingen.
Opodeldoc, V.
Opofferen, offerde op, heeft opgeofferd.
Opoffering, V., -offeringen.
Opontbieden, ontbood op, ontboden op, heeft opontboden.
Opontbieding, V., -ontbiedingen.
Opontbod, O.
Oponthoud, O.
Oppakken, pakte op, heeft opgepakt.
Oppalmen, palmde op, heeft opgepalmd.
Oppas, M.
Oppassen, paste op, heeft opgepast.
Oppassend, -passender, -passendst.
Oppassendheid, V.
Oppasser, M., -passers.
Oppasseres, V., -passeressen.
Oppassing, V.
Opper (hooistapel), M., oppers. Oppertje, O., -jes.
Opper en Opperd (schuilplaats, luwte), M., oppers en opperds. Oppertje en opperdje, O., -jes.
Opperbest.
Opperbestuur, O.
Opperbestuurder, M., -bestuurders.
Opperbevel, O.
Opperbevelhebber, M., -bevelhebbers.
Opperbewind, O.
Opperbrandmeester, M., -meesters.
Opperceremoniemeester, M., -meesters.
Opperen, opperde, heeft geopperd.
Oppergebied, O.
Oppergebieder, M., -gebieders.
Oppergezag, O.
Opperheer, M., -heeren.
Opperheerschappij, V.
Opperhoofd, O., -hoofden.
Opperhuid, V.
Oppering, V., opperingen.
Opperjager, M., -jagers.
Opperjagermeester, M., -meesters.
Opperkamerheer, M., -heeren.
Opperkleed, O., -kleederen.
Opperkoopman, M., -kooplieden.
Opperleenheer, M., -leenheeren.
Oppermacht, V.
Oppermachtig.
Oppermajesteit, V.
Opperman, M., -lieden en -lui.
Opperpriester, M., -priesters.
Opperpriesterschap, O.
Opperrabbijn, M., -rabbijnen.
Opperschenker, M., -schenkers.
Oppersen, perste op, heeft opgeperst.
Oppersing, V. -persingen.
Opperstalmeester, M., -stalmeesters.
Opperste.
Opperstuurman, M., -stuurlieden.
Oppertoezicht, O.
Oppervlak, O., -vlakken.
Oppervlakkig, -vlakkiger, -vlakkigst.
Oppervlakkigheid, V., -heden.
Oppervlakte, V., -vlakten.
Opperwal, M.
Opperwater, O.
Oppeuzelen, peuzelde op, heeft opgepeuzeld.
Oppikken, pikte op, heeft opgepikt.
Opplakken, plakte op, heeft opgeplakt.
Opploegen, ploegde op, heeft opgeploegd.
Opploeging, V.
Oppoetsen, poetste op, heeft opgepoetst.
Oppoffen, pofte op, heeft opgepoft.
Oppoken, pookte op, heeft opgepookt.
Oppompen, pompte op, heeft opgepompt.
Opponeeren, opponeerde, heeft geopponeerd.
Opponent, M., opponenten.
Opporren, porde op, heeft opgepord.
Opportuniteit, V.
Opposant, M., opposanten.
Oppositie, V., oppositiën en opposities.
Oppositieblad, O., -bladen.
Oppotten, potte op, heeft opgepot.
Opprikken, prikte op, heeft opgeprikt.
Oppronken, pronkte op, heeft opgepronkt.
Opproppen, propte op, heeft opgepropt.
Oppropping, V.
Oppuilen, puilde op, is opgepuild.
Oppuiling, V., -puilingen.
Opraapsel, O., -raapsels.
Oprakelen, rakelde op, heeft opgerakeld.
Oprakeling, V.
Opraken, raakte op, is opgeraakt.
Oprammeien, rammeide op, heeft opgerammeid.
Oprapen, raapte op, heeft opgeraapt.
Oprecht, -rechter, -rechtst.
Oprechtelijk.
Oprechtheid, V.
Opredderen, redderde op, heeft opgeredderd.
Opreddering, V.
Oprekenen, rekende op, heeft opgerekend.
Oprekening, V., -rekeningen.
Oprekken, rekte op, heeft opgerekt.
Oprichten, richtte op, heeft opgericht.
Oprichter, M., -richters.
Oprichtersaandeel, O., -aandeelen.
Oprichtersbewijs, O., -bewijzen.
Oprichting, V.
Oprichtingskosten (mv.), M.
Oprijden, reed op, reden op, heeft en is opgereden.
Oprijgen, reeg op, heeft opgeregen.
Oprijlaan, V., -lanen.
Oprijten, reet op, reten op, heeft en is opgereten.
Oprijzen, rees op, rezen op, is opgerezen.
Oprijzing, V.
Opril, V., oprillen.
Oprispen, rispte op, heeft opgerispt.
Oprisping, V., -rispingen.
Oprit, M., -ritten.
Opritsen, ritste op, heeft opgeritst.
Opritsing, V., -ritsingen.
Oprochelen, rochelde op, heeft opgerocheld.
Oproeien, roeide op, heeft en is opgeroeid.
Oproep, M.
Oproepen, riep op, heeft opgeroepen.
Oproeper, M., -roepers.
Oproeping, V., -roepingen.
Oproepingsbrief, M., -brieven.
Oproer, O., -roeren. Oproertje, O., -jes.
Oproeren, roerde op, heeft opgeroerd.
Oproerig, -roeriger, -roerigst.
Oproerigheid, V.
Oproerkraaier, M., -kraaiers.
Oproerkreet, M., -kreten.
Oproerling, M. en V., -lingen.
Oproermaker, M., -makers.
Oprokkenen, rokkende op, heeft opgerokkend.
Oprollen, rolde op, heeft opgerold.
Oprolling, V.
Opruien, ruide op, heeft opgeruid.
Opruier, M., -ruiers.
Opruiing, V., -ruiingen.
Opruimen, ruimde op, heeft opgeruimd.
Opruimer, M., -ruimers.
Opruiming, V., -ruimingen.
Oprukken, rukte op, heeft en is opgerukt.
Opscharrelen, scharrelde op, heeft opgescharreld.
Opschaven, schaafde op, heeft opgeschaafd.
Opschellen, schelde op, heeft opgescheld.
Opschenken, schonk op, heeft opgeschonken.
Opschepen, scheepte op, heeft opgescheept.
Opscheppen, schepte op, heeft opgeschept.
Opschepper, M., -scheppers.
Opscheren, schoor op, schoren op, heeft opgeschoren.
Opscherpen, scherpte op, heeft opgescherpt.
Opscherping, V., -scherpingen.
Opscheuren, scheurde op, heeft en is opgescheurd.
Opscheuring, V., -scheuringen.
Opschieten, schoot op, schoten op, heeft en is opgeschoten.
Opschik, M.
Opschikken, schikte op, heeft opgeschikt.
Opschikking, V.
Opschilderen, schilderde op, heeft opgeschilderd.
Opschildering, V., -schilderingen.
Opschoeien, schoeide op, heeft opgeschoeid.
Opschoeiing, V., -schoeiingen.
Opschommelen, schommelde op, heeft opgeschommeld.
Opschooien, schooide op, heeft opgeschooid.
Opschoppen, schopte op, heeft opgeschopt.
Opschorten, schortte op, heeft opgeschort.
Opschorting, V., -schortingen.
Opschotelen, schotelde op, heeft opgeschoteld.
Opschransen, schranste op, heeft opgeschranst.
Opschrift, O., -schriften. Opschriftje, O., -jes.
Opschrijfboek, O., -boeken; -boekje, O., -jes.
Opschrijven, schreef op, schreven op, heeft opgeschreven.
Opschrijver, M., -schrijvers.
Opschrijving, V.
Opschrikken, schrikte op, heeft en is opgeschrikt.
Opschroeven, schroefde op, heeft opgeschroefd.
Opschroeving, V., -schroevingen.
Opschrokken, schrokte op, heeft opgeschrokt.
Opschudden, schudde op, heeft opgeschud.
Opschudding, V., -schuddingen.
Opschuieren, schuierde op, heeft opgeschuierd.
Opschuimen, schuimde op, heeft opgeschuimd.
Opschuiven, schoof op, schoven op, heeft en is opgeschoven.
Opschuiving, V., -schuivingen.
Opschuren, schuurde op, heeft opgeschuurd.
Opschutten, schutte op, heeft opgeschut.
Opschutting, V.
Opseizen, seisde op, heeft opgeseisd.
Opsieren, sierde op, heeft opgesierd.
Opsiering, V., -sieringen.
Opsiersel, O., -siersels en -sierselen.
Opsjorren, sjorde op, heeft opgesjord.
Opsjorring, V.
Opslaan, slaat op, sloeg op, heeft en is opgeslagen.
Opslag, M., -slagen.
Opslechten, slechtte op, heeft opgeslecht.
Opsleepen, sleepte op, heeft opgesleept.
Opslenteren, slenterde op, is opgeslenterd.
Opsleuren, sleurde op, heeft opgesleurd.
Opslijpen, sleep op, slepen op, heeft opgeslepen.
Opslijping, V.
Opslikken, slikte op, heeft opgeslikt.
Opslobberen, slobberde op, heeft opgeslobberd.
Opslokken, slokte op, heeft opgeslokt.
Opslooten, slootte op, heeft opgesloot.
Opslorpen en Opslurpen, slorpte (slurpte) op, heeft opgeslorpt (opgeslurpt).
Opslorping en Opslurping, V., -slorpingen (-slurpingen).
Opsluiten, sloot op, sloten op, heeft opgesloten.
Opsluiting, V., -sluitingen.
Opsluitschijf, V., -schijven.
Opsluitwig, V., -wiggen.
Opslurpen. Zie Opslorpen.
Opsmeden, smeedde op, heeft opgesmeed.
Opsmukken, smukte op, heeft opgesmukt.
Opsmukking, V.
Opsmullen, smulde op, heeft opgesmuld.
Opsnappen, snapte op, heeft opgesnapt.
Opsnapper, M., -snappers.
Opsnijden, sneed op, sneden op, heeft opgesneden.
Opsnijder, M., -snijders.
Opsnijderij, V., -snijderijen.
Opsnijding, V., -snijdingen.
Opsnoepen, snoepte op, heeft opgesnoept.
Opsnorren, snorde op, heeft opgesnord.
Opsnuiven, snoof op, snoven op, heeft opgesnoven.
Opsnuiving, V.
Opsommen, somde op, heeft opgesomd.
Opsomming, V., -sommingen.
Opspalken, spalkte op, heeft opgespalkt.
Opspalking, V.
Opspannen, spande op, heeft en is opgespannen.
Opspanning, V., -spanningen.
Opsparen, spaarde op, heeft opgespaard.
Opspelden, speldde op, heeft opgespeld.
Opspelen, speelde op, heeft opgespeeld.
Opsperren, sperde op, heeft opgesperd.
Opsperring, V.
Opspitten, spitte op, heeft opgespit.
Opsplijten, spleet op, spleten op, heeft en is opgespleten.
Opsplijting, V.
Opspoelen, spoelde op, heeft opgespoeld.
Opsporen, spoorde op, heeft opgespoord.
Opsporing, V., -sporingen.
Opspouwen, spouwde op, heeft opgespouwen.
Opspraak, V.
Opspringen, sprong op, is opgesprongen.
Opspruiten, sproot op, sproten op, is opgesproten.
Opspugen, spoog op, spogen op, heeft opgespogen.
Opspuiten, spoot op, spoten op, heeft en is opgespoten.
Opstaan, staat op, stond op, is opgestaan.
Opstal, M., -stallen.
Opstallen, stalde op, heeft opgestald.
Opstalling, V.
Opstand, M., -standen.
Opstandeling, M. en V., -standelingen. V. ook opstandelinge.
Opstanding, V.
Opstandingsverhaal, O.
Opstapelen, stapelde op, heeft opgestapeld.
Opstapeling, V., -stapelingen.
Opstappen, stapte op, is opgestapt.
Opsteken, stak op, staken op, heeft en is opgestoken.
Opsteker, M., -stekers.
Opsteking, V.
Opstel, O., -stellen. Opstelletje, O., -jes.
Opstellen, stelde op, heeft opgesteld.
Opsteller, M., -stellers.
Opstelling, V., -stellingen.
Opstijgen, steeg op, stegen op, is opgestegen.
Opstijging, V., -stijgingen.
Opstijven, steef op, steven op, heeft en is opgesteven.
Opstoken, stookte op, heeft opgestookt.
Opstoker, M., -stokers.
Opstokerij, V., -stokerijen.
Opstoking, V., -stokingen.
Opstookster, V., -stooksters.
Opstooten, stiet op, heeft opgestooten; ook stootte op.
Opstooter, M., -stooters.
Opstooting, V.
Opstootje, O., -jes.
Opstoppen, stopte op, heeft opgestopt.
Opstopper, M., -stoppers.
Opstopping, V., -stoppingen.
Opstoven, stoofde op, heeft opgestoofd.
Opstrijden, streed op, streden op, heeft opgestreden.
Opstrijken, streek op, streken op, heeft opgestreken.
Opstrompelen, strompelde op, is opgestrompeld.
Opstroopen, stroopte op, heeft opgestroopt.
Opstuiten, stuitte op, heeft opgestuit.
Opstuiter, M., -stuiters.
Opstuiven, stoof op, stoven op, is opgestoven.
Opsturen, stuurde op, heeft opgestuurd.
Opstutten, stutte op, heeft opgestut.
Opstuwen, stuwde op, heeft opgestuwd.
Opstuwer, M., -stuwers.
Opstuwing, V.
Optakelen, takelde op, heeft opgetakeld.
Optakeling, V., -takelingen.
Optarnen, tarnde op, heeft en is opgetarnd.
Optassen, taste op, heeft opgetast.
Optatief, M., optatieven.
Opteekenaar, M., -teekenaars.
Opteekenen, teekende op, heeft opgeteekend.
Opteekening, V., -teekeningen.
Opteeren, opteerde, heeft geopteerd.
Optellen, telde op, heeft opgeteld.
Opteller, M., -tellers.
Optelling, V., -tellingen.
Optelsom, V., -sommen.
Opteren (opmaken), teerde op, heeft opgeteerd.
Opteren (met teer besmeren), teerde op, heeft opgeteerd.
Optica, V.
Opticien, M., opticiens.
Optie, V.
Optiejaar, O., -jaren.
Optillen, tilde op, heeft opgetild.
Optimisme, O.
Optimist, M., optimisten.
Optimmeren, timmerde op, heeft opgetimmerd.
Optimmering, V., -timmeringen.
Optisch.
Optocht, M., -tochten.
Optoetsen, toetste op, heeft opgetoetst.
Optooien, tooide op, heeft opgetooid.
Optooiing, V., -tooiingen.
Optooisel, O., -tooisels en -tooiselen.
Optoomen, toomde op, heeft opgetoomd.
Optooming, V., -toomingen.
Optoppen, topte op, heeft opgetopt.
Optornen, tornde op, heeft en is opgetornd.
Optreden, trad op, traden op, is opgetreden.
Optreding, V., -tredingen.
Optrek, M., -trekken. Optrekje, O., -jes.
Optrekken, trok op, trokken op, heeft en is opgetrokken.
Optrekker, M., -trekkers.
Optrekking, V., -trekkingen.
Optroeven, troefde op, heeft opgetroefd.
Optuigen, tuigde op, heeft opgetuigd.
Optuiger, M., -tuigers.
Optuiging, V., -tuigingen.
Opulent, opulenter, opulentst.
Opulentie, V.
Opvangen, ving op, heeft opgevangen.
Opvaren, voer op, is opgevaren.
Opvarende, M. en V., -varenden.
Opvatten, vatte op, heeft opgevat.
Opvatting, V., -vattingen.
Opvegen, veegde op, heeft opgeveegd.
Opveilen, veilde op, heeft opgeveild.
Opveiling, V.
Opverven, verfde op, heeft opgeverfd.
Opverving, V., -vervingen.
Opvijlen, vijlde op, heeft opgevijld.
Opvijling, V.
Opvijzelaar, M., -vijzelaars.
Opvijzelen, vijzelde op, heeft opgevijzeld.
Opvijzeling, V., -vijzelingen.
Opvisschen, vischte op, heeft opgevischt.
Opvlechten, vlocht op, heeft opgevlochten.
Opvliegen, vloog op, vlogen op, is opgevlogen.
Opvliegend, -vliegender, -vliegendst.
Opvliegendheid, V.
Opvlieging, V.
Opvoeden, voedde op, heeft opgevoed.
Opvoeder, M., -voeders.
Opvoeding, V., -voedingen.
Opvoedingsgesticht, O., -gestichten.
Opvoedingskunst, V.
Opvoedkunde, V.
Opvoedkundig.
Opvoedkundige, M. en V., -kundigen.
Opvoedster, V., -voedsters.
Opvoeren, voerde op, heeft opgevoerd.
Opvoering, V., -voeringen.
Opvolgen, volgde op, heeft en is opgevolgd.
Opvolger, M., -volgers.
Opvolging, V., -volgingen.
Opvolgster, V., -volgsters.
Opvouwen, vouwde op, heeft opgevouwen.