Woordenlijst Voor De Spelling Der Nederlandsche Taal Met Aanwij
Chapter 42
Ontstrikken, ontstrikte, heeft ontstrikt.
Ontstroomen, ontstroomde, is ontstroomd.
Onttakelen, onttakelde, heeft en is onttakeld.
Onttakeling, V., onttakelingen.
Onttogen (deelw.).
Onttooveren, onttooverde, heeft onttooverd.
Onttrekken, onttrok, onttrokken, heeft onttrokken.
Onttroggelen, onttroggelde, heeft onttroggeld.
Onttronen (van den troon stooten), onttroonde, heeft onttroond.
Onttroning, V., onttroningen.
Onttroonen (aftroonen), onttroonde, heeft onttroond.
Onttuien, onttuide, heeft onttuid.
Onttuigen, onttuigde, heeft onttuigd.
Ontucht, V.
Ontuchtelijk.
Ontuchtig, ontuchtiger, ontuchtigst.
Ontuchtigheid, V.
Ontuig, O.
Ontvallen, ontviel, is ontvallen.
Ontvang, M.
Ontvangbak, M., -bakken.
Ontvangbewijs, O., -bewijzen.
Ontvangdag, M., -dagen.
Ontvangen, ontving, heeft ontvangen.
Ontvangenis, V.
Ontvanger, M., ontvangers.
Ontvangerskantoor, O., -kantoren.
Ontvangerspost, M., -posten.
Ontvanging, V.
Ontvangkamer, V., -kamers.
Ontvangst, V., ontvangsten.
Ontvangstbewijs, O., -bewijzen.
Ontvankelijk, -lijker, -lijkst.
Ontvankelijkheid, V.
Ontvaren, ontvoer, is ontvaren.
Ontvechten, ontvocht, heeft ontvochten.
Ontveinzen, ontveinsde, heeft ontveinsd.
Ontveinzing, V.
Ontvellen, ontvelde, is ontveld.
Ontvelling, V., ontvellingen.
Ontvetten, ontvette, heeft ontvet.
Ontvlambaar, -baarder, -baarst.
Ontvlambaarheid, V.
Ontvlammen, ontvlamde, heeft en is ontvlamd.
Ontvlamming, V.
Ontvlechten, ontvlocht, heeft ontvlochten.
Ontvleezen, ontvleesde, heeft ontvleesd.
Ontvleien, ontvleide, heeft ontvleid.
Ontvlieden, ontvlood, ontvloden, is ontvloden.
Ontvlieding, V.
Ontvliegen, ontvloog, ontvlogen, is ontvlogen.
Ontvloeien, ontvloeide, is ontvloeid.
Ontvluchten, ontvluchtte, is ontvlucht.
Ontvluchting, V., ontvluchtingen.
Ontvoerder, M., ontvoerders.
Ontvoeren, ontvoerde, heeft ontvoerd.
Ontvoering, V., ontvoeringen.
Ontvolken, ontvolkte, heeft ontvolkt.
Ontvolking, V.
Ontvonken, ontvonkte, heeft en is ontvonkt.
Ontvonking, V.
Ontvoogden, ontvoogdde, heeft ontvoogd.
Ontvoogding, V.
Ontvouwen, ontvouwde, heeft ontvouwd en ontvouwen.
Ontvouwing, V.
Ontvreemden, ontvreemdde, heeft ontvreemd.
Ontvreemding, V., ontvreemdingen.
Ontvrijen, ontvrijde, heeft ontvrijd.
Ontwaken, ontwaakte, is ontwaakt.
Ontwaking, V.
Ontwapenen, ontwapende, heeft ontwapend.
Ontwapening, V.
Ontwaren, ontwaarde, heeft ontwaard.
Ontwarren, ontwarde, heeft ontward.
Ontwarring, V.
Ontwassen, ontwies, ontwiesen, is ontwassen.
Ontwateren, ontwaterde, heeft ontwaterd.
Ontweien, ontweide, heeft ontweid.
Ontweiing, V.
Ontweldigen, ontweldigde, heeft ontweldigd.
Ontweldiger, M., ontweldigers.
Ontweldiging, V.
Ontwennen, ontwende, heeft en is ontwend.
Ontwenning, V.
Ontwerp, O., ontwerpen. Ontwerpje, O., -jes.
Ontwerpen, ontwierp, heeft ontworpen.
Ontwerper, M., ontwerpers.
Ontwerp-tractaat, O., -tractaten.
Ontwijden, ontwijdde, heeft ontwijd.
Ontwijder, M., ontwijders.
Ontwijding, V.
Ontwijfelbaar, -baarder, -baarst.
Ontwijk, O.
Ontwijken, ontweek, ontweken, heeft en is ontweken.
Ontwijking, V.
Ontwikkelaar, M., -laars.
Ontwikkelbaar, -bare.
Ontwikkelen, ontwikkelde, heeft ontwikkeld.
Ontwikkeling, V., ontwikkelingen.
Ontwikkelingsgang, M.
Ontwikkelingsgeschiedenis, V.
Ontwikkelingsleer, V.
Ontwikkelingstijdperk, O., -perken.
Ontwinden, ontwond, heeft ontwonden.
Ontwoekeren, ontwoekerde, heeft ontwoekerd.
Ontwolken, ontwolkte, heeft ontwolkt.
Ontworstelen, ontworstelde, is ontworsteld.
Ontwortelen, ontwortelde, heeft ontworteld.
Ontwrichten, ontwrichtte, heeft ontwricht.
Ontwringen, ontwrong, heeft ontwrongen.
Ontzadelen, ontzadelde, heeft ontzadeld.
Ontzag, O.
Ontzaglijk, -lijker, -lijkst.
Ontzaglijkheid, V.
Ontzagverwekkend.
Ontzagwekkend, -wekkender, -wekkendst.
Ontzakken, ontzakte, is ontzakt.
Ontzegelen, ontzegelde, heeft ontzegeld.
Ontzegeling, V., ontzegelingen.
Ontzeggen, ontzeide, heeft ontzegd en ontzeid.
Ontzegging, V.
Ontzeilen, ontzeilde, is ontzeild.
Ontzenuwen, ontzenuwde, heeft ontzenuwd.
Ontzenuwing, V.
Ontzet, O.
Ontzetbaar, -bare.
Ontzetten, ontzette, heeft en is ontzet.
Ontzettend, ontzettender, ontzettendst.
Ontzetter, M., ontzetters.
Ontzetting, V., ontzettingen.
Ontzielen, ontzielde, heeft ontzield.
Ontzien, ontzag, ontzagen, heeft ontzien.
Ontzijgen, ontzeeg, ontzegen, is ontzegen.
Ontzind.
Ontzinken, ontzonk, is ontzonken.
Ontzinking, V.
Ontzondigen, ontzondigde, heeft ontzondigd.
Ontzondiging, V.
Ontzuigen, ontzoog, ontzogen, heeft ontzogen.
Ontzuiveren, ontzuiverde, heeft ontzuiverd.
Ontzuivering, V.
Ontzwachtelen, ontzwachtelde, heeft ontzwachteld.
Ontzwavelen, ontzwavelde, heeft ontzwaveld.
Ontzwaveling, V.
Ontzwemmen, ontzwom, ontzwommen, is ontzwommen.
Ontzweven, ontzweefde, is ontzweefd.
Onuitbaar, -bare.
Onuitbluschbaar, -bare.
Onuitdelgbaar, -bare.
Onuitdoofbaar, -bare.
Onuitdrukbaar, -bare.
Onuitgedrukt.
Onuitgegeven.
Onuitgelezen.
Onuitgeloot, -gelote.
Onuitgemaakt.
Onuitgesproken.
Onuitgevoerd.
Onuitgevorscht.
Onuitgewerkt.
Onuitgezocht.
Onuitputtelijk, -lijker, -lijkst.
Onuitputtelijkheid, V.
Onuitroeibaar, -bare.
Onuitspreekbaar, -bare.
Onuitsprekelijk, -lijker, -lijkst.
Onuitsprekelijkheid, V.
Onuitstaanbaar, -bare.
Onuitstaanbaarheid, V.
Onuitvoerbaar, -bare.
Onuitvoerbaarheid, V.
Onuitwischbaar, V.
Onvaderlandsch.
Onvaderlijk.
Onvast, onvaster.
Onvastheid, V.
Onvatbaar, -baarder, -baarst.
Onvatbaarheid, V.
Onveilig, onveiliger, onveiligst.
Onveiligheid, V.
Onver.
Onveranderbaar, -bare.
Onveranderd.
Onveranderlijk, -lijker, -lijkst.
Onveranderlijkheid, V.
Onverantwoord.
Onverantwoordelijk, -lijker, -lijkst.
Onverantwoordelijkheid, V.
Onverbasterd.
Onverbergbaar, -bare.
Onverbeterbaar, -baarder, -baarst.
Onverbeterbaarheid, V.
Onverbeterd.
Onverbeterlijk, -lijker, -lijkst.
Onverbeterlijkheid, V.
Onverbiddelijk, -lijker, -lijkst.
Onverbiddelijkheid, V.
Onverbleekt.
Onverblind.
Onverbloemd.
Onverbogen.
Onverbolgen.
Onverbonden.
Onverborgen.
Onverbrand.
Onverbrandbaar, -bare.
Onverbreekbaar, -bare.
Onverbreekbaarheid, V.
Onverbrekelijk, -lijker, -lijkst.
Onverbrekelijkheid, V.
Onverbroken.
Onverbuigbaar, -bare.
Onverbuigbaarheid, V.
Onverdacht.
Onverdedigbaar, -bare.
Onverdedigbaarheid, V.
Onverdedigd.
Onverdeeld.
Onverdelgbaar, -bare.
Onverderfelijk, -lijker, -lijkst.
Onverderfelijkheid, V.
Onverdicht.
Onverdichtbaar, -bare.
Onverdiend.
Onverdienstelijk.
Onverdoofbaar, -bare.
Onverdord.
Onverdorven.
Onverdorvenheid, V.
Onverdraaglijk, -lijker, -lijkst.
Onverdraaglijkheid, V.
Onverdraagzaam, -zamer, -zaamst.
Onverdraagzaamheid, V.
Onverdroten.
Onvereenigbaar, -bare.
Onvereenigbaarheid, V.
Onverflauwd.
Onvergankelijk, -lijker, -lijkst.
Onvergankelijkheid, V.
Onvergeeflijk en Onvergefelijk, -lijker, -lijkst.
Onvergeeflijkheid, V.
Onvergeetbaar, -bare.
Onvergelijkbaar, -bare.
Onvergelijkelijk, -lijker, -lijkst.
Onvergenoegd, onvergenoegder, onvergenoegdst.
Onvergenoegdheid, V.
Onvergetelijk, -lijker, -lijkst.
Onvergezeld.
Onverglaasd.
Onverhaalbaar, -bare.
Onverhelpelijk, -lijker, -lijkst.
Onverhinderd.
Onverhoeds (bijw.).
Onverhoedsch (bnw.).
Onverholen.
Onverhoopt.
Onverhoord.
Onverhuurbaar, -bare.
Onverhuurd.
Onverjaard.
Onverkiesbaar, -bare.
Onverkiesbaarheid, V.
Onverkieslijk en Onverkieselijk, -lijker, -lijkst.
Onverklaarbaar, -baarder, -baarst.
Onverklaarbaarheid, V.
Onverkleinbaar, -bare.
Onverkocht.
Onverkoopbaar, -bare.
Onverkort.
Onverkrijgbaar, -bare.
Onverkwikkelijk, -lijker, -lijkst.
Onverlaat, M., onverlaten.
Onverlept.
Onverlet.
Onverlicht.
Onverlost.
Onvermaard, onvermaarder, onvermaardst.
Onvermakelijk, -lijker, -lijkst.
Onvermakelijkheid, V.
Onvermeld.
Onvermengbaar, -bare.
Onvermengd.
Onvermijdbaar, -bare.
Onvermijdbaarheid, V.
Onvermijdelijk, -lijker, -lijkst.
Onvermijdelijkheid, V.
Onverminderd.
Onverminkt.
Onvermoeibaar, -baarder, -baarst.
Onvermoeibaarheid, V.
Onvermoeid.
Onvermogen, O.
Onvermogend, onvermogender, onvermogendst.
Onvermurwbaar, -bare.
Onvermurwbaarheid, V.
Onvermurwd.
Onvernielbaar, -bare.
Onvernietigbaar, -bare.
Onvernieuwd.
Onvernuftig, -iger, -igst.
Onveroordeeld.
Onverouderd.
Onveroverbaar, -bare.
Onveroverd.
Onverpacht.
Onverplicht.
Onverpoosd.
Onverricht.
Onversaagd, onversaagder, onversaagdst.
Onversaagdheid, V.
Onverschillig, onverschilliger, onverschilligst.
Onverschilligheid, V., -heden.
Onverschoonbaar, -bare.
Onverschoonbaarheid, V.
Onverschoonlijk, -lijker, -lijkst.
Onverschoonlijkheid, V.
Onverschoten.
Onverschrokken, onverschrokkener, onverschrokkenst.
Onverschrokkenheid, V.
Onversierd.
Onverslapt.
Onverslijtbaar, -bare.
Onverslijtelijk, -lijker, -lijkst.
Onversneden.
Onverstaanbaar, -bare.
Onverstaanbaarheid, V.
Onverstand, O.
Onverstandig, onverstandiger, onverstandigst.
Onverstandigheid, V.
Onversterfelijk.
Onverstoorbaar, -bare.
Onverstoorbaarheid, V.
Onverstoord.
Onverstorven.
Onvertaalbaar, -bare.
Onvertaald.
Onverteerbaar, -bare.
Onverteerbaarheid, V.
Onverteerd.
Onvertind.
Onvertogen.
Onvertraagd.
Onvertrokken.
Onvertroostbaar, -bare.
Onvervaard.
Onvervaardheid, V.
Onvervalscht.
Onvervoerbaar, -bare.
Onvervreemd.
Onvervreemdbaar, -bare.
Onvervreemdbaarheid, O.
Onvervuld.
Onverwacht.
Onverwachtheid, V.
Onverwachts (bijw.).
Onverwarmd.
Onverweerd.
Onverwelkbaar, -bare.
Onverwelkelijk.
Onverwelkt.
Onverwijld.
Onverwinbaar, -bare.
Onverwinbaarheid, V.
Onverwinlijk en Onverwinnelijk, -lijker, -lijkst.
Onverwonnen.
Onverwrikbaar, -baarder, -baarst.
Onverwrikbaarheid, V.
Onverwulfd.
Onverzaadbaar, -bare.
Onverzadelijk, -lijker, -lijkst.
Onverzadelijkheid, V.
Onverzadigbaar, -bare.
Onverzadigd.
Onverzegeld.
Onverzekerd.
Onverzeld.
Onverzetbaar, -bare.
Onverzetbaarheid, V.
Onverzettelijk, -lijker, -lijkst.
Onverzettelijkheid, V.
Onverzocht.
Onverzoenbaar, -bare.
Onverzoend.
Onverzoenlijk, -lijker, -lijkst.
Onverzoenlijkheid, V.
Onverzorgd.
Onverzwakt.
Onverzwelgbaar, -bare.
Onvindbaar, -bare.
Onvlaamsch.
Onvoegzaam, -zamer, -zaamst.
Onvoegzaamheid, V.
Onvoelbaar, -bare.
Onvolbouwd.
Onvolbracht.
Onvoldaan, -daner, -daanst.
Onvoldaanheid, V.
Onvoldoenbaar, -bare.
Onvoldoend.
Onvoldoendheid, V.
Onvoldragen.
Onvoleind.
Onvoleindigd.
Onvolkomen, -komener, -komenst.
Onvolkomenheid, V., -heden.
Onvolledig, -lediger, -ledigst.
Onvolledigheid, V.
Onvolmaakt, -maakter, -maaktst.
Onvolmaaktheid, V., -heden.
Onvolprezen.
Onvoltallig.
Onvoltalligheid, V.
Onvoltooid.
Onvoltrokken.
Onvolvoerbaar, -bare.
Onvolvoerd.
Onvolwassen.
Onvoorbedacht.
Onvoorbereid.
Onvoordeelig, -deeliger, -deeligst.
Onvoordeeligheid, V.
Onvoorwaardelijk.
Onvoorzichtig, -zichtiger, -zichtigst.
Onvoorzichtigheid, V., -heden.
Onvoorzichtiglijk.
Onvoorzien.
Onvoorzienbaar, -bare.
Onvoorziens (bijw.).
Onvorstelijk, -lijker, -lijkst.
Onvrede, M.
Onvriend, M., onvrienden.
Onvriendelijk, -lijker, -lijkst.
Onvriendelijkheid, V., -heden.
Onvriendschappelijk, -lijker, -lijkst.
Onvrij, onvrijer.
Onvrijheid, V.
Onvrijwillig, -williger, -willigst.
Onvrijzinnig, -zinniger, -zinnigst.
Onvrijzinnigheid, V.
Onvroom, onvromer, onvroomst.
Onvrouwelijk, -lijker, -lijkst.
Onvruchtbaar, -baarder, -baarst.
Onvruchtbaarheid, V.
Onwaar, onware.
Onwaarachtig, -achtiger, -achtigst.
Onwaarachtigheid, V., -heden.
Onwaard.
Onwaarde, V.
Onwaardeerbaar, -bare.
Onwaardeerbaarheid, V.
Onwaardig, onwaardiger, onwaardigst.
Onwaardigheid, V., -heden.
Onwaardiglijk.
Onwaarheid, V., -heden.
Onwaarneembaar, -bare.
Onwaarschijnlijk, -lijker, -lijkst.
Onwaarschijnlijkheid, V., -heden.
Onwankelbaar, -baarder, -baarst.
Onwankelbaarheid, V.
Onweder en Onweer, O., onweders en onweeren. Onweertje, O., -jes.
Onwederlegbaar, -baarder, -baarst.
Onwederlegbaarheid, V.
Onwederstaanbaar, -baarder, -baarst.
Onwederstaanbaarheid, V.
Onwederstreefbaar, -bare.
Onweer. Zie Onweder.
Onweerbaar, -bare.
Onweerbaarheid, V.
Onweeren, onweerde, heeft geonweerd.
Onweersbui, V., -buien.
Onweersvlaag, V., -vlagen.
Onweersvogel, M., -vogels.
Onweerswolk, V., -wolken.
Onwel.
Onwelgevallig, -gevalliger, -gevalligst.
Onwelkom.
Onwellevend, -levender, -levendst.
Onwellevendheid, V.
Onwelluidend, -luidender, -luidendst.
Onwelluidendheid, V.
Onwelmeenend.
Onwelvoeglijk, -lijker, -lijkst.
Onwelvoeglijkheid, V.
Onwetend, onwetender, onwetendst.
Onwetendheid, V.
Onwetens.
Onwetenschappelijk, -lijker, -lijkst.
Onwettelijk, -lijker, -lijkst.
Onwettelijkheid, V.
Onwettig, onwettiger, onwettigst.
Onwettigheid, V., -heden.
Onwezenlijk.
Onwijs, onwijzer.
Onwijsgeerig, -geeriger, -geerigst.
Onwijsheid, V.
Onwijslijk en Onwijselijk.
Onwil.
Onwillekeurig, -keuriger, -keurigst.
Onwillens.
Onwillig, onwilliger, onwilligst.
Onwilligheid, V.
Onwinbaar, -bare.
Onwinbaarheid, V.
Onwis.
Onwisheid, V.
Onwraakbaar, -baarder, -baarst.
Onwraakbaarheid, V.
Onwraakgierig, -gieriger, -gierigst.
Onwraakzuchtig, -zuchtiger, -zuchtigst.
Onwraakzuchtigheid, V.
Onwrikbaar, -baarder, -baarst.
Onwrikbaarheid, V.
Onyx, M., onyxen.
Onzacht, onzachter, onzachtst.
Onzachtheid, V.
Onzalig, onzaliger, onzaligst.
Onzaligheid, V.
Onzedelijk, -lijker, -lijkst.
Onzedelijkheid, V.
Onzedig, onzediger, onzedigst.
Onzedigheid, V.
Onzeewaardig.
Onzeglijk, -lijker, -lijkst.
Onzeilbaar, -bare.
Onzeker, onzekerder, onzekerst.
Onzekerheid, V., -heden.
Onzelfstandig, -standiger, -standigst.
Onzelfstandigheid, V.
Onze-lieve-heersbeestje, O., -beestjes. Onze-lieve-vrouwenbedstroo, O.
Onzent (Te -).
Onzenthalve.
Onzentwege.
Onzentwil (Om -).
Onzerzijds.
Onze-vader, O.
Onzichtbaar, -bare.
Onzichtbaarheid, V.
Onzienlijk, -lijker, -lijkst.
Onzienlijkheid, V.
Onzijdig, onzijdiger, onzijdigst.
Onzijdigheid, V.
Onzijdigverklaring, V., -verklaringen.
Onzin, M.
Onzindelijk, -lijker, -lijkst.
Onzindelijkheid, V., -heden.
Onzinnelijk.
Onzinnig, onzinniger, onzinnigst.
Onzinnigheid, V., -heden.
Onzoet, onzoeter, onzoetst.
Onzondig.
Onzondigheid, V.
Onzuiver, onzuiverder, onzuiverst.
Onzuiverheid, V., -heden.
Ooft, O.
Ooftboom, M., -boomen.
Ooftkelder, M., -kelders.
Oog, O., oogen. Oogje, O., -jes.
Oogappel, M., -appels.
Oogarts, M., -artsen.
Oogbad, O., -baden; -badje, O., -jes.
Oogelijn, O., oogelijns.
Oogen, oogde, heeft geoogd.
Oogenblik, O. en M., -blikken; -blikje, O., -jes.
Oogenblikkelijk.
Oogendienaar, M., -dienaars en -dienaren.
Oogendienst, M.
Oogendokter, M., -dokters.
Oogenklaar, O.
Oogenpaar, O.
Oogenschijnlijk, -lijker, -lijkst.
Oogenschijnlijkheid, V.
Oogenschouw, V.
Oogentaal, V.
Oogentroost, V.
Ooggetuige, M. en V., -getuigen.
Ooghaar, O., -haren; -haartje, O., -jes.
Oogheelkunde, V.
Oogholte, V., -holten.
Oogjesgoed, O.
Oogkas, V., -kassen.
Ooglid, O., -leden.
Ooglijder, M., -lijders.
Ooglijk, -lijker, -lijkst.
Oogluikend.
Oogluiking, V.
Oogmerk, O., -merken.
Oogontsteking, V., -ontstekingen.
Oogopslag, M.
Oogpunt, O., -punten.
Oogspiegel, M., -spiegels.
Oogst, M., oogsten. Oogstje, O., -jes
Oogsten, oogstte, heeft geoogst.
Oogster, M., oogsters.
Oogsting, V., oogstingen.
Oogstmaand, V.
Oogsttijd, M.
Oogtand, M., -tanden.
Oogverblindend.
Oogwater, O.; -watertje, O., -jes.
Oogwenk, M., -wenken.
Oogwit, O.
Oogziekte, V., -ziekten.
Ooi, V., ooien. Ooitje, O., -jes.
Ooievaar, M., ooievaars en ooievaren. Ooievaartje, O., -jes.
Ooievaarsbeen, O., -beenen.
Ooievaarsbeen (persoon), M. en V., -beenen.
Ooievaarsbek, M., -bekken.
Ooievaarshals, M., -halzen.
Ooievaarsnest, O., -nesten.
Ooievaarsvlucht, V.
Ooievaren, ooievaarde, heeft geooievaard.
Ooit.
Ook.
Oolijk, oolijker, oolijkst.
Oolijkerd, M., oolijkerds.
Oolijkheid, V.
Oom, M., ooms en oomen. Oompje, O., -jes.
Oomzegger, M., -zeggers.
Oomzegster, V., -zegsters.
Oonen, oonde, heeft geoond.
Oor, O., ooren. Oortje, O., -jes.
Oorbaar, oorbaarder, oorbaarst.
Oorbaar, O.
Oorbaarheid, V.
Oorband, M., -banden.
Oorbel, V., -bellen; -belletje, O., -jes.
Oorbiecht, V.
Oorblazer, M., -blazers.
Oord (plaats), O., oorden.
Oordeel, O., oordeelen.
Oordeelaar, M., oordeelaars en oordeelaren.
Oordeelen, oordeelde, heeft geoordeeld.
Oordeelkunde, V.
Oordeelkundig, -kundiger, -kundigst.
Oordeelsdag, M.
Oordeelskracht, V.
Oordeelvelling, V., -vellingen.
Oorhanger, M., -hangers.
Oorheelkunde, V.
Oorheelkundig.
Oorijzer, O., -ijzers.
Oorklep, V., -kleppen.
Oorkonde, V., oorkonden.
Oorkondenboek, O., -boeken.
Oorkruiper, M., -kruipers.
Oorkussen, O., -kussens.
Oorlam, O., oorlammen.
Oorlel, V., -lellen; -lelletje, O., -jes.
Oorlepeltje, O., -jes.
Oorliëtblok, O., -blokken en -bloks.
Oorlof, O.
Oorlog, M., oorlogen.
Oorlogen, oorloogde, heeft geoorloogd.
Oorlogsbehoeften (mv.), V.
Oorlogsbende, V., -benden.
Oorlogsbodem, M., -bodems.
Oorlogscontrabande, V.
Oorlogscorrespondent, M., -correspondenten.
Oorlogsdaad, V., -daden.
Oorlogsgevaar, O., -gevaren.
Oorlogsgeweld, O.
Oorlogsgezind, -gezinder, -gezindst.
Oorlogshaven, V., -havens.
Oorlogsheld, M., -helden.
Oorlogskaart, V., -kaarten.
Oorlogskans, V., -kansen.
Oorlogskas, V., -kassen.
Oorlogskosten (mv.), M.
Oorlogskreet, M., -kreten.
Oorlogskunst, V.
Oorlogslasten (mv.), M.
Oorlogsmateriaal, O.
Oorlogsplan, O., -plannen.
Oorlogsramp, V., -rampen.
Oorlogsrecht, O.
Oorlogsroem, M.
Oorlogsschip, O., -schepen.
Oorlogsterrein, O.
Oorlogstoestand, M.
Oorlogstooneel, O., -tooneelen.
Oorlogstuig, O.
Oorlogsvaan, V., -vanen.
Oorlogsvaartuig, O., -vaartuigen.
Oorlogsveld, O.
Oorlogsverklaring, V., -verklaringen.
Oorlogsvloot, V., -vloten.
Oorlogsvuur, O.
Oorlogswapen, O., -wapenen.
Oorlogswet, V.
Oorlogszwaard, O., -zwaarden.
Oorlogvoerend.
Oorlogvoering, V.
Oorlogzuchtig, -zuchtiger, -zuchtigst.
Oorpijn, V., -pijnen.
Oorring, M., -ringen; -ringetje, O., -jes.
Oorschelp, V., -schelpen.
Oorsprong, M., oorsprongen.
Oorspronkelijk, -lijker, -lijkst.
Oorspronkelijkheid, V.
Oorspuitje, O., -jes.
Oort (geldswaarde), O., oorten. Oortje, O., -jes.
Oortrompet, V., -trompetten.
Oorveeg, M., -vegen. Oorveegje, O., -jes.
Oorvijg, V., -vijgen. Oorvijgje, O., -jes.
Oorworm, M., -wormen.
Oorzaak, V., oorzaken.
Oorzakelijk.
Oost (het Oosten), O.; (Nederlands Oostindische bezittingen), V.
Oost (bijw.).
Oostelijk, -lijker, -lijkst.
Oosten, O.
Oostenwind, M., -winden.
Oosteren, oosterde, is geoosterd.
Oostergoo, O.
Oostergrens, V., -grenzen.
Oosterhoek, M.
Oosterkim, V.
Oosterling, M. en V., Oosterlingen. V. ook Oosterlinge.
Oosterlucie, V.
Oostersch.
Oosterzon, V.
Oostfriesch.
Oost-Friesland, O.
Oost-Indië en Oostinje, O.
Oostindiëvaarder en Oostinjevaarder, M., -vaarders.
Oostindisch.
Oostinje. Zie Oost-Indië.
Oostnoordoost (bijw.). Als znw., O.
Oostvlaamsch.
Oost-Vlaanderen, O.
Oostwaarts.
Oostzee, V.
Oostzuidoost (bijw.). Als znw., O.
Ootje, O. (In het - nemen).
Ootmoed, M.
Ootmoedig, -moediger, -moedigst.
Ootmoedigheid, V.
Ootmoediglijk.
Op.
Opaal (stof), O.; (steen), M., opalen.
Opbaggeren, baggerde op, heeft opgebaggerd.
Opbakken, bakte op, heeft opgebakken.
Opbaliën, baliede op, heeft opgebalied.
Opbarsten, barstte op, is opgebarsten; ook borst op, is opgeborsten.
Opbedelen, bedelde op, heeft opgebedeld.
Opbellen, belde op, heeft opgebeld.
Opbergen, borg op, heeft opgeborgen.
Opbersten. Zie Opbarsten.
Opbeuren, beurde op, heeft opgebeurd.
Opbeuring, V.
Opbiechten, biechtte op, heeft opgebiecht.
Opbieden, bood op, boden op, heeft opgeboden.
Opbieding, V., -biedingen.
Opbijten (bijt hakken), bijtte op, heeft opgebijt.
Opbikken, bikte op, heeft opgebikt.
Opbinden, bond op, heeft opgebonden.
Opblazen, blies op, bliezen op, heeft opgeblazen.
Opbleeken, bleekte op, heeft en is opgebleekt.
Opblijven, bleef op, bleven op, is opgebleven.
Opbobbelen, bobbelde op, is opgebobbeld.
Opbod, O.
Opboeien, boeide op, heeft opgeboeid.
Opboeisel, O., -boeisels.
Opboenen, boende op, heeft opgeboend.
Opboomen, boomde op, heeft opgeboomd.
Opboren, boorde op, heeft opgeboord.
Opboring, V.
Opborrelen, borrelde op, is opgeborreld.
Opborreling, V.
Opborstelen, borstelde op, heeft opgeborsteld.
Opbossen, boste op, heeft opgebost.
Opbouw, M.
Opbouwen, bouwde op, heeft opgebouwd.
Opbouwer, M., -bouwers.
Opbouwing, V.
Opbraden, braadde op, heeft opgebraden.
Opbranden, brandde op, heeft en is opgebrand.
Opbrassen (scheepsw.), braste op, heeft opgebrast.
Opbreeuwen, breeuwde op, heeft opgebreeuwd.
Opbreien, breide op, heeft opgebreid.
Opbreken, brak op, braken op, heeft en is opgebroken.
Opbreker, M., -brekers.
Opbreking, V.
Opbrengen, bracht op, heeft opgebracht.
Opbrenger, M., -brengers.
Opbrengst, V., -brengsten.
Opbrouwen, brouwde op, heeft opgebrouwen.
Opbruinen, bruinde op, heeft opgebruind.
Opbruisen, bruiste op, heeft en is opgebruist.
Opbuigen, boog op, bogen op, heeft en is opgebogen.
Opbulderen, bulderde op, heeft opgebulderd.
Opcent, M., -centen.
Opdagen (oproepen), daagde op, heeft opgedaagd.
Opdagen (verschijnen), daagde op, is opgedaagd.
Opdammen, damde op, heeft opgedamd.
Opdampen, dampte op, heeft en is opgedampt.
Opdansen, danste op, is opgedanst.
Opdat.
Opdelven, dolf op, dolven op, heeft opgedolven.
Opdelver, M., -delvers.
Opdelving, V., -delvingen.
Opdienen, diende op, heeft opgediend.
Opdiepen, diepte op, heeft opgediept.
Opdirken, dirkte op, heeft opgedirkt.
Opdisschen, dischte op, heeft opgedischt.
Opdoeken, doekte op, heeft en is opgedoekt.
Opdoemen, doemde op, is opgedoemd.
Opdoen, doet op, deed op, deden op, heeft opgedaan.
Opdoening, V.
Opdoffelen, doffelde op, heeft opgedoffeld.
Opdokken, dokte op, heeft opgedokt.
Opdonderen, donderde op, is opgedonderd.
Opdonkeren, donkerde op, heeft en is opgedonkerd.
Opdraaien, draaide op, heeft en is opgedraaid.
Opdracht, V., -drachten.
Opdrachtig, -drachtiger, -drachtigst.
Opdrachtigheid, V.
Opdragen, droeg op, heeft opgedragen.
Opdraven, draafde op, is opgedraafd.
Opdreunen, dreunde op, heeft opgedreund.
Opdrijven, dreef op, dreven op, heeft en is opgedreven.
Opdrijver, M., -drijvers.
Opdrijving, V.
Opdril, M., -drillen.
Opdrillen, drilde op, heeft opgedrild.
Opdringen, drong op, heeft en is opgedrongen.
Opdrinken, dronk op, heeft opgedronken.
Opdrogen, droogde op, heeft en is opgedroogd.
Opdroging, V.
Opdrossen, droste op, is opgedrost.
Opdrukken, drukte op, heeft opgedrukt.
Opduiken, dook op, doken op, is en heeft opgedoken,
Opdunnen, dunde op, is opgedund.
Opduwen, duwde op, heeft opgeduwd.
Opdweilen, dweilde op, heeft opgedweild.
Opdwingen, dwong op, heeft opgedwongen.
Opeen.
Opeendrijven, dreef opeen, dreven opeen, heeft opeengedreven.
Opeengooien, gooide opeen, heeft opeengegooid.
Opeenhoopen, hoopte opeen, heeft opeengehoopt.
Opeenjagen, jaagde opeen, heeft opeengejaagd; ook joeg opeen.
Opeenladen, laadde opeen, heeft opeengeladen.
Opeenleggen, legde opeen en leide opeen, heeft opeengelegd en opeengeleid.
Opeenliggen, lag opeen, lagen opeen, heeft opeengelegen.
Opeenpakken, pakte opeen, heeft opeengepakt.
Opeenplaatsen, plaatste opeen, heeft opeengeplaatst.
Opeenplakken, plakte opeen, heeft opeengeplakt.
Opeensmijten, smeet opeen, smeten opeen, heeft opeengesmeten.
Opeenstapelen, stapelde opeen, heeft opeengestapeld.
Opeenvolgen, volgde opeen, is opeengevolgd.
Opeenvolging, V., -volgingen.
Opeenwerpen, wierp opeen, heeft opeengeworpen.
Opeenzetten, zette opeen, heeft opeengezet.
Opeenzitten, zat opeen, zaten opeen, heeft opeengezeten.
Opeisch, M.
Opeischen, eischte op, heeft opgeeischt.
Opeisching, V., -eischingen.
Open, opener, openst.
Openbaar, -baarder, -baarst.
Openbaar, O.
Openbaarheid, V.
Openbaarmaken, maakte openbaar, heeft openbaargemaakt.
Openbaarmaking, V.
Openbaren, openbaarde, heeft geopenbaard.
Openbaring, V., -baringen.
Openbaringsleer, V.