Woordenlijst Voor De Spelling Der Nederlandsche Taal Met Aanwij
Chapter 39
Omleiden, leidde om, heeft omgeleid.
Omleven, leefde om, heeft omgeleefd.
Omliggen, lag om, lagen om, heeft omgelegen.
Omliggend (bnw.).
Omlijsten, omlijstte, heeft omlijst.
Omlijsting, V., -lijstingen.
Omlikken, likte om, heeft omgelikt.
Omlommeren, omlommerde, heeft omlommerd.
Omloofd.
Omloop, M., -loopen.
Omloopdijk, M., -dijken.
Omloopen, liep om, is en heeft omgeloopen; ook omliep, heeft omloopen.
Omlooper, M., -loopers.
Omlooperij, V.
Omlooping, V.
Omloopstijd, M., -tijden.
Omlooveren, omlooverde, heeft omlooverd.
Omluiden, ook Omluien, luidde en luide om, heeft omgeluid.
Omluisteren (van luister, glans), omluisterde, heeft omluisterd.
Omlummelen, lummelde om, heeft omgelummeld.
Ommaken, maakte om, heeft omgemaakt.
Ommalen, maalde om, heeft omgemaald.
Ommangelen, mangelde om, heeft omgemangeld.
Ommarcheeren, marcheerde om, heeft en is omgemarcheerd.
Ommekant, M., -kanten.
Ommekomst, V. (Na - van).
Ommelanden (mv.), O.
Ommelander, M., -landers.
Ommelander (bnw.).
Ommelandsch.
Ommestaand. Zie Omstaand.
Ommeten, mat om, maten om, heeft omgemeten.
Ommezien, ook Omzien, O. Ommezientje, O. (In een -).
Ommezijde, V., -zijden.
Ommezwaai, Zie Omzwaai.
Ommoeten, moet om, moest om, heeft omgemoeten.
Ommogen, mag om, mogen om, mocht om.
Ommuren, ommuurde, heeft ommuurd.
Ommuring, V., -muringen.
Omnaaien, naaide om, heeft omgenaaid; ook omnaaide, heeft omnaaid.
Omnevelen, omnevelde, heeft omneveld.
Omneveling, V.
Omnibus, M., omnibussen. Omnibusje, O., -jes.
Omnibusdienst, M., -diensten.
Omnibuskaartje, O., -kaartjes.
Omnibusmaatschappij, V., -maatschappijen.
Omnibuspaard, O., -paarden.
Omoog, O., -oogen. Omoogje, O., -jes.
Ompaarlen. Zie Omparelen.
Ompagaaien, pagaaide om, heeft en is omgepagaaid.
Ompaggering, V., -paggeringen.
Ompakken, pakte om, heeft omgepakt.
Ompalen, ompaalde, heeft ompaald.
Ompanseren, ook Ompantseren, ompanserde, heeft ompanserd.
Ompansering, V.
Ompantseren. Zie Ompanseren.
Omparelen, ook Ompaarlen, omparelde, heeft ompareld.
Ompassen, paste om, heeft omgepast.
Omperken, omperkte, heeft omperkt.
Omperking, V., -perkingen.
Omplaggen, plagde om, heeft omgeplagd.
Omplagging, V.
Omplakken, omplakte, heeft omplakt.
Omplakking, V.
Omplaksel, O., -plaksels.
Omplanten, plantte om, heeft omgeplant; ook omplantte, heeft omplant.
Omplanting, V., -plantingen. Omplantinkje, O., -jes.
Omplassen, plaste om, heeft omgeplast; ook omplaste, heeft omplast.
Omploegen, ploegde om, heeft omgeploegd.
Omploeging, V., -ploegingen.
Omploeteren, ploeterde om, heeft omgeploeterd.
Omploffen, plofte om, is en heeft omgeploft.
Omploffing, V.
Omplooi, V., -plooien.
Omplooien, plooide om, heeft omgeplooid; ook omplooide, heeft omplooid.
Omplooiing, V.
Ompoten, pootte om, heeft omgepoot; ook ompootte, heeft ompoot.
Ompoting, V.
Ompraten, praatte om, heeft omgepraat.
Ompurperen, ompurperde, heeft ompurperd.
Omraken, raakte om, is omgeraakt.
Omrammeien, rammeide om, heeft omgerammeid.
Omranden, omrandde, heeft omrand.
Omranselen, ranselde om, heeft omgeranseld.
Omrasteren, omrasterde, heeft omrasterd.
Omrastering, V., -rasteringen.
Omreiken, reikte om, heeft omgereikt.
Omreizen, reisde om, heeft en is omgereisd; ook omreisde, heeft omreisd.
Omrennen, rende om, heeft en is omgerend; ook omrende, heeft omrend.
Omrijden, reed om, reden om, is en heeft omgereden.
Omringdijk, M., -dijken.
Omringen (in ringen zetten), ringde om, heeft omgeringd.
Omringen (omgeven), omringde, heeft omringd.
Omringing, V., -ringingen.
Omringkade, V., -kaden.
Omrit, M., -ritten. Omritje, O., -jes.
Omroeien, roeide om, heeft en is omgeroeid.
Omroepen, riep om, heeft omgeroepen.
Omroeper, M., -roepers.
Omroepersbaantje, O.
Omroepersbekken, O., -bekkens.
Omroeping, V., -roepingen.
Omroeren, roerde om, heeft omgeroerd.
Omroering, V., -roeringen.
Omroersel, O., -roersels en -roerselen. Omroerseltje, O., -jes.
Omrollen, rolde om, heeft en is omgerold.
Omruil, M.
Omruilen, ruilde om, heeft omgeruild.
Omruiling, V., -ruilingen.
Omruischen, omruischte, heeft omruischt.
Omrukken, rukte om, heeft en is omgerukt.
Omrukking, V.
Omsabelen, sabelde om, heeft omgesabeld.
Omschaduwen, omschaduwde, heeft omschaduwd.
Omschaduwing, V.
Omschakelaar, M., omschakelaars.
Omschakelen, schakelde om, heeft omgeschakeld.
Omschallen, omschalde, heeft omschald.
Omschansen, omschanste, heeft omschanst.
Omschansing, V., -schansingen.
Omscharrelen, scharrelde om, heeft en is omgescharreld.
Omschenken, schonk om, heeft omgeschonken.
Omscheppen (putten), schepte om, heeft omgeschept.
Omscheppen (maken, vormen), schiep om, heeft omgeschapen.
Omschepping, V., -scheppingen.
Omscheren, schoor om, schoren om, heeft omgeschoren.
Omschering, V.
Omschermen, schermde om, heeft omgeschermd.
Omscheuren, scheurde om, heeft omgescheurd.
Omschieten, schoot om, schoten om, heeft en is omgeschoten.
Omschijnen, omscheen, omschenen, heeft omschenen.
Omschikken, schikte om, is omgeschikt.
Omschitteren, omschitterde, heeft omschitterd.
Omschoeien, omschoeide, heeft omschoeid.
Omschoffelen (langzaam gaan), schoffelde om, heeft en is omgeschoffeld.
Omschoffelen (losmaken), schoffelde om, heeft omgeschoffeld.
Omschommelen, schommelde om, heeft en is omgeschommeld.
Omschooien, schooide om, heeft omgeschooid.
Omschoppen, schopte om, heeft omgeschopt.
Omschorsen, omschorste, heeft omschorst.
Omschrabben, schrabde om, heeft omgeschrabd.
Omschrafelen, schrafelde om, heeft omgeschrafeld.
Omschrapen, schraapte om, heeft omgeschraapt.
Omschreeuwen, schreeuwde om, heeft omgeschreeuwd.
Omschrijfbaar, -bare.
Omschrijven, omschreef, omschreven, heeft omschreven.
Omschrijver, M., -schrijvers.
Omschrijving, V., -schrijvingen.
Omschudden, schudde om, heeft omgeschud.
Omschudding, V.
Omschuieren, schuierde om, heeft omgeschuierd.
Omschuiven, schoof om, schoven om, heeft en is omgeschoven.
Omschulpen, schulpte om, heeft omgeschulpt.
Omschuren, schuurde om, heeft omgeschuurd.
Omsingelen, omsingelde, heeft omsingeld.
Omsingeling, V., -singelingen.
Omsjokken, sjokte om, heeft en is omgesjokt.
Omsjouwen, sjouwde om, heeft omgesjouwd.
Omslaan, slaat om, sloeg om, heeft en is omgeslagen; ook omslaat, omsloeg, heeft omgeslagen.
Omslachtig, -slachtiger, -slachtigst.
Omslachtigheid, V.
Omslag (omhaal, drukte), M.
Omslag (in de belasting enz.), M., -slagen.
Omslag (voorwerp), M. en O., -slagen. Omslagje, O., -jes.
Omslagboor, V., -boren.
Omslagdoek, M., -doeken; -doekje, O., -jes.
Omslager, M., -slagers. Omslagertje, O., -jes.
Omsleepen (bedr.), sleepte om, heeft omgesleept.
Omslenteren, slenterde om, heeft en is omgeslenterd.
Omsleuren, sleurde om, heeft omgesleurd.
Omslingeren, slingerde om, heeft en is omgeslingerd; ook omslingerde, heeft omslingerd.
Omslingering, V.
Omsloffen, slofte om, heeft en is omgesloft.
Omsluieren, omsluierde, heeft omsluierd.
Omsluiering, V., -sluieringen.
Omsluipen, sloop om, slopen om, heeft en is omgeslopen.
Omsluiten, omsloot, omsloten, heeft omsloten.
Omsluiting, V., -sluitingen.
Omsmakken, smakte om, heeft en is omgesmakt.
Omsmeden, smeedde om, heeft omgesmeed.
Omsmelten, smolt om, heeft omgesmolten.
Omsmijten, smeet om, smeten om, heeft omgesmeten.
Omsnellen, snelde om, heeft en is omgesneld.
Omsnoeren, snoerde om, heeft omgesnoerd; ook omsnoerde, heeft omsnoerd.
Omsnorren, snorde om, is en heeft omgesnord; ook omsnorde, heeft omsnord.
Omsnuffelen, snuffelde om, heeft omgesnuffeld.
Omsollen, solde om, heeft omgesold.
Omspannen, spande om, heeft omgespannen; ook omspande, heeft omspannen.
Omspanning, V., -spanningen.
Omspant, V.
Omspatten, spatte om, heeft omgespat; ook omspatte, heeft omspat.
Omspelden, speldde om, heeft omgespeld; ook omspeldde, heeft omspeld.
Omspinnen, omspon, omsponnen, heeft omsponnen.
Omspitten, spitte om, heeft omgespit.
Omspitting, V., -spittingen.
Omspoelen, spoelde om, heeft omgespoeld; ook omspoelde, heeft omspoeld.
Omspoeling, V., -spoelingen.
Omspoelsel, O.
Omspoken, spookte om, heeft omgespookt; ook omspookte, heeft omspookt.
Omspringen, sprong om, heeft en is omgesprongen; ook omsprong, heeft omsprongen.
Omstaan, staat om, stond om, heeft omgestaan.
Omstaand en Ommestaand.
Omstander, M., -standers.
Omstandig, -standiger, -standigst.
Omstandigheid, V., -heden.
Omstappen, stapte om, heeft en is omgestapt.
Omsteken, stak om, staken om, heeft omgestoken.
Omstelpen. Zie Omstulpen.
Omstevenen, stevende om, heeft en is omgestevend.
Omstoeien, stoeide om, heeft omgestoeid; ook omstoeide, heeft omstoeid.
Omstoomen, stoomde om, heeft en is omgestoomd.
Omstooten, stiet om, heeft omgestooten; ook stootte om.
Omstormen, stormde om, heeft en is omgestormd; ook omstormde, heeft omstormd.
Omstorten, stortte om, heeft en is omgestort.
Omstorting, V.
Omstralen, straalde om, heeft omgestraald; ook omstraalde, heeft omstraald.
Omstraling, V.
Omstreek, V., -streken.
Omstreeks.
Omstrengelen, omstrengelde, heeft omstrengeld.
Omstrengeling, V.
Omstrepen, omstreepte, heeft omstreept.
Omstreping, V.
Omstrikken, strikte om, heeft omgestrikt; ook omstrikte, heeft omstrikt.
Omstrompelen, strompelde om, heeft en is omgestrompeld.
Omstrooien, strooide om, heeft omgestrooid; ook omstrooide, heeft omstrooid.
Omstroomen, omstroomde, heeft omstroomd.
Omstroopen, stroopte om, heeft omgestroopt.
Omstuiven, stoof om, stoven om, heeft en is omgestoven; ook omstoof, omstoven, heeft omstoven.
Omstulpen, ook Omstelpen, stulpte om, heeft omgestulpt.
Omsturen, stuurde om, heeft omgestuurd.
Omstuwen, omstuwde, heeft omstuwd.
Omsukkelen, sukkelde om, heeft en is omgesukkeld.
Omtasten, tastte om, heeft omgetast; ook omtastte, heeft omtast.
Omtellen, telde om, heeft omgeteld.
Omtimmeren, timmerde om, heeft omgetimmerd; ook omtimmerde, heeft omtimmerd.
Omtobben, tobde om, heeft omgetobd.
Omtocht, M., -tochten.
Omtogen (deelw.).
Omtollen, tolde om, heeft en is omgetold.
Omtonnen, tonde om, heeft omgetond; ook omtonde, heeft omtond.
Omtooveren, tooverde om, heeft omgetooverd.
Omtoovering, V., -tooveringen.
Omtrappen, trapte om, heeft omgetrapt.
Omtrede en Omtree, V., -treden.
Omtreden, trad om, traden om, is en heeft omgetreden.
Omtrek, M., -trekken. Omtrekje, O., -jes.
Omtrekken, trok om, trokken om, heeft en is omgetrokken; ook omtrok, omtrokken, heeft omtrokken.
Omtrekking, V.
Omtrent.
Omtrommelen, trommelde om, heeft omgetrommeld.
Omtuimelen, tuimelde om, is en heeft omgetuimeld.
Omtuimeling, V., -tuimelingen.
Omtuinen, omtuinde, heeft omtuind.
Omtuining, V., -tuiningen.
Omvaart, V.
Omvademen, omvademde, heeft omvademd.
Omvademing, V.
Omval, M., -vallen.
Omvallen, viel om, is omgevallen.
Omvang, M.
Omvangen, omving, heeft omvangen.
Omvangrijk, -rijker, -rijkst.
Omvaren, voer om, heeft en is omgevaren.
Omvaring, V.
Omvatten, omvatte, heeft omvat.
Omvatting, V.
Omventen, ventte om, heeft omgevent.
Omver.
Omverblazen, blies omver, bliezen omver, heeft omvergeblazen.
Omverdringen, drong omver, heeft omvergedrongen.
Omverdrukken, drukte omver, heeft omvergedrukt.
Omverduwen, duwde omver, heeft omvergeduwd.
Omvergooien, gooide omver, heeft omvergegooid.
Omverhakken, hakte omver, heeft omvergehakt.
Omverhalen, haalde omver, heeft omvergehaald.
Omverhelpen, hielp omver, heeft omvergeholpen.
Omverhouwen, hieuw omver, heeft omvergehouwen.
Omverjagen, jaagde omver, heeft omvergejaagd; ook joeg omver.
Omverkantelen, kantelde omver, is omvergekanteld.
Omverkegelen, kegelde omver, heeft omvergekegeld.
Omverkrijgen, kreeg omver, kregen omver, heeft omvergekregen.
Omverliggen, lag omver, lagen omver, heeft omvergelegen.
Omverloopen, liep omver, heeft omvergeloopen.
Omverpraten, praatte omver, heeft omvergepraat.
Omverraken, raakte omver, is omvergeraakt.
Omverrennen, rende omver, heeft omvergerend.
Omverrijden, reed omver, reden omver, heeft omvergereden.
Omverrukken, rukte omver, heeft omvergerukt.
Omverschieten, schoot omver, schoten omver, heeft omvergeschoten.
Omverslaan, slaat omver, sloeg omver, heeft en is omvergeslagen.
Omversmakken, smakte omver, heeft omvergesmakt.
Omversmijten, smeet omver, smeten omver, heeft omvergesmeten.
Omverstooten, stiet omver, heeft omvergestooten; ook stootte omver.
Omverstorten, stortte omver, heeft en is omvergestort.
Omvertrekken, trok omver, trokken omver, heeft omvergetrokken.
Omvertuimelen, tuimelde omver, is omvergetuimeld.
Omvervallen, viel omver, is omvergevallen.
Omverwaaien, waaide omver, is en heeft omvergewaaid; ook woei omver, woeien omver.
Omverwerpen, wierp omver, heeft omvergeworpen.
Omverwerping, V.
Omvlechten, omvlocht, heeft omvlochten.
Omvlieden, vlood om, vloden om, is omgevloden.
Omvliegen, vloog om, vlogen om, is en heeft omgevlogen; ook omvloog, omvlogen, heeft omvlogen.
Omvlieten, vloot om, vloten om, heeft en is omgevloten; ook omvloot, omvloten, heeft omvloten.
Omvloeien, vloeide om, heeft en is omgevloeid; ook omvloeide, heeft omvloeid.
Omvoeren, voerde om, heeft omgevoerd.
Omvoering, V.
Omvouwen, vouwde om, heeft en is omgevouwen.
Omvraag en Omvrage, V.
Omvragen, vraagde om, heeft omgevraagd; ook vroeg om.
Omwaaien, waaide om, is en heeft omgewaaid; ook woei om, woeien om; en omwaaide (omwoei, omwoeien), heeft omwaaid.
Omwallen, omwalde, heeft omwald.
Omwalling, V., -wallingen.
Omwalmen, omwalmde, heeft omwalmd.
Omwandelen, wandelde om, heeft en is omgewandeld.
Omwandeling, V., -wandelingen.
Omwaren, waarde om, heeft omgewaard.
Omwaschkom, V., -kommen; -kommetje, O., -jes.
Omwasschen, wiesch om, wieschen om, heeft omgewasschen; ook waschte om.
Omwassen, omwies, omwiesen, heeft omwassen.
Omweg, M., -wegen. Omwegje, O., -jes.
Omweiden, weidde om, heeft omgeweid.
Omwelven, omwelfde. heeft omwelfd.
Omwelving, V., -welvingen.
Omwemelen, omwemelde, heeft omwemeld.
Omwenden, wendde om, heeft en is omgewend.
Omwending, V., -wendingen.
Omwentelen, wentelde om, heeft en is omgewenteld.
Omwenteling, V., -wentelingen.
Omwentelingsas, V., -assen.
Omwentelingslichaam, O. -lichamen.
Omwentelingsoppervlak, O., -oppervlakken.
Omwentelingstijd, M., -tijden.
Omwentelingsvlak, O., -vlakken.
Omwerken, werkte om, heeft omgewerkt.
Omwerking, V., -werkingen.
Omwerpen, wierp om, heeft omgeworpen.
Omwerping, V.
Omweven, omweefde, heeft omweven.
Omwiegelen, wiegelde om, heeft omgewiegeld.
Omwikkelen, omwikkelde, heeft omwikkeld.
Omwikkeling, V.
Omwillen, wil om, wilde (wou) om, heeft omgewild.
Omwimpelen, omwimpelde, heeft omwimpeld.
Omwinden, omwond, heeft omwonden.
Omwinding, V., -windingen.
Omwippen, wipte om, heeft en is omgewipt.
Omwisselen, wisselde om, heeft omgewisseld.
Omwisseling, V., -wisselingen.
Omwoelen, woelde om, heeft omgewoeld; ook omwoelde, heeft omwoeld.
Omwoeling, V., -woelingen.
Omwolken, omwolkte, heeft omwolkt.
Omwonend.
Omwoners (mv.), M.
Omwrikken, wrikte om, heeft omgewrikt.
Omwroeten, wroette om, heeft omgewroet.
Omzadelen, zadelde om, heeft omgezadeld.
Omzagen, zaagde om, heeft omgezaagd.
Omzakken (op zijde vallen), zakte om, is omgezakt.
Omzaten, (mv.), M. en V.
Omzeg, M.
Omzeggen, zeide om, heeft omgezegd en omgezeid.
Omzegging, V.
Omzeilen, zeilde om, heeft en is omgezeild; ook omzeilde, heeft omzeild.
Omzeiling, V., -zeilingen.
Omzenden, zond om, heeft omgezonden.
Omzending, V., -zendingen.
Omzet, M.
Omzetijzer, O., -ijzers; -ijzertje, O., -jes.
Omzetsel, O., -zetsels en -zetselen. Omzetseltje, O., -jes.
Omzetspade, V., -spaden.
Omzetten, zette om, heeft en is omgezet; ook omzette, heeft omzet.
Omzetting, V., -zettingen.
Omzichtig, -zichtiger, -zichtigst.
Omzichtigheid, V., -heden.
Omzien, zag om, zagen om, heeft omgezien.
Omzien, O. Zie Ommezien.
Omziend.
Omzitten, zat om, zaten om, heeft omgezeten.
Omzitters (mv.). M.
Omzoeken, zocht om, heeft omgezocht.
Omzoomen, zoomde om, heeft omgezoomd; ook omzoomde, heeft omzoomd.
Omzooming, V., -zoomingen.
Omzwaai en Ommezwaai, M., -zwaaien.
Omzwaaien, zwaaide om, heeft en is omgezwaaid; ook omzwaaide, heeft omzwaaid.
Omzwaaiing, V., -zwaaiingen.
Omzwachtelen, omzwachtelde, heeft omzwachteld.
Omzwachteling, V., -zwachtelingen.
Omzwalken, zwalkte om, heeft omgezwalkt.
Omzwalpen, zwalpte om, heeft omgezwalpt; ook omzwalpte, heeft omzwalpt.
Omzwemmen, zwom om, zwommen om, heeft en is omgezwommen.
Omzwenken, zwenkte om, is en heeft omgezwenkt.
Omzwenking, V., -zwenkingen.
Omzwermen, zwermde om, heeft omgezwermd; ook omzwermde, heeft omzwermd.
Omzwerven, zwierf om, zwierven om, heeft omgezworven; ook omzwierf, omzwierven, heeft omzworven.
Omzwerving, V., -zwervingen.
Omzweven, zweefde om, heeft en is omgezweefd; ook omzweefde, heeft omzweefd.
Omzwiepen, zwiepte om, is omgezwiept.
Omzwieren, zwierde om, heeft en is omgezwierd.
Omzwikken, zwikte om, is omgezwikt.
On (- of even).
Onaandachtig, -dachtiger, -dachtigst.
Onaandoenlijk, -lijker, -lijkst.
Onaandoenlijkheid, V.
Onaangedaan.
Onaangediend.
Onaangekleed, -gekleede.
Onaangeleund.
Onaangemeld.
Onaangemerkt.
Onaangenaam, -genamer, -genaamst.
Onaangenaamheid, V., -heden.
Onaangeraakt.
Onaangerand.
Onaangeroerd.
Onaangesneden.
Onaangesproken.
Onaangestoken.
Onaangetast.
Onaangevallen.
Onaangevochten.
Onaangevuld.
Onaangezet, -gezette.
Onaangezien.
Onaangezocht.
Onaangezuiverd.
Onaanlokkelijk, -lijker, -lijkst.
Onaannemelijk, -lijker, -lijkst.
Onaannemelijkheid, V.
Onaansprakelijk.
Onaansprakelijkheid, V.
Onaanstootelijk, -lijker, -lijkst.
Onaanstootelijkheid, V.
Onaantastbaar, -bare.
Onaantastbaarheid, V.
Onaantrekkelijk, -lijker, -lijkst.
Onaantrekkelijkheid, V.
Onaanvaard.
Onaanzienlijk, -lijker, -lijkst.
Onaanzienlijkheid, V.
Onaardig, onaardiger, onaardigst.
Onaardigheid, V., -heden.
Onachtzaam, -zamer, -zaamst.
Onachtzaamheid, V., -heden.
Onadellijk.
Onafgebakend.
Onafgeborsteld.
Onafgebroken.
Onafgedaan, -gedane.
Onafgehandeld.
Onafgemaakt.
Onafgesneden.
Onafgewend.
Onafgewerkt.
Onafhankelijk, -lijker, -lijkst.
Onafhankelijkheid. V.
Onafkeerbaar, -bare.
Onafkoopbaar, -bare.
Onafkoopbaarheid, V.
Onaflosbaar, -bare.
Onaflosbaarheid, V.
Onafscheidbaar, -bare.
Onafscheidbaarheid, V.
Onafscheidelijk.
Onafscheidelijkheid, V.
Onafweerbaar, -bare.
Onafwendbaar, -bare.
Onafwijsbaar, -bare.
Onafzetbaar, -bare.
Onafzetbaarheid, V.
Onafzienbaar, -bare.
Onafzienbaarheid, V.
Onbaatzuchtig, -zuchtiger, -zuchtigst.
Onbaatzuchtigheid, V.
Onbarmhartig, -hartiger, -hartigst.
Onbarmhartigheid, V., -heden.
Onbeangst.
Onbeangstigd.
Onbeantwoord.
Onbearbeid.
Onbebouwd.
Onbedaard.
Onbedaarlijk.
Onbedacht, onbedachter, onbedachtst.
Onbedachtelijk.
Onbedachtheid, V., -heden.
Onbedachtzaam, -zaam, -zaamst.
Onbedachtzaamheid, V., -heden.
Onbedeesd.
Onbedekt.
Onbedenkelijk.
Onbederfelijk.
Onbediend.
Onbedijkt.
Onbedorven, onbedorvener, onbedorvenst.
Onbedorvenheid, V.
Onbedreven, onbedrevener, onbedrevenst.
Onbedrevenheid, V.
Onbedriegbaar, -bare.
Onbedrieglijk, -lijker, -lijkst.
Onbedrieglijkheid, V.
Onbeduidend, onbeduidender, onbeduidendst.
Onbeduidendheid, V., -heden.
Onbedwingbaar, -bare.
Onbedwingbaarheid, V.
Onbedwongen.
Onbeƫedigd.
Onbefaamd.
Onbegaafd.
Onbegaanbaar, -bare.
Onbegaanbaarheid, V.
Onbegeerd.
Onbegeerig.
Onbegeerigheid, V.
Onbegeerlijk, -lijker, -lijkst.
Onbegeerlijkheid, V.
Onbegonnen.
Onbegraven.
Onbegrensd.
Onbegrensdheid, V.
Onbegrepen.
Onbegrijpbaar, -bare.
Onbegrijpbaarheid, V., -heden.
Onbegrijpelijk, -lijker, -lijkst.
Onbegrijpelijkheid, V., -heden.
Onbegrootbaar, -bare.
Onbehaaglijk, -lijker, -lijkst.
Onbehaaglijkheid, V.
Onbehaard.
Onbehangen.
Onbeheerd.
Onbehendig, onbehendiger, onbehendigst.
Onbehendigheid, V.
Onbehoed.
Onbehoedzaam, -zamer, -zaamst.
Onbehoedzaamheid, V.
Onbeholpen, onbeholpener, onbeholpenst.
Onbeholpenheid, V.
Onbehoorlijk, -lijker, -lijkst.
Onbehoorlijkheid, V., -heden.
Onbehouwen, onbehouwener, onbehouwenst.
Onbehouwenheid, V.
Onbehulpzaam, -zamer, -zaamst.
Onbehulpzaamheid, V.
Onbekeerbaar, -bare.
Onbekeerd.
Onbekeerlijk.
Onbekeerlijkheid, V.
Onbekend, onbekender, onbekendst.
Onbekendheid, V., -heden.
Onbeklaagd.
Onbekleed, onbekleede.
Onbeklemd.
Onbeklimbaar, -bare.
Onbeklimbaarheid, V.
Onbekommerd, onbekommerder, onbekommerdst.
Onbekommerdheid, V.
Onbekookt, onbekookter, onbekooktst.
Onbekooktheid, V.
Onbekrachtigd.
Onbekrompen, onbekrompener, onbekrompenst.
Onbekrompenheid, V.
Onbekroond.
Onbekwaam, onbekwamer, onbekwaamst.
Onbekwaamheid, V.
Onbeladen.
Onbelangrijk, -rijker, -rijkst.
Onbelangrijkheid, V.
Onbelast.
Onbelastbaar, -bare.
Onbelastbaarheid, V.
Onbeleefd, onbeleefder, onbeleefdst.
Onbeleefdelijk.
Onbeleefdheid, V., -heden.
Onbelegd.
Onbelegen.
Onbelemmerd, onbelemmerder, onbelemmerdst.
Onbelemmerdheid, V.
Onbelet.
Onbelezen.
Onbelezenheid, V.
Onbelichaamd.
Onbelogen.
Onbelommerd.
Onbeloonbaar, -bare.
Onbeloond.
Onbeluisterd.
Onbemand.
Onbemast.
Onbemerkbaar, -bare.
Onbemerkt
Onbemiddeld.
Onbemind.
Onbeminlijk en Onbeminnelijk, -lijker, -lijkst.
Onbeminlijkheid, V.
Onbemuurd.
Onbenaderbaar, -bare.
Onbenepen.
Onbeneveld, onbenevelder, onbeneveldst.
Onbenijd.
Onbenijdbaar, -bare.
Onbenoembaar, -bare.
Onbenoembaarheid, V.
Onbenoemd.
Onbenul, M. en V., onbenullen.
Onbenullig, onbenulliger, onbenulligst.
Onbenulligheid, V.
Onbeoordeeld.
Onbepaalbaar, -bare.
Onbepaalbaarheid, V.
Onbepaald, onbepaalder, onbepaaldst.
Onbepaaldheid, V.
Onbeperkt, onbeperkter, onbeperktst.
Onbeperktheid, V.
Onbeproefd.
Onberaden, onberadener, onberadenst.
Onberadenheid, V.
Onberecht.
Onbereden.
Onberedeneerd, onberedeneerder, onberedeneerdst.
Onberedeneerdheid, V.
Onbereid.
Onbereikbaar, -bare.
Onbereikbaarheid, V.
Onbereisd.
Onberekenbaar, -bare.
Onberekend.
Onberijdbaar, -bare.
Onberispelijk, -lijker, -lijkst.
Onberispelijkheid, V.
Onberoemd.
Onberoemdheid, V.
Onberoepbaar, -bare.
Onberoerd.
Onberouwelijk.
Onbeschaafd, onbeschaafder, onbeschaafdst.
Onbeschaafdheid, V., -heden.
Onbeschaamd, onbeschaamder, onbeschaamdst.
Onbeschaamdheid. V., -heden.
Onbeschadigd.
Onbeschaduwd.
Onbescheid, O.
Onbescheiden, onbescheidener, onbescheidenst.
Onbescheidenheid, V., -heden.
Onbescheidenlijk,
Onbeschenen.
Onbeschermd.
Onbeschoft, onbeschofter. onbeschoftst.
Onbeschoftheid, V., -heden.
Onbeschreid.
Onbeschreven.
Onbeschrijfbaar, -bare.
Onbeschrijfbaarheid, V.
Onbeschrijfelijk, -lijker, -lijkst.
Onbeschroomd, onbeschroomder, onbeschroomdst.
Onbeschroomdheid, V.
Onbeschut, onbeschutte.
Onbesefbaar, -bare.
Onbeslagen.
Onbeslapen.
Onbeslecht.
Onbeslist.
Onbeslistheid, V.
Onbesmet, onbesmette.
Onbesneden.
Onbesnoeid.
Onbespeeld.
Onbespied.
Onbesproken.
Onbesprokenheid, V.
Onbestaanbaar, -bare.
Onbestaanbaarheid, V.
Onbesteed, onbestede.
Onbestelbaar.
Onbesteld.
Onbestendig, onbestendiger, onbestendigst.
Onbestendigheid, V.
Onbestierd.
Onbestijgbaar, -bare.
Onbestorven.
Onbestreden.
Onbesuisd, onbesuisder, onbesuisdst.
Onbesuisdheid, V., -heden.
Onbetaalbaar, -baarder, -baarst.
Onbetaald.
Onbetamelijk, -lijker, -lijkst.
Onbetamelijkheid, V., -heden.
Onbeteekenend, onbeteekenender, onbeteekenendst.
Onbetembaar, -bare.
Onbetembaarheid, V.
Onbetemd.
Onbeteugelbaar, -bare.
Onbeteugeld.
Onbeteuterd.
Onbetoogbaar, -bare.
Onbetoombaar, -bare.
Onbetoombaarheid, V.
Onbetoomd.
Onbetracht.
Onbetreden.
Onbetreurd.
Onbetrouwbaar, -bare.
Onbetuigd.
Onbetwijfelbaar, -baarder, -baarst.
Onbetwist.
Onbetwistbaar, -baarder, -baarst.
Onbetwistbaarheid, V.
Onbevaarbaar, -bare.
Onbevaarbaarheid, V.
Onbevallig, onbevalliger, onbevalligst.
Onbevalligheid, V.
Onbevaren.
Onbevattelijk, -lijker, -lijkst.
Onbevattelijkheid, V.
Onbevlekt.
Onbevlektheid, V.
Onbevochten.
Onbevoegd.
Onbevoegdheid, V.
Onbevolkt.
Onbevooroordeeld.
Onbevooroordeeldheid, V.
Onbevoorrecht.
Onbevredigd.
Onbevredigdheid, V.
Onbevredigend.