Woordenlijst Voor De Spelling Der Nederlandsche Taal Met Aanwij
Chapter 34
Loodsuiker, V.
Loodswezen, O.
Loodvergiftiging, V.
Loodwit, O.
Loodwitfabriek, V., -fabrieken.
Loodwitfabrikant, M., -fabrikanten.
Loodwitmolen, M., -molens.
Loodzwaar.
Loof en Lof, O.
Loofdak, O., -daken.
Loofhut, V., -hutten.
Loofhuttenfeest, O., -feesten.
Loofhuttenzetting, V.
Loofrijk, -rijker, -rijkst.
Loofwerk, O.
Loog, V.
Loogasch, V.
Loogbak, M., -bakken.
Loogdoek, M., -doeken.
Loogen, loogde, heeft geloogd.
Looging, V., loogingen.
Loogkuip, V., -kuipen.
Loogwater, O.
Loogzout, O., -zouten.
Looi, V.
Looien, looide, heeft gelooid.
Looier, M., looiers.
Looierij, V., looierijen.
Looierskalk, V.
Looiersmes, O., -messen.
Looikuip, V., -kuipen.
Looistof, V.
Looizuur, O.
Look, O.
Looksaus, V., -sausen.
Loom, loomer, loomst.
Loomheid, V.
Loomig, loomiger, loomigst.
Loomigheid, V.
Loon, O., loonen. Loontje, O.
Loondienaar, M., -dienaars.
Loonen, loonde, heeft geloond.
Loonkiezer, M., -kiezers.
Loonstandaard, M.
Loonsverhooging, V., -verhoogingen.
Loontrekkend.
Loontrekker, M., -trekkers.
Loop, M., loopen. Loopje, O., -jes.
Loopbaan, V., -banen.
Loopbrug, V., -bruggen.
Loopen, liep, heeft en is geloopen.
Looper, M., loopers. Loopertje, O., -jes.
Loopgraaf, V., -graven.
Loopjongen, M., -jongens.
Loopkraan, V., -kranen.
Loopmeisje, O., -jes.
Loopplaats, V., -plaatsen.
Loopplank, V., -planken.
Loopsch.
Loopschheid, V.
Loopstag, O., -stagen.
Loopstrijd, M., -strijden.
Loopveld, O., -velden.
Loopwagen, M., -wagens.
Loos (touw), V., loozen.
Loos (listig), loozer, loost.
Loos (ledig), looze.
Loosheid, V., -heden.
Loospijp, V., -pijpen.
Loot, V., loten. Lootje, O., -jes.
Loover, O.
Loovertje (blaadje klatergoud, enz.), O., -jes.
Loozen, loosde, heeft geloosd.
Loozing, V., loozingen. Loozinkje, O., -jes.
Lor, V., lorren. Lorretje, O., -jes.
Lord, M., lords.
Lording, V., lordings.
Lorgneeren, lorgneerde, heeft gelorgneerd.
Lorgnet, O., lorgnetten. Lorgnetje, O., -jes.
Lorgnon, O., lorgnons.
Lorkeboom, M., -boomen.
Lorren, lorde, heeft gelord.
Lorrendraaien, lorrendraaide, heeft gelorrendraaid.
Lorrendraaier, M., -draaiers.
Lorrendraaierij, V., -draaierijen.
Lorretje (papegaai), O., -jes.
Lorrewerk, O.
Lorrie, V., lorries.
Lorrig, lorriger, lorrigst.
Los (lynx), M., lossen.
Los, losser.
Losbaar, -bare.
Losbak, M., -bakken.
Losbandig, -bandiger, -bandigst.
Losbandigheid, V., -heden.
Losbarsten en Losbersten, barstte los, is losgebarsten; ook borst los, is losgeborsten.
Losbarsting, V., -barstingen.
Losbersten. Zie Losbarsten.
Losbinden, bond los, heeft losgebonden.
Losblijven, bleef los, bleven los, is losgebleven.
Losbol, M., -bollen; -bolletje, O., -jes.
Losbranden, brandde los, heeft en is losgebrand.
Losbreken, brak los, braken los, heeft en is losgebroken.
Losceel, V., -ceelen.
Losdag, M., -dagen.
Losdooien, dooide los, is losgedooid.
Losdraaien, draaide los, heeft losgedraaid.
Losdrukken, drukte los, heeft losgedrukt.
Losgaan, gaat los, ging los, is losgegaan.
Losgeld, O., -gelden.
Losgespen, gespte los, heeft losgegespt.
Losgooien, gooide los, heeft losgegooid.
Losgraven, groef los, groeven los, heeft losgegraven.
Losgrendelen, grendelde los, heeft losgegrendeld.
Loshaken, haakte los, heeft losgehaakt.
Loshakken, hakte los, heeft losgehakt.
Loshangen, hing los, heeft losgehangen.
Losheid, V., -heden.
Loshoofd, M. en V., -hoofden.
Loshoofdig, -hoofdiger, -hoofdigst.
Losjes.
Loskade, V., -kaden.
Losknippen, knipte los, heeft losgeknipt.
Losknoopen, knoopte los, heeft losgeknoopt.
Loskomen, komt los, kwam los, kwamen los, is losgekomen.
Loskoopen, kocht los, heeft losgekocht.
Loskrijgen, kreeg los, kregen los, heeft losgekregen.
Loslaten, liet los, heeft losgelaten.
Loslating, V.
Loslijvig, -lijviger, -lijvigst.
Loslijvigheid, V.
Losloopen, liep los, heeft en is losgeloopen.
Losmaken, maakte los, heeft losgemaakt.
Losplaats, V., -plaatsen.
Losprijs, M., -prijzen.
Losraken, raakte los, is losgeraakt.
Losrente, V., -renten.
Losrijgen, reeg los, regen los, heeft losgeregen.
Losrukken, rukte los, heeft losgerukt.
Losscheuren, scheurde los, heeft en is losgescheurd.
Losschieten, schoot los, schoten los, is losgeschoten.
Losschroeven, schroefde los, heeft losgeschroefd.
Lossen, loste, heeft gelost.
Losser, M., lossers.
Lossigheid, V., -heden.
Lossing, V., lossingen.
Losslaan, slaat los, sloeg los, heeft en is losgeslagen.
Lossmijten, smeet los, smeten los, heeft losgesmeten.
Lossnijden, sneed los, sneden los, heeft losgesneden.
Losspelden, speldde los, heeft losgespeld.
Losspil, O., -spillen.
Losspringen, sprong los, is losgesprongen.
Losstaan, staat los, stond los, heeft losgestaan.
Losstrikken, strikte los, heeft losgestrikt.
Lostarnen, tarnde los, heeft losgetarnd.
Lostornen. Zie Lostarnen.
Lostrekken, trok los, trokken los, heeft losgetrokken.
Losvliegen, vloog los, vlogen los, is losgevlogen.
Loswaaien, waaide los, is losgewaaid; ook woei los, woeien los.
Losweeken, weekte los, heeft en is losgeweekt.
Loswringen, wrong los, heeft losgewrongen.
Loswroeten, wroette los, heeft losgewroet.
Loszagen, zaagde los, heeft losgezaagd.
Loszinnig, -zinniger, -zinnigst.
Loszinnigheid, V., -heden.
Loszitten, zat los, zaten los, heeft losgezeten.
Lot (in de loterij). O., loten. Lotje en lootje, O., lootjes.
Lot (levenstoestand), O.
Lot (scheut), O., loten. Lootje, O., -jes.
Lotbus, V., -bussen.
Loteling, M., lotelingen.
Loten, lootte, heeft geloot.
Loterij, V., loterijen. Loterijtje, O., -jes.
Loterijbriefje, O., -briefjes.
Loterijjood, M., -joden.
Loterijkantoor, O., -kantoren.
Loterijlijst, V., -lijsten.
Loterijzaal, V.
Lotgemeen.
Lotgenoot, M., -genooten.
Lotgenoote, V., -genooten.
Lotgeval, O., -gevallen.
Loting, V., lotingen.
Lotsbedeeling, V., -bedeelingen.
Lotsbestel, O.
Lotsverbetering, V.
Lotsverwisseling, V., -verwisselingen.
Lotto, O., lotto's.
Lottospel, O.
Lotus, M., lotussen.
Lotusbloem, V., -bloemen.
Loupe (vergrootglas), V., loupen.
Louter, louterder, louterst.
Louteraar, M, louteraars.
Louteren, louterde, heeft gelouterd
Louterheid, V.
Loutering, V., louteringen.
Louterpan, V., -pannen.
Louterstal, M.
Loutertrog, M., -troggen.
Louw, V., louwen. Louwtje, O., -jes.
Louwmaand, V.
Loven, loofde, heeft geloofd.
Loyaal, loyaler, loyaalst.
Loyaliteit, V.
Lub en Lubbe, V., lubben.
Lubben, lubde, heeft gelubd.
Lubbing, V., lubbingen.
Lubmes, O., -messen.
Lucht, V., luchten. Luchtje, O., -jes.
Luchtbal, M., -ballen.
Luchtballon, M., -ballons.
Luchtband, M., -banden.
Luchtbel, V., -bellen.
Luchtbol, M., -bollen.
Luchtdicht.
Luchtdruk, M.
Luchten, luchtte, heeft gelucht.
Luchter, M., luchters.
Luchtgat, O., -gaten; -gaatje, O., -jes.
Luchthart, M. en V., -harten.
Luchthartig, -hartiger, -hartigst.
Luchthartigheid, V.
Luchtig, luchtiger, luchtigst.
Luchtigheid, V.
Luchtigjes.
Luchtkasteel, O., -kasteelen.
Luchtkolom, V., -kolommen.
Luchtkuur, V., -kuren.
Luchtledig.
Luchtledig, O.
Luchtpijp, V., -pijpen.
Luchtpomp, V., -pompen.
Luchtreis, V., -reizen.
Luchtreiziger, M., -reizigers.
Luchtruim, O.
Luchtschipper, M., -schippers.
Luchtsgesteldheid, V.
Luchtsoort, V., -soorten.
Luchtspiegeling, V., -spiegelingen.
Luchtstreek, V., -streken.
Luchtverschijnsel, O., -verschijnselen.
Luchtverversching, V.
Lucifer, M., lucifers. Lucifertje, O., -jes.
Lucifersdoosje, O., -jes.
Lucifersfabriek, V., -fabrieken.
Luciferskop, M., -koppen.
Lucratief, lucratiever, lucratiefst.
Lui (lieden), mv., M. Luitjes, mv., O.
Lui, luier, luist.
Luiaard, M., luiaards.
Luibak, M. en V., -bakken.
Luibakken, luibakte, heeft geluibakt.
Luibuis, M., -buizen.
Luibuizen, luibuisde, heeft geluibuisd.
Luid (Naar - van).
Luid, luider, luidst.
Luiden (ook Luien), luidde en luide, heeft geluid.
Luider (ook Luier), M., luiders en luiers.
Luidkeels.
Luidruchtig, -ruchtiger, -ruchtigst.
Luidruchtigheid, V.
Luien, enz. Zie Luiden, enz.
Luier, V., luiers. Luiertje, O., -jes.
Luieren, luierde, heeft geluierd.
Luiermand, V., -manden.
Luifel, V., luifels. Luifeltje, O., -jes.
Luiheid, V.
Luik, O., luiken. Luikje, O., -jes.
Luiken, look, loken, heeft geloken.
Luikerwaal, M., -walen.
Luilak, M. en V., luilakken.
Luilakken, luilakte, heeft geluilakt.
Luilekkerland, O.
Luim, V., luimen. Luimpje, O., -jes.
Luimen, luimde, heeft geluimd.
Luimig, luimiger, luimigst.
Luimigheid, V.
Luip, M., luipen.
Luipaard, M., luipaarden. Luipaardje, O., -jes.
Luipen, luipte, heeft geluipt.
Luiperd, M., luiperds.
Luis, V., luizen. Luisje, O., -jes.
Luishark (persoon), M., -harken.
Luister, M.
Luisteraar, M., luisteraars.
Luisteraarster, V., luisteraarsters.
Luisteren, luisterde, heeft geluisterd.
Luisterrijk, -rijker, -rijkst.
Luistervink, M. en V., -vinken.
Luit, V., luiten.
Luitenant, M., luitenants. Luitenantje, O., -jes.
Luitenant-adjudant, M., luitenants-adjudanten.
Luitenant-admiraal, M., luitenant-admiraals.
Luitenant-generaal, M., luitenant-generaals.
Luitenant-ingenieur, M., luitenants-ingenieurs.
Luitenant-kolonel, M., luitenant-kolonels.
Luitenantstraktement, O., -traktementen; -traktementje, O., -jes.
Luiwagen, M., -wagens.
Luiwammes, M., -wammesen.
Luiwijvengoed, O.
Luizen, luisde, heeft geluisd.
Luizenmarkt, V., -markten.
Luizenzalf, V.
Luizig, luiziger, luizigst.
Luk, O. Lukje, O., -jes.
Lukken, lukte, is gelukt.
Lukraak.
Lul (stagzeil), M., lullen.
Lul (pijp), V., lullen. Lulletje, O., -jes.
Lullen, lulde, heeft geluld.
Lullepijp, V., -pijpen.
Lumieren, O.
Lumineus, lumineuzer.
Lumme, V., lummen.
Lummel, M., lummels.
Lummelachtig, -achtiger, -achtigst.
Lummelachtigheid, V.
Lummelen, lummelde, heeft gelummeld.
Lummelig, lummeliger, lummeligst.
Lummerharst, M., -harsten.
Lummerstuk, O., -stukken.
Lunderen, lunderde, heeft gelunderd.
Lunet, V., lunetten.
Luns, V., lunzen. Lunsje, O., -jes.
Lunteren, lunterde, heeft gelunterd.
Lunzen, lunsde, heeft gelunsd.
Lurf, V., lurven.
Lurken, lurkte, heeft gelurkt.
Lus. Zie Lis.
Lust, M., lusten. Lustje, O., -jes.
Lusteloos, -loozer.
Lusteloosheid, V.
Lusten, lustte, heeft gelust.
Lusthof, M., -hoven.
Lustig, lustiger, lustigst.
Lustigheid, V.
Lustoord, O., -oorden.
Lustprieel, O., -prieelen.
Lustre, O.
Lustrum, O., lustra.
Lustrumfeest, O., -feesten.
Lustwarande, V., -waranden.
Lutheraan, M., Lutheranen.
Luthersch.
Lutje, O.
Luttel (bijw.).
Luttel, O.
Luur, V., luren. Luurtje, O., -jes.
Luw, luwer, luwst.
Luwen, luwde, heeft en is geluwd.
Luwte, V., luwten.
Luxe, V.
Luxe-artikel, O., -artikelen.
Luxe-trein, M.
Luxueus, luxueuze.
Lyceum, O., lycea.
Lynx, M., lynxen.
Lyriek, V.
Lyrisch.
Lyrisme, O.
M
M, V., m's.
Ma. Zie Mama.
Maag (bloedverwant), M. en V., magen.
Maag (lichaamsdeel), V., magen. Maagje, O., -jes.
Maagbitter, O.
Maagd, V., maagden.
Maagdelijk.
Maagdelijkheid, V.
Maagdelijn, O., maagdelijns.
Maagdenblos, M.
Maagdenhart, O., -harten.
Maagdenpalm, V., -palmen.
Maagdenpeer, V., -peren.
Maagdenrei, M., -reien.
Maagdenroof, M.
Maagdenschennis, V.
Maagdenwas, O.
Maagdevlies, O., -vliezen.
Maagdom, M.
Maagkanker, M.
Maagkramp, V., -krampen.
Maagkwaal, V., -kwalen.
Maagpijn, V., -pijnen.
Maagpomp, V., -pompen.
Maagsap, O.
Maagschap (magen), V.; (vermaagschapping), O.
Maagstreek, V.
Maaien, maaide, heeft gemaaid.
Maaier, M., maaiers.
Maaigeld, O.
Maaiing, V., maaiingen.
Maailand, O.
Maailoon, O., -loonen.
Maaitijd, M.
Maaiveld, O., -velden.
Maaivoet, M. en V., -voeten.
Maaivoeten, maaivoette, heeft gemaaivoet.
Maaiweder en -weer, O.
Maak, V. (In de maak).
Maakloon, O., -loonen.
Maaksel, O. Maakseltje, O., -jes.
Maakster, V., maaksters.
Maal (keer), V., malen.
Maal (kofferzak), V., malen.
Maal (maaltijd), O., malen. Maaltje, O., -jes.
Maalfeest, O., -feesten.
Maalgeld, O.
Maalloon, O., -loonen.
Maalsteen, M., -steenen.
Maalstok, M., -stokken.
Maalstroom, M., -stroomen.
Maaltand, M., -tanden.
Maaltijd (maal), M., -tijden.
Maaltijd (eener suikerfabriek), M.
Maalzolder, M., -zolders.
Maan (hemellichaam), V., manen. Maantje, O., -jes.
Maanbewoner, M., -bewoners.
Maanbrief, M., -brieven.
Maand, V., maanden. Maandje, O., -jes.
Maandag, M., -dagen.
Maandaghouder, M., -houders.
Maandagsch.
Maandblad, O., -bladen.
Maandbloeiers (mv.), M.
Maandelijks (bijw.).
Maandelijksch (bnw.).
Maandgeld, O., -gelden.
Maandkaart, V., -kaarten.
Maandkamer, V., -kamers.
Maandpaard, O., -paarden.
Maandroos, V., -rozen.
Maandschrift, O., -schriften.
Maandstaat, M., -staten.
Maandstond, M., -stonden.
Maaneclips, V., -eclipsen.
Maanjaar, O., -jaren.
Maankop (kop of zaadhuisje), M.; (de plant), V., -koppen; (slaapmiddel), O.
Maanlicht, O.
Maansverduistering, V., -verduisteringen.
Maanziek, -zieker, -ziekst.
Maanziekte, V.
Maar.
Maar. Zie Mare.
Maarschalk, M., -schalken.
Maarschalksstaf, M., -staven.
Maarschalkstafel, V., -tafels.
Maart, M.
Maartsch.
Maas (rivier), V.
Maas (van een net), V., mazen. Maasje, O., -jes.
Maasbal, M., -ballen.
Maasmand, V.; -mandje, O.
Maat (makker), M., maats. Maatje, O., -jes.
Maat (van meten), V., maten. Maatje, O., -jes.
Maatflesch, V., -flesschen.
Maatgevoel, O.
Maatglas, O., -glazen; -glaasje, O., -jes.
Maathouden, O.
Maatjesharing, V.
Maatjespeer, V., -peren.
Maatregel, M., -regelen en -regels.
Maatschap, V., -schappen.
Maatschappelijk.
Maatschappij, V., maatschappijen.
Maatstaf, M., -staven.
Maatstok, M., -stokken.
Maatstreep, V., -strepen.
Maatvast, -vaster.
Maatverdeeling, V., -verdeelingen.
Macadamweg, M., -wegen.
Macaroni, V.
Macaroni-schoteltje, O., -schoteltjes.
Macchiavellisme, O.
Macedoine, V., macedoines.
Machinaal, machinale.
Machine, V., machines.
Machinekamer, V., -kamers.
Machinekamer-behoeften (mv.), V.
Machine-olie, V.
Machinerie, V., machinerieën.
Machinist, M., machinisten.
Machinistenschool, V., -scholen.
Macht, V., machten.
Machteloos, -loozer.
Machteloosheid, V.
Machthebbende, M. en V., -hebbenden.
Machthebber, M., -hebbers.
Machtig, machtiger, machtigst.
Machtigen, machtigde, heeft gemachtigd.
Machtiging, V., machtigingen.
Machtsaanwijzer, M., -aanwijzers.
Machtsbetoon, O.
Machtsoefening, V., -oefeningen.
Machtsontwikkeling, V.
Machtspreuk, V., -spreuken.
Machtsverheffing, V., -verheffingen.
Machtsvertoon, O.
Mad, O.
Made, V., maden.
Madelief, V., madelieven. Madeliefje, O., -jes.
Madera, V.
Maderakaraf, V., -karaffen.
Madonna, V., madonna's.
Madonnabeeld, O., -beelden.
Madrigaal, O., madrigalen.
Maecenas, M., Maecenaten.
Maestro, M., maestro's.
Maf, maffer, mafst.
Maf (geldstuk), M., maffen. Mafje, O., -jes.
Mafheid, V.
Magazijn, O., magazijnen. Magazijntje, O., -jes.
Magazijngeweer, O., -geweren.
Magazijnhouder, M., -houders.
Magazijnmeester, M., -meesters.
Magazijnvuur, O.
Mager, magerder, magerst.
Mageren, magerde, is gemagerd.
Magerheid, V.
Magerte, V.
Magertjes.
Magisch.
Magistraat, M., magistraten.
Magistraatspersoon, M., -personen.
Magistratuur, V.
Magnaat, M., magnaten.
Magneet, M., magneten.
Magneetkracht, V.
Magneetnaald, V., -naalden.
Magnesia, V.
Magnesium, O.
Magnesiumlicht, O.
Magnetisch.
Magnetiseeren, magnetiseerde, heeft gemagnetiseerd.
Magnetiseur, M., magnetiseurs.
Magnetisme, O.
Magyaar, M., Magyaren.
Mahomedaan, M., Mahomedanen.
Mahomedaansch.
Mahoniehout, O.
Mahoniehouten (bnw.).
Mail, V., mails.
Mailboot, V., -booten.
Mailbrief, M., -brieven.
Mailcourant, V., -couranten.
Mail-editie, V., -edities.
Mailpapier, O.
Mailsluiting, V.
Mainteneeren, mainteneerde, heeft gemainteneerd. Zie ook Mentineeren.
Maïs, V.
Maïsoogst, M.
Majesteit, V., majesteiten.
Majesteitsschennis, V.
Majestueus, -euze.
Majolica, O.
Majoor, M., majoors.
Majoor-ingenieur, M., majoors-ingenieurs.
Majoraat, O., majoraten.
Mak, makker, makst.
Makelaar (persoon en zaak), M., makelaars en makelaren. Makelaartje, O., -jes.
Makelaardij, V.
Makelaarschap, O.
Makelaarsloon, O.
Makelaarsprovisie, V.
Makelarij, V., makelarijen.
Makelen, makelde, heeft gemakeld.
Makelij, V.
Maken, maakte, heeft gemaakt.
Maker, M., makers.
Makheid, V.
Making, V., makingen.
Makkelijk, -lijker, -lijkst.
Makker, M., makkers. Makkertje, O., -jes.
Makreel, M., makreelen. Makreeltje, O., -jes.
Makrol, V., makrollen. Makrolletje, O., -jes.
Mal (vorm), M., mallen. Malletje, O., -jes.
Mal, maller, malst.
Malachiet, O.
Malaria, V.
Malaria-bacil, M., -bacillen.
Malaria-mug, V., -muggen.
Malder en Maller (werkman), M., malders en mallers.
Malder (maat), O., malders.
Maleier, M., Maleiers.
Maleisch.
Maleisch, O.
Malen (fijnmaken), maalde, heeft gemalen.
Malen (schilderen), maalde, heeft gemaald.
Malen (lastig zijn), maalde, heeft gemaald.
Maler, M., malers.
Malerij, V., malerijen.
Malheid, V., -heden.
Malicieus, malicieuzer.
Malie (ring en nestel), V., maliën en malies.
Malie (kolf), V., maliën en malies.
Maliebaan, V., -banen.
Maliën, maliede, heeft gemalied.
Maliënkolder, M., -kolders.
Malieveld, O., -velden.
Maling, V.
Malkaar (_afbreken_ malk-aar).
Malkander, (_afbreken_ malk-ander).
Malkruid, O.
Mallejan, M., -jans.
Mallemolen, M., -molens.
Mallen, malde, heeft gemald.
Mallepraat, M.
Malligheid, V., -heden.
Malloot (vrouwmensch), V., malloten.
Mallote (steenklaver), V.
Malsch, malscher, malscht.
Malschheid, V., -heden.
Malteezer, M., Malteezers.
Maltentig, maltentiger, maltentigst.
Maltentigheid, V.
Malthusianisme, O.
Maluwe, V.
Malve, V., malven.
Malversatie, V., malversatiën.
Malvezij, V.
Malzolder, M., -zolders.
Mam, V., mammen. Mammetje, O., -jes.
Mama en Ma, V., mama's en ma's. Mamaatje en maatje, O., -jes.
Mamiering, V., mamieringen en mamierings.
Mammekenskruid, O.
Mammeluk, M., Mammelukken.
Mammen, mamde, heeft gemamd.
Mammon, M.
Man, M., mannen en mans. Mannetje, O., -jes; ook manneken en manneke, O., mannekens en mannekes.
Manachtig, -achtiger, -achtigst.
Manbaar, -bare.
Manbaarheid, V.
Manchet, V., manchetten. Manchetje, O., -jes.
Manchetknoop, M., -knoopen; -knoopje, O., -jes.
Manco, O.
Mand, V., manden. Mandje, O., -jes.
Mandaat, O., mandaten.
Mandarijn, M., mandarijnen.
Mandarijntje, O., mandarijntjes.
Mandataris, M., mandatarissen.
Mandement, O., mandementen.
Manden, mandde, heeft gemand.
Mandenmaken, O.
Mandenmaker, M., -makers.
Mandenwinkel, M., -winkels.
Mandewagen, M., -wagens; -wagentje, O., -jes.
Mandewerk, O.
Mandewerker, M., -werkers.
Mandjeskoop, M., -koopen.
Mandoline, V., mandolines.
Mandragora, V.
Mandril, M., mandrils.
Mandvol, V. (mv. manden vol).
Manege, V., maneges.
Manegepaard, O., -paarden.
Manen (haren), mv., V.
Manen, maande, heeft gemaand.
Maner, M., maners.
Maneschijn, M., -schijntje, O.
Mangaan, O.
Mangat en Mannegat, O., -gaten.
Mangel (werktuig), M., mangels. Mangeltje, O., -jes.
Mangel (gebrek), O.
Mangelbord, O., -borden.
Mangelen (gladmaken), mangelde, heeft gemangeld.
Mangelen (ontbreken), mangelde, heeft gemangeld.
Mangelgeld, O.
Mangelgoed, O.
Mangelkamer, V., -kamers.
Mangelrol, V., -rollen.
Mangelvrouw, V., -vrouwen.
Mangelwortel, M., -wortels.
Manhaftig, -haftiger, -haftigst.
Manhaftigheid, V.
Manheid, V.
Manier, V., manieren.
Manifest, O., manifesten.
Manifestatie, V., manifestaties en manifestatiën.
Manilla, V., manilla's.
Manilla-sigaar, V., -sigaren.
Manille, V., manilles.
Maning, V., maningen.
Mank, manker, mankst.
Mankeeren, mankeerde, heeft gemankeerd.
Mankement, O., mankementen. Mankementje, O., -jes.
Mankheid, V.
Mankpoot, M. en V., -pooten.
Manlief.
Manlijk en Mannelijk, -lijker, -lijkst.
Manlijkheid, V.
Manmoedig, -moediger, -moedigst.
Manmoedigheid, V.
Manna, O.
Mannen, mande, heeft gemand.
Mannenhuis, O., -huizen.
Mannenklooster, O., -kloosters.
Mannenkoor, O., -koren.
Mannenkracht, V.
Mannenmoed, M.
Mannenstem, V., -stemmen.
Mannentaal, V.
Mannenzaal, V., -zalen.
Mannenzangvereeniging, V., -vereenigingen.
Mannetjes. De diernamen, met mannetjes verbonden, als samenstellingen aaneen te schrijven, b. v. mannetjeseend, mannetjesvink enz.
Mannetjesboon, V., -boonen.
Mannetjesnoot, V., -noten.
Mannin, V., manninnen.
Manoeuvre, V., manoeuvres.
Manoeuvreeren, manoeuvreerde, heeft gemanoeuvreerd.
Manometer, M., -meters.
Mans (Mans genoeg).
Mansbloed, O.
Manschap (bemanning), V.
Manschappen (mv.), V.
Manshemd, O., -hemden.
Manshoed, M., -hoeden.
Manshoofd, O.
Manshoogte, V.
Manskerel, M., -kerels.
Manskleed, O., -kleederen en -kleeren.
Manskleermaker, M., -kleermakers.
Manslaars, V., -laarzen.
Manslag, M., -slagen.
Manslengte, V.
Mansmoeder, V.
Mansnaam, M., -namen.
Manspersoon, O., -personen.
Mantel (kleedingstuk), M., mantels. Manteltje, O., -jes.
Mantel (takel), M., mantels.
Mantelen, mantelde, heeft gemanteld.
Manteling, V., mantelingen.
Manteljas, V., -jassen.
Mantelmagazijn, O., -magazijnen.
Mantelstof, V., -stoffen.
Mantelzak, M., -zakken.
Mantille, V., mantilles.
Manuaal, O., manualen.
Manufacturen (mv.), V.
Manufacturier, M., manufacturiers.
Manufactuurwinkel, M., -winkels.
Manuscript, O., manuscripten.
Manvolk, O.
Manwijf, O., -wijven.
Manziek, -zieker, -ziekst.
Maraskijn, M. Maraskijntje, O.
Marcheeren, marcheerde, heeft en is gemarcheerd.
Marconist, M., marconisten.
Mare en Maar (tijding), V., maren.
Marechaussee (politie), V.; (persoon), M., marechaussees. In de eerste bet. ook Maréchaussée.
Margarine, V.
Margarineboter, V.
Mariabeeld, O., -beelden.
Maria-Boodschap, V.
Mariadag, M., -dagen.
Mariadienst, M.
Maria-Geboorte, V.
Marialied, O., -liederen.
Mariavereering, V.
Marine, V.
Marineblauw, O.
Marineeren, marineerde, heeft gemarineerd.
Marine-officier, M., -officieren.
Marinewerf, V., -werven.
Marinier, M., mariniers.
Mariniersbak, M.
Marinierskazerne, V., -kazernes.
Mariolein en Marjolein, V.
Marionet, V., marionetten.
Marionettenspel, O., -spellen.
Maritiem, maritieme.
Mark (landstreek), V., marken.
Mark (geldstuk), V., marken.
Mark (gewicht), O., marken.
Markegrond, M., -gronden. Ook Markgrond.
Marketentster, V., marketentsters. Marketentstertje, O., -jes.
Marketentstersvaatje, O., -jes.
Markeur, M., markeurs.
Markgenoot, M., -genooten.
Markgraaf, M., -graven.
Markgravin, V., -gravinnen.
Markies, M., markiezen.
Markiezaat. O., -aten.
Markiezin, V., markiezinnen.
Markje, O., -jes.
Markt, V., markten.
Marktbericht, O., -berichten.
Marktdag, M., -dagen.
Markten, marktte, heeft gemarkt.
Marktganger, M., -gangers.
Marktgangster, V., -gangsters.
Marktgeld, O.
Marktmeester, M., -meesters.
Marktplaats, V., -plaatsen.
Marktplein, O., -pleinen.
Marktpolitie, V.
Marktprijs, M., -prijzen.
Marktrecht, O., -rechten.
Marktschip, O., -schepen.
Marktvlek, O., -vlekken.
Marktwaar, V., -waren.
Marlen, marlde, heeft gemarld.
Marlijn, V., marlijnen.
Marling, V., marlingen.
Marlpriem, M., -priemen.
Marlreep, M., -reepen.
Marltouw, O.
Marmel, M., marmels.
Marmelade, V., marmeladen en marmelades.
Marmeladepotje, O., -potjes.
Marmelen, marmelde, heeft gemarmeld.
Marmer, O., marmers.
Marmeren (bnw.).
Marmeren, marmerde, heeft gemarmerd.
Marmergroeve, V., -groeven.
Marmerkleur, V.
Marmerzaag, V., -zagen.
Marmot, V., marmotten. Marmotje, O., -jes.
Marmottenhok, O., -hokken.
Marmottevel, O., -vellen.
Marokijn, O.
Marokijnen (bnw.).
Marren, marde, heeft gemard.
Mars, V., marsen. Marsje, O., -jes.
Marsch (tusschenw.).
Marsch, M., marschen.
Marschroute, V.
Marschtenue, V.
Marschvaardig.
Marsepein, V. en O., marsepeinen. Marsepeintje, O., -jes.
Marsepeinen (bnw.).
Marsiliaan (vaartuig), M., marsilianen.
Marskramer, M., -kramers.
Marslantaarn, V., -lantaarns.
Marszeil, O., -zeilen en -zeils.
Martelaar, M., martelaren en martelaars. Martelaartje, O., -jes.
Martelaarsboek, O., -boeken.
Martelaarschap, O.
Martelaarskroon, V., -kronen.
Martelares, V., martelaressen.
Marteldood, M.
Martelen, martelde, heeft gemarteld.