Woordenlijst Voor De Spelling Der Nederlandsche Taal Met Aanwij

Chapter 3

Chapter 32,831 wordsPublic domain

35. Aan het onzijdige geslacht is niet zelden het begrip van onvolkomenheid verbonden. Dit blijkt uit de namen der vormlooze grondstoffen (§ 32), waaraan door bewerking eene bepaalde gedaante moet gegeven worden; uit de namen van jonge, d. i. onvolwassen dieren (§ 31); uit de namen in § 30 vermeld, die de dieren als geslachteloos en zonder kunne voorstellen; ook verzamelingen (§ 16 en 34) worden als zaken zonder vorm of gedaante gedacht. Aan het begrip van onvolkomenheid grenst dat van kleinheid. Daarom zijn de zoogenaamde verkleinwoorden op -_je_ (-_tje_ en -_pje_) en -_ken_, als _huisje_, _jongsken_, O. Reeds boven, § 8, is aangetoond, dat het de beteekenis is, welke die woorden onzijdig maakt, niet het achtervoegsel. Dit verklaart, waarom de verkleinwoorden op -_el_, wier verkleinende kracht thans niemand meer gevoelt, niet onzijdig zijn. Deze volgen in den regel het geslacht van het grondwoord, waarvan zij gevormd zijn; zoo zijn b. v. _eikel_ en _beukel_ (als het ware jongen van eenen _eik_ of _beuk_), _hoepel_, _kneukel_, _knobbel_, _druppel_, _tepel_ enz. M., evenals _eik_, _beuk_, _hoep_, _knok_, _knop_, _drup_ of _drop_, _tip_; daarentegen zijn _greppel_, _kruimel_, _mazel_, _peukel_ en _pukkel_, _trommel_ V., gelijk _greb_, _kruim_, _maas_, _pok_, _trom_.

36. Het begrip van onvolkomenheid of kleinheid, dat aan zoovele onzijdige woorden eigen is, gaat niet zelden met geringschatting gepaard. Dit verklaart, waarom sommige woorden tot het onzijdige geslacht overgaan, wanneer men er het bijdenkbeeld van minachting aan verbindt. Daarom zegt men soms _dat heer_, _dat mensch_, en altijd _dat vrouwmensch_; ofschoon _heer_ en _mensch_ M. zijn: daarom wordt _persoon_ onzijdig in de samenstellingen _manspersoon_ en _vrouwspersoon_, die nooit gebezigd worden, wanneer men met achting van iemand spreekt. Daarom hebben wij gemeend aan _onmensch_, dat in sommige woordenboeken M. genoemd wordt, het onzijdige geslacht te moeten toekennen.

37. Het M. en V. is, in tegenstelling van het O., edeler en deftiger. Daarom zegt men nooit _het hoogeschool_, noch in overdrachtelijken zin _het school van dien wijsgeer_ of _dien godgeleerde_, voor _de hoogeschool_, of _de school van A of B verwerpt die leer_. Daarom zegt men, met minachting sprekende, bij voorkeur _dat soort_, niet _die soort_, en is _bocht_ (slechte waar, eigenlijk _uitvaagsel_) O. Daarom hebben de woorden op -_sel_, waarnevens andere op -_ing_ bestaan, als _aanslibsel_ en _aanspoelsel_ nevens _aanslibbing_ en _aanspoeling_, een stellig minachtenden zin. De _uur_ of _ure_ (V.) en de _oogenblik_ (M.) zijn slechts in deftigen stijl gepast; _het uur_ en _het oogenblik_ zijn de dagelijksche uitdrukkingen.

Regels, geheel of gedeeltelijk op den vorm der woorden gegrond.

38. Samengestelde woorden volgen het geslacht van het laatste lid, indien zij eene _soort_ beteekenen, waarvan het geheele _geslacht_ door het achterste lid wordt aangeduid; is dit het geval niet, dan kan het woord een ander geslacht hebben. Zoo zijn _gebedenboek_, _handboek_, _kerkboek_, _leerboek_, _leesboek_, _schoolboek_ O., omdat die woorden voorwerpen aanduiden, die behooren tot het _geslacht_ van dingen, die _boek_ heeten, welk woord op zich zelf staande O. is. Daarentegen is _roodvonk_, eene ziekte, maar geen bijzondere soort van _vonk_, onzijdig, niettegenstaande _vonk_ V. is. _Maankop_ volgt dan alleen het manl. geslacht van _kop_, als het op een _kop_ of zaadhuisje van eene papaver ziet; moet het de geheele plant of eene menigte planten aanduiden, of wel het slaapmiddel dat uit het sap getrokken wordt, dan verliest _kop_ zijne beteekenis en verandert het geslacht van het woord; in het eerste geval wordt het V., in het laatste O. genomen.

De regel lijdt geene uitzonderingen, dan alleen bij _kerkhof_ dat O. genomen wordt, niettegenstaande _hof_ in de hier bedoelde beteekenis M. is.

_Oogenblik_, O., wordt gewoonlijk, maar ten onrechte, als uitzondering opgegeven; het behoort tot dezelfde soort van woorden als _roodvonk_ en _maankop_. _Een oogenblik_ beteekent niet meer een _blik_ (M.) der oogen, maar de kleine tijdruimte, die voor zulk _eenen oogenblik_ gevorderd wordt. Vergel. § 37.

39. Het geslacht van vele afgeleide woorden hangt óf geheel óf ten deele af van het achtervoegsel, waarmede zij gevormd zijn; daarom kan het achtervoegsel in vele gevallen een hulpmiddel wezen om het geslacht te herkennen. Zoo zijn alle woorden met -_heid_ en -_ij_, als _waarheid_, _kleedij_, _dieverij_, V. In de meeste gevallen echter moet de beteekenis of de aard van het grondwoord, of wel beide, tevens in rekening worden gebracht. Zoo is -_uw_ in _schaduw_ enz. een vrouwel. achtervoegsel; doch _baljuw_ is om de beteekenis natuurlijk M. Het geslacht der vroegere verkleinwoorden op -_el_ hangt af van het geslacht van het grondwoord, zie § 35. De woorden op -_er_ zijn M., wanneer zij van werkwoorden zijn gevormd en een werktuig aanduiden. Ontbreekt eene dezer beide voorwaarden, dan kan het woord een ander geslacht hebben. _Kaper_ (muts) b. v., van het znw. _kap_ afgeleid, is V., _kaper_ (roofschip) daarentegen, van het ww. _kapen_ gevormd, is M.; _leger_, ofschoon van _liggen_, _gelegen_, is geen werktuig, maar ook O. Het achtervoegsel -_dom_, oudtijds -_doem_, is eigenlijk een M., -_schap_ eigenlijk een V. zelfst. nw.; desniettemin zijn de meeste woorden op -_dom_, als _heiligdom_, _hertogdom_, en sommige op -_schap_, als _gereedschap_, _gezelschap_, enz., onzijdig.

Uit een en ander blijkt, dat er slechts weinige achtervoegsels zijn, waaraan onder alle omstandigheden een bepaald geslacht eigen is. Men kan echter de volgende regels stellen:

40. -_aar_, dat doorgaans manl. persoonsnamen vormt, behoudt ook bij levenlooze voorwerpen het M. geslacht, b. v. in _beukelaar_, _boezelaar_, _hazelaar_, _makelaar_ (soort van balk). Het vrouwel. _bakelaar_ (_baccae lauri_) eindigt niet op het achtervoegsel -_aar_, en is dus geene uitzondering.

41. -_aard_ vormt bijna uitsluitend manlijke persoonsnamen; daarom is ook _mutsaard_ (takkebos) M.

42. -_age_ vormt vrouwelijke woorden, als _kijvage_, _stoffage_. Alleen _bosschage_ en _dierage_ worden onzijdig gebruikt, omdat men daarbij aan _bosch_ en _dier_ denkt.

43. -_dom_ vormt abstracte en concrete naamwoorden. De abstracte, als _adeldom_, _eigendom_ (in den zin van _recht om te bezitten_), _maagdom_, _wasdom_, zijn manlijk; de concrete, als _eigendom_ (in den zin van _bezitting_), _heiligdom_, _hertogdom_, _prinsdom_, _priesterdom_, zijn onzijdig. Van de woorden, bij welke de abstracte en concrete opvattingen in elkander vloeien, is _rijkdom_ M., en zijn _christendom_, _jodendom_, _pausdom_ en dergelijke benamingen van godsdienstige gezindheden O.

44. -_e_, als achtervoegsel, is V., b. v. in _genade_, _koude_, _ronde_, _zonde_, behalve in _vrede_, M., _einde_, O., in den manl. persoonsnaam _heere_, en in de gemeenslachtige woorden _bode_ en _getuige_. Daarom zijn ook de woorden, welke nog een vorm op -_e_ nevens zich hebben, V., als _reis_--_reize_, _wijs_--_wijze_.--Dat de buigingsuitgang -_e_ der bijv. nw., die als zelfst. nw. gebezigd worden, b. v. in _de blinde_, _het goede_, geheel iets anders is dan het achtervoegsel -_e_, behoeft nauwelijks vermelding.

45. -_el_ geeft aan de namen van vruchten, als _eikel_, _appel_, het M. geslacht; ook vormt het van werkw. manl. benamingen van werktuigen of middelen om de werking te verrichten, b. v. _beitel_ (van _bijten_, _beet_, oudt. _beit_), _gordel_, _griffel_, _hevel_ (van _heffen_), _klepel_ (van _kleppen_), _lepel_ (van _leppen_), _prikkel_, _stekel_, _sleutel_, _teugel_ (van _tiegen_, _toog_), _vleugel_.--Over het geslacht der verkleinwoorden op -_el_ zie boven, § 35.

46. -_en_, achter een klinker en eene _l_ of _r_ verkort tot _n_, in sommige woorden door eene _s_ of _z_ versterkt tot -_sem_ of -_zem_, vormt M. woorden. Daarom kan men den regel stellen, dat de woorden op -_em_, -_lm_ en -_rm_ M. zijn, b. v. _adem_, _asem_, _bezem_, _deesem_, _helm_, _darm_, _storm_ enz. _Scherm_ echter is O.--_Palm_ (vlakke hand, lengtemaat en kruid) en _uniform_, die V. zijn, maken als vreemde woorden geene eigenlijke uitzondering; en evenmin _bloem_ en _kiem_, voorheen _bloeme_ en _kieme_, welke dus met -_me_, niet met -_em_, gevormd zijn.

47. -_en_ heeft geen bepaald geslacht: _regen_ is M., _haven_ V., _bekken_ O., enz.

48. -_er_, achter den praesensstam der werkw. gevoegd, vormt M. woorden, als _gieter_, _snuiter_, _stamper_ enz. Woorden op eene andere wijze gevormd kunnen V. en O. zijn, als _de haver_, _het water_ enz.

49. -_erd_ komt alleen bij M. woorden voor, als _blafferd_ (register), _mosterd_.

50. -_heid_ vormt louter V. woorden, als _goedheid_, _waarheid_, _menschheid_, _kindsheid_.

51. -_ie_, als Nederlandsch achtervoegsel, is V., b. v. _balie_, _bezie_, _merrie_.

52. -_ie_, als vreemd achtervoegsel, zoowel met als zonder den klemtoon, maakt vrouwelijke woorden; b. v. _harmonie_, _poëzie_, _lelie_, _menie_. Uitgezonderd zijn _het concilie_, _het evangelie_ en _het genie_, voor vernuft of vernuftig mensch, tegenover _de genie_ als benaming van een wapen in het leger.

53. -_ij_ vormt vrouwelijke woorden, als _dieverij_, _maatschappij_ enz., zonder uitzondering, dan alleen dat _schilderij_ in den gemeenzamen stijl ook O. gebruikt wordt.

54. -_ing_ is van tweeërlei oorsprong: 1) het oorspronkelijke achtervoegsel -_ing_, dat met eene voorgevoegde _l_ het gelijkbeteekenende -_ling_ vormt; en 2) een ander -_ing_, oudtijds -_ung_. Het eerste diende ter vorming van manl., het laatste van vrouwel. woorden. Nu beide eensluidend geworden en de geslachten verloopen zijn, is het bij jongere woorden niet altijd uit te maken, met welk der beide achtervoegsels men te doen heeft. Thans gelden de volgende regels:

De persoonsnamen op -_ing_ en -_ling_ zijn M., als _koning_, _loteling_, _ouderling_; of gemeensl., als _drenkeling_, _leerling_ enz.

De woorden op -_ing_ en -_ling_ zijn M., wanneer zij de benamingen zijn van dieren of van voorwerpen, die een afgerond geheel uitmaken, als vruchten, munten enz., b. v. _bunzing_, _gieteling_, _haring_, _paling_, _spiering_, _groenling_, _kruiling_, _pippeling_, _wildeling_, _penning_, _schelling_, _zilverling_, _beuling_, _duimeling_, _krakeling_, _teerling_. Hiertoe behooren ook _enteling_ en _zaailing_, als benamingen van planten, elk op zich zelve genomen. _Ketting_ en _rotting_, die vreemde woorden zijn en dus niet met het achterv. -_ing_ gevormd, hebben echter door het voorbeeld der bovenstaande woorden insgelijks het M. geslacht aangenomen.

Doch de woorden op -_ing_ en -_ling_ zijn V., wanneer zij stoffen aanduiden, als _zuring_ en _scheerling_, benamingen van planten, doch niet als individuen, maar als stoffen gedacht; _kammeling_, _kibbeling_ (afval van zoutevisch). Uitgezonderd is _honing_ (of _honig_), dat steeds als M. gebezigd wordt, en _messing_, dat als de naam van een metaal O. is. Uit § 15 volgt, dat ook de namen van visschen, die op -_ing_ eindigen, V. worden, wanneer men de visch als stof beschouwt: _versche haring_, _vette paling eten_ enz.

De woorden op -_ing_, gevormd van werkwoorden en eene werking aanduidende, zijn V., als _dwaling_, _roeping_, _regeering_, _tering_, _wandeling_, _verovering_ enz. Zij behouden dit geslacht ook wanneer zij concreet worden genomen, gelijk b. v. _helling_, _kleeding_, _lading_, _regeering_ voor de regeerende personen, _wandeling_ voor de plaats, waar gewandeld wordt.

55. -_nis_ (eigenlijk -_n_-_is_) vormt vrouwelijke znw., als _bekentenis_, _belijdenis_, _geheimenis_, _vergiffenis_ enz. Zoo ook _vuilnis_, dat echter in den gemeenzamen vorm _vullis_ als O. gebezigd wordt.--_Vonnis_ is O.; en zoo ook gewoonlijk _getuigenis_, dat nochtans in deftigen stijl ook met het vrouwelijke geslacht in gebruik is.

56. -_schap_ is eigenlijk een vrouwel. znw. en vormt dus in 't algemeen V. woorden, als _boodschap_, _blijdschap_, _eigenschap_, _gemeenschap_, _ridderschap_ enz. Uitgezonderd zijn de volgende onzijdige:

1) De namen van waardigheden of betrekkingen, waaraan rechten en plichten verbonden zijn, als _burgemeesterschap_, _koningschap_ enz.

2) De namen van landstreken, als _heemraadschap_, _landschap_, _waterschap_. Zoo ook _het graafschap_, in 't algemeen; doch waar sprake is van het gebied der oude graven van Zutfen, is het oorspronkelijke geslacht bewaard gebleven en zegt men _de graafschap_, V.

3) De woorden _genootschap_, _gereedschap_, _gezantschap_ en _gezelschap_.

57. -_sel_ maakt O. woorden, als _baksel_, _deksel_ enz.; doch _stijfsel_ wordt thans algemeen V. genomen.

58. -_te_ vormt van bijv. nw. vrouwelijke woorden, als _duurte_, _gedaante_, _gemeente_, _hoogte_ enz.; van znw., te gelijk met voorvoeging van _ge_, onzijdige, als _gebergte_, _gedierte_, _gesternte_.

59. De woorden, door aanhechting van het voorvoegsel _ge_ van stammen van werkw. gevormd, als _gebed_, _gedraaf_, _geloop_ enz., zijn O.

OVER DE SPELLING.

Overzicht van de regels, in zooverre zij de tot hiertoe gebruikelijke spelling wijzigen of aanvullen.

1. Veelomvattende veranderingen in de spelling eener taal zijn in den beginne altijd lastig voor de schrijvenden en onaangenaam voor de lezenden, en hebben bij voortduring onvermijdelijk een nadeeligen invloed op de beoefening van de letterkunde dier taal. Wanneer een groot aantal woorden wijzigingen ondergaan hebben, dan wordt de schrijver, die aan de vroegere spelling gewoon is, onophoudelijk in zijn gedachtenloop gestuit, dewijl hij ieder oogenblik genoodzaakt is zich te bezinnen om den eenen of anderen nieuwen regel toe te passen; en de meeste lezers gevoelen een weerzin tegen hetgeen het voorkomen eener vreemde taal heeft gekregen en soms slechts met moeite begrepen wordt. Is men eenmaal aan zulk eene nieuwe spelling gewend, dan is de verhouding omgekeerd; dan schijnen alle _vroegere_ geschriften in eene vreemde taal opgesteld te zijn, en de vorm schrikt de lezers af. Eene geheele omwenteling in de spelling graaft aldus tusschen het verledene en het toekomende eene kloof, die slechts door weinigen overschreden wordt; de vroegere literatuur, die het voedsel moet leveren voor de kennis der taal en het nationaliteitsgevoel van een volk, heeft dan voor de meesten opgehouden te bestaan.

2. Om gemelde redenen hebben wij gemeend in onze schrijfwijze geene veranderingen te mogen aanbrengen van zoo wijden omvang, dat ons geheele schrift daardoor een ongewoon aanzien moest krijgen, gelijk het geval zou geweest zijn, indien wij b. v. besloten hadden alle _e_'s en _o_'s in opene lettergrepen op dezelfde wijze, hetzij met één hetzij met twee letterteekens, te schrijven. Daarom hebben wij ons tot regel gesteld geene schrijfwijzen te bezigen, die volstrekt niet in gebruik waren, en zijn wij slechts ten opzichte van eenige weinige op zich zelve staande woorden, als _Dinsdag_, _litteeken_ en nog enkele dergelijke, van dien stelregel afgeweken. Doch, hoewel wij het raadzaam oordeelden eenparig erkende spelregels ook tot de onze te maken, hebben wij ons toch niet verplicht gerekend tevens alle gebreken en onregelmatigheden over te nemen. Wij achtten ons integendeel gehouden om de willekeurige, op onkunde of misverstand berustende uitzonderingen te verwerpen en erkende regels, zooveel doenlijk, consequent toe te passen.--Verder bestond voor ons de onvermijdelijke noodzakelijkheid, uit twee (of meer) gebruikelijke schrijfwijzen ééne te kiezen en--wat ongetwijfeld het gewichtigste gedeelte van onze taak was--een aantal nog onbeantwoorde vragen, waaronder uiterst belangrijke die nog nooit of slechts ten deele behandeld waren, voor ons zelven te beantwoorden, en de regels, die ons doelmatig voorkwamen, te formuleeren. Om een en ander hebben wij de grondbeginselen, die uit de natuur en de bestemming van het schrift met noodwendigheid voortvloeien, bestendig voor oogen gehouden, en daarbij de natuurwet van alle letterschrift, dat het namelijk de afbeelding der uitspraak behoort te wezen, op den voorgrond geplaatst. (Zie _Grondbeginselen_ § 1-72). De onbevooroordeelde zal uit de volgende beknopte opgave van hetgeen wij voor ons zelven hebben vastgesteld, kunnen zien, dat de wijzigingen in het bestaande betrekkelijk weinig in getal zijn en alle de strekking hebben om de spelling meer met de beschaafde uitspraak in overeenstemming te brengen of haar in andere opzichten regelmatiger te maken, en dat wij bij alles de doelmatigheid hebben beoogd, d.i. van schrift gesproken, duidelijkheid en voorkoming van misverstand.

In het hier volgende overzicht hebben wij de gronden, waarop onze beslissing berustte, slechts even kunnen aanstippen, met verwijzing naar de § § van de _Grondbeginselen der Nederlandsche spelling_, waar zij breeder ontvouwd zijn.

Klinkers en tweeklanken.

De verdubbeling der klinkletters.

3. In gesloten lettergrepen wordt de lange of heldere klank door verdubbeling van het letterteeken aangeduid: _aa_, _ee_, _oo_, _uu_; behalve bij de _i_, wier heldere klank met den vollen of halven klemtoon steeds door _ie_ voorgesteld wordt. Wij schrijven daarom niet alleen _baar_, _beer_, _boor_, _buur_, enz., maar ook _eegaas_, _raas_ en _vlaas_, mv. van de echt Nederl. woorden _eega_ (_gade_), _ra_ en _vla_, met eene dubbele _a_.--Daarentegen zijn de meeste schrijvers gewoon de heldere sluitklinkers in vreemde woorden en eigennamen, als _Maria_, _Hebe_, _Nero_, _acacia_, _echo_, niet te verdubbelen, maar den tweeden klinker door het weglatingsteeken (_apostrophe_) te vervangen: _Maria's_, _Hebe's_ enz. Daar het verkieslijk is den vorm van vreemde woorden en in het bijzonder van eigennamen zooveel mogelijk onveranderd te laten, geven wij aan deze schrijfwijze de voorkeur boven die van _Mariaas_, _Hebees_, _Neroos_, _echoos_ enz., te eer omdat men bij de woorden op _i_, als _Garibaldi_, _Rubini_, toch zoo te werk gaat, en nooit _Garibaldiis_, _Rubiniis_ schrijft. Wij spellen daarom den 2den nv. van het enkelv. en alle nv. van het meerv. der hier bedoelde woorden met _'s_: _Maria's_, _Hebe's_, _Garibaldi's_, _Nero's_, _acacia's_, _echo's_ enz. (_Grondbeg._ § 90).

4. Het behoeft wel geene vermelding, dat wij hier het oog niet hebben op woorden als _pendule_, _Elize_, _Philippine_ enz., die op eene toonlooze, niet op eene heldere _e_ uitgaan. De ' zou daar overtollig zijn en geene weglating aanduiden; daarom schrijven wij _Elizes_, _Philippines_, _pendules_ enz.

5. De gebruikelijke onderscheiding van de zoogenaamde zachtlange en scherplange _e's_ en _o's_, met andere woorden, de verdubbeling der scherpe _e's_ en _o's_ in opene lettergrepen, b. v. in _beenen_ en _boomen_, nevens _geven_ en _boven_, is, o. a. om de redenen in § 2 vermeld, door ons behouden, met de volgende bepalingen, die gedeeltelijk wijzigingen zijn:

1. Alle achtervoegsels, die óf altijd, óf soms den vollen klemtoon hebben, dus niet alleen -_eel_, en -_loos_, maar ook -_ees_, -_eesch_ en -_eeren_ worden steeds met den dubbelen klinker geschreven. Wij spellen derhalve _houweelen_, _penseelen_, _personeele_, _Chineezen_, _Japanneezen_, _Chineesche_, _Siameesche_, _waardeeren_, _regeeren_, _waardeering_, _regeering_, _goddelooze_, _redeloozen_ enz. (_Grondbeg._ § 77-79).

2. De aangenomen regel, dat in vreemde woorden de _e's_ en _o's_, behalve die welke in den boezem onzer eigene taal uit _ai_ en _au_ ontstaan zijn, met eene enkele _e_ en _o_ geschreven worden, b. v. in _lelie_, _menie_, _olie_, _rozen_ enz., wordt door ons consequent toegepast. Wij verwerpen dus de willekeurige uitzondering van _kroon_, _troon_ en _toon_ (in de muziek), en schrijven regelmatig ook _kronen_, _tronen_, _tonen_.

Evenzoo blijven wij aan het beginsel getrouw ten aanzien van de uitzondering der _o's_ uit _au_, en schrijven niet alleen _mooren_, _poozen_ enz., maar ook _koozen_, _liefkoozen_ (lat. _causari_) met _oo_.

3. Met de _e's_ en _o's_ in samengetrokken lettergrepen handelt men veelal niet consequent. Zoo schrijft men _leeman_ (_ledeman_), _leeren_ (_lederen_), _streelen_ (_stregelen_), _gedwee_ (_gedwede_), _slee_ (_slede_), _oolijk_ (_oodelijk_); maar daarentegen _preken_ (_prediken_), _kwelen_ (_kwedelen_), _veren_ (_vederen_), _kwe_ (_kwede_), _doren_ (_doderen_); terwijl men ten opzichte van andere woorden, als _ceelen_ (van _cedel_), het ww. _onweeren_ (van _onweder_) enz., in onzekerheid verkeert en in de woordenboeken geene aanwijzing vindt. Het is buiten twijfel raadzaam, alle dergelijke samentrekkingen met _ee_ en _oo_ te schrijven, dewijl de dubbele letter het best geschikt is om den gerekten klank voor te stellen, die door samentrekking noodwendig ontstaat. Derhalve niet alleen _leeman_, _leeren_ (_lederen_), _streelen_, _gedwee_, _slee_ (_slede_), _oolijk_, maar ook _preeken_, _preeker_, _kweelen_, _veeren_, _kwee_, _dooren_, _ceelen_, _onweeren_ enz.

4. Doordien de zachte en scherpe _e's_ en _o's_ in het Hollandsche dialect, dat in de schrijftaal den toon geeft, niet meer duidelijk onderscheiden worden, en sommige woorden ook elders niet op overeenstemmende wijze worden uitgesproken, zoo is er ten aanzien van enkele woorden onzekerheid en verwarring ontstaan, waaruit alleen de afleiding uitkomst kan geven. Bepaaldelijk bestaat die verwarring soms bij verschillende, maar nagenoeg gelijkluidende woorden. Daar nauwkeurig onderscheiden de eerste voorwaarde van juiste kennis is, hebben wij gemeend niet te mogen medewerken tot bestendiging van zulke verwarringen, en onderscheiden wij daarom niet alleen _weken_ en _weeken_, _lenen_ en _leenen_, _kolen_ en _koolen_, _roven_ en _rooven_ enz., maar om dezelfde redenen ook

_beren_ (verscheurende dieren) van _beeren_ (varkens, waterkeeringen, muurstutten en heiblokken); _delen_ (planken en dorschvloeren) van _deelen_ (gedeelten); _sleepen_ (voorttrekken) van _slepen_ (gesleept worden); _klooven_ (doen splijten) van _kloven_ (mv. van _kloof_ en verl. tijd van _kluiven_); _slooven_ (voorschooten) van _sloven_ (sukkels en als ww. sukkelen); _tonen_ (in de muziek) van _toonen_ (werkw. en mv. van _toon_ = _teen_); _zoogen_ (laten zuigen) van _zogen_ (verl. tijd van _zuigen_).

Hoe nuttig echter het onderscheiden van gelijkluidende woorden ook is, het mag niet op willekeur berusten, maar moet in de taal, in de afleiding gegrond zijn. Waar zulk een grondslag ontbreekt, mag men de onderscheiding alleen in gevallen van uiterste noodzakelijkheid erkennen. Zoo heeft men ten onrechte een onderscheid gemaakt tusschen _keelen_ (in de bouwkunde) en _kelen_ (halzen), tusschen _meeren_ (een schip vastleggen) en _meren_ (mv. van _meer_). De taal eischt in beide gevallen _meren_ met ééne _e_, terwijl _keel_ in de bouwkunde, en zoo ook in de wapenkunde als benaming der roode kleur, geen ander woord is dan _keel_ (hals), zoodat men zonder onderscheid _kelen_ te schrijven heeft. Daar eene verwarring van het ww. _meren_ met het mv. van (_een_) _meer_, en van _keel_ als bouwkundig ornament met _keel_ als lichaamsdeel niet te vreezen is, zoo hebben wij zonder aarzelen de grammatisch goede schrijfwijze tot de onze gemaakt.

Evenzeer eischte de consequentie, met afwijking van de gebruikelijke spelling, de volgende woorden aldus te schrijven: _deemoedig_, _deesem_, _eega_, _hoonen_ en _vroolijk_; maar _dwepen_, _hepen_ (handbijlen), _keren_ (vegen), _droge_, _drogen_. Die spelling wordt door den oorspronkelijken vorm dezer woorden gebiedend voorgeschreven.