Woordenlijst Voor De Spelling Der Nederlandsche Taal Met Aanwij

Chapter 24

Chapter 242,842 wordsPublic domain

Goedkoopheid, V.

Goedlachsch.

Goedleersch.

Goedleven (Pater -), M.

Goedmaken, maakte goed, heeft goedgemaakt.

Goedmaking, V.

Goedmoedig, -moediger, -moedigst.

Goedpraten, praatte goed, heeft goedgepraat.

Goedrond.

Goedschiks.

Goedsmoeds.

Goedvinden, vond goed, heeft goedgevonden.

Goedvinden, O.

Goedwillig, -williger, -willigst.

Goeierd, M., goeierds.

Goelijk, -lijker, -lijkst.

Goesting, V.

Golf, V., golven. Golfje, O., -jes.

Golfbreker, M., -brekers.

Golflengte, V.

Golflijn, V., -lijnen.

Golfslag, M.

Golfstroom, M., -stroomen.

Golven, golfde, heeft gegolfd.

Golving, V., golvingen.

Gom, V., gommen.

Gomachtig, -achtiger, -achtigst.

Gombal, M., -ballen; -balletje, O., -jes.

Gomboom, M., -boomen.

Gomdragant, O.

Gomflesch, V., -flesschen; -fleschje, O., -jes.

Gomkwast, M., -kwasten.

Gomlastiek en Gom-elastiek, O.

Gomlastieken (bnw.).

Gommen, gomde, heeft gegomd.

Gondel, V., gondels. Gondeltje, O., -jes.

Gondelier, M., gondelieren en gondeliers.

Gong, V., gongs.

Goniometrie, V.

Goniometrisch.

Gons, M.

Gonzen, gonsde, heeft gegonsd.

Goochelaar, M., goochelaren en goochelaars.

Goochelaarskunst, V., -kunsten; -kunstje, O., -jes.

Goochelarij, V., goochelarijen.

Goochelbal, M., -ballen.

Goochelbeker, M., -bekers.

Goochelen, goochelde, heeft gegoocheld.

Goochelkunst, V.

Goochelspel, O.

Goochelstuk, O., -stukken.

Goocheltasch, V., -tasschen.

Goocheltoer, M., -toeren.

Goodspenning. Zie Godspenning.

Gooi (worp), V., gooien.

Gooi (naam eener landstreek). O.

Gooien, gooide, heeft gegooid.

Gooier, M., gooiers.

Goor, gore, goorder, goorst.

Goorheid, V., -heden.

Goot, V., goten. Gootje, O., -jes.

Gootgat, O., -gaten.

Gootplank, V., -planken.

Gootrecht, O.

Gootsteen, M., -steenen.

Gootwater, O.

Gord (scheepsw.), V., gorden.

Gordel, M., gordels. Gordeltje, O., -jes.

Gordeldier, O., -dieren.

Gordelriem, M., -riemen.

Gordelroos, V.

Gorden, gordde, heeft gegord.

Gordijn, V. en O., gordijnen. Gordijntje, O., -jes.

Gordijnfranje, V.

Gordijnkoord, O., -koorden.

Gordijnring, M., -ringen.

Gordijnroede, V., -roeden.

Gording, V., gordingen en gordings.

Gorgel, M., gorgels. Gorgeltje, O., -jes.

Gorgeldrank, M., -dranken.

Gorgelen, gorgelde, heeft gegorgeld.

Gorig, goriger, gorigst.

Gorigheid, V., -heden.

Gors (vogel), V., gorzen.

Gors (land) V. en O., gorzen.

Gorsdijk, M., -dijken.

Gort (grutten), V., gorten. Gortje, O., -jes.

Gortbus, V., -bussen; -busje, O., -jes.

Gortenteller, M., -tellers.

Gortepap, V.

Gorter, M., gorters.

Gorterij, V.

Gortewater, O.

Gortig, gortiger, gortigst.

Gortigheid, V.

Gorzing, V., gorzingen.

Goteling, M., gotelingen.

Gothiek, V.

Gothisch en Gotisch.

Goud, O.

Goudader, V., -aderen en -aders.

Goudbeurs, V., -beurzen.

Goudbeweging, V., -bewegingen.

Goudblond.

Goudbrons, O.

Gouddorst, M.

Gouddraad, O.

Gouden (bnw.).

Goudenregen, M., -regens.

Goudessaai, O., -essaaien.

Goudgeel, -gele.

Goudgeld, O.

Goudgewicht, O., -gewichten.

Goudgulden, M., -guldens.

Goudhaan, M., -hanen; -haantje, O., -jes.

Goudklomp, M., -klompen; -klompje, O., -jes.

Goudkoorts, V.

Goudkorrel, V., -korrels.

Goudlak, O.

Goudlaken, O.

Goudlakensch.

Goudland, O., -landen.

Goudmijn, V., -mijnen.

Goudpelde.

Goudsbloem, V., -bloemen.

Goudschaal, V., -schalen; -schaaltje, O., -jes.

Goudsmid, M., -smeden.

Goudstuk, O., -stukken; -stukje, O., -jes.

Goudveld, O., -velden.

Goudvink, M., -vinken.

Goudvisch, M., -visschen; -vischje, O., -jes.

Goudzoeker, M., -zoekers.

Goulard-water, O.

Gouvernante, V., gouvernantes.

Gouvernement, O., gouvernementen.

Gouvernementsambtenaar, M., -ambtenaars en -ambtenaren.

Gouvernementsgebouw, O., -gebouwen.

Gouvernementsland, O., -landen.

Gouverneur, M., gouverneuren en gouverneurs.

Gouverneur-generaal, M., gouverneuren- en gouverneurs-generaal.

Gouw, V.

Gouwenaar (Goudsche pijp), M., gouwenaars.

Graad, M., graden. Graadje, O., -jes.

Graadboog, M., -bogen; -boogje, O., -jes.

Graadmeting, V., -metingen.

Graaf, M., graven. Graafje, O., -jes.

Graafschap (in 't algemeen), O., -schappen.

Graafschap (van Zutfen), V.

Graafwesp, V., -wespen.

Graag, grager, graagst.

Graagheid, V.

Graagte, V.

Graan, O., granen. Graantje, O., -jes.

Graanbeurs, V., -beurzen.

Graanbouw, M.

Graan-elevator, M., -elevatoren en -elevators.

Graangewas, O., -gewassen.

Graankooper, M., -koopers.

Graanmarkt, V., -markten.

Graanoogst, M., -oogsten.

Graanpakhuis, O., -pakhuizen.

Graanrecht, O., -rechten.

Graanwet, V., -wetten.

Graanzolder, M., -zolders.

Graat, V., graten. Graatje, O., -jes.

Grabbel, V.

Grabbelen, grabbelde, heeft gegrabbeld.

Gracelijk, -lijker, -lijkst.

Gracht, V., grachten. Grachtje, O., -jes.

Grachtwater, O.

Gracieus.

Gradeeren.

Gradeermachine, V.

Graecisme, O., graecismen.

Graf, O., graven. Grafje, O., -jes.

Grafelijk en Graaflijk.

Grafelijkheid en Graaflijkheid, V.

Grafheuvel, M., -heuvels.

Grafkelder, M., -kelders.

Grafkuil, M., -kuilen.

Grafmonument, O., -monumenten.

Grafschrift, O., -schriften.

Grafsteen, M., -steenen.

Grafstem, V.

Grafteeken, O., -teekens.

Graftombe, V., -tombes en -tomben.

Grafwaarts.

Grafzerk, V., -zerken.

Gram (gewicht), O., grammen.

Gram, grammer, gramst.

Grammatica, V., grammatica's.

Grammaticaal, grammaticale.

Gramophoon, V., gramophonen.

Gramschap, V.

Gramstorig, -storiger, -storigst.

Gramstorigheid, V.

Granaat (boom), M.; (vrucht), V., granaten.

Granaat (edelgesteente), M., granaten; (stof), O. Granaatje, O., -jes.

Granaat (projectiel), V., granaten.

Granaatappel, M., -appels.

Granaatkartets, V., -kartetsen.

Granaatvrij.

Granaatvuur, O.

Graniet, O.

Granietblok, O., -blokken

Granietrots, V., -rotsen.

Grap, V., grappen. Grapje, O., -jes.

Graphiet, O.

Grappenmaker, M., -makers.

Grappig, grappiger, grappigst.

Grappigheid, V.

Gras, O., grassen en grazen. Grasje, O., -jes.

Grasachtig.

Grasboter, V.

Grasduinen (mv.), V. (In - gaan).

Grasduinen, grasduinde, heeft gegrasduind.

Grasetting, V.

Grasgewas, O., -gewassen.

Grasgroen.

Grashalm, M., -halmen.

Graskaas, V., -kazen.

Grasland, O., -landen.

Graslinnen, O.

Grasmaaier, M., -maaiers.

Grasmaand, V.

Grasperk, O., -perken.

Grasplein, O., -pleinen.

Grasscheut, M., -scheuten; -scheutje, O., -jes.

Grasspriet, M., -sprieten; -sprietje, O., -jes.

Grasveld, O., -velden.

Grasvellig.

Grasvilt, V.

Graszaad, O.

Graszode, V., -zoden.

Gratias, V., gratiassen.

Gratie (bevalligheid en genade), V.

Gratie (godin), V., Gratiën.

Gratificatie, V., gratificatiën en gratificaties.

Gratig, gratiger, gratigst.

Gratigheid, V.

Gratis.

Grauw (snauw), M., grauwen.

Grauw (gemeen volk), O.

Grauw, grauwer, grauwst.

Grauwen, grauwde, heeft gegrauwd.

Grauwgors, V., -gorzen.

Grauwheid, V.

Grauwtje, O., grauwtjes.

Graveel, O.

Graveelig, graveeliger, graveeligst.

Graveeligheid, V.

Graveeren, graveerde, heeft gegraveerd.

Graveerijzer, O., -ijzers.

Graveering, V.

Graveerkunst, V.

Graveernaald, V., -naalden.

Graveerstift, V., -stiften.

Graven, groef, groeven, heeft gegraven.

Gravenkroon, V., -kronen; -kroontje, O., -jes.

Graver, M., gravers.

Graveur, M., graveurs.

Gravin, V., gravinnen. Gravinnetje, O., -jes.

Graving, V., gravingen.

Gravinnentooi, M.

Gravure, V., gravures.

Grazen, graasde, heeft gegraasd.

Grazig, graziger, grazigst.

Greb, V., grebben.

Greel (voor Gareel), O., greelen.

Greep (het grijpen), M. en V., grepen. Greepje, O., -jes.

Greep (handvol, handvatsel en mestvork), V., grepen. Greepje, O., -jes.

Greid, V., greiden.

Greidboer, M., -boeren.

Greidhoek, M.

Grein (korrel, gewicht en geweven stof), O., greinen. Greintje, O., -jes.

Greinen (bnw.).

Greling, M., grelingen.

Grenadier, M., grenadiers.

Grenadiersmuts, V., -mutsen.

Grenadine, V.

Grendel, M., grendels en grendelen. Grendeltje, O., -jes.

Grendelen, grendelde, heeft gegrendeld.

Grendelslot, O., -sloten.

Grendelsteen, M., -steenen.

Grenen (bnw.).

Grenenhout, O.

Grenenhouten (bnw.).

Grens, V., grenzen.

Grensbewoner, M., -bewoners.

Grensgebied, O.

Grenskantoor, O., -kantoren.

Grenslijn, V., -lijnen.

Grensmuur, M., -muren.

Grenspaal, M., -palen.

Grensplaats, V., -plaatsen.

Grensregeling, V., -regelingen.

Grensscheiding, V., -scheidingen.

Grensverandering, V., -veranderingen.

Grensvesting, V., -vestingen.

Grenzen, grensde, heeft gegrensd.

Grenzenloos, -looze.

Greppel, V., greppels. Greppeltje, O., -jes.

Gretig, gretiger, gretigst.

Gretigheid, V.

Grief en Grieve, V., grieven. Griefje, O., -jes.

Griek, M., Grieken. Griekje, O., -jes.

Griekenland, O.

Grieksch.

Grieksch, O.

Griel, V., grielen.

Griend, V., grienden.

Griendbaas, M., -bazen.

Griendgewas, O.

Griendkade, V., -kaden.

Griendwaard, V., -waarden.

Griep, V.

Griesmeel, O.

Griet, V., grieten. Grietje, O., -jes.

Grietenij, V., grietenijen.

Grietjesbras, M., -brassen.

Grietman, M., -mannen.

Grieve. Zie Grief.

Grieven, griefde, heeft gegriefd.

Grievend, grievender, grievendst.

Griezelen, Griezelig. Zie Grijzelen, Grijzelig.

Griezeltje, O., -jes.

Grif, griffer, grifst.

Grif (bijw.).

Griffel, V., griffels. Griffeltje, O., -jes.

Griffelen, griffelde, heeft gegriffeld.

Griffen, grifte, heeft gegrift.

Griffie, V., griffiën en griffies.

Griffier, M., griffiers.

Griffierschap, O.

Griffiersplaats, V., -plaatsen.

Griffioen en Griffoen, M., griffioenen en griffoenen.

Grifheid, V.

Grift, V., griften. Griftje. O., -jes.

Griftenkoker, M., -kokers.

Grifweg.

Grijn (knorrepot), M., grijnen.

Grijnen, green, grenen, heeft gegrenen; ook grijnde, heeft gegrijnd.

Grijnig, grijniger, grijnigst.

Grijns, V., grijnzen.

Grijnslach, M.; -lachje, O., -jes.

Grijnslachen, grijnslachte, heeft gegrijnslacht.

Grijnzaard, M., grijnzaards.

Grijnzen, grijnsde, heeft gegrijnsd.

Grijp, M., grijpen.

Grijpen, greep, grepen, heeft gegrepen.

Grijpvogel, M., -vogels.

Grijs, grijzer.

Grijsaard, M., grijsaards.

Grijsachtig, -achtiger, -achtigst.

Grijsbaard, M., -baarden.

Grijsblauw.

Grijsharig.

Grijsheid, V.

Grijskop, M., -koppen.

Grijzelen (griezelen), grijzelde (griezelde), heeft gegrijzeld (gegriezeld).

Grijzelig en Griezelig, -iger, -igst.

Grijzen, grijsde, is gegrijsd.

Grijzigheid, V.

Gril, V., grillen. Grilletje, O., -jes.

Grillen, grilde, heeft gegrild.

Grillig, grilliger, grilligst.

Grilligheid, V., -heden.

Grilling, V., grillingen.

Grim, V.

Grimas, V., grimassen.

Grimassen, grimaste, heeft gegrimast.

Grimassenmaker, M., -makers.

Grimlach, M.; -lachje, O., -jes.

Grimlachen, grimlachte, heeft gegrimlacht.

Grimmelen, grimmelde, heeft gegrimmeld.

Grimmen, grimde, heeft gegrimd.

Grimmig, grimmiger, grimmigst.

Grimmigheid, V.

Grind, O.

Grindbank, V., -banken.

Grind-depot, O., -depot's.

Grinden, grindde, heeft gegrind.

Grindschipper, M., -schippers.

Grindweg, M., -wegen.

Grindzand, O.

Grinniken, grinnikte, heeft gegrinnikt.

Grissen, griste, heeft gegrist.

Groef, V., groeven. Groefje, O., -jes.

Groefbeitel, M., -beitels.

Groefschaaf, V., -schaven.

Groefverband, O., -verbanden.

Groei, M.

Groeien, groeide, is gegroeid.

Groeiing, V.

Groeikracht, V.

Groeisel, O.

Groeistuip, V., -stuipen; -stuipje, O., -jes.

Groeizaam, -zamer, -zaamst.

Groeizaamheid, V.

Groen, groener, groenst.

Groen (nieuweling), M., groenen. Groentje, O., -jes.

Groen (kleur), O.

Groenachtig, -achtiger, -achtigst.

Groenboer, M., -boeren.

Groenen, groende, heeft en is gegroend

Groengrond, M., -gronden.

Groenheid, V.

Groenlandsvaarder, M., -vaarders.

Groenling, M., groenlingen.

Groenloopen, liep groen, heeft groengeloopen.

Groenmarkt, V., -markten.

Groensel (vogel), M., groensels.

Groensel (groente en verfaarde), O.

Groente, V., groenten.

Groenteboer, M., -boeren.

Groentesoep, V.

Groentevrouw. V., -vrouwen.

Groentijd, M.

Groenvrouw, V., -vrouwen.

Groep, V., groepen. Groepje. O., -jes.

Groepeeren, groepeerde, heeft gegroepeerd.

Groepeering, V., groepeeringen.

Groepen, groepte, heeft gegroept.

Groepvergadering, V., -vergaderingen.

Groet, M., groeten.

Groete, V., groeten.

Groeten, groette, heeft gegroet.

Groetenis, V., groetenissen.

Groeven, groefde, heeft gegroefd.

Groeze, V.

Groezelig, groezeliger, groezeligst.

Groezeligheid, V.

Grof, grover, grofst.

Grofgebouwd.

Grofgrein, O., -greinen.

Grofheid, V., -heden.

Grofsmederij, V., -smederijen.

Grofsmid, M., -smeden.

Grofte, V.

Grog, M. Grogje, O., -jes.

Grogglas, O., -glazen.

Grogstem, V., -stemmen.

Grol, V., grollen.

Grollen, grolde, heeft gegrold.

Grollenmaker, M., -makers.

Grom, O.

Grombaard, M., -baarden.

Grommelen, grommelde, heeft gegrommeld.

Grommen (knorren), gromde, heeft gegromd.

Grommen (ingewand uithalen), gromde, heeft gegromd.

Grommer, M., grommers.

Grommig, grommiger, grommigst.

Grommigheid, V.

Grompot, M. en V., -potten.

Grond, M., gronden.

Grondakkoord, O., -akkoorden.

Grondbeginsel, O., -beginselen.

Grondbegrip, O., -begrippen.

Grondbelasting, V., -belastingen.

Grondbezit, O.

Grondbezitter, M., -bezitters.

Grondboring, V., -boringen.

Grondeigenaar, M., -eigenaars.

Grondeigendom, M. en O., -eigendommen.

Grondel, M., grondels.

Grondeling, M., grondelingen.

Grondeloos, -loozer, -loost.

Grondeloosheid, V.

Gronden, grondde, heeft gegrond.

Gronderig, gronderiger, gronderigst.

Grondgebied, O.

Grondgesteldheid, V.

Grondhout, O.

Grondig, grondiger, grondigst.

Grondigheid, V.

Grondijs, O.

Grondkleur, V., -kleuren.

Grondkrediet, O.

Grondlasten (mv.), M.

Grondlegger, M., -leggers.

Grondnoot, V., -noten.

Grondpapier, O.

Grondsap en -sop, O.

Grondslag M., -slagen.

Grondspecie, V., -speciën.

Grondstof, V., -stoffen.

Grondtoon, M., -tonen.

Grondverf, V.

Grondvesten, grondvestte, heeft gegrondvest.

Grondvesting, V., -vestingen.

Grondvorm, M., -vormen.

Grondwater, O.

Grondwet, V., -wetten.

Grondwetgever, M., -gevers.

Grondwetsherziening, V., -herzieningen.

Groot, grooter, grootst.

Groot (muntstuk), M., grooten.

Groot (in het -), O.

Grootachtbaar, -bare.

Grootachtbaarheid, V.

Grootambtenaarsexamen, O.

Grootboek, O., -boeken.

Grootbrengen, bracht groot, heeft grootgebracht.

Grootdadig, -dadiger, -dadigst.

Grootedelachtbaar, -bare.

Grootelijks.

Grootendeels.

Groothandel, M.

Groothandelaar, M., -handelaars.

Groothartig, -hartiger, -hartigst.

Groothartigheid, V.

Grootheid, V., -heden.

Grootheidswaanzin, M.

Groothertog, M., -hertogen.

Groothertogdom, O., -hertogdommen.

Groothouden (zich -), hield zich groot, heeft zich grootgehouden.

Grootje, O., grootjes.

Grootkorrelig.

Grootkruis, O., -kruisen.

Grootmachtig, -machtiger, -machtigst.

Grootmaken (verheerlijken), maakte groot, heeft grootgemaakt.

Grootmaking, V.

Grootmama, V., -mama's.

Grootmeester, M., -meesters.

Grootmeester-nationaal, M., -meesters-nationaal.

Grootmoeder, V., -moeders; -moedertje, O., -jes.

Grootmoedig, -moediger, -moedigst.

Grootmoedigheid, V.

Grootouders (mv.), M.

Grootsch, grootscher, meest grootsch.

Grootscheepsch.

Grootschheid, V.

Grootschrift, O.

Grootspraak, V.

Grootspreken, O.

Grootspreker, M., -sprekers.

Grootsteedsch.

Grootte, V., grootten.

Grootvader, M., -vaders; -vadertje, O., -jes.

Grootvisscherij, V.

Grootvizier, M., -viziers en -vizieren.

Grootvorst, M., -vorsten.

Grootvorstin, V., -vorstinnen.

Groot-zegelbewaarder, M., -bewaarders.

Grop en Grup, V., groppen en gruppen.

Gros, O., grossen.

Grosse, V., grossen.

Grossier, M., grossiers.

Grossierderij, V., grossierderijen.

Grossierskantoor, O., -kantoren.

Grossiersvak, O.

Grot, V., grotten. Grotje, O., -jes.

Grotesk.

Grovelijk.

Gruis, O. Gruisje, O., -jes.

Gruisbak, M., -bakken.

Gruit, V.

Gruizelementen (mv.), O.

Gruizen, gruisde, heeft gegruisd.

Gruizig.

Gruizigheid, V.

Grup. Zie Grop.

Grut, V., grutten. Grutje, O., -jes.

Gruttenbrij, V.

Gruttenmeel, O.

Grutter, M., grutters.

Grutterij, V., grutterijen.

Gruttersmolen, M., -molens.

Grutterswaar, V., -waren.

Grutterswinkel, M., -winkels.

Grutto, M., grutto's.

Gruwel, M., gruwelen.

Gruweldaad, V., -daden.

Gruwelen, gruwelde, heeft gegruweld.

Gruwelijk, -lijker, -lijkst.

Gruwelijkheid, V., -heden.

Gruwen, gruwde, heeft gegruwd.

Gruwzaam, -zamer, -zaamst.

Gruwzaamheid, V., -heden.

Guano, V.

Guichelen, guichelde, heeft geguicheld.

Guichelheil, O.

Guichelspel, O.

Guillotine, V., guillotines.

Guinje, V., guinjes.

Guirlande, V., guirlandes.

Guit, M., guiten. Guitje, O., -jes.

Guitenstreek, M., -streken.

Guitenstuk, O., -stukken.

Guiterij, V., guiterijen.

Guitig, guitiger, guitigst.

Guitigheid, V., -heden.

Gul, V., gullen. Gulletje, O., -jes.

Gul, guller, gulst.

Guldeling, M., guldelingen.

Gulden, M., guldens. Guldentje, O., -jes.

Gulden (bnw.).

Guldengetal, O.

Guldenmond, M.

Guldenwater, O.

Gulhartig, -hartiger, -hartigst.

Gulhartigheid, V.

Gulheid, V., -heden.

Gulp, V., gulpen. Gulpje, O., -jes.

Gulpen, gulpte, heeft gegulpt.

Guluit.

Gulzig, gulziger, gulzigst.

Gulzigaard, M., gulzigaards.

Gulzigheid, V.

Gummistok, M., -stokken.

Gunnen, gunde, heeft gegund.

Gunning, V., gunningen.

Gunst, V., gunsten. Gunstje, O., -jes.

Gunstbejag, O.

Gunstbewijs, O., -bewijzen.

Gunsteling, M. en V., gunstelingen. V. ook gunstelinge.

Gunstig, gunstiger, gunstigst.

Gust (bnw.).

Guts, V., gutsen.

Gutsen, gutste, heeft gegutst.

Guttapercha, V.

Guttegom, ook Gittegom, V.

Gutturaal, V., gutturalen.

Guur, guurder, guurst.

Guurheid, V.

Gymnasiast, M., gymnasiasten.

Gymnasium, O., gymnasiën en gymnasia.

Gymnast, M., gymnasten.

Gymnastiek, V.

Gymnastiekmeester, M., -meesters.

Gymnastiekonderwijs, O.

Gymnastiekschool, V., -scholen.

Gymnastisch.

H

H, V., h's.

Ha.

Haag, V., hagen. Haagje, O., -jes.

Haagbeuk, M., -beuken.

Haagdoorn en Haagdoren (ook Hagedoorn), M., -doornen en -dorens.

Haagwinde, V.

Haai, M., haaien.

Haaievangst, V.

Haaievel, O., -vellen.

Haak, M., haken. Haakje, O. -jes.

Haakbeentje, O., -jes.

Haakboekje, O., -jes.

Haakbus, V., -bussen.

Haakpen, V., -pennen; -pennetje, O., -jes.

Haaks (bijw.).

Haaksch (bnw.).

Haakswijze en -wijs.

Haakvormig.

Haakwerk, O.

Haal (trek), M., halen. Haaltje, O., -jes.

Haal (werktuig), V. en O., halen.

Haalbaar, -bare.

Haalbier, O.

Haalboter, V.

Haalkan, V., -kannen.

Haalwijn, M.

Haam (vischnet), M., hamen.

Haam (paardetuig), O., hamen. Haampje, O., -jes.

Haan, M., hanen. Haantje, O., -jes.

Haar.

Haar, O., haren. Haartje, O., -jes.

Haarachtig.

Haarborstel, M., -borstels.

Haarbreed, O.

Haarbuisje, O., -buisjes.

Haard, M., haarden. Haardje, O., -jes.

Haardstede, V., -steden.

Haardstedengeld, O.

Haarfijn.

Haarkam, M., -kammen.

Haarklein.

Haarklooven, haarkloofde, heeft gehaarkloofd.

Haarklooverij, V., -klooverijen.

Haarknippen, O.

Haarknipper, M., -knippers.

Haarlemmer, M., Haarlemmers.

Haarlint, O., -linten; -lintje, O., -jes.

Haarlok, M., -lokken.

Haarloos, -looze.

Haarmiddel, O., -middelen; -middeltje, O., -jes.

Haarnaald, V.; -naalden.

Haarschuier, M., -schuiers.

Haarsnijden, O.

Haarsnijder, M., -snijders.

Haarspeld, V., -spelden.

Haarvlok, V., -vlokken.

Haas, M. en O., hazen. Haasje, O., -jes.

Haas (van een rund), M. Haasje, O.

Haasjeover, O.

Haast, V.

Haast (bijw.).

Haastelijk.

Haasten, haastte, heeft gehaast.

Haastig, haastiger, haastigst.

Haastigheid, V.

Haat, M.

Haatdragend, -dragender, -dragendst.

Haatdragendheid, V.

Habitué, M., habitué's.

Hach, V. Hachje, O., -jes.

Hachée en Hachis (gehakt vleesch), O.

Hachelijk, -lijker, -lijkst.

Hachelijkheid, V.

Hachis. Zie Hachée.

Hachje (persoon), O., hachjes.

Hacht, M., hachten. Hachtje, O., -jes.

Haft (uitsteeksel), V., haften.

Haft (insect), O., haften.

Hagedis, V., hagedissen. Hagedisje, O., -jes.

Hagedoorn. Zie Haagdoorn.

Hagel, M.

Hagelblank.

Hagelbui, V., -buien; -buitje, O., -jes.

Hagelen, hagelde, heeft gehageld.

Hageljacht, V.

Hagelkorrel, V., -korrels; -korreltje, O., -jes.

Hagelschade, V.

Hagelslag, M.

Hagelsteen, M., -steenen.

Hagelwit, -witte.

Hagenaar, M., Hagenaars en Hagenaren.

Hagepreek, V., -preeken.

Hak (houw), M., hakken. Hakje, O., -jes.

Hak (hiel en houweel), V., hakken.

Hakbank, V., -banken.

Hakbijl, V., -bijlen.

Hakblok, O., -blokken.

Hakbord en Hakkebord, O., -borden.

Hakbosch, O., -bosschen.

Haken, haakte, heeft gehaakt.

Hakgeld, O.

Hakhout, O.

Hakkebord. Zie Hakbord.

Hakkel, M., hakkels.

Hakkelaar, M., hakkelaars.

Hakkelbout, M., -bouten.

Hakkelen, hakkelde, heeft gehakkeld.

Hakken, hakte, heeft gehakt.

Hakkenei, V., hakkeneien.

Hakker, M., hakkers.

Hakketeeren, hakketeerde, heeft gehakketeerd.

Hakmes, O., -messen.

Hakmoes, O.

Haksel, O.

Hakstroo, O.

Hakstuk, O., -stukken.

Hal (overdekte plaats), V., hallen.

Hal (de hardigheid der aarde), O.

Halen, haalde, heeft gehaald.

Half, halve.

Halfacht.

Halfbakken.

Halfbroeder, M., -broeders.

Halfdek, O.

Halfdood, -doode.

Halfdrie.

Halfdronken.

Halfgod, M., -goden.

Halfheid, V.

Halfhemdje, O., -jes.

Halfhonderd, O.

Halfhout, O.

Halfjaar, O., -jaren; -jaartje, O., -jes.

Halfje, O., -jes.

Halfklinker, M., -klinkers.

Halfluid.

Halfnegen.

Halfrond, O., -ronden.

Halfslachtig.

Halfslachtigheid, V.

Halfsleetsch.

Halfstok.

Halfvasten, V.

Halfvier.

Halfvijf.

Halfwas, M.

Halfweg.

Halfwind, M., -winden.

Halfzacht.

Halfzes.

Halfzijden.

Halfzuster, V., -zusters.

Halleluja, O., halleluja's.

Halletje, O., -jes.

Halm, M., halmen. Halmpje, O., -jes.

Hals, M., halzen. Halsje. O., -jes.

Halsbrekend, -brekender, -brekendst.

Halsdoek, M., -doeken; -doekje, O., -jes.

Halsketting, M., -kettingen.

Halskraag, M., -kragen.

Halsrecht, O.

Halssierraad, O., -sieraden.

Halsstarrig, -starriger, -starrigst.

Halsstarrigheid, V.

Halsstarriglijk.

Halster, M., halsters.

Halszaak, V., -zaken.

Halt en Halte, V., halten.

Halter, M., halters.

Halveeren, halveerde, heeft gehalveerd.

Halvemaan, V.

Halverwegen.

Halvezolen, halvezoolde, heeft gehalvezoold.

Halzen, halsde, heeft gehalsd.

Ham, V., hammen. Hammetje, O., -jes.

Hamei, V., hameien.

Hamel, M., hamels.

Hamer, M., hamers en hameren. Hamertje, O., -jes.

Hameren, hamerde, heeft gehamerd.

Hamerslag (slag met een hamer), M., -slagen.

Hamerslag (afspringende deeltjes van gesmeed ijzer en kleine wolkjes), O.

Hammebeen, O., -beenen.

Hammevet, O.

Hamster, V., hamsters.

Hand, V., handen. Handje, O., -jes.

Handboek, O., -boeken.

Handboog, M., -bogen.

Handbreed, O.

Handcamera, V., -camera's.

Handdoek, M., -doeken; -doekje, O., -jes.

Handdruk, M., -drukken; -drukje, O., -jes.

Handel, M.

Handelaar, M., handelaars en handelaren.

Handelbaar, -baarder, -baarst.

Handelen, handelde, heeft gehandeld.

Handeling, V., handelingen.

Handelmaatschappij, V.

Handelsbetrekking, V., -betrekkingen.

Handelsblad, O., -bladen.

Handelsgeest, M.

Handelshuis, O., -huizen.

Handelsonderneming, V., -ondernemingen.

Handelsrecht, O.

Handelsreiziger, M., -reizigers.

Handelsschool en ook Handelschool, V., -scholen.

Handelsstad, V., -steden.

Handelsverdrag, O., -verdragen.

Handelsverkeer, O.

Handelsvrijheid, V.

Handelswetenschap, V., -wetenschappen.

Handelszaak, V., -zaken.

Handelwijze en handelwijs, V., -wijzen.

Handen, handde, heeft gehand.

Handenarbeid, M.

Handenloos, -looze.

Handenloosheid, V.

Handgebaar, O., -gebaren.

Handgeklap, O.

Handgeld, O., -gelden.

Handgemeen.

Handgemeen, O.

Handgift, V.

Handgreep, M., -grepen.

Handhaven, handhaafde, heeft gehandhaafd.

Handhaver, M., handhavers.

Handhaving, V.

Handig, handiger, handigst.

Handigheid, V.

Handjegauw, M. en V., -gauws.

Handkar, V., -karren.

Handkoffer, M., -koffers; -koffertje, O., -jes.

Handkus, M., -kussen.

Handlanger, M., -langers.

Handleiding, V., -leidingen.

Handlichting, V.

Handpaard, O., -paarden.

Handreiken, handreikte, heeft gehandreikt.

Handreiking, V., -reikingen.

Handschoen, M., -schoenen; -schoentje, O., -jes.

Handschoenendoos, V., -doozen.

Handschrift, O., -schriften.

Handtastelijk, -lijker, -lijkst.

Handtastelijkheid, V., -heden.

Handtasting, V.

Handteekenen, O.