Woordenlijst Voor De Spelling Der Nederlandsche Taal Met Aanwij

Chapter 18

Chapter 182,793 wordsPublic domain

Dankzeggen, zeide en zei dank, heeft dankgezegd.

Dankzegging, V., -zeggingen.

Dans, M., dansen. Dansje, O., -jes.

Dansen, danste, heeft gedanst.

Danser, M., dansers.

Danseres, V., danseressen.

Danshuis, O., -huizen.

Dansles, V., -lessen.

Dansmeester, M., -meesters.

Danspartij, V., -partijen.

Danszaal, V., -zalen.

Dapper, dapperder, dapperst.

Dapperheid, V.

Darm, M., darmen. Darmpje, O., -jes.

Darmkanaal, O., -kanalen.

Darmscheil, O.

Dartel, darteler, dartelst.

Dartelen, dartelde, heeft gedarteld.

Dartelheid, V., -heden.

Das (dier), M., dassen. Dasje, O., -jes.

Das (halsdoek), V., dassen. Dasje, O., -jes.

Dassenhaar, O.

Dassenhol, O., -holen.

Dassennet, O., -netten.

Dassevel, O., -vellen.

Dat.

Dateeren, dateerde, heeft gedateerd.

Dateering, V., dateeringen.

Datgene.

Datief en Dativus, M., datieven.

Datum, M., datums en data.

Dauw, M.

Dauwel, V., dauwels. Dauweltje, O., -jes.

Dauwelaar, M., dauwelaars.

Dauwelen, dauwelde, heelt gedauweld.

Dauwen, dauwde, heeft gedauwd.

Dauwworm, M.

Daveren, daverde, heeft gedaverd.

De.

Deballoteeren, deballoteerde, heeft gedeballoteerd.

Debat, O., debatten.

Debatteeren, debatteerde, heeft gedebatteerd.

Debet, O.

Debiet, O.

Debietzaak, V., -zaken.

Debitant, M., debitanten.

Debiteeren, debiteerde, heeft gedebiteerd.

Debiteur, M., debiteuren en debiteurs.

Debuteeren, debuteerde, heeft gedebuteerd.

Debuut, O.

Decadent, M., decadenten.

Decagram, O., decagrammen.

Decaliter, M., decaliters.

Decameter, M., decameters.

Decanaat, O., decanaten.

Decastere, V., decasteren en decasteres.

December, M.

Decideeren, decideerde, heeft gedecideerd.

Decigram, O., decigrammen.

Deciliter, M., deciliters.

Decimaal, decimale.

Decimeter, M., decimeters.

Decisie, V., decisiën en decisies.

Decisief, decisiever, decisiefst.

Decistere, V., decisteren en decisteres.

Declamatie, V.

Declaratie, V., declaratiën en declaraties.

Declareeren, declareerde, heeft gedeclareerd.

Declinatie, V., declinatiën en declinaties.

Declinatie-uitgang, M., -uitgangen.

Declineeren, declineerde, heeft gedeclineerd.

Decorateur, M., decorateurs.

Decoratie, V., decoratiën en decoraties.

Decoratief, O.

Decoratieschilder, M., -schilders.

Decoreeren, decoreerde, heeft gedecoreerd.

Decorum, O.

Decreet, O., decreten.

Deeg, O., deegen. Deegje, O., -jes.

Deel (plank en dorschvloer), V., delen. Deeltje, O., -jes.

Deel (gedeelte), O., deelen. Deeltje, O., -jes.

Deelachtig.

Deelbaar, -bare.

Deelbaarheid, V.

Deelen, deelde, heeft gedeeld.

Deeler, M., deelers.

Deelgenoot, M., -genooten.

Deelgenoote, V., -genooten.

Deelgenootschap, O.

Deelhebber, M., -hebbers.

Deeling, V., deelingen. Deelinkje, O., -jes.

Deelnemen, nam deel, namen deel, heeft deelgenomen.

Deelnemend, -nemender, -nemendst.

Deelnemer, M., -nemers.

Deelneming, V.

Deels.

Deeltal, O., -tallen.

Deelwoord, O., -woorden.

Deemoed, M.

Deemoedig, -moediger, -moedigst.

Deen, M., Denen.

Deensch.

Deensch, O.

Deerlijk, -lijker, -lijkst.

Deern (ook Deerne), V., deernen. Deerntje, O., -jes.

Deernis, V.

Deerniswaardig, -waardiger, -waardigst of meer en meest -waardig.

Deesem, M.

Deesemen, deesemde, heeft gedeesemd.

Defect, O., defecten.

Defect.

Defensie, V.

Defensief, defensieve.

Defensiewezen, O.

Deficit, O.

Definitie, V., definitiën en definities.

Definitief, definitieve.

Deftig, deftiger, deftigst.

Deftigheid, V.

Degel, M., degels.

Degelijk, -lijker, -lijkst.

Degelijkheid, V.

Degen, M., degens. Degentje, O., -jes.

Degene.

Degenstok, M., -stokken.

Degenstoot, M., -stooten.

Degradatie, V.

Degradeeren, degradeerde, heeft gedegradeerd.

Deinen, deinde, is gedeind.

Deining, V., deiningen.

Deinzen, deinsde, is gedeinsd.

Deïsme, O.

Deïst, M., deïsten.

Dejeuneeren, dejeuneerde, heeft gedejeuneerd.

Dejeuneetje, O., dejeuneetjes.

Dejeuner, O., dejeuners.

Dek, O., dekken. Dekje, O., -jes.

Dekbalk, M., -balken.

Dekbed, O., -bedden.

Dekblad, O., -bladen.

Dekbord, O., -borden.

Deken (overste), M., dekens en dekenen.

Deken (dekking), V., dekens. Dekentje, O., -jes.

Dekken, dekte, heeft gedekt.

Dekker, M., dekkers.

Dekgeld, O.

Dekhuis, O., -huizen.

Dekhut, V., -hutten.

Dekking, V., dekkingen.

Dekkleed, O., -kleeden.

Dekknecht, M., -knechts.

Deklast, M.

Dekmantel, M., -mantels.

Dekpan, V., -pannen.

Dekplaat, V., -platen.

Dekplank, V., -planken.

Dekriet, O.

Dekschild, O., -schilden.

Deksel, O., deksels. Dekseltje, O., -jes.

Dekselsch.

Dekservet, O., -servetten.

Deksteen, M., -steenen.

Dekstoel, M., -stoelen.

Dekstroo, O.

Dekstuk, O., -stukken.

Dekstut, M., -stutten.

Dekverf, V., -verven.

Del, V., dellen.

Delegatie, V., delegatiën.

Delfstof, V., -stoffen.

Delfstoffenrijk, O.

Delfstofkunde, V.

Delgen, delgde, heeft gedelgd.

Delging, V.

Deliberatie, V., deliberatiën en deliberaties.

Delicaat, delicater, delicaatst.

Delicieus, delicieuzer, delicieust.

Delirium-tremens, O.

Delling, V., dellingen.

Delta, V., delta's.

Deluw.

Delven, dolf, dolven, heeft gedolven.

Delver, M., delvers.

Delving, V., delvingen.

Demagoog, M., demagogen.

Demissie, V., demissiën en demissies.

Democraat, M., democraten. Democraatje, O., -jes.

Democratie, V.

Democratisch.

Demon. Zie Daemon.

Demonisch. Zie Daemonisch.

Demonstratie, V., demonstratiën.

Demonstreeren, demonstreerde, heeft gedemonstreerd.

Dempen, dempte, heeft gedempt.

Demper, M., dempers.

Dempig, dempiger, dempigst.

Dempigheid, V.

Den, M., dennen.

Denemarken, O.

Denkbaar, -bare.

Denkbeeld, O., -beelden.

Denkbeeldig, -beeldiger, -beeldigst.

Denkelijk.

Denken, dacht, heeft gedacht.

Denker, M., denkers.

Denkkracht, V.

Denkvermogen, O.

Denkwijze en -wijs, V., -wijzen.

Denneboom, M., -boomen.

Dennen (bnw.).

Dennenhout, O.

Dennenwoud, O., -wouden.

Departement, O., departementen.

Departementaal, departementale.

Departementssecretaris, M., -secretarissen.

Deponeeren, deponeerde, heeft gedeponeerd.

Deposito, O., deposito's.

Deposito-bank, V., -banken.

Deposito-gelden (mv.), O.

Depot, O., depots.

Depressie, V., depressies.

Deputatie, V., deputatiën en deputaties.

Derailleeren, derailleerde, is gederailleerd.

Deraillement, O., -menten.

Derde.

Derdehalf, -halve.

Derdendaagsch.

Deren, deerde, heeft gedeerd.

Dergelijk.

Derhalve.

Dermate.

Derrie, V.

Derrieachtig.

Dertien, dertienen. Dertientje, O., -jes.

Dertiende.

Dertienhonderd.

Dertienmaal.

Dertig, dertigen.

Dertiger, M., dertigers.

Dertigmaal.

Dertigste.

Dertigvoud, O.

Derven, derfde, heeft gederfd.

Derver, M., dervers.

Derving, V.

Derwaarts.

Derwijze.

Des.

Desalniettemin.

Desbevoegd.

Desbewust.

Descendentieleer, V.

Deserteeren, deserteerde, is gedeserteerd.

Deserteur, M., deserteuren en deserteurs.

Desertie, V., desertiën en deserties.

Desgelijks.

Desgevorderd.

Desinfecteeren, desinfecteerde, heeft gedesinfecteerd.

Desinfectie, V.

Deskundig.

Deskundige, M. en V., -kundigen.

Desniettegenstaande.

Desniettemin.

Desnoods.

Desolaat, desolater, desolaatst.

Desolate-boedelkamer, V., -kamers.

Desondanks.

Despoot, M., despoten. Despootje, O., -jes.

Despotisch.

Despotisme, O.

Dessendiaan, V.

Dessert, O., desserten. Dessertje, O., -jes.

Dessertmes, O., -messen; -mesje, O., -jes.

Dessertvork, V., -vorken; -vorkje, O., -jes.

Destijds.

Deswege.

Detachement, O., detachementen.

Detail, O., details.

Determinant, M., determinanten.

Determinisme, O.

Deugd, V., deugden.

Deugdelijk, -lijker, -lijkst.

Deugdelijkheid, V.

Deugdzaam, -zamer, -zaamst.

Deugdzaamheid, V.

Deugen, deugde, heeft gedeugd.

Deugniet, M. en V., deugnieten. Deugnietje, O., -jes.

Deuk, V., deuken. Deukje, O., -jes.

Deuken, deukte, heeft en is gedeukt.

Deun, M., deunen. Deuntje, O., -jes.

Deun, deuner, deunst.

Deunen, deunde, heeft gedeund.

Deunheid, V.

Deuntjes (bijw.).

Deur, V., deuren. Deurtje, O., -jes.

Deurknop, M., -knoppen.

Deurpost, V., -posten.

Deurwaarder, M., -waarders.

Deuvekater, M., deuvekaters.

Deuvik, M., deuviken. Deuvikje, O., -jes.

Deuviken, deuvikte, heeft gedeuvikt.

Deventerkoek, M. (als voorwerpsnaam), -koeken; V. (als stofnaam).

Devies, O., deviezen.

Devoot, devoter, devootst.

Devotie, V.

Devotiedag, M., -dagen.

Dewelke.

Dewijl.

Dextrine, V.

Deze.

Dezelfde.

Dezelve.

Dezulke.

Diacones, V., diaconessen.

Diaconessenhuis, O., -huizen.

Diaconie, V., diaconieën.

Diaconiehuis, O., -huizen.

Diadeem, M., diademen.

Diagnose, V., diagnosen.

Diagonaal, V., diagonalen.

Diaken, M., diakenen en diakens.

Diakones, V., diakonessen. Zie Diacones.

Dialect, O., dialecten.

Dialectenstudie, V.

Dialectisch.

Dialoog, M., dialogen.

Diamant (stof), O.; (stuk steen), M., diamanten. Diamantje, O., -jes.

Diamantbewerker en Diamantwerker, M., -werkers.

Diamanten (bnw.).

Diamantletter, V., -letters.

Diamantmijn, V., -mijnen.

Diamantslijper, M., -slijpers.

Diameter, M., diameters.

Diapason, M., diapasons.

Diarrhee, V.

Dicht, O., dichten. Dichtje, O., -jes.

Dicht, dichter, dichtst.

Dichtdoen, deed dicht, deden dicht, heeft dichtgedaan.

Dichten (dichtmaken), dichtte, heeft gedicht.

Dichten (verzen maken), dichtte, heeft gedicht.

Dichter, M., dichters. Dichtertje, O., -jes.

Dichteres, V., dichteressen.

Dichterlijk, -lijker, -lijkst.

Dichtheid, V.

Dichtkunst, V.

Dichtmaat, V., -maten.

Dichtmaken, maakte dicht, heeft dichtgemaakt.

Dichtregel, M., -regels.

Dichtsluiten, sloot dicht, sloten dicht, heeft dichtgesloten.

Dichtstuk, O., -stukken.

Dichtvuur, O.

Dictaat, O., dictaten.

Dictaatboekje, O., -boekjes.

Dictatenstudie, V.

Dictatuur, V.

Dictee, O., dictee's.

Dicteeren, dicteerde, heeft gedicteerd.

Didactiek, V.

Die.

Dieet, O.

Dief, M., dieven. Diefje, O., -jes.

Diefachtig, -achtiger, -achtigst.

Diefstal, M., -stallen.

Diegene.

Diemit, O., diemiten.

Diemiten (bnw.).

Dienaangaande.

Dienaar, M., dienaars en dienaren.

Dienares, V., dienaressen.

Diender, M., dienders.

Dienen, diende, heeft gediend.

Dienovereenkomstig.

Dienst, M., diensten. Dienstje, O., -jes.

Dienstbaar, -bare.

Dienstbaarheid, V.

Dienstbode, M. en V., -boden.

Dienstdoend.

Dienstig, dienstiger, dienstigst.

Dienstjaar, O., -jaren.

Dienstpet, V., -petten.

Dienstplicht, M.

Dienstplichtig.

Dienstregeling, V., -regelingen.

Dienstreis, V., -reizen.

Diensttijd, M., -tijden.

Dienstvaardig, -vaardiger, -vaardigst.

Dienstvaardigheid, V.

Dienstverrichting, V.

Dienstweigering, V., -weigeringen.

Dienstwillig, -williger, -willigst.

Dienstwilligheid, V.

Dientafeltje, O., -tafeltjes.

Dientengevolge.

Dienvolgens.

Diep, dieper, diepst.

Diep, O., diepen.

Diepdenkend.

Diepdruk, M.

Diepen, diepte, heeft gediept.

Diepgang, M.

Dieplood, O., -looden.

Diepte, V., diepten.

Diepzinnig, -zinniger, -zinnigst.

Diepzinnigheid, V.

Dier, O., dieren. Diertje, O., -jes.

Dier, dierder, dierst.

Dierbaar, -baarder, -baarst.

Dierbaarheid, V.

Dierenbeschermer, M., -beschermers.

Dierenbescherming, V.

Dierengevecht, O., -gevechten.

Dierenkweller, M., -kwellers.

Dierenriem, M.

Dierenrijk, O.

Dierentemmer, M., -temmers.

Dierentent, V., -tenten.

Dierentuin, M., -tuinen.

Diergaarde, V., -gaarden.

Diergelijk.

Dierkunde, V.

Dierlijk, -lijker, -lijkst.

Dierlijkheid, V.

Diersoort, V., -soorten.

Dies.

Diets (- maken).

Dievegge, V., dieveggen.

Dieven, diefde, heeft gediefd.

Dievenbende, V., -benden.

Dievenlantaren en -lantaarn, V., -lantarens; -lantarentje en -lantaarntje, O., -jes.

Dieventaal, V.

Dieverij, V., dieverijen.

Differentiaal, V., differentialen.

Differentiaalquotiënt, O., -quotiënten.

Differentiaalrekening, V.

Digestie, V.

Digestiekoorts, V.

Digestievisite, V., -visites.

Diggel, V., diggelen en diggels.

Dignitaris, M., dignitarissen.

Dij, V., dijen.

Dijbeen, O., -beenderen.

Dijen, dijde, is gedijd.

Dijk, M., dijken. Dijkje, O., -jes.

Dijkage, V., dijkages.

Dijkbreuk, V., -breuken.

Dijken, dijkte, heeft gedijkt.

Dijker, M., dijkers.

Dijketting, V., -ettingen.

Dijkgraaf, M., -graven.

Dijking, V., dijkingen.

Dijksbestuur, O., -besturen.

Dijkschouw, V.

Dijkslasten (mv.), M.

Dijkwezen, O.

Dik, dikker, dikst.

Dikbloedig, -bloediger, -bloedigst.

Dikbuik, M. en V., -buiken.

Dikbuikig, -buikiger, -buikigst.

Dikheid, V.

Dikhuidig.

Dikken, dikte, heeft en is gedikt.

Dikkerd, M., dikkerds. Dikkerdje, O., -jes.

Dikkop, M. en V., -koppen.

Dikmaals.

Dikte, V., dikten. Diktetje, O., -jes.

Dikwerf.

Dikwijls.

Dikzak, M. en V., -zakken.

Dilemma, O., dilemma's.

Dilettant, M., dilettanten.

Dilettante, V., dilettanten.

Dilettantisme, O.

Diligence, V., diligences.

Diligent.

Dille, V.

Diminutief, O., diminutieven.

Diminutiefsuffix. O., -suffixen.

Dineeren, dineerde, heeft gedineerd.

Diner, O., diners. Dinertje en dineetje, O., -jes.

Ding, O., dingen. Dingetje, O., -jes.

Dingen, dong, heeft gedongen.

Dingtaal, V., -talen.

Dinsdag en Dingsdag, M., -dagen.

Dinsdags en Dingsdags (bijw.).

Dinsdagsch en Dingsdagsch (bnw.).

Diocese, V., ook Diocees, O., diocesen.

Diorama, O., diorama's.

Diphthong, V., diphthongen.

Diploma, O., diploma's.

Diplomaat, M., diplomaten.

Diplomatentaal, V.

Diplomatie, V.

Diplomatiek, V.

Diplomatisch.

Direct.

Directeur, M., directeuren en directeurs.

Directeurskamer, V., -kamers.

Directeurswoning, V., -woningen.

Directie, V., directiën en directies.

Directiekeet, V., -keten.

Dirigeeren, dirigeerde, heeft gedirigeerd.

Dirigeerstok, M., -stokken.

Dirk, V., dirken.

Dirkjespeer, V., -peren.

Discant, M.

Disch, M., disschen.

Dischgenoot, M., -genooten.

Discipel, M., discipels en discipelen.

Discipline, V.

Disciplineeren, disciplineerde, heeft gedisciplineerd.

Disconteeren, disconteerde, heeft gedisconteerd.

Disconto, O.

Discours, O., discoursen.

Discreet, discreter, discreetst.

Discretie, V.

Discussie, V., discussiën en discussies.

Discuteeren, discuteerde, heeft gediscuteerd.

Dispache, V., dispaches.

Dispacheur, M., dispacheurs.

Disputeeren, disputeerde, heeft gedisputeerd.

Dispuut, O., disputen.

Dissel (bijl), M., dissels. Disseltje, O., -jes.

Dissel (aan een wagen), M., dissels.

Dissertatie, V., dissertatiën en dissertaties.

Dissonant, M., dissonanten.

Distel, V., distels. Disteltje, O., -jes.

Distillateur, M., distillateurs.

Distilleeren, distilleerde, heeft gedistilleerd.

Distilleerketel, M., -ketels.

Distributiekantoor, O., -kantoren.

District, O., districten.

Districtscommissaris, M., -commissarissen.

Dit.

Ditje, O., -jes.

Ditmaal.

Divan, M., divans.

Diverteeren, diverteerde, heeft gediverteerd.

Divertissement, O., divertissementen.

Dividend, O., dividenden.

Dividendbewijs, O., -bewijzen.

Divisie, V., divisiën en divisies.

Dobbel, M.

Dobbelaar, M., dobbelaars en dobbelaren.

Dobbelarij, V., dobbelarijen.

Dobbelen, dobbelde, heeft gedobbeld.

Dobbelspel, O., -spelen.

Dobbelsteen, M., -steenen.

Dobber, M., dobbers. Dobbertje, O., -jes.

Dobberen, dobberde, heeft gedobberd.

Doceeren, doceerde, heeft gedoceerd.

Docent, M., docenten.

Docentenkamer, V., -kamers.

Doch.

Dochter, V., dochters. Dochtertje, O., -jes.

Dochterskind, O., -kinderen.

Dochtersman, M.

Doctor (titel), M., doctoren; (geneesheer): zie bij Dokter.

Doctoraal, O., doctoralen.

Doctores, V., doctoressen.

Doctorsbul, V., -bullen.

Document, O., documenten.

Dodderig, dodderiger, dodderigst.

Doedelzak, M., -zakken.

Doek (de stof), O.; (een stuk van die stof), M., doeken. Doekje, O., -jes.

Doeken, doekte, heeft gedoekt.

Doel, O.

Doelen, M., doelens.

Doelen, doelde, heeft gedoeld.

Doelloos, -looze.

Doelmatig, -matiger, -matigst.

Doelmatigheid, V.

Doeltreffend, -treffender, -treffendst.

Doelverdediger, M., -verdedigers.

Doelwit, O. ,

Doemen, doemde, heeft gedoemd.

Doemenswaardig. Zie Doemwaardig.

Doemvonnis, O., -vonnissen.

Doemwaardig, -waardiger, -waardigst, of meer en meest -waardig.

Doen, doet, deed, deden, heeft gedaan.

Doeniet, M. en V., doenieten.

Doenlijk.

Doetje, O., doetjes.

Doezelaar, M., doezelaars.

Doezelen, doezelde, heeft gedoezeld.

Dof, M., doffen. Dofje, O., -jes.

Dof, doffer, dofst.

Doffen, dofte, heeft gedoft.

Doffer, M., doffers. Doffertje, O., -jes.

Doffig, doffiger, doffigst.

Dofheid, V.

Doft, V., doften.

Dog, M., doggen. Dogje, O., -jes.

Doge, M., doges.

Dogger, M., doggers.

Doggerboot, V., -booten.

Doggersbank, V.

Dogma, O., dogma's en dogmata.

Dogmatiek, V.

Dogmatisch.

Dok, O., dokken.

Dokken, dokte, heeft gedokt.

Dokmeester, M., -meesters.

Dokter (geneesheer), M., dokters en doctoren.

Dokteren, dokterde, heeft gedokterd.

Doktersgang, M.

Doktersrekening, V., -rekeningen.

Doktersvisite, V., -visites.

Dol, M., dollen.

Dol, doller, dolst.

Doldriftig, -driftiger, -driftigst.

Doleeren, doleerde, heeft gedoleerd.

Dolen, doolde, heeft gedoold.

Dolfijn, M., dolfijnen. Dolfijntje, O., -jes.

Dolgraag.

Dolhamer, M., -hamers.

Dolheid, V., -heden.

Dolhuis, O., -huizen.

Dolik, V.

Doling, V., dolingen.

Dolk, M., dolken. Dolkje, O., -jes.

Dolkmes, O., -messen.

Dolkop, M. en V., -koppen.

Dolkruid, O.

Dolksteek, M., -steken.

Dollar, M., dollars.

Dolle-hondsbeet, M., -hondsbeten.

Dollekervel, V.

Dolleman, M., -mannen en -mans.

Dollemanspraat, M.

Dollen, dolde, heeft gedold.

Dollepraat, M.

Dolligheid, V., -heden.

Dolman, M., dolmans.

Dolomiet (stof), O.; (voorwerpsnaam), M., dolomieten.

Dolzinnig, -zinniger, -zinnigst.

Dolzinnigheid, V., -heden.

Dom, M., domkerken.

Dom, dommer, domst.

Domein, O., domeinen.

Domeingrond, M., -gronden.

Domheid, V., -heden.

Domicilie, O., domiciliën en domicilies.

Dominee, M., dominees.

Domineeren, domineerde, heeft gedomineerd.

Domineesbriefje, O., -briefjes.

Domineesklontje, O., -klontjes.

Dominicaan, M., Dominicanen.

Domino (vermomming), M., domino's.

Domino (spel), O., domino's.

Dominospel, O., -spellen.

Dominosteen, M., -steenen.

Domkapittel, O., -kapittels.

Domkerk, V., -kerken.

Domkop, M. en V., -koppen.

Dommekracht, V., -krachten.

Dommel, M.

Dommelen, dommelde, heeft gedommeld.

Dommerik, M., dommeriken.

Dommigheid, V., -heden.

Domoor, M., domooren.

Dompelaar, M., dompelaars.

Dompelen, dompelde, heeft gedompeld.

Dompeling, V., dompelingen.

Dompen, dompte, heeft gedompt.

Domper, M., dompers. Dompertje, O., -jes.

Dompig, dompiger, dompigst.

Domproost, M., -proosten.

Donateur, M., donateurs.

Donatrice, V., donatrices.

Donder, M., donders.

Donderaar, M., donderaars.

Donderbui, V., -buien.

Donderdag, M., -dagen.

Donderdags (bijw.).

Donderdagsch (bnw.).

Donderen, donderde, heeft gedonderd.

Donderjagen, donderjaagde, heeft gedonderjaagd.

Donders (bijw.).

Dondersch (bnw.).

Donderslag, M., -slagen.

Dondersteen, M., -steenen.

Donker, donkerder, donkerst.

Donker, O.

Donkerblauw.

Donkerbruin.

Donkergrijs, -grijze.

Donkergroen.

Donkerheid, V.,

Donkerrood, -roode.

Donkerte, V.

Dons, O. Donsje, O., -jes.

Donzen (bnw.).

Donzig, donziger, donzigst.

Dood, M., dooden.

Dood, doode.

Doodaf.

Doodakte, V., -akten.

Doodarm.

Doodbed, O., doodbedden

Doodbedaard.

Doodbloeden, bloedde dood, is doodgebloed.

Dooddoener, M., -doeners.

Doode, M. en V., dooden.

Doodeenvoudig.

Doodekop, V.

Doodelijk, -lijker, -lijkst.

Doodelijkheid, V.

Dooden, doodde, heeft gedood.

Doodendans, M., -dansen.

Doodenmarsch, M.

Dooder, M., dooders.

Doodeter, M., -eters.

Doodfamiliaar, -familiare.

Doodgaan, ging dood, is doodgegaan.

Doodgoed, O.

Doodgoed (bnw.).

Doodgraver, M., -gravers.

Doodjagen, jaagde dood, heeft doodgejaagd; ook joeg dood.

Doodjammer.

Doodkist, V., -kisten.

Doodloopen, liep dood, heeft en is doodgeloopen.

Doodmoede en -moe.

Doodnuchter.

Doodop.

Doodsangst, M., -angsten.

Doodsbeenderen (mv.), O.

Doodsbenauwd.

Doodsbleek, -bleeke.

Doodsch, doodscher.

Doodschheid, V.

Doodschieten, schoot dood, schoten dood, heeft doodgeschoten.

Doodsgevaar, O., -gevaren.

Doodshoofd, O., -hoofden.

Doodskleur, V.

Doodskop, M., -koppen.

Doodslaan, sloeg dood, heeft doodgeslagen.

Doodslag, M., -slagen.

Doodslager, M., -slagers.

Doodsnood, M.

Doodsschrik, M.

Doodsslaap, M.

Doodssnik, M.

Doodsstond, M.

Doodsstrijd, M.

Doodsstuip, V., -stuipen.

Doodsteken, stak dood, staken dood, heeft doodgestoken.

Doodstraf, V., -straffen.

Doodstroom, M. of O.

Doodsuur, O.

Doodsverachting, V.

Doodszweet, O.

Doodverf, V.

Doodverven, doodverfde, heeft gedoodverfd.

Doodvreter, M., -vreters.

Doodzeilen (het tij -), zeilde dood, heeft doodgezeild.

Doodziek.

Doodzwijgen, zweeg dood, zwegen dood, heeft doodgezwegen.

Doof, doover, doofst.

Doofheid, V.

Doofpot, M., -potten; -potje, O., -jes.

Doofstom, -stomme.

Doofstomme, M. en V., -stommen.

Doofstommen-instituut, O., -instituten.

Dooi, M.

Dooien, dooide, heeft gedooid.

Dooier, M., dooiers.

Dooiweder en -weer, O.

Dook, V., doken.

Doolhof, M. en O., -hoven.

Doolweg, M., -wegen.

Doop (kerkplechtigheid), M.

Doop (saus), V.

Doopbekken, O., -bekkens.

Doopceel, V., -ceelen.

Doopeling, M. en V., doopelingen. V. ook doopelinge.

Doopen, doopte, heeft gedoopt.

Dooper, M., doopers.

Doopformulier, O., -formulieren.

Doophek, O., -hekken.

Doopjurk, V., -jurken.

Doopmaal, O., -malen.

Doopsel, O.

Doopsgezind.

Doopsgezinde, M. en V., -gezinden.

Doopvont, V., -vonten.

Door (voorz. en bijw.).

Door (dooier), M. en O., dooren.

Dooraderen, dooraderde, heeft dooraderd.

Doorarbeiden, arbeidde door, heeft doorgearbeid.

Doorbabbelen, babbelde door, heeft doorgebabbeld.

Doorbakken, bakte door, heeft doorgebakken; ook doorbakte, heeft doorbakken.

Doorbakken (bnw.).

Doorbijten, beet door, beten door, heeft doorgebeten.

Doorbladeren, bladerde door, heeft doorgebladerd; ook doorbladerde, heeft doorbladerd.

Doorblazen, blies door, bliezen door, heeft doorgeblazen.

Doorboren, boorde door, heeft doorgeboord; ook doorboorde, heeft doorboord.

Doorboring, V., -boringen.

Doorbraak, V., -braken.

Doorbraden (bnw.).

Doorbranden, brandde door, heeft en is doorgebrand.

Doorbreien, breide door, heeft doorgebreid.

Doorbreken, brak door, braken door, heeft en is doorgebroken; ook doorbrak, doorbraken, heeft doorbroken.

Doorbreking, V., -brekingen.

Doorbrengen, bracht door, heeft doorgebracht.

Doorbrenger, M., -brengers.

Doorbuigen, boog door, bogen door, heeft en is doorgebogen.

Doordat.

Doordenken, dacht door, heeft doorgedacht; ook doordacht, heeft doordacht.

Doordien.

Doordraaien, draaide door, heeft doorgedraaid.

Doordraaier, M., -draaiers.

Doordraven, draafde door, heeft doorgedraafd.

Doordraver, M., -dravers.

Doordraverij, V.

Doordrentelen, drentelde door, is doorgedrenteld.

Doordrijven, dreef door, dreven door, heeft en is doorgedreven.

Doordrijver, M., -drijvers.

Doordrijverij, V., -drijverijen.

Doordringbaar, -bare.

Doordringbaarheid, V.

Doordringen, drong door, is en heeft doorgedrongen; ook doordrong, heeft doordrongen.

Doordringend, -dringender, -dringendst.

Doordringendheid, V.

Doordrinken, dronk door, heeft doorgedronken.

Doordruipen, droop door, dropen door, is doorgedropen.

Doordrukken, drukte door, heeft doorgedrukt.

Dooreen.

Dooreengooien, gooide dooreen, heeft dooreengegooid.

Dooreenhaspelen, haspelde dooreen, heeft dooreengehaspeld.

Dooreenkoken, kookte dooreen, heeft dooreengekookt.

Dooreenloopen, liep dooreen, is dooreengeloopen.

Dooreenmengen, mengde dooreen, heeft dooreengemengd.

Dooreenroeren, roerde dooreen, heeft dooreengeroerd.

Dooreenslaan, slaat dooreen, sloeg dooreen, heeft dooreengeslagen.

Dooreenvlechten, vlocht dooreen, heeft dooreengevlochten.

Dooreenwarren, warde dooreen, heeft dooreengeward.

Dooreten, at door, aten door, heeft doorgegeten.

Doorgaan, gaat door, ging door, is en heeft doorgegaan.

Doorgaans.

Doorgalmen, galmde door, heeft doorgegalmd; ook doorgalmde, heeft doorgalmd.

Doorgang, M., -gangen.

Doorgangshuis, O., -huizen.

Doorgestoken.

Doorgeven, gaf door, gaven door, heeft doorgegeven.

Doorgieten, goot door, goten door, heeft doorgegoten.

Doorglippen, glipte door, is doorgeglipt.

Doorgooien, gooide door, heeft doorgegooid.