Woordenlijst Voor De Spelling Der Nederlandsche Taal Met Aanwij
Chapter 13
Beiaarden, beiaardde, heeft gebeiaard.
Beide (van zaken).
Beiden (van personen).
Beiden, beidde, heeft gebeid.
Beiderhande.
Beiderlei.
Beieren, beierde, heeft gebeierd.
Beijveren, beijverde, heeft beijverd.
Beijzelen, beijzelde, heeft beijzeld.
Beitel, M., beitels. Beiteltje, O., -jes.
Beitelen, beitelde, heeft gebeiteld.
Bejaard, bejaarder, bejaardst.
Bejaardheid, V.
Bejag, O.
Bejagen, bejaagde, heeft bejaagd; ook bejoeg.
Bejager, M., bejagers.
Bejaging, V., bejagingen.
Bejammeren, bejammerde, heeft bejammerd.
Bejammerenswaardig, -waardiger, -waardigst, of meer en meest -waardig.
Bejammerenswaardigheid, V.
Bejegenen, bejegende, heeft bejegend.
Bejegening, V., bejegeningen.
Bek, M., bekken. Bekje, O., -jes.
Bekaaid, bekaaider, bekaaidst.
Bekabbelen, bekabbelde, heeft bekabbeld.
Bekaden, bekaadde, heeft bekaad.
Bekading, V., bekadingen.
Bekaf (bek-af).
Bekalken, bekalkte, heeft bekalkt.
Bekamen, bekaamde, is bekaamd.
Bekampen, bekampte, heeft bekampt.
Bekamping, V., bekampingen.
Bekappen, bekapte, heeft bekapt.
Bekapping, V., bekappingen.
Bekeerder, M., bekeerders.
Bekeeren, bekeerde (zich), heeft (zich) bekeerd.
Bekeering, V., bekeeringen.
Bekeeringsijver, M.
Bekeeringszucht, V.
Bekeerlijk, -lijker, -lijkst.
Bekeerlijkheid, V.
Bekeerling, M. en V., bekeerlingen. V. ook bekeerlinge.
Bekend, bekender, bekendst.
Bekende, M. en V., bekenden.
Bekendheid, V.
Bekendmaken, maakte bekend, heeft bekendgemaakt.
Bekendmaker, M., -makers.
Bekendmaking, V., -makingen.
Bekendstaan, stond bekend, heeft bekendgestaan.
Bekendwording, V.
Bekennen, bekende, heeft bekend.
Bekenner, M., bekenners.
Bekenning, V., bekenningen.
Bekentenis, V., bekentenissen.
Beker, M., bekers. Bekertje, O., -jes.
Bekeren, bekerde, heeft gebekerd.
Bekeurder, M., bekeurders.
Bekeuren, bekeurde, heeft bekeurd.
Bekeuring, V., bekeuringen.
Bekijk, O.
Bekijken, bekeek, bekeken, heeft bekeken.
Bekijker, M., bekijkers.
Bekijking, V.
Bekijkster, V., bekijksters.
Bekijven, bekeef, bekeven, heeft bekeven.
Bekken, O., bekkens. Bekkentje, O., -jes.
Bekkeneel, O., bekkeneelen.
Bekkesnijden, O.
Bekkesnijder, M., -snijders.
Beklaaglijk, -lijker, -lijkst.
Beklaaglijkheid, V.
Bekladden, bekladde, heeft beklad.
Bekladder, M., bekladders.
Beklag, O.
Beklagen, beklaagde, heeft beklaagd.
Beklagenswaardig, -waardiger, -waardigst, of meer en meest -waardig.
Beklagenswaardigheid, V.
Beklager, M., beklagers.
Beklaging, V., beklagingen.
Beklant, beklanter, beklantst.
Beklappen, beklapte, heeft beklapt.
Beklapper, M., beklappers.
Beklauteren, beklauterde, heeft beklauterd.
Bekleeden, bekleedde, heeft bekleed.
Bekleeder, M., bekleeders.
Bekleeding, V., bekleedingen.
Bekleedsel, O., bekleedsels.
Beklembrief, M., -brieven.
Beklemd.
Beklemdheid, V., -heden.
Beklemmen, beklemde, heeft beklemd.
Beklemming, V., beklemmingen.
Beklemrecht, O.
Beklijven, beklijfde, heeft beklijfd.
Beklimmen, beklom, beklommen, heeft beklommen.
Beklimming, V., beklimmingen.
Beklinken, beklonk, heeft beklonken.
Beklonteren, beklonterde, heeft beklonterd.
Beknabbelen, beknabbelde, heeft beknabbeld.
Beknagen, beknaagde, heeft beknaagd.
Beknellen, beknelde, heeft bekneld.
Beknibbelen, beknibbelde, heeft beknibbeld.
Beknibbeling, V., beknibbelingen.
Beknopt, beknopter, beknoptst.
Beknoptheid, V.
Beknorren, beknorde, heeft beknord.
Bekocht.
Bekoelen, bekoelde, heeft en is bekoeld.
Bekoeling, V., bekoelingen.
Bekoken, bekookte, heeft bekookt.
Bekomen, bekomt, bekwam, bekwamen, heeft en is bekomen.
Bekoming, V.
Bekommerd.
Bekommerdheid, V.
Bekommeren, bekommerde, heeft bekommerd.
Bekommering, V., bekommeringen.
Bekommernis, V., bekommernissen.
Bekomst, V.
Bekonkelen, bekonkelde, heeft bekonkeld.
Bekoopen, bekocht, heeft bekocht.
Bekoorder, M., bekoorders.
Bekoorlijk, -lijker, -lijkst.
Bekoorlijkheid, V., -heden.
Bekoorster, V., bekoorsters.
Bekoren, bekoorde, heeft bekoord.
Bekoring, V., bekoringen.
Bekorsten, bekorstte, heeft bekorst.
Bekorten, bekortte, heeft bekort.
Bekorting, V., bekortingen.
Bekostigen, bekostigde, heeft bekostigd.
Bekostiging, V.
Bekrabbelen, bekrabbelde, heeft bekrabbeld.
Bekrabben, bekrabde, heeft bekrabd.
Bekrachtigen, bekrachtigde, heeft bekrachtigd.
Bekrachtiger, M., bekrachtigers.
Bekrachtiging, V., bekrachtigingen.
Bekransen, bekranste, heeft bekranst.
Bekrassen, bekraste, heeft bekrast.
Bekreunen (zich -), bekreunde zich, heeft zich bekreund.
Bekrijten, bekreet, bekreten, heeft bekreten.
Bekrimpen, bekromp, heeft bekrompen.
Bekrimping, V., bekrimpingen.
Bekrompen, bekrompener, bekrompenst.
Bekrompenheid, V.
Bekronen, bekroonde, heeft bekroond.
Bekroning, V., bekroningen.
Bekrozen.
Bekruiden, bekruidde, heeft bekruid.
Bekruien, bekrooi, bekrooien, heeft bekrooien; ook bekruide, heeft bekruid.
Bekruipen, bekroop, bekropen, heeft bekropen.
Bekruisen, bekruiste, heeft bekruist.
Bekuipen, bekuipte, heeft bekuipt.
Bekuiping, V.
Bekwaam, bekwamer, bekwaamst.
Bekwaamheid, V., -heden.
Bekwamen, bekwaamde, heeft bekwaamd.
Bekwaming, V.
Bekweelen, bekweelde, heeft bekweeld.
Bekwijlen, bekwijlde, heeft bekwijld.
Bel, V., bellen. Belletje, O., -jes.
Belaagster, V., belaagsters.
Belabberd, belabberder, belabberdst.
Belabberdheid, V.
Belachelijk, -lijker, -lijkst.
Belachelijkheid, V.
Belachen, belachte, heeft belachen; ook beloeg.
Beladen, belaadde, heeft beladen.
Belading, V., beladingen.
Belagen, belaagde, heeft belaagd.
Belager, M., belagers.
Belaging, V., belagingen.
Belanden, belandde, is beland.
Belang, O., belangen.
Belangeloos, -loozer, -loost.
Belangeloosheid, V.
Belangen, belangde, heeft belangd.
Belangende.
Belanghebbende, M. en V., -hebbenden.
Belangrijk, -rijker, -rijkst.
Belangrijkheid, V.
Belangstellen, stelde belang, heeft belanggesteld.
Belangstellend, -stellender, -stellendst.
Belangstelling, V.
Belastbaar, -bare.
Belastbaarheid, V.
Belasten, belastte, heeft belast.
Belasteren, belasterde, heeft belasterd.
Belastering, V., belasteringen.
Belasting, V., belastingen.
Belastingbiljet, O., -biljetten.
Belastingkantoor, O., -kantoren.
Belastingkiezer, M., -kiezers.
Belastingplichtige, M. en V., -plichtigen.
Belastingschuldige, M. en V., -schuldigen.
Belastingwet, V., -wetten.
Belatten, belatte, heeft belat.
Belboei, V., -boeien.
Beleedigen, beleedigde, heeft beleedigd.
Beleediger, M., beleedigers.
Beleediging, V., beleedigingen.
Beleefd, beleefder, beleefdst.
Beleefdelijk.
Beleefdheid, V., -heden.
Beleefdheidsbezoek, O., -bezoeken.
Beleefdheidshalve.
Beleefdheidsvorm, M., -vormen.
Beleenbaar, -bare.
Beleenbank, V., -banken.
Beleenen, beleende, heeft beleend.
Beleener, M., beleeners.
Beleening, V., beleeningen.
Beleg, O.
Belegen.
Belegeraar, M., belegeraars.
Belegeren, belegerde, heeft belegerd.
Belegering, V., belegeringen.
Belegeringsgeschut, O.
Belegeringskunst, V.
Belegeringsspel, O., -spellen; -spelletje, O., -jes.
Belegeringstrein, M., -treinen.
Beleggen, belegde en beleide, heeft belegd en beleid.
Belegger, M., beleggers.
Belegging, V., beleggingen.
Beleghout, O., -houten.
Belegsel, O., belegsels. Belegseltje, O., -jes.
Belegstuk, O., -stukken.
Beleid, O.
Beleiden, beleidde, heeft beleid.
Beleider, M., beleiders.
Beleidvol.
Belekken, belekte, heeft belekt.
Belemmeraar, M., belemmeraars.
Belemmeren, belemmerde, heeft belemmerd.
Belemmering, V., belemmeringen.
Belenden, belendde, heeft belend.
Belending, V., belendingen.
Belet, O.
Bel-étage, V., -étages.
Beletsel, O., beletselen en beletsels. Beletseltje, O., -jes.
Beletten, belette, heeft belet.
Beletting, V.
Beleven, beleefde, heeft beleefd.
Belezen, belas, belazen, heeft belezen.
Belezen, belezener, belezenst.
Belezenheid, V.
Belezer, M., belezers.
Belezing, V., belezingen.
Belg, M., Belgen.
Belgen (zich -), belgde zich, heeft zich gebelgd.
Belgicisme, O., belgicismen.
Belging, V., belgingen.
Belgisch.
Belgziek, -zieker, -ziekst.
Belhamel, M., -hamels.
Belichamen, belichaamde, heeft belichaamd.
Belichaming, V.
Beliegen, beloog, belogen, heeft belogen.
Belieger, M., beliegers.
Believen, beliefde, heeft beliefd. Verg. Blieven.
Believen, O.
Belijden, beleed, beleden, heeft beleden.
Belijdenis, V., belijdenissen.
Belijdenisgeschenk, O., -geschenken.
Belijder, M., belijders.
Belijderes, V., belijderessen.
Belijmen, belijmde, heeft belijmd.
Belijnen, belijnde, heeft belijnd.
Belikken, belikte, heeft belikt.
Bellefleur, V., -fleuren. Bellefleurtje, O., -jes.
Bellen, belde, heeft gebeld.
Bellettrie, V.
Bellettrist, M., bellettristen.
Beloerder, M., beloerders.
Beloeren, beloerde, heeft beloerd.
Belofte, V., beloften.
Beloftenis, V., beloftenissen.
Beloken.
Belommeren, belommerde, heeft belommerd.
Belommering, V.
Belonken, belonkte, heeft belonkt.
Beloonen, beloonde, heeft beloond.
Belooner, M., belooners.
Belooning, V., belooningen. Belooninkje, O., -jes.
Beloonster, V., beloonsters.
Beloop, O.
Beloopen, beliep, beliepen, heeft beloopen.
Beloven, beloofde, heeft beloofd.
Belover, M., belovers.
Belroos, V.
Belt, V., belten.
Beluiden (ook beluien), beluidde (beluide), heeft beluid.
Beluisteraar, M., beluisteraars.
Beluisteren, beluisterde, heeft beluisterd.
Belust, beluster.
Belustheid, V.
Belvedere, O., belvederes.
Bemachtigen, bemachtigde, heeft bemachtigd.
Bemachtiging, V.
Bemalen (met den watermolen), bemaalde, heeft bemalen.
Bemalen (beschilderen), bemaalde, heeft bemaald.
Bemaling, V., bemalingen.
Bemalingswerktuig, O., -werktuigen.
Bemannen, bemande, heeft bemand.
Bemanning, V., bemanningen.
Bemantelen, bemantelde, heeft bemanteld.
Bemanteling, V., bemantelingen.
Bemerkbaar, -baarder, -baarst.
Bemerken, bemerkte, heeft bemerkt.
Bemesten, bemestte, heeft bemest.
Bemesting, V., bemestingen.
Bemiddelaar, M., bemiddelaars.
Bemiddelaarster, V., bemiddelaarsters.
Bemiddelares, V., bemiddelaressen.
Bemiddeld, bemiddelder, bemiddeldst.
Bemiddeldheid, V.
Bemiddelen, bemiddelde, heeft bemiddeld.
Bemiddeling, V.
Bemind, beminder, bemindst.
Beminde, M. en V., beminden.
Beminlijk en beminnelijk, -lijker, -lijkst.
Beminlijkheid, V.
Beminnaar, M., beminnaren en beminnaars.
Beminnares, V., beminnaressen.
Beminnen, beminde, heeft bemind.
Beminnenswaardig, -waardiger, -waardigst, of meer en meest -waardig.
Beminnenswaardigheid, V.
Bemodderen, bemodderde, heeft bemodderd.
Bemoedigen, bemoedigde, heeft bemoedigd.
Bemoediging, V., bemoedigingen.
Bemoeial, M. en V., bemoeiallen.
Bemoeien, bemoeide, heeft bemoeid.
Bemoeienis, V., bemoeienissen.
Bemoeiing, V., bemoeiingen.
Bemoeilijken, bemoeilijkte, heeft bemoeilijkt.
Bemoeilijking, V., bemoeilijkingen.
Bemoeisel, O., bemoeisels.
Bemoeiziek.
Bemoeizucht, V.
Bemorsen, bemorste, heeft bemorst.
Bemost.
Bemuren, bemuurde, heeft bemuurd.
Bemuring, V., bemuringen.
Ben, V., bennen. Bennetje, O., -jes.
Benaaien, benaaide, heeft benaaid.
Benaarstigen, benaarstigde, heeft benaarstigd.
Benaasten, benaastte, heeft benaast.
Benaasting, V., benaastingen.
Benadeelen, benadeelde, heeft benadeeld.
Benadeeler, M., benadeelers.
Benadeeling, V., benadeelingen.
Benaderen, benaderde, heeft benaderd.
Benadering, V., benaderingen.
Benaming, V., benamingen.
Benard, benarder, benardst.
Benardheid, V.
Benarren, benarde, heeft benard.
Benauwd, benauwder, benauwdst.
Benauwdheid, V., -heden.
Benauwen, benauwde, heeft benauwd.
Benauwer, M., benauwers.
Benauwing, V., benauwingen.
Bende, V., benden.
Beneden.
Benedeneinde, O.
Benedenhuis, O., -huizen.
Benedenkamer, V., -kamers; -kamertje, O., -jes.
Benedenste.
Benedenswinds.
Benedenwaarts.
Benedenzaal, V., -zalen.
Benedictijn, M., Benedictijnen.
Benefice, O.
Benefice-voorstelling, V., -voorstellingen.
Benemen, benam, benamen, heeft benomen.
Benemer, M., benemers.
Beneming, V.
Benepen, benepener, benepenst.
Benepenheid, V.
Benevelen, benevelde, heeft beneveld.
Beneveling, V., benevelingen.
Benevens.
Bengaalsch-vuur, O.
Bengel, M., bengels.
Bengelen, bengelde, heeft gebengeld.
Bengelkruid, O.
Benieuwd.
Benieuwen, benieuwde, heeft benieuwd.
Benijden, benijdde, heeft benijd.
Benijdenswaardig, -waardiger, -waardigst of meer en meest -waardig.
Benijdenswaardigheid, V.
Benijder, M., benijders.
Benijdster, V., benijdsters.
Benijpen, beneep, benepen, heeft benepen.
Benoembaar, -bare.
Benoembaarheid, V.
Benoemde, M. en V., benoemden.
Benoemen, benoemde, heeft benoemd.
Benoemer, M., benoemers.
Benoeming, V., benoemingen.
Benoemingsbrief, M., -brieven.
Benoodigd.
Benoodigdheid, V., -heden.
Benoorden.
Bent, V.
Benul, O.
Benzine, V.
Benzine-motor, M., -motors en -motoren.
Benzoë, V.
Benzoëbloemen, V.
Beoefenaar, M., beoefenaars en beoefenaren.
Beoefenen, beoefende, heeft beoefend.
Beoefening, V.
Beoliën, beoliede, heeft beolied.
Beoogen, beoogde, heeft beoogd.
Beooging, V.
Beoordeelaar, M., beoordeelaars en beoordeelaren.
Beoordeelen, beoordeelde, heeft beoordeeld.
Beoordeeling, V., beoordeelingen.
Beoorlogen, beoorloogde, heeft beoorloogd.
Beoosten.
Bepaald, bepaalder, bepaaldst.
Bepaaldelijk.
Bepaaldheid, V.
Bepakken, bepakte, heeft bepakt.
Bepakking, V., bepakkingen.
Bepakt.
Bepalen, bepaalde, heeft bepaald.
Bepaler, M., bepalers.
Bepaling, V., bepalingen. Bepalinkje, O., -jes.
Beparelen, beparelde, heeft bepareld.
Bepeinzen, bepeinsde, heeft bepeinsd.
Bepeinzing, V., bepeinzingen.
Bepekken (ook bepikken), bepekte, heeft bepekt.
Beperken, beperkte, heeft beperkt.
Beperker, M., beperkers.
Beperking, V., beperkingen.
Beperkt, beperkter, beperktst.
Beperktheid, V.
Bepikken (ook bepekken), bepikte, heeft bepikt.
Bepissen, bepiste, heeft bepist.
Beplakken, beplakte, heeft beplakt.
Beplanken, beplankte, heeft beplankt.
Beplanking, V., beplankingen.
Beplanten, beplantte, heeft beplant.
Beplanter, M., beplanters.
Beplanting, V., beplantingen.
Bepleisteren, bepleisterde, heeft bepleisterd.
Bepleistering, V., bepleisteringen.
Bepleiten, bepleitte, heeft bepleit.
Bepleiting, V., bepleitingen.
Beploegbaar, -bare.
Beploegen, beploegde, heeft beploegd.
Beploeging, V., beploegingen.
Bepluimen, bepluimde, heeft bepluimd.
Bepluisd.
Bepluizen, beploos, beplozen, heeft beplozen.
Bepoten, bepootte, heeft bepoot.
Bepoting, V., bepotingen.
Bepraten, bepraatte, heeft bepraat.
Bepreeken, bepreekte, heeft bepreekt.
Beproefbaar, -bare.
Beproefd, beproefder, beproefdst.
Beproefster, V., beproefsters.
Beproeven, beproefde, heeft beproefd.
Beproever, M., beproevers.
Beproeving, V., beproevingen.
Beraad, O.
Beraadslagen, beraadslaagde, heeft beraadslaagd.
Beraadslager, M., beraadslagers.
Beraadslaging, V., beraadslagingen.
Berad.
Beraden, beried, heeft beraden, ook beraadde.
Beraden, beradener, beradenst.
Beradenheid, V.
Beramen, beraamde, heeft beraamd.
Beramer, M., beramers.
Beraming, V., beramingen.
Berapen, beraapte, heeft beraapt.
Berberis, V., berberissen.
Berberissestruik, M., -struiken.
Berd, O., (te berde brengen).
Berechten, berechtte, heeft berecht.
Berechter, M., berechters.
Berechting, V., berechtingen.
Beredderaar, M., beredderaars.
Beredderen, beredderde, heelt beredderd.
Bereddering, V., beredderingen.
Beredding, V.
Bereden.
Beredeneerd, beredeneerder, beredeneerdst.
Beredeneeren, beredeneerde, heeft beredeneerd.
Beregenen, beregende, is beregend.
Bereiden, bereidde, heeft bereid.
Bereider, M., bereiders.
Bereiding, V., bereidingen.
Bereids.
Bereidsel, O., bereidselen en bereidsels.
Bereidster, V., bereidsters.
Bereidvaardig, -vaardiger, -vaardigst.
Bereidvaardigheid, V.
Bereidwillig, -williger, -willigst.
Bereidwilligheid, V.
Bereik, O.
Bereikbaar, -bare.
Bereikbaarheid, V.
Bereiken, bereikte, heeft bereikt.
Bereiking, V.
Bereisd, bereisder.
Bereizen, bereisde, heeft bereisd.
Berekenaar, M., berekenaars.
Berekenbaar, -bare.
Berekenen, berekende, heeft berekend.
Berekening, V., berekeningen.
Berenhuid, V., -huiden.
Berenjong, O., -jongen.
Berenklauw (klauw van een beer, en plant), M., -klauwen.
Berenkuil, M., -kuilen.
Berenleider, M., -leiders.
Berenmuts, V., -mutsen.
Berennen, berende, heeft berend.
Berenner, M., berenners.
Berenning, V., berenningen.
Berenoor, O., -ooren.
Berg, M., bergen. Bergje, O., -jes.
Bergachtig, -achtiger, -achtigst.
Bergachtigheid, V.
Bergaf.
Bergafwaarts (bijw.).
Bergamot, V., bergamotten. Bergamotje, O., -jes.
Bergamotolie, V.
Bergamotpeer, V., -peren.
Bergen, borg, heeft geborgen.
Bergengte, V., -engten.
Berger, M., bergers.
Berggeld, O.
Berghout, O., -houten.
Berging, V.
Bergketen, V., -ketenen en -ketens.
Bergklimaat, O.
Bergland, O., -landen.
Bergloon, O., -loonen.
Bergop.
Bergpas, M., -passen.
Bergplaats, V., -plaatsen; -plaatsje, O., -jes.
Bergrede, V.
Bergrug, M., -ruggen.
Bergtop, M., -toppen.
Beriberi, V.
Bericht, O., berichten. Berichtje, O., -jes.
Berichten, berichtte, heeft bericht.
Berichter, M., berichters.
Berichtgever, M., -gevers.
Berichtster, V., berichtsters.
Berieken (ook beruiken), berook, beroken, heeft beroken.
Berijdbaar, -bare.
Berijden, bereed, bereden, heeft bereden.
Berijder, M., berijders.
Berijdster, V., berijdsters.
Berijmen, berijmde, heeft berijmd.
Berijmer, M., berijmers.
Berijming, V., berijmingen.
Beril (steen), M., berillen; (stof), O.
Berin (wijfjesbeer), V., berinnen.
Beringen, beringde, heeft beringd.
Berispelijk, -lijker, -lijkst.
Berispelijkheid, V.
Berispen, berispte, heeft berispt.
Berisper, M., berispers.
Berisping, V., berispingen.
Berk, M., berken. Berkje, O., -jes.
Berkeboom, M., -boomen.
Berkemeier, M., berkemeiers.
Berken (bnw.).
Berkenbast, M., -basten.
Berkenhout, O.
Berkenhouten (bnw.).
Berkenrijs, O., -rijzen.
Berkoen, M., berkoenen.
Berlijnsch-blauw, O.
Berm, M., bermen.
Bermsloot, V., -slooten.
Beroemd, beroemder, beroemdst.
Beroemdheid, V., -heden.
Beroemen, beroemde, heeft beroemd.
Beroep, O., beroepen.
Beroepbaar, -bare.
Beroepbaarheid, V.
Beroepen, beriep, heeft beroepen.
Beroepene, M. en V., beroepenen.
Beroeper, M., beroepers.
Beroeping, V., beroepingen.
Beroepsbezigheid, V., -heden.
Beroepsbrief, M., -brieven.
Beroepshalve.
Beroepsplicht, M., -plichten.
Beroepsraad, M., -raden.
Beroepswet, V.
Beroerd, beroerder, beroerdst.
Beroerdeling, M., beroerdelingen.
Beroerder, M., beroerders.
Beroerdheid, V., -heden.
Beroeren, beroerde, heeft beroerd.
Beroering, V., beroeringen.
Beroerling, M., -lingen.
Beroerte, V., beroerten en beroertes.
Beroesten, beroestte, is beroest.
Beroesting, V.
Berokkenen, berokkende, heeft berokkend.
Berokkening, V.
Beroofster, V., beroofsters.
Berooid, berooider, berooidst.
Berooidheid, V.
Berooken, berookte, heeft berookt.
Berooking, V., berookingen.
Berooven, beroofde, heeft beroofd.
Beroover, M., beroovers.
Berooving, V., beroovingen.
Berouw, O.
Berouwen, berouwde, heeft berouwd.
Berouwhebbend.
Berouwvol.
Berrie, V., berries.
Berst. Zie Barst.
Bersten. Zie Barsten.
Berucht, beruchter, beruchtst.
Beruchtheid, V.
Beruiken (ook berieken), berook, beroken, heeft beroken.
Berusten, berustte, heeft berust.
Berusting, V.
Bes, V., bessen. Besje, O., -jes.
Bes (oude vrouw). Zie Best, V.
Besausen, besauste, heeft besaust.
Beschaafd, beschaafder, beschaafdst.
Beschaafdheid, V.
Beschaamd, beschaamder, beschaamdst.
Beschaamdheid, V.
Beschaarder, M., beschaarders.
Beschaarster, V., beschaarsters.
Beschadigen, beschadigde, heeft beschadigd.
Beschadiger, M., beschadigers.
Beschadiging, V., beschadigingen.
Beschaduwen, beschaduwde, heeft beschaduwd.
Beschaduwing, V.
Beschamen, beschaamde, heeft beschaamd.
Beschaming, V.
Beschansen, beschanste, heeft beschanst.
Beschansing, V., beschansingen.
Bescharen, beschaarde, heeft beschaard.
Beschaven, beschaafde, heeft beschaafd.
Beschaver, M., beschavers.
Beschaving, V., beschavingen.
Beschavingsgeschiedenis, V.
Bescheid, O., bescheiden.
Bescheiden, bescheidde, heeft bescheiden.
Bescheiden, bescheidener, bescheidenst.
Bescheidenheid, V.
Bescheidenlijk.
Beschenken, beschonk, heeft beschonken.
Beschenking, V.
Bescheren, beschoor, beschoren, heeft beschoren.
Beschering, V.
Beschermeling, M. en V., beschermelingen. V. ook beschermelinge.
Beschermen, beschermde, heeft beschermd.
Beschermengel, M., -engelen.
Beschermer, M., beschermers.
Beschermgeest, M., -geesten.
Beschermgod, M., -goden.
Beschermgodin, V., -godinnen.
Beschermheer, M., -heeren.
Beschermheilige, M. en V., -heiligen.
Bescherming, V., beschermingen.
Beschermster, V., beschermsters.
Beschieten, beschoot, beschoten, heeft beschoten.
Beschieting, V.
Beschijnen, bescheen, beschenen, heeft beschenen.
Beschijten, bescheet, bescheten, heeft bescheten.
Beschik, O.
Beschikal, M. en V., beschikallen.
Beschikbaar, -bare.
Beschikbaarheid, V.
Beschikken, beschikte, heeft beschikt.
Beschikker, M., beschikkers.
Beschikking, V., beschikkingen.
Beschikster, V., beschiksters.
Beschilderen, beschilderde, heeft beschilderd.
Beschildering, V.
Beschimmeld.
Beschimmeldheid, V.
Beschimmelen, beschimmelde, is beschimmeld.
Beschimpen, beschimpte, heeft beschimpt.
Beschimper, M., beschimpers.
Beschimping, V., beschimpingen.
Beschoeien, beschoeide, heeft beschoeid.
Beschoeiing, V., beschoeiingen.
Beschonken.
Beschonkenheid, V.
Beschoren.
Beschot, O., beschotten. Beschotje, O., -jes.
Beschouwen, beschouwde, heeft beschouwd.
Beschouwer, M., beschouwers.
Beschouwing, V., beschouwingen.
Beschreien, beschreide, heeft beschreid.
Beschreienswaardig, -waardiger, -waardigst, of meer en meest -waardig.
Beschrijden, beschreed, beschreden, heeft beschreden.
Beschrijfster, V., beschrijfsters.
Beschrijven, beschreef, beschreven, heeft beschreven.
Beschrijver, M., beschrijvers.
Beschrijving, V., beschrijvingen.
Beschrijvingsbiljet, O., -biljetten.
Beschrijvingsbrief, M., -brieven.
Beschroomd, beschroomder, beschroomdst.
Beschroomdheid, V.
Beschuit, V., beschuiten. Beschuitje, O., -jes.
Beschuitbakker, M., -bakkers.
Beschuitbus, V., -bussen.
Beschuitkruimel, V., -kruimels; -kruimeltje, O., -jes.
Beschuittrommel, V., -trommels.
Beschuldigde, M. en V., beschuldigden.
Beschuldigen, beschuldigde, heeft beschuldigd.
Beschuldiger, M., beschuldigers.
Beschuldiging, V., beschuldigingen.
Beschuldigster, V., beschuldigsters.
Beschutsel, O., beschutsels.
Beschutten, beschutte, heeft beschut.
Beschutter, M., beschutters.
Beschutting, V., beschuttingen.
Besef, O.
Beseffeloos, -looze.
Beseffeloosheid, V.
Beseffen, besefte, heeft beseft.
Besingelen, besingelde, heeft besingeld.
Beslaan, beslaat, besloeg, heeft en is beslagen.
Beslag, O.
Beslagmaker, M., -makers.
Beslapen, besliep, heeft beslapen.
Beslaping, V.
Beslechten, beslechtte, heeft beslecht.
Beslechter, M., beslechters.
Beslechting, V., beslechtingen.
Beslechtster, V., beslechtsters.
Beslijken, beslijkte, heeft beslijkt.
Beslijpen, besleep, beslepen, heeft beslepen.
Beslissen, besliste, heeft beslist.
Beslissend, beslissender, beslissendst.
Beslissing, V., beslissingen.
Beslommeren, beslommerde, heeft beslommerd.
Beslommering, V., beslommeringen.
Beslooten, beslootte, heeft besloot.
Besloten.
Besluipen, besloop, beslopen, heeft beslopen.
Besluit, O., besluiten.
Besluiteloos, -loozer, -loost.
Besluiteloosheid, V.
Besluiten, besloot, besloten, heeft besloten.
Besmeren, besmeerde, heeft besmeerd.
Besmettelijk, -lijker, -lijkst.
Besmettelijkheid, V., -heden.
Besmetten, besmette, heeft besmet.
Besmetting, V., besmettingen.
Besmetverklaring, V., -verklaringen.
Besnaren, besnaarde, heeft besnaard.
Besneden.
Besneeuwd.
Besnijden, besneed, besneden, heeft besneden.
Besnijdenis, V.
Besnijder, M., besnijders.
Besnijding, V., besnijdingen.
Besnoeibaar, -bare.
Besnoeien, besnoeide, heeft besnoeid.
Besnoeier, M., besnoeiers.
Besnoeiing, V., besnoeiingen.
Besnuffelen, besnuffelde, heeft besnuffeld.