Woordenlijst voor de spelling der Nederlandsche Taal Met aanwijzing van de geslachten der naamwoorden en de vervoeging der werkwoorden

Part 9

Chapter 92,879 wordsPublic domain

Achterstraat, V., -straten.

Achterstreng, V., -strengen.

Achterstuk, O., -stukken.

Achtertalie, V., -talies.

Achtertrap, V., -trappen.

Achteruit.

Achteruit, O. Achteruitje, O., -jes.

Achteruitboeren, boerde achteruit, is en heeft achteruitgeboerd.

Achteruitdeinzen, deinsde achteruit, is achteruitgedeinsd.

Achteruitgaan, gaat achteruit, ging achteruit, is achteruitgegaan.

Achteruitgang, M.

Achteruitkrabbelen, krabbelde achteruit, is achteruitgekrabbeld.

Achteruitkrabben, krabde achteruit, is achteruitgekrabd.

Achteruitleeren, leerde achteruit, is en heeft achteruitgeleerd.

Achteruitloopen, liep achteruit, is achteruitgeloopen.

Achteruitraken, raakte achteruit, is achteruitgeraakt.

Achteruitrijden, reed achteruit, reden achteruit, is en heeft achteruitgereden.

Achteruitschoppen, schopte achteruit, heeft achteruitgeschopt.

Achteruitschuiven, schoof achteruit, schoven achteruit, heeft achteruitgeschoven.

Achteruitslaan, slaat achteruit, sloeg achteruit, heeft achteruitgeslagen.

Achteruitvallen, viel achteruit, is achteruitgevallen.

Achteruitwerken, werkte achteruit, heeft achteruitgewerkt.

Achteruitwijken, week achteruit, weken achteruit, is achteruitgeweken.

Achteruitzeilen, zeilde achteruit, is achteruitgezeild.

Achteruitzetten, zette achteruit, heeft achteruitgezet.

Achteruitzitten, zat achteruit, zaten achteruit, heeft achteruitgezeten.

Achtervak, O., -vakken.

Achtervertrek, O., -vertrekken.

Achtervoegen, voegde achter, heeft achtergevoegd.

Achtervoeging, V.

Achtervoegsel, O., -voegsels; -voegseltje, O., -jes.

Achtervolgen, achtervolgde, is en heeft achtervolgd.

Achtervolgens.

Achtervolging, V., -volgingen.

Achterwaarts (bijw.).

Achterwaartsch (bnw.).

Achterweg, M., -wegen.

Achterwege.

Achterwerk, O., -werken.

Achterwiel, O., -wielen.

Achterzak, M., -zakken.

Achterzeilen, zeilde achter, is en heeft achtergezeild.

Achtgeving, V.

Achthelmig.

Achthoek, M., -hoeken; -hoekje, O., -jes.

Achthoekig.

Achthonderd.

Achting, V.

Achtjarig.

Achtkant (bnw.).

Achtkant, O., -kanten; -kantje, O., -jes.

Achtkantig.

Achtlettergrepig.

Achtmaal.

Achtmaandsch.

Achtmannig.

Achtponder, M., -ponders.

Achtpootig.

Achtpuntig.

Achtregelig.

Achtste.

Achtste, O., achtsten. Achtstetje, O., -jes.

Achtstijlig.

Achttal, O., -tallen.

Achttien.

Achttiende.

Achtvlak, O., -vlakken.

Achtvlakkig.

Achtvoetig.

Achtvoud, O., -vouden.

Achtvoudig.

Achtwerf.

Achtzaam, achtzamer, achtzaamst.

Achtzijdig.

Acrobaat, M., -baten.

Acrobatentoer, M., -toeren.

Acteeren, acteerde, heeft geacteerd.

Acteur, M., acteurs.

Acteursloopbaan, V.

Actie, V., actiën en acties.

Actief, actiever, actiefst.

Actief, O.

Activiteit, V.

Actrice, V., actrices.

Actualiteit, V.

Actueel, actueele.

Acustiek, V.

Adagio, O., adagio's.

Adamsappel, M., -appels en -appelen.

Adamskostuum, O.

Adamsvork, V.

Adat, V.

Adatrecht, O.

Adder, V., adders en adderen. Addertje, O., -jes.

Adderengebroed, O.

Adderengebroedsel, O.

Addertong, V., -tongen.

Addervaren, V., -varens.

Additioneel, additioneele.

Adel, M.

Adelaar, M., adelaren en adelaars.

Adelaarsblik, M., -blikken.

Adelaarshout, O.

Adelaarsnest, O., -nesten.

Adelaarsoog, O., -oogen.

Adelaarssteen, M., -steenen; -steentje, O., -jes.

Adelaarsveer, V., -veren.

Adelaarsvleugel, M., -vleugels en -vleugelen.

Adelaarsvlucht, V., -vluchten.

Adelborst, M., -borsten; -borstje, O., -jes.

Adelbrief, M., -brieven.

Adeldom, M.

Adelen, adelde, heeft geadeld.

Adellijk.

Adelstand, M.

Adeltrots, M.

Adem, M.

Ademen, ademde, heeft geademd.

Ademhalen, haalde adem, heeft ademgehaald.

Ademhaling, V., -halingen.

Ademhalingsproces, O.

Ademhalingswerktuig, O., -werktuigen.

Ademloos, -looze.

Ademtocht, M.

Ader (aar), V., aderen. Adertje, O., -jes.

Aderbreuk, V., -breuken.

Aderig, aderiger, aderigst.

Aderlaten, heeft adergelaten.

Aderlater, M., -laters.

Aderlating, V., -latingen; -latinkje, O., -jes.

Aderlijk.

Aderspat, V., -spatten.

Adhaesie, V.

Adieu.

Adjectief, O., adjectieven.

Adjudant, M., adjudanten.

Adjudant-onderofficier, M., -officieren.

Adjunct, M., adjuncten.

Adjunct-administrateur, M., adjunct-administrateuren en -teurs.

Adjunct-commies, M., adjunct-commiezen.

Adjunct-houtvester, M., adjunct-houtvesters.

Administrateur, M., administrateuren en administrateurs.

Administratie, V., administratiën en administraties.

Administratief, administratieve.

Admiraal, M., admiraals en admiralen.

Admiraal-generaal, M., admiraals- en admiralen-generaal.

Admiraalschap (ambt van admiraal), O.

Admiraalsschip, O., -schepen.

Admiraalsuniform, V., -uniformen.

Admiraalsvlag, V., -vlaggen.

Admiraalzeilen, O.

Admiraliteit, V., admiraliteiten.

Admiraliteitscollege, O., -colleges.

Admiraliteitshof, O.

Admiraliteitskamer, V., -kamers.

Admissie, V.

Admissie-examen, O., -examens.

Admitteeren, admitteerde, heeft geadmitteerd.

Adonis, M., Adonissen. Adonisje, O., -jes.

Adoniseeren (zich -), adoniseerde zich, heeft zich en is geadoniseerd.

Adres, O., adressen. Adresje, O., -jes.

Adresbeweging, V., -bewegingen.

Adresboek, O., -boeken.

Adreskaart, V., -kaarten; -kaartje, O., -jes.

Adressant, M., adressanten.

Adressante, V., adressanten.

Adresseeren, adresseerde, heeft geadresseerd.

Adspirant en aspirant, M., adspiranten en aspiranten.

Adspirant-ingenieur, M., adspirant-ingenieurs.

Advenant (Naar -).

Advent, M.

Adverteeren, adverteerde, heeft geadverteerd.

Advertentie, V., advertentiën en advertenties.

Advertentieblad, O., -bladen.

Advertentiebureau, O., -bureau's.

Advertentiekosten (mv.), M.

Advies, O., adviezen. Adviesje, O., -jes.

Adviesjacht, O., -jachten.

Adviseeren, adviseerde, heeft geadviseerd.

Adviseur, M., adviseurs.

Advocaat, M., advocaten. Advocaatje, O., -jes.

Advocaat-generaal, M., advocaten-generaal.

Advocatenborrel, V.

Advocatenkamer, V., -kamers.

Advocatenkantoor, V., -kantoren.

Advocatenstreek, M., -streken; -streekje, O., -jes.

Advocaterij, V.

Aequator, M.

Aëroliet, M., aërolieten.

Aëronaut, M., aëronauten.

Aëroplaan, V., aëroplanen.

Aesculaap, M., aesculapen.

Aesthetica, V.

Aesthetisch.

Aether, M.

Af.

Afbaarden, baardde af, heeft afgebaard.

Afbaarder, M., -baarders.

Afbaarzen, baarsde af, heeft afgebaarsd.

Afbabbelen, babbelde af, heeft afgebabbeld.

Afbakenen, bakende af, heeft afgebakend.

Afbakening, V., -bakeningen.

Afbakken, bakte af, heeft afgebakken.

Afbarsten, barstte af, is afgebarsten; ook borst af, is afgeborsten.

Afbasten, bastte af, heeft en is afgebast.

Afbedelen, bedelde af, heeft afgebedeld.

Afbeelden, beeldde af, heeft afgebeeld.

Afbeelding, V., -beeldingen. Afbeeldinkje, O., -jes.

Afbeeldsel, O., -beeldsels en -beeldselen.

Afbeitelen, beitelde af, heeft afgebeiteld.

Afbersten. Zie Afbarsten.

Afbestellen, bestelde af, heeft afbesteld.

Afbetalen, betaalde af, heeft afbetaald.

Afbetaling, V., -betalingen.

Afbetten, bette af, heeft afgebet.

Afbeulen, beulde af, heeft afgebeuld.

Afbidden, bad af, baden af, heeft afgebeden.

Afbidding, V.

Afbijten, beet af, beten af, heeft afgebeten.

Afbikken, bikte af, heeft afgebikt.

Afbiljoenen, biljoende af, heeft afgebiljoend.

Afbinden, bond af, heeft afgebonden.

Afbinder, M., -binders.

Afbinding, V., -bindingen.

Afblaaspijp, V., -pijpen.

Afbladderen, bladderde af, is afgebladderd.

Afbladen, blaadde af, heeft afgeblaad.

Afblakeren, blakerde af, heeft afgeblakerd.

Afblaren, blaarde af, is afgeblaard.

Afblazen, blies af, bliezen af, heeft afgeblazen.

Afblijven, bleef af, bleven af, is afgebleven.

Afbliksemen, bliksemde af, heeft afgebliksemd.

Afblokken (zich -), blokte zich af, heeft zich en is afgeblokt.

Afboeken, boekte af, heeft afgeboekt.

Afboenen, boende af, heeft afgeboend.

Afbonken, bonkte af, heeft afgebonkt.

Afbonzen, bonsde af, heeft en is afgebonsd.

Afboomen, boomde af, heeft en is afgeboomd.

Afborstelen, borstelde af, heeft afgeborsteld.

Afborsteling, V., -borstelingen.

Afbottelen, bottelde af, heeft afgebotteld.

Afbouwen, bouwde af, heeft afgebouwd.

Afbraak, V.

Afbranden, brandde af, is en heeft afgebrand.

Afbranding, V., -brandingen.

Afbrandsel, O.

Afbrassen, braste af, is afgebrast.

Afbreien, breide af, heeft afgebreid.

Afbreken, brak af, braken af, heeft en is afgebroken.

Afbreker, M., -brekers.

Afbreking, V., -brekingen.

Afbrengen, bracht af, heeft afgebracht.

Afbrenger, M., -brengers.

Afbrenging, V.

Afbreuk, V.

Afbroddelen, broddelde af, heeft afgebroddeld.

Afbrokkelen, brokkelde af, heeft en is afgebrokkeld.

Afbrokkeling, V.

Afbruien, bruide af, heeft en is afgebruid.

Afbruisen, bruiste af, is afgebruist.

Afbuien, buide af, is afgebuid.

Afbuigen, boog af, bogen af, heeft en is afgebogen.

Afbuitelen, buitelde af, is en heeft afgebuiteld.

Afdak, O., -daken. Afdakje, O., -jes.

Afdakking, V., -dakkingen.

Afdalen, daalde af, is afgedaald.

Afdaling, V., -dalingen.

Afdammen, damde af, heeft afgedamd.

Afdamming, V., -dammingen. Afdamminkje, O., -jes.

Afdanken, dankte af, heeft afgedankt.

Afdanken, V., -dankingen.

Afdansen, danste af, heeft en is afgedanst.

Afdeelen, deelde af, heeft afgedeeld.

Afdeeling, V., -deelingen. Afdeelinkje, O., -jes.

Afdeelings-chef, M., -chefs.

Afdeinzen, deinsde af, is afgedeinsd.

Afdeinzing, V.

Afdekken, dekte af, heeft afgedekt.

Afdekker, M., -dekkers.

Afdekkerij, V., -dekkerijen.

Afdekking, V., -dekkingen.

Afdienen, diende af, heeft afgediend.

Afdieven, diefde af, heeft afgediefd.

Afdijken, dijkte af, heeft afgedijkt.

Afdijking, V., -dijkingen.

Afdingen, dong af, heeft afgedongen.

Afdinger, M., -dingers.

Afdingster, V., -dingsters.

Afdoen, deed af, deden af, heeft afgedaan.

Afdoend.

Afdoener, M., -doeners.

Afdoening, V., -doeningen.

Afdokken, dokte af, heeft afgedokt.

Afdolen, doolde af, is afgedoold.

Afdoling, V., -dolingen.

Afdonderen, donderde af, is en heeft afgedonderd.

Afdoppen, dopte af, heeft en is afgedopt.

Afdorschen, dorschte af, heeft afgedorscht.

Afdraaien, draaide af, is en heeft afgedraaid.

Afdraaier, M., -draaiers.

Afdraaiing, V., -draaiingen.

Afdragen, droeg af, heeft afgedragen.

Afdrager, M., -dragers.

Afdraven, draafde af, is en heeft afgedraafd.

Afdreigen, dreigde af, heeft afgedreigd.

Afdreiging, V., -dreigingen.

Afdrentelen, drentelde af, is afgedrenteld.

Afdribbelen, dribbelde af, is afgedribbeld.

Afdrift, V.

Afdrijven, dreef af, dreven af, is en heeft afgedreven.

Afdrijvend.

Afdrijver, M., -drijvers.

Afdrijving, V., -drijvingen.

Afdringen, drong af, heeft afgedrongen.

Afdrinken, dronk af, heeft afgedronken.

Afdrogen, droogde af, heeft afgedroogd.

Afdroging, V., -drogingen.

Afdruipbak, M., -bakken.

Afdruipen, droop af, dropen af, is afgedropen.

Afdruiping, V., -druipingen.

Afdruk, M., -drukken. Afdrukje, O., -jes.

Afdrukken, drukte af, heeft afgedrukt.

Afdruksel, O., -druksels en -drukselen. Afdrukseltje, O., -jes.

Afdruppelen, druppelde af, is afgedruppeld.

Afdruppeling, V.

Afdruppen, drupte af, is afgedrupt.

Afduikelen, duikelde af, heeft en is afgeduikeld.

Afduwen, duwde af, heeft afgeduwd.

Afdwalen, dwaalde af, is afgedwaald.

Afdwaling, V., -dwalingen.

Afdweilen, dweilde af, heeft afgedweild.

Afdweiling, V., -dweilingen.

Afdwingen, dwong af, heeft afgedwongen.

Afeischen, eischte af, heeft afgeëischt.

Afeten, at af, aten af, heeft afgegeten.

Afexerceeren, exerceerde af, heeft afgeëxerceerd.

Affaire, V., affaires.

Affeilen, feilde af, heeft afgefeild.

Affiche, O., affiches.

Affietsen, fietste af, heeft afgefietst.

Affodil en Affodille, V., affodillen.

Affront, O., affronten.

Affronteeren, affronteerde, heeft geaffronteerd.

Affuit, V., affuiten.

Affutselen, futselde af, heeft afgefutseld.

Afgaan, gaat af, ging af, is en heeft afgegaan.

Afgang, M., -gangen.

Afgebliksemd.

Afgebroken.

Afgebruiken, gebruikte af, heeft afgebruikt.

Afgedokterd.

Afgedonderd.

Afgedraaid.

Afgeduiveld.

Afgeknot, -geknotte.

Afgelasten, gelastte af, heeft afgelast.

Afgeleefd.

Afgeleefdheid, V.

Afgelegen, -gelegener, -gelegenst.

Afgelegenheid, V.

Afgemat, -gematte.

Afgematheid, V.

Afgemeten, -gemetener, -gemetenst.

Afgemetenheid, V.

Afgepast, -gepaster, meest afgepast.

Afgepastheid, V.

Afgerazend.

Afgericht, -gerichter, -gerichtst.

Afgerichtheid, V.

Afgerukt.

Afgescheidene, M. en V., -gescheidenen.

Afgescheidenheid, V.

Afgesloofd.

Afgesloofdheid, V.

Afgesloten.

Afgeslotenheid, V.

Afgesneden.

Afgestampt.

Afgestompt.

Afgestorvene, M. en V., -gestorvenen.

Afgetobd.

Afgetrokken, -getrokkener, -getrokkenst.

Afgetrokkenheid, V.

Afgevaardigde, M. en V., -gevaardigden.

Afgevast.

Afgeven, gaf af, gaven af, heeft afgegeven.

Afgever, M., -gevers.

Afgeving, V.

Afgewend.

Afgezaagd, -gezaagder, -gezaagdst.

Afgezant, M., -gezanten.

Afgezante, V., -gezanten.

Afgezien.

Afgezonderd.

Afgieren, gierde af, is afgegierd.

Afgieten, goot af, goten af, heeft afgegoten.

Afgieter, M., -gieters.

Afgieting, V., -gietingen.

Afgietsels, O., -gietsels.

Afgietseldiertje, O., -diertjes.

Afgifte en Afgift, V.

Afglijden, gleed af, gleden af, is afgegleden.

Afglijding, V., -glijdingen.

Afglippen, glipte af, is afgeglipt.

Afgod, M., -goden. Afgodje, O., -jes.

Afgodeeren, afgodeerde, heeft geafgodeerd.

Afgodendienaar, M., -dienaars en -dienaren.

Afgodendienst, M.

Afgodentempel (van twee of meer afgoden), M., -tempels en -tempelen.

Afgoderij, V., -goderijen.

Afgodes, V., -godessen.

Afgodisch.

Afgodist, M., -godisten.

Afgodsbeeld, O., -beelden; -beeldje, O., -jes.

Afgodstempel (van éénen afgod), M., -tempels en -tempelen.

Afgolven, golfde af, heeft en is afgegolfd.

Afgooien, gooide af, heeft afgegooid.

Afgrauw, M.

Afgrauwen, grauwde af, heeft afgegrauwd.

Afgraven, groef af, groeven af, heeft afgegraven.

Afgraving, V., -gravingen.

Afgrazen, graasde af, heeft afgegraasd.

Afgrazing, V.

Afgreppelen, greppelde af, heeft afgegreppeld.

Afgrijpen, greep af, grepen af, heeft afgegrepen.

Afgrijselijk en afgrijslijk, -lijker, -lijkst.

Afgrijselijkheid en Afgrijslijkheid, V., -heden.

Afgrijzen, O.

Afgrijzing, V.

Afgrissen, griste af, heeft afgegrist.

Afgrommen, gromde af, heeft afgegromd.

Afgrond, M., -gronden.

Afgronden, grondde af, heeft afgegrond.

Afgunst, V.

Afgunstig, -gunstiger, -gunstigst.

Afgunstigheid, V., -heden.

Afgutsen, gutste af, is en heeft afgegutst.

Afhaken, haakte af, heeft afgehaakt.

Afhaker, M., -hakers.

Afhaking, V., -hakingen.

Afhakken, hakte af, heeft afgehakt.

Afhakker, M., -hakkers.

Afhalen, haalde af, heeft afgehaald.

Afhaler, M., -halers.

Afhaling, V.

Afhameren, hamerde af, heeft afgehamerd.

Afhandelen, handelde af, heeft afgehandeld.

Afhandeling, V.

Afhandig.

Afhangeling, M. en V., -hangelingen. V. ook afhangelinge.

Afhangen, hing af, heeft afgehangen.

Afhangzaag, V., -zagen; -zaagje, O., -jes.

Afhankelijk en Afhanklijk, -lijker, -lijkst.

Afhankelijkheid en Afhanklijkheid, V.

Afhappen, hapte af, heeft afgehapt.

Afharen, haarde af, heeft en is afgehaard.

Afharken, harkte af, heeft afgeharkt.

Afhaspelen, haspelde af, heeft afgehaspeld.

Afhebben, heeft af, had af, hadden af, heeft afgehad.

Afhechten, hechtte af, heeft afgehecht.

Afheffen, hief af, hieven af, heeft afgeheven.

Afheien, heide af, heeft afgeheid.

Afheinen, heinde af, heeft afgeheind.

Afheining, V., -heiningen. Afheininkje, O., -jes.

Afhellen, helde af, heeft afgeheld.

Afhelling, V., -hellingen.

Afhelpen, hielp af, heeft afgeholpen.

Afhengelen, hengelde af, heeft afgehengeld.

Afhielen, hielde af, heeft afgehield.

Afhijschen, heesch af, heschen af, heeft afgeheschen.

Afhoeven, hoefde af, heeft afgehoefd.

Afhollen, holde af, heeft en is afgehold.

Afhoogen, hoogde af, heeft afgehoogd.

Afhouden, hield af, heeft afgehouden.

Afhouding, V.

Afhouwen, hieuw af, heeft afgehouwen.

Afhouwing, V., -houwingen.

Afhuilen, huilde af, heeft afgehuild.

Afhuren, huurde af, heeft afgehuurd.

Afhuring, V., -huringen.

Afhuurder, M., -huurders.

Afhuurster, V., -huursters.

Afijlen, ijlde af, is afgeijld.

Afjacht, V.

Afjachten, jachtte af, heeft afgejacht.

Afjagen, jaagde af, heeft afgejaagd; ook joeg af.

Afjakkeren, jakkerde af, heeft afgejakkerd.

Afjakkering, V., -jakkeringen.

Afjapen, jaapte af, heeft afgejaapt.

Afkaatsen, kaatste af, heeft en is afgekaatst.

Afkaatsing, V., -kaatsingen.

Afkabbelen, kabbelde af, heeft en is afgekabbeld.

Afkabbeling, V.

Afkaden, kaadde af, heeft afgekaad.

Afkading, V., -kadingen.

Afkakelen, kakelde af, heeft afgekakeld.

Afkalken, kalkte af, heeft en is afgekalkt.

Afkalking, V.

Afkalven (van aardwerken), kalfde af, is afgekalfd.

Afkalving, V., -kalvingen.

Afkammen, kamde af, heeft afgekamd.

Afkamming, V., -kammingen.

Afkantelen, kantelde af, heeft en is afgekanteld.

Afkanteling, V.

Afkanten, kantte af, heeft afgekant.

Afkanting, V.

Afkapen, kaapte af, heeft afgekaapt.

Afkappen, kapte af, heeft afgekapt.

Afkapper, M., -kappers.

Afkapping, V., -kappingen.

Afkappingsteeken, O., -teekens.

Afkapsel, O., -kapsels.

Afkauwen, kauwde af, heeft afgekauwd.

Afkeer, M.

Afkeeren, keerde af, heeft en is afgekeerd.

Afkeerig, -keeriger, -keerigst.

Afkeerigheid, V., -heden.

Afkeering, V., -keeringen.

Afkeilen, keilde af, heeft afgekeild.

Afkerven, korf af, korven af, heeft afgekorven; ook kerfde af.

Afketsen, ketste af, heeft en is afgeketst.

Afkeurder, M., -keurders.

Afkeuren, keurde af, heeft afgekeurd.

Afkeurenswaard, -waarder, -waardst.

Afkeurenswaardig, -waardiger, -waardigst, of meer en meest -waardig.

Afkeuring, V., -keuringen. Afkeurinkje, O., -jes.

Afkijken, keek af, keken af, heeft afgekeken.

Afkijker, M., -kijkers.

Afkijkster, V., -kijksters.

Afkijven, keef af, keven af, heeft afgekeven.

Afkladden, kladde af, heeft afgeklad.

Afklagen (zich -), klaagde zich af, heeft zich en is afgeklaagd.

Afklappen, klapte af, heeft en is afgeklapt.

Afklaren, klaarde af, heeft en is afgeklaard.

Afklauteren, klauterde af, is en heeft afgeklauterd.

Afklemmen, klemde af, heeft afgeklemd.

Afklemming, V.

Afkleppen, klepte af, heeft afgeklept.

Afkletsen, kletste af, heeft afgekletst.

Afkleuren, kleurde af, heeft afgekleurd.

Afklimmen, klom af, klommen af, is afgeklommen.

Afklimming, V.

Afklinken, klonk af, heeft afgeklonken.

Afklooven, kloofde af, heeft afgekloofd.

Afkloppen, klopte af, heeft afgeklopt.

Afklopper, M., -kloppers.

Afklopping, V., -kloppingen.

Afkluiven, kloof af, kloven af, heeft afgekloven.

Afknabbelen, knabbelde af, heeft afgeknabbeld.

Afknabbeling, V.

Afknagen, knaagde af, heeft afgeknaagd.

Afknaging, V.

Afknakken, knakte af, is en heeft afgeknakt.

Afknallen, knalde af, is afgeknald.

Afknappen, knapte af, is en heeft afgeknapt.

Afknapping, V.

Afknarpen, knarpte af, heeft afgeknarpt.

Afknauwen, knauwde af, heeft afgeknauwd.

Afknellen, knelde af, heeft afgekneld.

Afknelling, V.

Afknevelen, knevelde af, heeft afgekneveld.

Afkneveling, V., -knevelingen.

Afknibbelen, knibbelde af, heeft afgeknibbeld.

Afknijpen, kneep af, knepen af, heeft en is afgeknepen.

Afknijper, M., -knijpers.

Afknijping, V., -knijpingen.

Afknippen, knipte af, heeft afgeknipt.

Afknipper, M., -knippers.

Afknipsel, O., -knipsels.

Afkniptang, V., -tangen; -tangetje, O., -jes.

Afknoeien, knoeide af, heeft afgeknoeid.

Afknotten, knotte af, heeft afgeknot.

Afknotter, M., -knotters.

Afknotting, V., -knottingen.

Afknutselen, knutselde af, heeft afgeknutseld.

Afkoelen, koelde af, heeft en is afgekoeld.

Afkoeler, M., -koelers.

Afkoeling, V., -koelingen.

Afkoelingswet, V., -wetten.

Afkoken, kookte af, heeft en is afgekookt.

Afkoker (aardappel), M., afkokers.

Afkoking, V., -kokingen.

Afkomen, komt af, kwam af, kwamen af, is afgekomen.

Afkomst, V.

Afkomstig.

Afkondigen, kondigde af, heeft afgekondigd.

Afkondiger, M., -kondigers.

Afkondiging, V., -kondigingen.

Afkondigster, V., -kondigsters.

Afkooksel, O., -kooksels. Afkookseltje, O., -jes.

Afkoop, M., -koopen.

Afkoopbaar, -bare.

Afkoopbaarheid, V.

Afkoopbaarstelling, V., -stellingen.

Afkoopen, kocht af, heeft afgekocht.

Afkooper, M., -koopers.

Afkooping, V., -koopingen.

Afkoopprijs, M., -prijzen.

Afkoopsom, V., -sommen.

Afkoopster, V., -koopsters.

Afkoppelen, koppelde af, heeft afgekoppeld.

Afkoppeling, V.

Afkorsten, korstte af, heeft en is afgekorst.

Afkorsting, V.

Afkorten, kortte af, heeft afgekort.

Afkorting, V.

Afkrabbelen, krabbelde af, heeft afgekrabbeld.

Afkrabben, krabde af, heeft afgekrabd.

Afkrabber, M., -krabbers. Afkrabbertje, O., -jes.

Afkrabsel, O.

Afkrassen, kraste af, heeft en is afgekrast.

Afkrijgen, kreeg af, kregen af, heeft afgekregen.

Afkrimpen, kromp af, is afgekrompen.

Afkronkelen, kronkelde af, is afgekronkeld.

Afkrooien, krooide af, heeft afgekrooid.

Afkrooier, M., -krooiers.

Afkruien, krooi af, krooien af, heeft en is afgekrooien; ook kruide af, heeft en is afgekruid.

Afkruiing, V.

Afkruimelen, kruimelde af, heeft en is afgekruimeld.

Afkruipen, kroop af, kropen af, is en heeft afgekropen.

Afkuieren, kuierde af, is en heeft afgekuierd.

Afkunnen, kan af, kunnen af, konde en kon af, konden af, heeft afgekund.

Afkussen, kuste af, heeft afgekust.

Afkwakken, kwakte af, is en heeft afgekwakt.

Aflaat, M., -laten.

Aflaatbrief, M., -brieven.

Aflaathandel, M.

Aflaatster, V., -laatsters.

Aflachen (zich -), lachte zich af, heeft zich en is afgelachen.

Afladen, laadde af, heeft afgeladen.

Aflader, M., -laders.

Aflading, V., -ladingen.

Aflakken, lakte af, heeft afgelakt.

Aflandig.

Aflangen, langde af, heeft afgelangd.

Aflappen, lapte af, heeft afgelapt.

Aflaten, liet af, heeft afgelaten.

Aflater, M., -laters.

Aflating, V.

Aflaveeren, laveerde af, is en heeft afgelaveerd.

Afleenen, leende af, heeft afgeleend.

Afleener, M., -leeners.

Afleening, V.

Afleeren, leerde af, heeft en is afgeleerd.

Afleesklep, V., -kleppen; -klepje, O., -jes.

Aflegboel, M., -boelen; -boeltje, O., -jes.

Afleggen, legde af en leide af, heeft afgelegd en afgeleid.

Aflegger, M., -leggers. Afleggertje, O., -jes.

Afleggerij, V.

Aflegging, V., -leggingen.

Aflegster, V., -legsters.

Afleidbaar, -bare.

Afleiden, leidde af, heeft afgeleid.

Afleider, M., -leiders. Afleidertje, O., -jes.

Afleiding, V., -leidingen. Afleidinkje, O., -jes.

Afleidingsuitgang, M., -uitgangen.

Afleidkunde, V.

Afleidkundig.

Afleidkundige, M. en V., -kundigen.

Afleidsel, O., -leidsels.

Afleken, leekte af, is afgeleekt.

Aflekken, lekte af, is afgelekt.

Aflekking, V.

Aflenzen, lensde af, is afgelensd.

Afletteren, letterde af, heeft afgeletterd.

Afleven, leefde af, heeft afgeleefd.

Afleveraar, M., -leveraars.

Afleveren, leverde af, heeft afgeleverd.

Aflevering, V., -leveringen.

Afleveringsrol, V., -rollen.

Aflezen, las af, lazen af, heeft afgelezen.

Aflezer, M., -lezers.

Aflezing, V., -lezingen.

Aflichten, lichtte af, heeft afgelicht.

Aflichting, V., -lichtingen.

Afliggen, lag (zich) af, lagen (zich) af, heeft (zich) en is afgelegen.

Aflijmen, lijmde af, heeft afgelijmd.

Aflijvig.

Aflijvigheid, V.

Aflikken, likte af, heeft afgelikt.

Afloeren, loerde af, heeft afgeloerd.

Aflokken, lokte af, heeft afgelokt.

Aflokking, V., -lokkingen.

Aflonken, lonkte af, heeft afgelonkt.

Aflooden, loodde af, heeft afgelood.

Aflooding, V.

Afloogen, loogde af, heeft afgeloogd.

Aflooging, V.

Afloop, M., -loopen. Afloopje, O., -jes.

Afloopen, liep af, is en heeft afgeloopen.

Aflosbaar, -bare.

Aflossen, loste af, heeft afgelost.

Aflosser, M., -lossers.

Aflossing, V., -lossingen.

Aflossingstermijn, M., -termijnen.

Afluiden, luidde af, heeft afgeluid.

Afluiding, V.

Afluisteren, luisterde af, heeft afgeluisterd.

Afluizen, luisde af, heeft afgeluisd.

Afmaaien, maaide af, heeft afgemaaid.

Afmaaier, M., -maaiers.

Afmaaiing, V., -maaiingen.

Afmaken, maakte af, heeft afgemaakt.

Afmaker, M., -makers. Afmakertje, O., -jes.

Afmaking, V., -makingen.

Afmalen (geheel malen), maalde af, heeft afgemalen.

Afmalen (afschilderen), maalde af, heeft afgemaald.

Afmaler, M., -malers.