Part 8
Aansluiten, sloot aan, sloten aan, heeft en is aangesloten.
Aansluiting, V., -sluitingen.
Aansluitingsplaats, V., -plaatsen.
Aansluitingspunt, O., -punten.
Aansmeden, smeedde aan, heeft aangesmeed.
Aansmelten, smolt aan, heeft aangesmolten.
Aansmelting, V.
Aansmeren, smeerde aan, heeft aangesmeerd.
Aansmering, V., -smeringen.
Aansmijten, smeet aan, smeten aan, heeft aangesmeten.
Aansnauwen, snauwde aan, heeft aangesnauwd.
Aansnede en Aansnee, V., -sneden.
Aansnellen, snelde aan, is aangesneld.
Aansnijden, sneed aan, sneden aan, heeft aangesneden.
Aansnijding, V.
Aansnoeren, snoerde aan, heeft aangesnoerd.
Aansnorren, snorde aan, is aangesnord.
Aansnuiven, snoof aan, snoven aan, is aangesnoven.
Aansoldeeren, soldeerde aan, heeft aangesoldeerd.
Aanspannen, spande aan, heeft en is aangespannen.
Aanspanner, M., -spanners.
Aanspanning, V., -spanningen.
Aanspatten, spatte aan, is aangespat.
Aanspelden, speldde aan, heeft aangespeld.
Aanspeten, speette aan, heeft aangespeet.
Aanspieën en aanspijen, spiede en spijde aan, heeft aangespied en aangespijd.
Aanspijkeren, spijkerde aan, heeft aangespijkerd.
Aanspijlen, spijlde aan, heeft aangespijld.
Aanspinnen, spon aan, sponnen aan, heeft aangesponnen.
Aansplitsen, splitste aan, heeft aangesplitst.
Aansplitsing, V., -splitsingen.
Aanspoeden, spoedde aan, is aangespoed.
Aanspoelen, spoelde aan, heeft en is aangespoeld.
Aanspoeling, V., -spoelingen.
Aanspoelsel, O., -spoelsels.
Aansporen (opwekken), spoorde aan, heeft aangespoord.
Aansporen (met den spoorwagen), spoorde aan, is en heeft aangespoord.
Aansporing, V., -sporingen.
Aanspraak, V., -spraken. Aanspraakje, O., -jes.
Aansprakelijk en aanspraaklijk.
Aansprakelijkheid, V.
Aanspreken, sprak aan, spraken aan, heeft aangesproken.
Aanspreker, M., -sprekers.
Aanspringen, sprong aan, is en heeft aangesprongen.
Aanstaan, staat aan, stond aan, heeft aangestaan.
Aanstaand.
Aanstaande, M. en V., -staanden.
Aanstaarten, staartte aan, heeft aangestaart.
Aanstalte, V., -stalten.
Aanstampen, stampte aan, heeft en is aangestampt.
Aanstamper, M., -stampers.
Aanstamping, V., -stampingen.
Aanstappen, stapte aan, is en heeft aangestapt.
Aanstaren, staarde aan, heeft aangestaard.
Aansteekkast, V., -kasten.
Aansteigeren, steigerde aan, is aangesteigerd.
Aanstekelijk, -lijker, -lijkst.
Aanstekelijkheid, V.
Aansteken, stak aan, staken aan, heeft en is aangestoken.
Aanstekend, -stekender, -stekendst.
Aansteker, M., -stekers.
Aansteking, V., -stekingen.
Aanstellen, stelde aan, heeft aangesteld.
Aansteller, M., -stellers.
Aanstellerig.
Aanstelling, V., -stellingen.
Aanstemmen, stemde aan, heeft aangestemd.
Aanstempelen, stempelde aan, heeft aangestempeld.
Aanstempeling, V.
Aansterken, sterkte aan, is aangesterkt.
Aansterven, stierf aan, stierven aan, is aangestorven.
Aanstevenen, stevende aan, is en heeft aangestevend.
Aanstijven (stijver worden), stijfde aan, is aangestijfd.
Aanstijven (stijver maken, t. w. linnen), steef aan, steven aan, heeft aangesteven.
Aanstikken, stikte aan, heeft aangestikt.
Aanstippen, stipte aan, heeft aangestipt.
Aanstipping, V., -stippingen.
Aanstoffen, stofte aan, heeft aangestoft.
Aanstoken, stookte aan, heeft aangestookt.
Aanstonds.
Aanstookster, V., -stooksters.
Aanstoomen, stoomde aan, is en heeft aangestoomd.
Aanstoot, M.
Aanstootelijk, -lijker, -lijkst.
Aanstootelijkheid, V., -heden.
Aanstooten, stiet aan, heeft aangestooten; ook stootte aan.
Aanstootend.
Aanstooting, V., -stootingen.
Aanstoppen, stopte aan, heeft aangestopt.
Aanstormen, stormde aan, is en heeft aangestormd.
Aanstort, O., -storten:
Aanstorten, stortte aan, heeft en is aangestort.
Aanstorting, V., -stortingen.
Aanstouwen (samenpakken), stouwde aan, heeft aangestouwd.
Aanstralen, straalde aan, heeft aangestraald.
Aanstranden, strandde aan, is aangestrand.
Aanstranding, V.
Aanstrepen, streepte aan, heeft aangestreept.
Aanstreping, V., -strepingen.
Aanstrijden, streed aan, streden aan, heeft aangestreden.
Aanstrijken, streek aan, streken aan, is en heeft aangestreken.
Aanstrikken, strikte aan, heeft aangestrikt.
Aanstrompelen, strompelde aan, is aangestrompeld.
Aanstroomen, stroomde aan, is en heeft aangestroomd.
Aanstudeeren, studeerde aan, heeft aangestudeerd.
Aanstuiven, stoof aan, stoven aan, is aangestoven.
Aanstuiving, V., -stuivingen.
Aansturen, stuurde aan, heeft aangestuurd.
Aanstuwen (aanduwen), stuwde aan, heeft aangestuwd.
Aansukkelen, sukkelde aan, is aangesukkeld.
Aantal, O.
Aantasten, tastte aan, heeft aangetast.
Aantasting, V., -tastingen.
Aanteekenaar, M., -teekenaars en -teekenaren.
Aanteekenboek, O., -boeken; -boekje, O., -jes.
Aanteekenen, teekende aan, heeft aangeteekend.
Aanteekengeld, O., -gelden.
Aanteekening, V., -teekeningen. Aanteekeningetje, O., -jes.
Aanteekeningspartij, V., -partijen; -partijtje, O., -jes.
Aanteekenkantoor, O., -kantoren.
Aantelen, teelde aan, heeft aangeteeld.
Aanteling, V., -telingen.
Aantellen, telde aan, heeft aangeteld.
Aanteren, teerde aan, heeft aangeteerd.
Aantijgen, teeg aan, tegen aan, heeft aangetegen; ook tijgde aan, heeft aangetijgd.
Aantijger, M., -tijgers.
Aantijging, V., -tijgingen.
Aantikken, tikte aan, heeft aangetikt.
Aantillen, tilde aan, heeft aangetild.
Aantimmeren, timmerde aan, heeft aangetimmerd.
Aantimmering, V., -timmeringen.
Aantocht, M.
Aantoonen, toonde aan, heeft aangetoond.
Aantoonend.
Aantooner, M., -tooners.
Aantooning, V.
Aantooveren, tooverde aan, heeft aangetooverd.
Aantorsen, torste aan, heeft aangetorst.
Aantrappen, trapte aan, heeft aangetrapt.
Aantrede en aantree, V., -treden.
Aantreden, trad aan, traden aan, is en heeft aangetreden.
Aantreffen, trof aan, troffen aan, heeft aangetroffen.
Aantrekkelijk, -lijker, -lijkst.
Aantrekkelijkheid, V., -heden.
Aantrekken, trok aan, trokken aan, heeft en is aangetrokken.
Aantrekker, M., -trekkers.
Aantrekking, V.
Aantrekkingskracht, V.
Aantrekkingsvermogen, O.
Aantrippelen, trippelde aan, is aangetrippeld.
Aantrouwen, trouwde aan, heeft aangetrouwd.
Aantrouwing, V.
Aantuigen, tuigde aan, heeft aangetuigd.
Aanvaarden, aanvaardde, heeft aanvaard.
Aanvaarder, M., -vaarders.
Aanvaarding, V., -vaardingen.
Aanvaardster, V., -vaardsters.
Aanvaart, V.
Aanval, M., -vallen.
Aanvallen, viel aan, is en heeft aangevallen.
Aanvallend.
Aanvallenderwijze en -wijs.
Aanvaller, M., -vallers.
Aanvallig, -valliger, -valligst.
Aanvalligheid, V., -heden.
Aanvalsfront, O., -fronten.
Aanvalskolonne, V., -kolonnen en -kolonnes.
Aanvalskreet, M., -kreten.
Aanvalsmijn, V., -mijnen.
Aanvalsplan, O., -plannen.
Aanvalspunt, O., -punten.
Aanvalssein, O., -seinen.
Aanvalsteeken, O., -teekens.
Aanvalsvertooning, V., -vertooningen.
Aanvalswapen, O., -wapenen en -wapens.
Aanvalswerk, O., -werken.
Aanvalswijze en -wijs, V., -wijzen.
Aanvang, M.
Aanvangen, ving aan, heeft en is aangevangen.
Aanvanger, M., -vangers.
Aanvangspunt, O., -punten.
Aanvankelijk.
Aanvaren, voer aan, is en heeft aangevaren.
Aanvaring, V., -varingen.
Aanvatten, vatte aan, heeft aangevat.
Aanvatter, M., -vatters.
Aanvatting, V., -vattingen.
Aanvechten, vocht aan, heeft aangevochten.
Aanvechter, M., -vechters.
Aanvechting, V., -vechtingen.
Aanvegen, veegde aan, heeft aangeveegd.
Aanverdienen, verdiende aan, heeft aanverdiend.
Aanversterven, verstierf aan, verstierven aan, is aanverstorven.
Aanversterving, V.
Aanvertrouwen, vertrouwde aan, heeft aanvertrouwd.
Aanverwant.
Aanverwant, M., -verwanten.
Aanverwante, V., -verwanten.
Aanverwantschap, V.
Aanvetten, vette aan, heeft en is aangevet.
Aanvijlen, vijlde aan, heeft aangevijld.
Aanvlakken, vlakte aan, heeft aangevlakt.
Aanvlakking, V., -vlakkingen.
Aanvlammen, vlamde aan, is en heeft aangevlamd.
Aanvlechten, vlocht aan, heeft aangevlochten.
Aanvliegen, vloog aan, vlogen aan, is en heeft aangevlogen.
Aanvlieten, vloot aan, vloten aan, is aangevloten.
Aanvloeien, vloeide aan, is aangevloeid.
Aanvlotten (aandrijven), vlotte aan, is aangevlot.
Aanvlotten (in vlotten aanvoeren), vlotte aan, heeft aangevlot.
Aanvoegen, voegde aan, heeft aangevoegd.
Aanvoegend.
Aanvoeging, V., -voegingen.
Aanvoegsel, O., -voegsels en -voegselen.
Aanvoelen, voelde aan, heeft aangevoeld.
Aanvoer, M., -voeren.
Aanvoerbuis, V., -buizen.
Aanvoerder, M., -voerders.
Aanvoerdoek, O.
Aanvoeren, voerde aan, heeft aangevoerd.
Aanvoering, V.
Aanvoerpijp, V., -pijpen.
Aanvoerrol, V., -rollen.
Aanvonken, vonkte aan, is aangevonkt.
Aanvraag en aanvrage, V., -vragen.
Aanvragen, vraagde aan, heeft aangevraagd; ook vroeg aan.
Aanvriezen, vroor aan, vroren aan, heeft en is aangevroren en aangevrozen.
Aanvriezing, V.
Aanvullen, vulde aan, heeft aangevuld.
Aanvulling, V., -vullingen.
Aanvullingsexamen, O., -examens.
Aanvullingskohier, O., -kohieren.
Aanvullingsmanschap, V., -manschappen.
Aanvullingsspant, O., -spanten.
Aanvullingstroepen (mv.), M.
Aanvulsel, O., -vulsels.
Aanvuren, vuurde aan, heeft aangevuurd.
Aanvuring, V., -vuringen.
Aanwaaien, waaide aan, is en heeft aangewaaid; ook woei aan, woeien aan.
Aanwachten, wachtte aan, heeft aangewacht.
Aanwaggelen, waggelde aan, is aangewaggeld.
Aanwakkeren, wakkerde aan, heeft en is aangewakkerd.
Aanwandelen, wandelde aan, is en heeft aangewandeld.
Aanwas, M., -wassen.
Aanwassen, wies aan, wiesen aan, is aangewassen.
Aanwassing, V., -wassingen.
Aanwellen, welde aan, heeft aangeweld.
Aanwendbaar, -bare.
Aanwenden, wendde aan, heeft aangewend.
Aanwending, V.
Aanwenken, wenkte aan, heeft aangewenkt.
Aanwennen (zich -), wende (zich) aan, heeft (zich) aangewend.
Aanwenning, V., -wenningen.
Aanwensel, O., -wensels en -wenselen.
Aanwenst, V., -wensten.
Aanwentelen, wentelde aan, heeft en is aangewenteld.
Aanwenteling, V., -wentelingen.
Aanwerken, werkte aan, heeft aangewerkt.
Aanwerpen, wierp aan, heeft aangeworpen.
Aanwerven, wierf aan, wierven aan, heeft aangeworven.
Aanwerver, M., -wervers.
Aanwerving, V., -wervingen.
Aanwetten, wette aan, heeft aangewet.
Aanweven, weefde aan, heeft aangeweven.
Aanwezen, O.
Aanwezend.
Aanwezig.
Aanwezigheid, V.
Aanwijeren, wijerde aan, heeft aangewijerd.
Aanwijsbaar, -bare.
Aanwijsster, V., -wijssters.
Aanwijzen, wees aan, wezen aan, heeft aangewezen.
Aanwijzend.
Aanwijzer, M., -wijzers.
Aanwijzing, V., -wijzingen.
Aanwinnen, won aan, wonnen aan, heeft aangewonnen.
Aanwinning, V., -winningen.
Aanwinst, V., -winsten.
Aanwippen, wipte aan, is aangewipt.
Aanwitten, witte aan, heeft aangewit.
Aanwoekeren, woekerde aan, heeft en is aangewoekerd.
Aanwortelen, wortelde aan, is aangeworteld.
Aanwrijven, wreef aan, wreven aan, heeft aangewreven.
Aanzaaien, zaaide aan, heeft aangezaaid.
Aanzagen, zaagde aan, heeft aangezaagd.
Aanzakken, zakte aan, is aangezakt.
Aanzanden, zandde aan, heeft aangezand.
Aanzeg, M.
Aanzeggen, zeide aan, heeft aangezegd en aangezeid.
Aanzegger, M., -zeggers.
Aanzegging, V., -zeggingen.
Aanzeghuis, O., -huizen.
Aanzeilen, zeilde aan, is en heeft aangezeild.
Aanzeiling, V., -zeilingen.
Aanzenden, zond aan, heeft aangezonden.
Aanzetbuis, V., -buizen.
Aanzethamer, M., -hamers.
Aanzethout, O., -houten.
Aanzetklos, M., -klossen.
Aanzetrasp, V., -raspen.
Aanzetriem, M., -riemen.
Aanzetschroef, V., -schroeven.
Aanzetsel, O., -zetsels.
Aanzetstaal, O., -stalen.
Aanzetster, V., -zetsters.
Aanzetstuk, O., -stukken.
Aanzetten, zette aan, heeft en is aangezet.
Aanzetter, M., -zetters.
Aanzetting, V., -zettingen.
Aanzetvijl, V., -vijlen.
Aanzeulen, zeulde aan, heeft en is aangezeuld.
Aanzicht, O., -zichten.
Aanzichten, aanzichtte.
Aanzien, zag aan, zagen aan, heeft aangezien.
Aanzien, O.
Aanziend.
Aanzienlijk, -lijker, -lijkst.
Aanzienlijkheid, V.
Aanzijn, O.
Aanzitten, zat aan, zaten aan, heeft aangezeten.
Aanzitting, V.
Aanzoek, O., -zoeken.
Aanzoeken, zocht aan, heeft aangezocht.
Aanzoeten, zoette aan, heeft en is aangezoet.
Aanzoeting, V., -zoetingen.
Aanzuigen (zich -), zoog zich aan, zogen zich aan, heeft zich aangezogen.
Aanzuiging, V.
Aanzuiveren, zuiverde aan, heeft aangezuiverd.
Aanzuivering, V., -zuiveringen.
Aanzweepen, zweepte aan, heeft aangezweept.
Aanzwellen, zwol aan, zwollen aan, is aangezwollen.
Aanzwemmen, zwom aan, zwommen aan, is en heeft aangezwommen.
Aanzweven, zweefde aan, is aangezweefd.
Aanzwoegen, zwoegde aan, is aangezwoegd.
Aap, M., apen. Aapje, O., -jes.
Aapachtig.
Aapjessnuif, V.
Aapjeszeep, V.
Aar (korenaar), V., aren. Aartje, O., -jes.
Aar (ader), V., aren. Aartje, O., -jes.
Aard, M., Aardje, O.
Aardachtig.
Aardachtigheid, V.
Aardaker, M., -akers; -akertje, O., -jes.
Aardamandel, V., -amandels.
Aardangel, V.
Aardappel, M., -appelen en -appels; -appeltje, O., -jes.
Aardappelboer, M., -boeren; -boertje, O., -jes.
Aardappel-croquette, V., -croquettes.
Aardappeldeeg, O.
Aardappelmeel, O.
Aardappelplant, V., -planten.
Aardappelsoep, V.
Aardappelstijfsel, V.
Aardappelstroop, V.
Aardappeltaart, V., -taarten; -taartje, O., -jes.
Aardappelziekte, V.
Aardbei, V., -beien. Ook Aardbezie. Aardbeitje, O., -jes.
Aardbeienbed, O., -bedden.
Aardbeiengelei, V.
Aardbeien-jam, V.
Aardbeienteelt, V.
Aardbeientijd, M.
Aardberging, V., -bergingen.
Aardbeschrijver, M., -beschrijvers en -beschrijveren.
Aardbeschrijving, V., -beschrijvingen.
Aardbeving, V., -bevingen.
Aardbevingsmeter, M., -meters.
Aardbewoner, M., -bewoners en -bewoneren.
Aardbezie (aardbei), V., aardbeziën (aardbeien).
Aardbezieboom, M., -boomen.
Aardbeziënbed, O., -bedden.
Aardbezieplant, V., -planten.
Aardbeziestruik, M., -struiken.
Aardbodem, M.
Aardbol, M.
Aardboog, M., -bogen.
Aardboor, V., -boren.
Aardbrand, M., -branden.
Aardbrood, O.
Aardbuil, V., -builen.
Aardduivel, M., -duivels.
Aarde, V.
Aardebaan, V., -banen.
Aardegoed, O.
Aarden, aardde, heeft geaard.
Aarden (bijv. nw.).
Aardewerk, O.
Aardewerkschuit, V., -schuiten.
Aardewerkswinkel, M., -winkels.
Aardgeest, M., -geesten.
Aardgewas, O., -gewassen.
Aardglobe, V., -globes.
Aardgoed, O.
Aardgordel, M., -gordels.
Aardhaling, V. -halingen.
Aardhars, V. en O., -harsen.
Aardhommel, M., -hommels.
Aardhoop, M., -hoopen.
Aardig, aardiger, aardigst.
Aardigheid, V., -heden; -heidje, O., -jes.
Aardigjes.
Aardklomp, M., -klompen.
Aardklont, V., -klonten.
Aardkloot, M., -klooten.
Aardkluit, V., -kluiten.
Aardkorst, V.
Aardkrekel, M., -krekels.
Aardkuil, M., -kuilen.
Aardkunde, V.
Aardkundig.
Aardkundige, M. en V., -kundigen.
Aardlaag, V., -lagen.
Aardlevering, V., -leveringen.
Aardmand, V., -manden.
Aardmannetje, O., -mannetjes.
Aardmeetkunst, V.
Aardmeter, M., -meters.
Aardmeting, V., -metingen.
Aardmier, V., -mieren; -miertje, O., -jes.
Aardmijt, V., -mijten.
Aardmolm en -mulm, O.
Aardmos, O., -mossen.
Aardmuis, V., -muizen; -muisje, O., -jes.
Aardnoot, V., -noten; -nootje, O., -jes.
Aardolie, V., -oliën.
Aardparkiet, M., -parkieten.
Aardpeer, V., -peren.
Aardpek, O.
Aardpimpernoot, V., -noten; -nootje, O., -jes.
Aardplakker, M., -plakkers.
Aardrijk, O.
Aardrijksbeschrijver, M., -beschrijvers en -beschrijveren.
Aardrijksbeschrijving, V., -beschrijvingen.
Aardrijkskunde, V.
Aardrijkskundige, M. en V., -kundigen.
Aardroering, V., -roeringen.
Aardrol, V., -rollen.
Aardrolling, V.
Aardrook, M.
Aardsch.
Aardschgezind, -gezinder, -gezindst.
Aardschgezindheid, V.
Aardschheid, V.
Aardschok, M., -schokken.
Aardschors, V.
Aardschudding, V., -schuddingen.
Aardschuit, V., -schuiten.
Aardslak, V., -slakken.
Aardslang, V., -slangen.
Aardspin, V., -spinnen.
Aardstamper, M., -stampers.
Aardster, V., -sterren.
Aardstrik, M., -strikken.
Aardtor, V., -torren.
Aardtrapper, M., -trappers.
Aardvarken, O., -varkens.
Aardvast.
Aardveil, O.
Aardverf, V., -verven.
Aardverschuiving, V., -verschuivingen.
Aardvloo, V., -vlooien.
Aardvork, V., -vorken.
Aardvrucht, V., -vruchten.
Aardwas, O.
Aardwerk, O., -werken.
Aardwerker, M., -werkers.
Aardwind, V., -winden.
Aardwolf, M., -wolven.
Aardworm en -wurm, M., -wormen en -wurmen; -wormpje en -wurmpje, O., -jes.
Aardzak, M., -zakken.
Aars, M., aarzen. Aarsje, O., -jes.
Aarsvin, V., -vinnen.
Aartsbedrieger, M., -bedriegers.
Aartsbedriegster, V., -bedriegsters.
Aartsbisdom, O., -bisdommen.
Aartsbisschop, M., -bisschoppen.
Aartsbisschoppelijk.
Aartsdeugniet, M., -deugnieten.
Aartsdiaken, M., -diakenen en -diakens.
Aartsdiakenschap, O., -schappen.
Aartsdiocese, V., ook -diocees, O., -diocesen.
Aartsdomkop, M., -domkoppen.
Aartsengel, M., -engelen.
Aartshertog, M., -hertogen.
Aartshertogdom, O., -dommen.
Aartshertogelijk.
Aartshertogin, V., -hertoginnen.
Aartskanselier, M., -kanseliers en -kanselieren.
Aartsketter, M., -ketters.
Aartsleugenaar, M., -leugenaars en -leugenaren.
Aartsliefhebber, M., -liefhebbers.
Aartspriester, M., -priesters.
Aartspriesterschap, O., -schappen.
Aartsschelm, M., -schelmen.
Aartsvader, M., -vaders en -vaderen.
Aartsvaderlijk.
Aartsvijand, M., -vijanden.
Aartsvijandin, V., -vijandinnen.
Aarzelen, aarzelde, heeft geaarzeld.
Aarzeling, V., aarzelingen.
Aas (spijs), O.
Aas (gewicht en eenheid in 't spel), O., azen. Aasje, O., -jes.
Aasdomsrecht, O.
Aasjager, M., -jagers.
Aasklauw, M., -klauwen.
Aasraaf, M., -raven.
Aastor, V., -torren.
Aasvlieg, V., -vliegen.
Ab of abc, O., AB's of ABC's.
Abandonneeren, abandonneerde, heeft geabandonneerd.
Ab-bank, V., -banken; -bankje, O., -jes.
Abberdaan. Zie Labberdaan.
Ab-boek, O., -boeken; -boekje, O., -jes.
Ab-bord, O., -borden; -bordje, O., -jes.
Abdij, V., abdijen.
Abdis, V., abdissen.
Abeel, M., abeelen. Abeeltje, O., -jes.
Abel, abeler, abelst.
Abelheid, V., -heden; -heidje, O., -jes.
Abelmosch, V.
Ab-kind, O., -kinderen; -kindje, O., -kindertjes.
Ablatief en ablativus, M., ablatieven.
Abolitie, V.
Abonneeren, abonneerde, heeft en is geabonneerd.
Abonnement, O., abonnementen.
Abonnementsconcert, O., -concerten.
Abonnementskaart, V., -kaarten.
Abonnementsvoorstelling, V., -voorstellingen.
Ab-plank, V., -planken; -plankje, O., -jes.
Abracadabra, O.
Abrikoos (naam van den boom), M.; (naam van de vrucht), V., abrikozen. Abrikoosje, O., -jes.
Abrikozeboom, M., -boomen.
Abrikozengelei, V.
Abrikozentaart, V., -taarten; -taartje, O., -jes.
Abrikozepit, V., -pitten; -pitje, O., -jes.
Ab-school, V., -scholen; -schooltje, O., -jes.
Absint, O. en V.
Absolutie, V.
Absolutisme, O.
Absoluut, absoluter, absoluutst.
Absolveeren, absolveerde, heeft geabsolveerd.
Abstract, abstracter, abstractst.
Abstractie, V., abstractiën en abstracties.
Abstraheeren, abstraheerde, heeft geabstraheerd.
Abt, M., abten.
Abuis, O., abuizen. Abuisje, O., -jes.
Abuseeren, abuseerde, heeft geabuseerd.
Abusief, abusieve.
Abusievelijk.
Acacia, M., acacia's.
Academie, V., academiën en academies.
Academiefeest, O., -feesten.
Academiegebouw, O., -gebouwen.
Academiejaar, O., -jaren.
Academiestad, V., -steden.
Academievergadering, V., -vergaderingen.
Academievriend, M., -vrienden.
Academisch.
Accent, O., accenten. Accentje, O., -jes.
Accentueeren, accentueerde, heeft geaccentueerd.
Acceptant, M., acceptanten.
Acceptatie, V., acceptatiën en acceptaties.
Accepteeren, accepteerde, heeft geaccepteerd.
Accijns, M., accijnzen.
Accountant, M., accountants.
Accumulator, M., accumulatoren.
Accuraat, accurater, accuraatst.
Accuratesse, V.
Accusatief en accusativus, M., accusatieven.
Acetyleengas, O.
Acetyleenlantaren, -lantaarn, V., -lantarens, -lantaarns.
Ach.
Acht (ban), V.
Acht (toezicht), V.
Acht (telwoord). Als znw., V., achten. Achtje, O., -jes.
Achtbaar, -baarder, -baarst.
Achtbaarheid, V., -heden.
Achtehalf, -halve.
Achtel, O., achtels.
Achteling, M., achtelingen.
Achteloos, achteloozer, achteloost.
Achteloosheid, V., -heden.
Achten, achtte, heeft geacht.
Achtendeel, O., -deelen; -deeltje, O., -jes.
Achtenswaard, -waarder, -waardst.
Achtenswaardig, -waardiger, -waardigst, of meer en meest -waardig.
Achtenswaardigheid, V.
Achtentwintiger, M., -twintigers.
Achter.
Achteraan.
Achteraanblijven, bleef achteraan, bleven achteraan, is achteraangebleven.
Achteraankomen, komt achteraan, kwam achteraan, kwamen achteraan, is achteraangekomen.
Achteraanloopen, liep achteraan, heeft en is achteraangeloopen.
Achteraanzeilen, zeilde achteraan, heeft achteraangezeild.
Achteraf.
Achteraf, O., -affen.
Achterafbrengen, bracht achteraf, heeft achterafgebracht.
Achterbaks (bijw.).
Achterbaksch (bnw.).
Achterband, M., -banden.
Achterbank, V., -banken.
Achterbeen, O., -beenen.
Achterbeslag, O., -beslagen.
Achterblijfster, V., -blijfsters.
Achterblijven, bleef achter, bleven achter, is achtergebleven.
Achterblijver, M., -blijvers.
Achterboelijn, V., -boelijns.
Achterboom, M., -boomen.
Achterbout, M., -bouten.
Achterbuur, M. en V., -buren.
Achterbuurt, V., -buurten.
Achterdeel (plank), V., -delen.
Achterdeel (gedeelte), O., -deelen.
Achterdeur, V., -deuren.
Achterdocht, V.
Achterdochtig, -dochtiger, -dochtigst.
Achterdochtigheid, V.
Achterdoek, O., -doeken.
Achterdwarstouw, O., -touwen.
Achtereen.
Achtereenvolgend.
Achtereenvolgens.
Achtereinde, O., -einden.
Achterelkander.
Achteren. (Naar -, ten -, van -).
Achtergaan, gaat achter, ging achter, heeft achtergegaan.
Achtergang, V., -gangen.
Achtergrond, M., -gronden.
Achterhalen, achterhaalde, heeft achterhaald.
Achterhaling, V., -halingen.
Achterhande (van acht soorten).
Achterhandsbeentje, O., -beentjes.
Achterheen.
Achterhoede, V., -hoeden.
Achterhoek, M., -hoeken.
Achterhoofd, O., -hoofden; -hoofdje, O., -jes.
Achterhouden, hield achter, heeft achtergehouden.
Achterhoudend, -houdender, -houdendst.
Achterhoudendheid, V.
Achterhoudend, V.
Achterhuis, O., -huizen.
Achterin.
Achterkabel, M., -kabels.
Achterkamer, V., -kamers.
Achterkant, M., -kanten.
Achterkasteel, O., -kasteelen.
Achterklap, M.
Achterklappen.
Achterklapper, M., -klappers.
Achterklapster, V., -klapsters.
Achterkleinzoon, M., -zonen en -zoons.
Achterkousig, -kousiger, -kousigst.
Achterkousigheid, V.
Achterlader, M., -laders.
Achterlap, M., -lappen.
Achterlast, M., -lasten.
Achterlaten, liet achter, heeft achtergelaten.
Achterlating, V.
Achterleen, O., -leenen.
Achterlei (van acht soorten).
Achterliggen, lag achter, lagen achter, heeft achtergelegen.
Achterlijk, -lijker, -lijkst.
Achterlijkheid, V., -heden.
Achterloopen, liep achter, heeft achtergeloopen.
Achterloopsch.
Achterloopschheid, V.
Achterluik, O., -luiken.
Achtermiddag, M., -middagen.
Achterna.
Achternaad, M., -naden.
Achternagaan, gaat achterna, ging achterna, is en heeft achternagegaan.
Achternaloopen, liep achterna, is en heeft achternageloopen.
Achternarijden, reed achterna, reden achterna, is en heeft achternagereden.
Achternasturen, stuurde achterna, heeft achternagestuurd.
Achternazenden, zond achterna, heeft achternagezonden.
Achternazetten, zette achterna, heeft achternagezet.
Achternazitten, zat achterna, zaten achterna, heeft achternagezeten.
Achterneef, M., -neven.
Achterom.
Achterom, O.
Achteromloopen, liep achterom, is achteromgeloopen.
Achteronder, O.
Achterop.
Achteropkomen, komt achterop, kwam achterop, kwamen achterop, is achteropgekomen.
Achteroploopen, liep achterop, is achteropgeloopen.
Achterover.
Achteroverliggen, lag achterover, lagen achterover, heeft achterovergelegen.
Achterovervallen, viel achterover, is achterovergevallen.
Achterplecht, V., -plechten.
Achterpoort, V., -poorten.
Achterpoot, M., -pooten.
Achterruim, O.
Achterschip, O., -schepen.
Achterspil, O., -spillen.
Achterst.
Achterstaan, stond achter, heeft achtergestaan.
Achterstaand.
Achterstal, M., -stallen.
Achterstallig.
Achterstand, M., -standen.
Achterste, O.
Achterstel, O., -stellen.
Achterstellen, stelde achter, heeft achtergesteld.
Achterstelling, V.
Achtersteven, M., -stevens.
Achterstijl, M., -stijlen.