Woordenlijst voor de spelling der Nederlandsche Taal Met aanwijzing van de geslachten der naamwoorden en de vervoeging der werkwoorden

Part 71

Chapter 712,262 wordsPublic domain

Zijworm. Zie Zijdeworm.

Zijzak, M., -zakken.

Zilt, zilter, ziltst.

Ziltheid, V.

Ziltig, ziltiger, ziltigst.

Ziltigheid, V.

Zilver, O.

Zilveraanmunting, V.

Zilverachtig, -achtiger, -achtigst.

Zilverader, V., -aderen en -aders.

Zilverblank.

Zilverbon, M., -bons.

Zilverdraad (stof), O.

Zilveren (bnw.).

Zilverfazant, M., -fazanten.

Zilvergaas, O.

Zilvergeld, O.

Zilverkast, V., -kasten.

Zilverkleurig.

Zilverling, M., zilverlingen.

Zilvermijn, V., -mijnen.

Zilverprijs, M., -prijzen.

Zilverproef, V.

Zilversmid, M., -smeden.

Zilversmidswinkel, M., -winkels.

Zilvervloot, V., -vloten.

Zilverwerk, O.

Zilverwit, -witte.

Zin, M., zinnen. Zinnetje, O., -jes.

Zinbouw, M. Ook Zinsbouw.

Zincographie, V.

Zindelijk, -lijker, -lijkst.

Zindelijkheid, V.

Zingen, zong, heeft gezongen.

Zinger, M., zingers.

Zink, O.

Zinkboor, V., -boren.

Zinken (bnw.).

Zinken, zonk, is gezonken.

Zinkgat, O., -gaten.

Zinking, V., zinkings.

Zinkingachtig.

Zinklaag, V., -lagen.

Zinklood, O., -looden.

Zinkluik, O., -luiken.

Zinkoxyde, O.

Zinkput, M., -putten.

Zinkrijs, O.

Zinkroer, O., -roers en -roeren.

Zinksel, O., zinksels.

Zinkstuk, O., -stukken.

Zinkwit, O.

Zinkzalf, V.

Zinledig.

Zinlijk en Zinnelijk, -lijker, -lijkst.

Zinlijkheid, V.

Zinloos (zonder zin), -looze.

Zinnebeeld, O., -beelden.

Zinnebeeldig.

Zinneloos (zonder verstand), -loozer.

Zinneloosheid, V.

Zinnen, zon, zonnen, heeft gezonnen.

Zinnenwereld, V.

Zinnespel, O., -spelen.

Zinrijk, -rijker, -rijkst.

Zinrijkheid, V.

Zinsbedrog, O.

Zinsbegoocheling, V.

Zinsbouw. Zie Zinbouw.

Zinsnede, V., -sneden.

Zinsontleding, V., -ontledingen.

Zinspelen, zinspeelde, heeft gezinspeeld.

Zinspeling, V., -spelingen.

Zinspreuk, V., -spreuken.

Zinspreukig.

Zinsverband, O.

Zinsverbijstering, V.

Zintuig, O., -tuigen.

Zinverwant.

Zit, M. Zitje, O., -jes.

Zitbank, V., -banken; -bankje, O., -jes.

Zitdag, M., -dagen.

Zitkamer, V., -kamers.

Zitplaats, V., -plaatsen.

Zitten, zat, zaten, heeft gezeten.

Zitting, V., zittingen.

Zittingsjaar, O., -jaren.

Zittingsverslag, O., -verslagen.

Zituur, O., -uren.

Zitvlak, O., -vlakken.

Zitvleesch, O.

Zode (kooksel). Zie Zoo.

Zode (van gras), V., zoden.

Zodenploeg, M., -ploegen.

Zodensnijder, M., -snijders.

Zodenwerk, O.

Zodiak, M.

Zoek (bijw.).

Zoekbrengen, bracht zoek, heeft zoekgebracht.

Zoeken, zocht, heeft gezocht.

Zoeker, M., zoekers.

Zoekerbout, M., -bouten.

Zoeklicht, O., -lichten.

Zoekmaken, maakte zoek, heeft zoekgemaakt.

Zoekraken, raakte zoek, is zoekgeraakt.

Zoel, zoeler, zoelst.

Zoelheid, V.

Zoen, M., zoenen. Zoentje, O., -jes.

Zoenbloed, O.

Zoendood, M.

Zoenen, zoende, heeft gezoend.

Zoener, M., zoeners.

Zoengeld, O.

Zoenoffer, O., -offers.

Zoet, zoeter, zoetst.

Zoetachtig, -achtiger, -achtigst.

Zoetekauw, M. en V., -kauwen.

Zoetekoek, V.

Zoetelaar, M., zoetelaars en zoetelaren.

Zoetelaarster, V., zoetelaarsters.

Zoetelen, zoetelde, heeft gezoeteld.

Zoetelief.

Zoeteliefje, O., -jes.

Zoetelijk.

Zoetemelk, V.

Zoetemelksch.

Zoeten, zoette, heeft gezoet.

Zoeterd, M., zoeterds. Zoeterdje, O., -jes.

Zoetheid, V.

Zoethout, O.

Zoetig.

Zoetigheid, V., -heden.

Zoetjes.

Zoetrasp, V., -raspen.

Zoetsappig, -sappiger, -sappigst.

Zoetsappigheid, V.

Zoetvijl, V., -vijlen.

Zoetvijlen, zoetvijlde, heeft gezoetvijld.

Zoetvloeiend, -vloeiender, -vloeiendst.

Zoetvloeiendheid, V.

Zoetwater, O.

Zoetwatervisch, M., -visschen; (als stofnaam), V.

Zog, O.

Zogkoorts, V., -koortsen.

Zolder, M., zolders. Zoldertje, O., -jes.

Zolderdeur, V., -deuren.

Zolderen, zolderde, heeft gezolderd.

Zoldering, V., zolderingen.

Zolderkamer, V., -kamers; -kamertje, O., -jes.

Zolderraam, O., -ramen.

Zolderschuit, V., -schuiten.

Zomer, M., zomers. Zomertje, O., -jes.

Zomerachtig, -achtiger, -achtigst.

Zomeravond, M., -avonden.

Zomerdag, M., -dagen.

Zomerdienst, M., -diensten.

Zomerdracht, V.

Zomeren, zomerde, heeft gezomerd.

Zomergraan, O.

Zomergroente, V., -groenten.

Zomerhoed, M., -hoeden.

Zomerkade, V., -kaden.

Zomermaand, V., -maanden.

Zomermantel, M., -mantels.

Zomernacht, M., -nachten.

Zomerpaleis, O., -paleizen.

Zomerreis, V., -reizen.

Zomersch.

Zomerseizoen, O.

Zomersproeten (mv.), V.

Zomervacantie, V.

Zomerverblijf, O., -verblijven.

Zomerwarmte, V.

Zomerweder, O.

Zon, V., zonnen. Zonnetje, O., -jes.

Zondaar, M., zondaren en zondaars.

Zondaarsbankje, O., -jes.

Zondaarsgezicht, O., -gezichten.

Zondag, M., -dagen; -dagje, O., -jes.

Zondagavond, M., -avonden.

Zondagsbeurt, V., -beurten.

Zondagsblad, O., -bladen.

Zondagsch.

Zondagskind, O., -kinderen.

Zondagskleed, O., -kleederen.

Zondagskost, M.

Zondagsletter, V., -letters.

Zondagspak, O., -pakken; -pakje, O., -jes.

Zondagspreek, V., -preeken.

Zondagsrust, V.

Zondagsschool, V., -scholen. Ook Zondagschool.

Zondagswerk, O.

Zondares, V., zondaressen.

Zonde, V., zonden.

Zondeloos, -looze.

Zondeloosheid, V.

Zondenbok, M., -bokken.

Zondenregister, O., -registers.

Zonder.

Zonderling, zonderlinger, zonderlingst.

Zonderling, M. en V., zonderlingen. V. ook zonderlinge.

Zonderlingheid, V.

Zondig, zondiger, zondigst.

Zondigen, zondigde, heeft gezondigd.

Zondvloed, M.

Zone (aardgordel enz.), V., zonen.

Zonegrens, V.

Zonenstelsel, O.

Zonkant, M.

Zonnebaan, V., -banen.

Zonnebad, O., -baden.

Zonnebeeld, O.

Zonneblind, O., -blinden.

Zonneblind (bnw.).

Zonnebloem, V., -bloemen.

Zonnecirkel, M., -cirkels.

Zonnedak, O., -daken.

Zonnedauw, M.

Zonnedienst, M.

Zonnegloed, M.

Zonnegod, M.

Zonnejaar, O., -jaren.

Zonneklaar.

Zonnelicht en Zonlicht, O.

Zonnemaand, V., -maanden.

Zonnepaard, O., -paarden.

Zonnescherm, O., -schermen.

Zonneschijf, V.

Zonneschijn, M.; -schijntje, O.

Zonnestand, M.

Zonnesteek, M., -steken.

Zonnestelsel, O., -stelsels.

Zonnestraal, M., -stralen.

Zonnetent, V., -tenten.

Zonnetijd, M.

Zonnevlecht, V.

Zonnevlek, V., -vlekken.

Zonnevuur, O.

Zonnewachter, M., -wachters.

Zonnewarmte, V.

Zonnewende, V.

Zonnewijzer, M., -wijzers.

Zonnig, zonniger, zonnigst.

Zonsafstand, M., -afstanden.

Zonshoogte, V.

Zonsondergang, M.

Zonsopgang, M.

Zonsverduistering, V., -verduisteringen.

Zoo.

Zoo en Zooi (zode, kooksel), V., zooien. Zootje en zooitje, O., -jes.

Zooals.

Zoodanig.

Zoodat.

Zoodoende.

Zoodra.

Zooeven.

Zoogbroeder, M., -broeders; -broertje, O., -jes.

Zoogdier, O., -dieren.

Zoogen, zoogde, heeft gezoogd.

Zoogenaamd.

Zoogenoemd.

Zoogezegd.

Zoogkind, O., -kinderen; -kindje, O., -jes.

Zooglam, O., -lammeren.

Zoogoed, bijw. (- als).

Zoogster, V., zoogsters.

Zoogzuster, V., -zusters; -zustertje en -zusje, O., -jes.

Zoohaast.

Zooi (menigte), V. Zooitje, O., -jes.

Zool, V., zolen. Zooltje, O., -jes.

Zoolang.

Zoolgangers (mv.), M.

Zoolleder, O.

Zoölogie, V.

Zoölogisch.

Zoöloog, M., zoölogen.

Zoom, M., zoomen. Zoompje, O., -jes.

Zoomen, zoomde, heeft gezoomd.

Zoomin.

Zoomwerk, O.

Zoon, M., zonen en zoons. Zoontje, O., -jes.

Zoonlief.

Zoonschap, O.

Zoopje, O., -jes.

Zoopjesman, M., -lui.

Zoor, zoorder, zoorst.

Zoorheid, V.

Zoötomie, V.

Zoötomisch.

Zooveel, -vele.

Zooveel (bijw.).

Zooveelste.

Zooverre en Zoover.

Zoowel.

Zoozeer.

Zorg, V., zorgen.

Zorgband, M., -banden.

Zorgdragend.

Zorgeloos, -loozer.

Zorgeloosheid, V.

Zorgen, zorgde, heeft gezorgd.

Zorggras, O., -grassen.

Zorgketting, M., -kettingen.

Zorglijk, -lijker, -lijkst.

Zorglijkheid, V.

Zorglijn, V., -lijnen.

Zorgstoel, M., -stoelen.

Zorgvuldig, -vuldiger, -vuldigst.

Zorgvuldigheid, V.

Zorgzaad, O.

Zorgzaam, -zamer, -zaamst.

Zorgzaamheid, V.

Zot, zotter, zotst.

Zot, M., zotten. Zotje, O., -jes.

Zotheid, V., -heden.

Zotskap (muts), V., -kappen.

Zotskap (persoon), M. en V., -kappen.

Zotteklap, M.

Zottepraat, M.

Zotternij, V., zotternijen. Zotternijtje, O., -jes.

Zottigheid, V., -heden.

Zottin, V., zottinnen. Zottinnetje, O., -jes.

Zou en Zoude. Zie Zullen.

Zout, O., zouten.

Zout, zouter, zoutst.

Zoutbriket, V., -briketten.

Zouteloos, -loozer.

Zouteloosheid, V., -heden.

Zouten, zoutte, heeft gezouten.

Zouter, M., zouters.

Zoutevisch, V.

Zoutheid, V.

Zoutig.

Zoutigheid, V.

Zoutkeet, V., -keten.

Zoutkorrel, V., -korrels; -korreltje, O., -jes.

Zoutlepeltje, O., -lepeltjes.

Zoutmijn, V., -mijnen.

Zoutpakhuis, O., -pakhuizen.

Zoutpan, V., -pannen.

Zoutpilaar, M., -pilaren.

Zoutpot, M., -potten.

Zoutte (van -), V.

Zoutvat, O., -vaten; -vaatje, O., -jes.

Zoutwater, O.

Zoutweger, M., -wegers.

Zoutzak (persoon), M. en V., -zakken.

Zoutzieder, M., -zieders.

Zoutziederij, V., -ziederijen.

Zoutzuur, O.

Zucht (ademhaling), M., zuchten. Zuchtje, O., -jes.

Zucht (zwelling, ziekte, begeerte), V.

Zuchten, zuchtte, heeft gezucht.

Zuchtig, zuchtiger, zuchtigst.

Zuchtigheid, V.

Zuid (bijw.).

Zuid (het Zuiden), O.; (de zuidelijke streken), V.

Zuid-Brabant, O.

Zuideinde, O.

Zuidelijk, -lijker, -lijkst.

Zuidelijken, zuidelijkte, is gezuidelijkt.

Zuiden, O.

Zuidenwind, M., -winden.

Zuiderbreedte, V.

Zuiderzee, V.

Zuiderzeevereeniging, V.

Zuiderzon, V.

Zuid-Holland, O.

Zuidhollandsch.

Zuidoost (bijw.). Als znw., O.

Zuidoostelijk.

Zuidoosten, O.

Zuidwaarts.

Zuidwest (bijw.). Als znw., O.

Zuidwestelijk.

Zuidwesten, O.

Zuidwester, M., -westers.

Zuidzee, V.

Zuidzee-traan, V.

Zuidzeevaarder, M., -vaarders.

Zuien, zuide, heeft gezuid.

Zuigeling, M. en V., zuigelingen. V. ook zuigelinge. Zuigelingetje, O., -jes.

Zuigen, zoog, zogen, heeft gezogen.

Zuiger, M., zuigers. Zuigertje, O., -jes.

Zuigerstang, V., -stangen.

Zuigflesch, V., -flesschen.

Zuigglas, O., -glazen.

Zuiging, V.

Zuigkalf, O., -kalven.

Zuigkind, O., -kinderen.

Zuigklep, V., -kleppen.

Zuiglam, O., -lammeren; -lammetje, O., -jes.

Zuigpijp, V., -pijpen.

Zuigpomp, V., -pompen.

Zuigsponning, V., -sponningen.

Zuigtand, M., -tanden.

Zuil, V., zuilen. Zuiltje, O., -jes.

Zuilengang, V., -gangen.

Zuilenrij, V., -rijen.

Zuimen, zuimde, heeft gezuimd.

Zuinig, zuiniger, zuinigst.

Zuinigheid, V.

Zuinigje, O.

Zuinigjes.

Zuip, V.

Zuipen, zoop, zopen, heeft gezopen.

Zuiper, M., zuipers.

Zuiplap, M., -lappen.

Zuippartij, V., -partijen.

Zuivel, O.

Zuivelbereiding, V.

Zuivelconsulent, M., -consulenten.

Zuivelmethode, V., -methodes.

Zuiver, zuiverder, zuiverst.

Zuiveraar, M., zuiveraars.

Zuiveren, zuiverde, heeft gezuiverd.

Zuiverheid, V.

Zuivering, V., zuiveringen.

Zuiveringseed, M., -eeden.

Zuiveringsproces, O., -processen.

Zuiveringszout, O.

Zulk.

Zulks.

Zullen, zal, zoude en zou, zouden.

Zult, O.

Zulten, zultte, heeft gezult.

Zulting, V.

Zultspek, O.

Zundgat, O., -gaten.

Zuren, zuurde, heeft gezuurd.

Zurigheid, V.

Zuring, V.

Zus (bijw.).

Zuster en Zus (persoon), V., zusters en zusteren. Zustertje en zusje, O., -jes.

Zuster (gebak), V., zusters. Zustertje, O., -jes.

Zustergemeente, V., -gemeenten.

Zusterlijk, -lijker, -lijkst.

Zusterschap (de betrekking), O.; (vereeniging van zusters), V., -schappen.

Zusterschool, V., -scholen.

Zustersdochter, V., -dochters.

Zusterskind, O., -kinderen.

Zusterszoon, M., -zoons.

Zustervereeniging, V., -vereenigingen.

Zutfen, O.

Zutfensch.

Zuur, O., zuren. Zuurtje, O., -jes.

Zuur, zuurder, zuurst.

Zuurachtig, -achtiger, -achtigst.

Zuurdeeg, O.

Zuurdeesem, M.

Zuurheid, V.

Zuurkijker, M., -kijkers.

Zuurkool, V.

Zuurkoolvat, O., -vaten.

Zuurkraam, V., -kramen; -kraampje, O., -jes.

Zuurmuil, M. en V., -muilen.

Zuurstel, O., -stellen; -stelletje, O., -jes.

Zuurstof, V.

Zuurstofverbinding, V., -verbindingen.

Zuurtjes.

Zuurzoet.

Zwaai, M., zwaaien.

Zwaaien, zwaaide, heeft en is gezwaaid.

Zwaaihaak, M., -haken.

Zwaaiing, V., zwaaiingen.

Zwaaikom, V., -kommen.

Zwaan, M., zwanen. Zwaantje, O., -jes.

Zwaar, zwaarder, zwaarst.

Zwaard, O., zwaarden.

Zwaardveger, M., -vegers.

Zwaardvisch, M., -visschen.

Zwaarhoofd, M. en V., -hoofden.

Zwaarhoofdig, -hoofdiger, -hoofdigst.

Zwaarhoofdigheid, V.

Zwaarlijvig, -lijviger, -lijvigst.

Zwaarlijvigheid, V.

Zwaarmoedig, -moediger, -moedigst.

Zwaarmoedigheid, V.

Zwaarte, V.

Zwaartekracht, V.

Zwaartepunt, O., -punten.

Zwaartillend, -tillender, -tillendst.

Zwaartillendheid, V.

Zwaarwichtig, -wichtiger, -wichtigst.

Zwaarwichtigheid, V.

Zwabber, M., zwabbers. Zwabbertje, O., -jes.

Zwabberen, zwabberde, heeft gezwabberd.

Zwabberkapitein, M., -kapiteins.

Zwachtel, M., zwachtels. Zwachteltje, O., -jes.

Zwachtelen, zwachtelde, heeft gezwachteld.

Zwachteling, V.

Zwad. Zie Zwade.

Zwadder, M.

Zwadderig.

Zwade en Zwad, V., zwaden.

Zwager, M., zwagers. Zwagertje, O., -jes.

Zwagerschap, V. en O.

Zwak, O., zwakken. Zwakje, O., -jes.

Zwak, zwakker, zwakst.

Zwakheid, V., -heden.

Zwakjes.

Zwakkelijk, -lijker, -lijkst.

Zwakkelijkheid, V.

Zwakkeling, M. en V., -lingen.

Zwakstroom, M.

Zwakte, V.

Zwalken, zwalkte, heeft gezwalkt.

Zwalker, M., zwalkers.

Zwalp, M., zwalpen.

Zwalpen, zwalpte, heeft gezwalpt.

Zwaluw, V., zwaluwen. Zwaluwtje, O., -jes.

Zwaluwenkruid, O.

Zwaluwennest, O., -nesten.

Zwaluwetong, V.

Zwaluwstaart, M., -staarten.

Zwaluwstaartig.

Zwam (gewas), V., zwammen; (tonder), O. Zwammetje, O., -jes.

Zwanedons en Zwanendons, O.

Zwanenbloem, V., -bloemen.

Zwanenborst, V., -borsten.

Zwanendrift, V., -driften.

Zwanenei, O., -eieren.

Zwanenhals, M., -halzen.

Zwanennest, O., -nesten.

Zwanepen, V., -pennen.

Zwaneschacht, V., -schachten.

Zwanezang, M.

Zwang, M. (In -).

Zwanger.

Zwangerschap, V.

Zwarigheid, V., -heden.

Zwart, zwarter, zwartst.

Zwartachtig, -achtiger, -achtigst.

Zwartbont.

Zwartbruin.

Zwarte, M. en V., zwarten. Zwartje, O., -jes.

Zwartekunst, V.

Zwarten, zwartte, heeft gezwart.

Zwartepieten, zwartepiette, heeft gezwartepiet.

Zwartgallig, -galliger, -galligst.

Zwartgalligheid, V.

Zwartgerokt.

Zwartgroen.

Zwartharig.

Zwartheid, V.

Zwartigheid, V.

Zwartkop, M. en V., -koppen; -kopje, O., -jes.

Zwartkrijt, O.

Zwartkrijtteekening, V., -teekeningen.

Zwartlakensch.

Zwartoog, M. en V., -oogen.

Zwartoogig.

Zwartsel, O.

Zwartzijden (bnw.).

Zwatelen, zwatelde, heeft gezwateld.

Zwavel, V. Zwaveltje, O., -jes.

Zwavelachtig, -achtiger, -achtigst.

Zwavelbron, V., -bronnen.

Zwaveldamp, M., -dampen.

Zwavelen, zwavelde, heeft gezwaveld.

Zwavelerts, O.

Zwavelgeel, -gele.

Zwavelig.

Zwaveligzuur, O.

Zwavelkoper, O.

Zwavelstok, M., -stokken; -stokje, O., -jes.

Zwavelwaterstofgas, O.

Zwavelzuur, O.

Zwavelzuur, -zure.

Zweden, O.

Zweed, M., Zweden.

Zweem, M. Zweempje, O.

Zweemen, zweemde, heeft gezweemd.

Zweemsel, O.

Zweep, V., zweepen. Zweepje, O., -jes.

Zweepen, zweepte, heeft gezweept.

Zweeping, V.

Zweepslag, M., -slagen.

Zweer, V., zweren. Zweertje, O., -jes.

Zweet, O.

Zweetbad, O., -baden.

Zweetbank, V., -banken.

Zweetdoek, M., -doeken.

Zweetdrank, M., -dranken; -drankje, O., -jes.

Zweetdruppel, M., -druppels.

Zweeten, zweette, heeft gezweet.

Zweeterig, zweeteriger, zweeterigst.

Zweeterigheid, V.

Zweetgat, O., -gaten; -gaatje, O., -jes.

Zweeting, V., zweetingen.

Zweetkamer, V., -kamers; -kamertje, O., -jes.

Zweetkoorts, V., -koortsen.

Zweetkuur, V., -kuren.

Zweetmiddel, O., -middelen; -middeltje, O., -jes.

Zweetpoeder en -poeier (stofnaam), O., (fijngestampt geneesmiddel), V., -poeders en -poeiers; -poedertje en -poeiertje, O., -jes.

Zweetvoeten (mv.), M.

Zweetvos, M., -vossen; -vosje, O., -jes.

Zweetziekte, V.

Zwei, V., zweien.

Zwelen, zweelde, heeft gezweeld.

Zweler, M., zwelers.

Zwelg, M.

Zwelgen, zwolg, heeft gezwolgen.

Zwelger, M., zwelgers.

Zwelgerij, V., zwelgerijen.

Zwelgpartij, V., -partijen.

Zwellen, zwol, zwollen, is gezwollen.

Zwelling, V., zwellingen.

Zwembassin, O., -bassins.

Zwemblaas, V., -blazen.

Zwemboei, V., -boeien.

Zwembroek, V., -broeken; -broekje, O., -jes.

Zwemgordel, M., -gordels.

Zweminrichting, V., -inrichtingen.

Zwemkunst, V.

Zwemmen, zwom, zwommen, heeft en is gezwommen.

Zwemmer, M., zwemmers.

Zwemmerig, zwemmeriger, zwemmerigst.

Zwempak, O., -pakken.

Zwemplaats, V., -plaatsen.

Zwempoot, M., -pooten.

Zwemschool, V., -scholen.

Zwemvlies, O., -vliezen.

Zwemvoet, M., -voeten.

Zwemvogel, M., -vogels.

Zwemwedstrijd, M., -wedstrijden.

Zwendelaar, M., zwendelaars.

Zwendelaarster, V., zwendelaarsters.

Zwendelarij, V., zwendelarijen.

Zwendelen, zwendelde, heeft gezwendeld.

Zwengel, M., zwengels.

Zwenk, M., zwenken.

Zwenken, zwenkte, heeft en is gezwenkt.

Zwenkgras, O.

Zwenking, V., zwenkingen.

Zweren (een eed doen), zwoer, heeft gezworen.

Zweren (etteren), zwoor, zworen, heeft gezworen.

Zwerfster, V., zwerfsters.

Zwerftocht, M., -tochten.

Zwering, V., zweringen.

Zwerk, O.

Zwerm, M., zwermen.

Zwermen, zwermde, heeft gezwermd.

Zwermer, M., zwermers.

Zwermpot, M., -potten.

Zwerveling, M. en V., zwervelingen. V. ook zwervelinge.

Zwerven, zwierf, zwierven, heeft gezworven.

Zwerver, M., zwervers.

Zwetsen, zwetste, heeft gezwetst.

Zwetser, M., zwetsers.

Zwetserij, V., zwetserijen.

Zweven, zweefde, heeft gezweefd.

Zwezerik, M., zwezeriken. Zwezerikje, O., -jes.

Zwichtband, M., -banden.

Zwichten, zwichtte, heeft en is gezwicht.

Zwichting (scheepsw.), V.

Zwichtlijn, V., -lijnen.

Zwichtstelling, V., -stellingen.

Zwiepen, zwiepte, heeft gezwiept.

Zwieping, V.

Zwier, M. Zwiertje, O., -jes.

Zwierbol, M., -bollen.

Zwieren, zwierde, heeft gezwierd.

Zwierig, zwieriger, zwierigst.

Zwierigheid, V.

Zwijgen, zweeg, zwegen, heeft gezwegen.

Zwijger, M., zwijgers.

Zwijgster, V., zwijgsters.

Zwijgteeken, O., -teekens.

Zwijm, V.

Zwijmel, M.

Zwijmelbeker, M., -bekers.

Zwijmeldrank, M., -dranken.

Zwijmeldronken.

Zwijmelen, zwijmelde, heeft gezwijmeld.

Zwijmeling, V.

Zwijmen, zwijmde, heeft gezwijmd.

Zwijn, O., zwijnen. Zwijntje, O., -jes.

Zwijnachtig, -achtiger, -achtigst.

Zwijnen, zwijnde, heeft gezwijnd.

Zwijnenaard, M.

Zwijnenboel, M.

Zwijnendistel, V.

Zwijnengras, O.

Zwijnenhoeder, M., -hoeders.

Zwijnenjacht, V., -jachten.

Zwijnenkost, M.

Zwijnenkot, O., -kotten.

Zwijnenstal, M., -stallen.

Zwijnentrog, M., -troggen.

Zwijnerij, V.

Zwijnevleesch en Zwijnenvleesch, O.

Zwijnjak, M., -jakken.

Zwijnshoofd, O., -hoofden.

Zwijnskop, M., -koppen.

Zwik, M.

Zwikboor, V., -boren; -boortje, O., -jes.

Zwikgat, O., -gaten; -gaatje, O.

Zwikhout, O., -houten.

Zwikje (pennetje), O., -jes.

Zwikken, zwikte, heeft en is gezwikt.

Zwikking, V., zwikkingen.

Zwikstelling, V., -stellingen.

Zwilk, O.

Zwilken (bnw.).

Zwin, O., zwinnen.

Zwingel, M., zwingels.

Zwingelaar, M., zwingelaars.

Zwingelbord, O., -borden.

Zwingelen, zwingelde, heeft gezwingeld.

Zwingelkeet, V., -keten.

Zwingelkooi, V., -kooien.

Zwingelspaan, V., -spanen.

Zwirrelen, zwirrelde, heeft gezwirreld.

Zwitser, M., Zwitsers.

Zwitserland, O.

Zwitsersch.

Zwoegen, zwoegde, heeft gezwoegd.

Zwoeger, M., zwoegers.

Zwoel, zwoeler, zwoelst.

Zwoelheid, V.

Zwoord, O., zwoorden. Zwoordje, O., -jes.

AANTEEKENINGEN

[1] Zie vooral M. (J. A. Alberdingk Thijm), _Over de Spelling van de Bastaartwoorden. Amsterd._ 1843.