Part 66
Voogdijschap, V., -schappen.
Voois (zangwijs), V., vooizen.
Voor en Vore, V., voren.
Voor en Vóór.
Vooraan.
Vooraanzitting, V.
Vooraf.
Voorafgaand.
Voorafspraak, V., -spraken; -spraakje, O., -jes.
Vooral.
Vooralsnog.
Voorarbeid, M.
Voorarm, M., -armen.
Vooravond, M., -avonden.
Voorbaan, V., -banen.
Voorbaat, V.
Voorbabbelen, babbelde voor, heeft voorgebabbeld.
Voorband, M., -banden.
Voorbank, V., -banken; -bankje, O., -jes.
Voorbarig, -bariger, -barigst.
Voorbarigheid, V., -heden.
Voorbedacht.
Voorbedachtelijk.
Voorbedachtheid, V.
Voorbede, V., -beden.
Voorbeding, O., -bedingen.
Voorbedingen, bedong voor, heeft voorbedongen.
Voorbeeld, O., -beelden; -beeldje, O., -jes.
Voorbeeldeloos, -loozer.
Voorbeeldig, -beeldiger, -beeldigst.
Voorbeeldigheid, V.
Voorbehoedmiddel, O., -middelen.
Voorbehoud, V.
Voorbehouden, behield voor, heeft voorbehouden.
Voorbereiden, bereidde voor, heeft voorbereid.
Voorbereider, M., -bereiders.
Voorbereiding, V., -bereidingen.
Voorbericht, O., -berichten; -berichtje, O., -jes.
Voorbeschikken, beschikte voor, heeft voorbeschikt.
Voorbeschikking, V., -beschikkingen.
Voorbestaan, O.
Voorbestemmen, bestemde voor, heeft voorbestemd.
Voorbestemming, V.
Voorbezit, O.
Voorbidden, bad voor, baden voor, heeft voorgebeden.
Voorbidder, M., -bidders.
Voorbidding, V., -biddingen.
Voorbiecht, V.
Voorbij.
Voorbijdragen, droeg voorbij, heeft voorbijgedragen.
Voorbijdraven, draafde voorbij, heeft en is voorbijgedraafd.
Voorbijdringen, drong voorbij, is voorbijgedrongen.
Voorbijgaan, gaat voorbij, ging voorbij, heeft en is voorbijgegaan.
Voorbijgaand.
Voorbijgang, M.
Voorbijganger, M., -gangers.
Voorbijijlen, ijlde voorbij, is voorbijgeijld.
Voorbijkomen, komt voorbij, kwam voorbij, kwamen voorbij, is voorbijgekomen.
Voorbijlaten, liet voorbij, heeft voorbijgelaten.
Voorbijleeren, leerde voorbij, heeft en is voorbijgeleerd.
Voorbijloopen, liep voorbij, heeft en is voorbijgeloopen.
Voorbijrijden, reed voorbij, reden voorbij, heeft en is voorbijgereden.
Voorbijstreven, streefde voorbij, is voorbijgestreefd.
Voorbijtrekken, trok voorbij, trokken voorbij, is voorbijgetrokken.
Voorbijvliegen, vloog voorbij, vlogen voorbij, is voorbijgevlogen.
Voorbijzeilen, zeilde voorbij, heeft en is voorbijgezeild.
Voorbinden, bond voor, heeft voorgebonden.
Voorbode, M. en V., -boden.
Voorboezem, M., -boezems.
Voorbout, M., -bouten; -boutje, O., -jes.
Voorbramra, V., -raas.
Voorbramsteng, V., -stengen.
Voorbramzeil, O., -zeilen.
Voorbrengen, bracht voor, heeft voorgebracht.
Voorburg, M., -burgen.
Voorbuur, M., -buren.
Voorcijferen, cijferde voor, heeft voorgecijferd.
Voorcijfering, V.
Voordacht, V.
Voordans, M., -dansen; -dansje, O., -jes.
Voordansen, danste voor, heeft voorgedanst.
Voordanser, M., -dansers.
Voordat.
Voorde en Voord, V., voorden.
Voordeel, O., -deelen; -deeltje, O., -jes.
Voordeelig, -deeliger, -deeligst.
Voordeeligheid, V.
Voordeur, V., -deuren.
Voordewind, M.
Voordewind (bijw.).
Voordezen.
Voordienen, diende voor, heeft voorgediend.
Voordiener, M., -dieners.
Voordiening, V.
Voordochter, V., -dochters; -dochtertje, O., -jes.
Voordoen, deed voor, deden voor, heeft voorgedaan.
Voordraaien, draaide voor, heeft voorgedraaid.
Voordracht, V., -drachten.
Voordragen, droeg voor, heeft voorgedragen.
Voordwarstouw, O., -touwen.
Vooreb en Voorebbe, V.
Vooreergisteren.
Vooreerst.
Vooreinde, O., -einden.
Voorgaan, gaat voor, ging voor, is voorgegaan.
Voorgaats.
Voorgalerij, V., -galerijen.
Voorgang, M.
Voorganger, M., -gangers.
Voorgangster, V., -gangsters.
Voorgebed, O., -gebeden.
Voorgebergte, O., -gebergten.
Voorgemeld.
Voorgenoemd.
Voorgerecht, O., -gerechten.
Voorgestoelte, O., -gestoelten.
Voorgevel, M., -gevels; -geveltje, O., -jes.
Voorgeven, gaf voor, gaven voor, heeft voorgegeven.
Voorgeven, O.
Voorgeving, V.
Voorgevoel, O.
Voorgezang, O., -gezangen.
Voorgoed (bijw.).
Voorgoochelen, goochelde voor, heeft voorgegoocheld.
Voorgooi, V.
Voorgooien, gooide voor, heeft voorgegooid.
Voorgracht, V., -grachten.
Voorgrond, M., -gronden.
Voorhaar, O.
Voorhamer, M., -hamers.
Voorhand, V., -handen.
Voorhanden (bijw.).
Voorhang, M., -hangen.
Voorhangen, hing voor, heeft voorgehangen.
Voorhangsel, O., -hangsels en -hangselen.
Voorhaven, V., -havens.
Voorhebben, heeft voor, had voor, hadden voor, heeft voorgehad.
Voorheen.
Voorhistorisch.
Voorhoede, V., -hoeden.
Voorhoef, M., -hoeven.
Voorhof, O. en M., -hoven.
Voorhoofd, O., -hoofden; -hoofdje, O., -jes.
Voorhoofdsbeen, O., -beenderen.
Voorhouden, hield voor, heeft voorgehouden.
Voorhuid, V., -huiden.
Voorhuis, O., -huizen; -huisje, O., -jes.
Voorijzer, O., -ijzers.
Voorin.
Voor-Indië, O.
Vooringenomen, -genomener, -genomenst.
Vooringenomenheid, V.
Voorinnemen, nam voorin, namen voorin, heeft vooringenomen.
Voorjaar, O., -jaren; -jaartje, O., -jes.
Voorjaarsbloem, V., -bloemen; -bloempje, O., -jes.
Voorjaarskoorts, V., -koortsen.
Voorjaarsnachtevening, V., -eveningen.
Voorjaarsopruiming, V., -en.
Voorjaarsregen, M., -regens; -regentje, O., -jes.
Voorjaarsreis, V., -reizen.
Voorjaarsveiling, V., -veilingen.
Voorjaarsvergadering, V., -vergaderingen.
Voorjaarsweder, en -weer, O.
Voorkamer, V., -kamers; -kamertje, O., -jes.
Voorkasteel, O., -kasteelen.
Voorkauwen, kauwde voor, heeft voorgekauwd.
Voorkennis, V.
Voorkeuken, V., -keukens; -keukentje, O., -jes.
Voorkeur, V.
Voorkind, O., -kinderen.
Voorklimmen, klom voor, klommen voor, heeft en is voorgeklommen.
Voorkomen, komt voor, kwam voor, kwamen voor, is voorgekomen; ook voorkomt, voorkwam, voorkwamen, heeft voorkomen.
Voorkomen, O.
Voorkomend, -komender, -komendst.
Voorkomendheid, V.
Voorkoming, V.
Voorkoop, M., -koopen.
Voorkooper, M., -koopers.
Voorkoopster, V., -koopsters.
Voorkrijgen, kreeg voor, kregen voor, heeft voorgekregen.
Voorkwartier, O., -kwartieren.
Voorlaatst.
Voorland, O.
Voorlang.
Voorlast, M.
Voorlastig.
Voorlaten, liet voor, heeft voorgelaten.
Voorleden. Zie Verleden.
Voorleder en Voorleer, O.
Voorleggen, legde voor en leide voor, heeft voorgelegd en voorgeleid.
Voorlegging, V.
Voorlezen, las voor, lazen voor, heeft voorgelezen.
Voorlezer, M., -lezers.
Voorlezersbankje, O., -bankjes.
Voorlezing, V., -lezingen.
Voorlichten, lichtte voor, heeft voorgelicht.
Voorlichter, M., -lichters.
Voorlichting, V.
Voorliefde, V.
Voorliegen, loog voor, logen voor, heeft voorgelogen.
Voorliggen, lag voor, lagen voor, heeft voorgelegen.
Voorlijf, O., -lijven; -lijfje, O., -jes.
Voorlijk (scheepsw.), O., -lijken.
Voorlijk, -lijker, -lijkst.
Voorlijkheid, V.
Voorloop (geestrijk vocht), V.
Voorloopen, liep voor, heeft en is voorgeloopen.
Voorlooper, M., -loopers.
Voorloopig.
Voorluik, O., -luiken.
Voormaals.
Voormaand, V., -maanden.
Voormaken, maakte voor, heeft voorgemaakt.
Voormalig.
Voorman, M., -mannen.
Voormars, V., -marsen.
Voormarszeil, O., -zeilen.
Voormast, M., -masten.
Voormeten, mat voor, maten voor, heeft voorgemeten.
Voormiddag, M., -middagen: -middagje, O., -jes.
Voormiddagwacht, V.
Voormouw, V., -mouwen.
Voormuur, M., -muren.
Voorn. Zie Voren.
Voornaald, V., -naalden.
Voornaam, M., -namen.
Voornaam, -namer, -naamst.
Voornaamwoord, O., -woorden.
Voornacht, M., -nachten.
Voornamelijk.
Voornemen, O., -nemens.
Voornemen, nam voor, namen voor, heeft voorgenomen.
Voornoemd.
Voornoen, M.
Vooroever, M., -oevers.
Vooronder, O., -onders; -ondertje, O. -jes.
Vooronderstellen, vooronderstelde, heeft voorondersteld.
Vooronderstelling, V., -stellingen.
Vooroordeel, O., -oordeelen.
Voorop.
Vooropstellen, stelde voorop, heeft vooropgesteld.
Vooropzetten, zette voorop, heeft vooropgezet.
Voorouderlijk.
Voorouders en Voorouderen (mv.), M.
Voorover.
Vooroverlijden (het vroeger sterven), O.
Vooroverloopen, liep voorover, heeft voorovergeloopen.
Voorovervallen, viel voorover, is voorovergevallen.
Voorpaard, O., -paarden.
Voorpand, O., -panden; -pandje, O., -jes.
Voorplaats, V., -plaatsen; -plaatsje, O., -jes.
Voorplecht, V., -plechten.
Voorplein, O., -pleinen.
Voorpoort, V., -poorten.
Voorpoot, M., -pooten; -pootje, O. -jes.
Voorportaal, O., -portalen.
Voorpost, M., -posten.
Voorpostengevecht, O., -gevechten.
Voorpostenlinie, V., -liniën.
Voorpraten, praatte voor, heeft voorgepraat.
Voorprediken en Voorpreeken, predikte voor en preekte voor, heeft voorgepredikt en voorgepreekt.
Voorproef, V.; -proefje, O., -jes.
Voorproeven, proefde voor, heeft voorgeproefd.
Voorproever, M., -proevers.
Voorraad, M.
Voorraadkamer, V., -kamers.
Voorraadschuur, V., -schuren.
Voorraam, O., -ramen.
Voorrad, O., -raderen.
Voorrang, M.
Voorrecht, O., -rechten.
Voorrede, V., -redenen; -redetje, O., -jes.
Voorrekenen, rekende voor, heeft voorgerekend.
Voorriem, M., -riemen.
Voorrijden, reed voor, reden voor, heeft en is voorgereden.
Voorrijder, M., -rijders.
Voorroepen, riep voor, heeft voorgeroepen.
Voorschans, V., -schansen.
Voorschenken, schonk voor, heeft voorgeschonken.
Voorschenker, M., -schenkers.
Voorschieten, schoot voor, schoten voor, heeft voorgeschoten.
Voorschieter, M., -schieters.
Voorschijn (Te -).
Voorschilderen, schilderde voor, heeft voorgeschilderd.
Voorschip, O.
Voorschoen, M., -schoenen.
Voorschoenen, voorschoende, heeft gevoorschoend.
Voorschoot, O., -schooten; -schootje, O., -jes.
Voorschot, O., -schotten; -schotje, O., -jes.
Voorschotbank, V., -banken.
Voorschreven.
Voorschrift, O., -schriften.
Voorschrijven, schreef voor, schreven voor, heeft voorgeschreven.
Voorschrijving, V.
Voorschuiven, schoof voor, schoven voor, heeft voorgeschoven.
Voorschutting, V.
Voorshands.
Voorslaan, slaat voor, sloeg voor, heeft voorgeslagen.
Voorslag (voorstel), M., -slagen.
Voorslag (van een klokkenspel en in de muziek), O.
Voorslemphout, O., -houten.
Voorsmaak, M.; -smaakje, O.
Voorsmijten, smeet voor, smeten voor, heeft voorgesmeten.
Voorsnijden, sneed voor, sneden voor, heeft voorgesneden.
Voorsnijder, M., -snijders.
Voorsnijmes, O., -messen.
Voorspan, O., -spannen.
Voorspannen, spande voor, heeft voorgespannen.
Voorspel, O., -spelen; -spelletje, O., -jes.
Voorspelden, speldde voor, heeft voorgespeld.
Voorspelder, M., -spelders; -speldertje, O., -jes.
Voorspelen, speelde voor, heeft voorgespeeld.
Voorspeler, M., -spelers.
Voorspellen (de letters voorzeggen), spelde voor, heeft voorgespeld.
Voorspellen (voorzeggen), voorspelde, heeft voorspeld.
Voorspeller, M., -spellers.
Voorspelling, V., -spellingen.
Voorspelster, V., -spelsters.
Voorspiegelen, spiegelde voor, heeft voorgespiegeld.
Voorspiegeling, V., -spiegelingen.
Voorspijs, V., -spijzen.
Voorspoed, M.
Voorspoedig, -spoediger, -spoedigst.
Voorspoediglijk.
Voorspraak (persoon), M. en V., -spraken; (het voorspreken), V.
Voorspreken, sprak voor, spraken voor, heeft voorgesproken.
Voorspreker, M., -sprekers.
Voorstaan, staat voor, stond voor, heeft voorgestaan.
Voorstad, V., -steden.
Voorstand, M.
Voorstander, M., -standers.
Voorstandster, V., -standsters.
Voorstappen, stapte voor, heeft en is voorgestapt.
Voorste.
Voorsteek, M., -steken.
Voorsteken, stak voor, staken voor, heeft voorgestoken.
Voorstel, O., -stellen; -stelletje, O., -jes.
Voorstellen, stelde voor, heeft voorgesteld.
Voorsteller, M., -stellers.
Voorstelling, V., -stellingen.
Voorstellingsgave, V.
Voorstellingsvermogen, O.
Voorstelster, V., -stelsters.
Voorstemmen, stemde voor, heeft voorgestemd.
Voorstemmer, M., -stemmers.
Voorsteng, V., -stengen.
Voorsteven, M., -stevens.
Voorstoot, M.
Voorstooten, stiet voor, heeft voorgestooten; ook stootte voor.
Voorstraat, V., -straten.
Voorstuk, O., -stukken; -stukje, O., -jes.
Voort.
Voortaan.
Voortand, M., -tanden; -tandje, O., -jes.
Voortarbeiden, arbeidde voort, heeft voortgearbeid.
Voortbabbelen, babbelde voort, heeft voortgebabbeld.
Voortblazen, blies voort, bliezen voort, heeft voortgeblazen.
Voortbouwen, bouwde voort, heeft voortgebouwd.
Voortbrengen, bracht voort, heeft voortgebracht.
Voortbrenger, M., -brengers.
Voortbrenging, V.
Voortbrengingskracht, V.
Voortbrengingsvermogen, O.
Voortbrengsel, O., -brengsels en -brengselen.
Voortbrengster, V., -brengsters.
Voortdommelen, dommelde voort, heeft voortgedommeld.
Voortdragen, droeg voort, heeft voortgedragen.
Voortdraven, draafde voort, is voortgedraafd.
Voortdrijven, dreef voort, dreven voort, heeft en is voortgedreven.
Voortdrijver, M., -drijvers.
Voortdrijving, V.
Voortduren, duurde voort, heeft voortgeduurd.
Voortdurend.
Voortduring, V.
Voortduur, M.
Voortduwen, duwde voort, heeft voortgeduwd.
Voorteeken, O., -teekenen en -teekens.
Voorteekenen, teekende voor, heeft voorgeteekend.
Voorteekening, V.
Voortellen, telde voor, heeft voorgeteld.
Voortelling, V.
Voortent, V.
Voorteten, at voort, aten voort, heeft voortgegeten.
Voortfladderen, fladderde voort, is voortgefladderd.
Voortgaan, gaat voort, ging voort, is voortgegaan.
Voortgang, M., -gangen.
Voortgetogen (verl. deelw.).
Voortgeven, gaf voort, gaven voort, heeft voortgegeven.
Voortglijden, gleed voort, gleden voort, is voortgegleden.
Voorthelpen, hielp voort, heeft voortgeholpen.
Voorthollen, holde voort, heeft en is voortgehold.
Voorthuppelen, huppelde voort, heeft en is voortgehuppeld.
Voortijd, M., -tijden.
Voortijds.
Voortijlen (voortsnellen), ijlde voort, is voortgeijld.
Voortjagen, jaagde voort, heeft en is voortgejaagd; ook joeg voort.
Voortkomen, komt voort, kwam voort, kwamen voort, is voortgekomen.
Voortkrijgen, kreeg voort, kregen voort, heeft voortgekregen.
Voortkruien, krooi voort, krooien voort, heeft en is voortgekrooien; ook kruide voort, heeft en is voortgekruid.
Voortkruipen, kroop voort, kropen voort, is voortgekropen.
Voortkuieren, kuierde voort, is voortgekuierd.
Voortleiden, leidde voort, heeft voortgeleid.
Voortloopen, liep voort, is en heeft voortgeloopen.
Voortmaken, maakte voort, heeft voortgemaakt.
Voortmalen, maalde voort, heeft voortgemalen.
Voortocht, M., -tochten.
Voortooveren, tooverde voor, heeft voorgetooverd.
Voortop, M., -toppen.
Voortpakken (zich -), pakte zich voort, heeft zich voortgepakt.
Voortplanten, plantte voort, heeft voortgeplant.
Voortplanting, V.
Voortplantingsorgaan, O., -organen.
Voortpraten, praatte voort, heeft voortgepraat.
Voortraken, raakte voort, is voortgeraakt.
Voortrap, V.
Voortreden, trad voor, traden voor, is voorgetreden.
Voortredeneeren, redeneerde voort, heeft voortgeredeneerd.
Voortreffelijk, -lijker, -lijkst.
Voortreffelijkheid, V., -heden.
Voortrein, M., -treinen.
Voortreizen, reisde voort, is voortgereisd.
Voortrekken (voor-trekken), trok voor, trokken voor, heeft voorgetrokken.
Voortrekken (voort-rekken), rekte voort, heeft voortgerekt.
Voortrennen, rende voort, is en heeft voortgerend.
Voortrijden, reed voort, reden voort, heeft en is voortgereden.
Voortroeien, roeide voort, heeft en is voortgeroeid.
Voortrollen, rolde voort, heeft en is voortgerold.
Voortrukken, rukte voort, heeft en is voortgerukt.
Voorts.
Voortscharrelen, scharrelde voort, is voortgescharreld.
Voortschieten, schoot voort, schoten voort, heeft en is voortgeschoten.
Voortschoppen, schopte voort, heeft voortgeschopt.
Voortschuiven, schoof voort, schoven voort, heeft en is voortgeschoven.
Voortslaan, sloeg voort, heeft en is voortgeslagen.
Voortsleepen, sleepte voort, heeft voortgesleept.
Voortslenteren, slenterde voort, is voortgeslenterd.
Voortsleuren, sleurde voort, heeft voortgesleurd.
Voortsluipen, sloop voort, slopen voort, is voortgeslopen.
Voortsnellen, snelde voort, is voortgesneld.
Voortspoeden, spoedde voort, is voortgespoed; ook spoedde zich voort, heeft zich voortgespoed.
Voortspruiten, sproot voort, sproten voort, is voortgesproten.
Voortstappen, stapte voort, is en heeft voortgestapt.
Voortstoomen, stoomde voort, is voortgestoomd.
Voortstreven, streefde voort, is voortgestreefd.
Voortstrompelen, strompelde voort, is voortgestrompeld.
Voortstroomen, stroomde voort, is en heeft voortgestroomd.
Voortstudeeren, studeerde voort, heeft voortgestudeerd.
Voortstuiven, stoof voort, stoven voort, heeft en is voortgestoven.
Voortsturen, stuurde voort, heeft voortgestuurd.
Voortstuwen, stuwde voort, heeft voortgestuwd.
Voortsukkelen, sukkelde voort, heeft en is voortgesukkeld.
Voorttelen, teelde voort, heeft voortgeteeld.
Voortteling, V.
Voorttellen, telde voort, heeft voortgeteld.
Voorttrekken, trok voort, trokken voort, heeft en is voortgetrokken.
Voortvarend, -varender, -varendst.
Voortvarendheid, V.
Voortvertellen, vertelde voort, heeft voortverteld.
Voortvlieden, vlood voort, vloden voort, is voortgevloden.
Voortvliegen, vloog voort, vlogen voort, heeft en is voortgevlogen.
Voortvloeien, vloeide voort, is voortgevloeid.
Voortvluchtig.
Voortvragen, vraagde voort, heeft voortgevraagd; ook vroeg voort.
Voortwaaien, waaide voort, heeft en is voortgewaaid; ook woei voort, woeien voort.
Voortwaggelen, waggelde voort, is voortgewaggeld.
Voortwandelen, wandelde voort, heeft en is voortgewandeld.
Voortwerpen, wierp voort, heeft voortgeworpen.
Voortwillen, wilde voort, heeft voortgewild.
Voortwoekeren, woekerde voort, heeft en is voortgewoekerd.
Voortzeggen, zeide voort, heeft voortgezegd en voortgezeid.
Voortzeilen, zeilde voort, heeft en is voortgezeild.
Voortzenden, zond voort, heeft voortgezonden.
Voortzetten, zette voort, heeft voortgezet.
Voortzetter, M., -zetters.
Voortzetting, V.
Voortzondigen, zondigde voort, heeft voortgezondigd.
Voortzweepen, zweepte voort, heeft voortgezweept.
Vooruit.
Vooruitbestellen, bestelde vooruit, heeft vooruitbesteld.
Vooruitbestelling, V., -bestellingen.
Vooruitbetalen, betaalde vooruit, heeft vooruitbetaald.
Vooruitbetaling, V., -betalingen.
Vooruitbrengen, bracht vooruit, heeft vooruitgebracht.
Vooruitdraven, draafde vooruit, is vooruitgedraafd.
Vooruitdrijven, dreef vooruit, dreven vooruit, heeft en is vooruitgedreven.
Vooruitdringen, drong vooruit, heeft en is vooruitgedrongen.
Vooruitduwen, duwde vooruit, heeft vooruitgeduwd.
Vooruitgaan, gaat vooruit, ging vooruit, is vooruitgegaan.
Vooruitgang, M.
Vooruithebben, heeft vooruit, had vooruit, hadden vooruit, heeft vooruitgehad.
Vooruithelpen, hielp vooruit, heeft vooruitgeholpen.
Vooruitijlen, ijlde vooruit, is vooruitgeijld.
Vooruitjagen, jaagde vooruit, heeft en is vooruitgejaagd; ook joeg vooruit.
Vooruitkomen, komt vooruit, kwam vooruit, kwamen vooruit, is vooruitgekomen.
Vooruitloopen, liep vooruit, is vooruitgeloopen.
Vooruitmaking, V., -makingen.
Vooruitnemen, nam vooruit, namen vooruit, heeft vooruitgenomen.
Vooruitraken, raakte vooruit, is vooruitgeraakt.
Vooruitreizen, reisde vooruit, is vooruitgereisd.
Vooruitrennen, rende vooruit, is vooruitgerend.
Vooruitrijden, reed vooruit, reden vooruit, is en heeft vooruitgereden.
Vooruitsnellen, snelde vooruit, is vooruitgesneld.
Vooruitsteken, stak vooruit, staken vooruit, heeft vooruitgestoken.
Vooruitstreven, streefde vooruit, is vooruitgestreefd.
Vooruitstrevend.
Vooruitvliegen, vloog vooruit, vlogen vooruit, is vooruitgevlogen.
Vooruitzeilen, zeilde vooruit, is vooruitgezeild.
Vooruitzenden, zond vooruit, heeft vooruitgezonden.
Vooruitzicht, O., -zichten.
Vooruitzien, zag vooruit, zagen vooruit, heeft vooruitgezien.
Vooruitziend.
Voorvader, M., -vaderen en -vaders.
Voorvaderlijk.
Voorval, O., -vallen; -valletje, O., -jes.
Voorvallen, viel voor, is voorgevallen.
Voorvechter, M., -vechters.
Voorvenster, O., -vensters.
Voorvertrek, O., -vertrekken; -vertrekje, O., -jes.
Voorvijl, V., -vijlen.
Voorvinger, M., -vingers.
Voorvlak, O., -vlakken.
Voorvliegen, vloog voor, vlogen voor, heeft en is voorgevlogen.
Voorvloed, M.
Voorvoegen, voegde voor, heeft voorgevoegd.
Voorvoeging, V.
Voorvoegsel, O., -voegsels.
Voorvoet, M., -voeten.
Voorvork, V., -vorken.
Voorwaar.
Voorwaarde, V., voorwaarden.
Voorwaardelijk.
Voorwaarts (bijw.).
Voorwaartsch (bnw.).
Voorwacht, V., -wachten.
Voorwagen, M., -wagens.
Voorwal, M., -wallen.
Voorwand, M., -wanden.
Voorwegen, woog voor, wogen voor heeft voorgewogen.
Voorwenden, wendde voor, heeft voorgewend.
Voorwending, V.
Voorwendsel, O., -wendsels en -wendselen; -wendseltje, O., -jes.
Voorwereld, V.
Voorwereldlijk.
Voorwerk, O.
Voorwerken, werkte voor, heeft voorgewerkt.
Voorwerker, M., -werkers.
Voorwerp, O., -werpen; -werpje, O., -jes.
Voorwerpen, wierp voor, heeft voorgeworpen.
Voorwerping, V.
Voorwerpsnaam, M., -namen.
Voorwerpszin, M., -zinnen.
Voorweten, O.
Voorwetend.
Voorwetendheid, V.
Voorwetenschap, V.
Voorwiel, O., -wielen.
Voorwimpel, M., -wimpels.
Voorwind, M.
Voorwinter, M., -winters; -wintertje, O., -jes.
Voorworp, M.
Voorzaal, V., -zalen.
Voorzaat, M., -zaten.
Voorzang, M., -zangen.
Voorzanger, M., -zangers en -zangeren.
Voorzangersambt, O.
Voorzangerschap, O.
Voorzeggen, zeide voor, heeft voorgezegd en voorgezeid; ook voorzeide, heeft voorzegd en voorzeid.
Voorzegger, M., -zeggers.
Voorzegging, V., -zeggingen.
Voorzegster, V., -zegsters.
Voorzeil, O., -zeilen.
Voorzeiler, M., -zeilers.
Voorzeker.
Voorzet, M.
Voorzetsel, O., -zetsels.
Voorzetten, zette voor, heeft voorgezet.
Voorzichtig, -zichtiger, -zichtigst.
Voorzichtigheid, V.
Voorzichtigheidshalve.
Voorzien, voorzag, voorzagen, heeft voorzien.
Voorzienig.
Voorzienigheid, V.
Voorziening, V., -zieningen.
Voorzijde, V., -zijden.
Voorzingen, zong voor, heeft voorgezongen.
Voorzingen, O.
Voorzinger, M., -zingers.
Voorzitten, zat voor, zaten voor, heeft voorgezeten.
Voorzitter, M., -zitters en -zitteren.
Voorzitterschap, O.
Voorzittershamer, M., -hamers.
Voorzittersplaats, V., -plaatsen.
Voorzittersstoel, M., -stoelen.
Voorzitting, V.
Voorzolder, M., -zolders.
Voorzomer, M., -zomers.
Voorzoom, M., -zoomen.
Voorzoon, M., -zonen en -zoons.
Voorzorg, V., -zorgen.
Voorzorgsmaatregel, M., -maatregelen.
Voorzwemmen, zwom voor, zwommen voor, heeft en is voorgezwommen.
Voos, voozer.
Voosheid, V.
Vorderen (eischen), vorderde, heeft gevorderd.
Vorderen (voortkomen), vorderde, is gevorderd.
Vordering, V., vorderingen.
Vore. Zie Voor.
Voren en Voorn, M., vorens en voorns. Vorentje en voorntje, O., -jes.
Voren (Te -).
Vorenstaand.
Vorig.
Vork, V., vorken. Vorkje, O., -jes.
Vorm, M., vormen. Vormpje, O., -jes.
Vormbak, M., -bakken.
Vormbank, V., -banken.
Vormelijk, -lijker, -lijkst.
Vormelijkheid, V.
Vormeling, M. en V., vormelingen.
Vormen (den vorm geven), vormde, heeft gevormd.
Vormen (het vormsel toedienen), vormde, heeft gevormd.
Vormer, M., vormers.
Vorming, V., vormingen.
Vormkracht, V.
Vormleer, V.
Vormloos en Vormeloos, -looze.
Vormloosheid, V.
Vormnaad, M., -naden.
Vormoog, O., -oogen.
Vormraam, O., -ramen.
Vormschool, V., -scholen.
Vormsel, O.
Vormzand, O.
Vormzijde, V., -zijden.
Vorsch, M., vorschen. Vorschje, O., -jes.
Vorschen, vorschte, heeft gevorscht.
Vorst (heerscher), M., vorsten. Vorstje, O., -jes.
Vorst (van het dak), V., vorsten.
Vorst (koude), V. Vorstje, O., -jes.
Vorstelijk, -lijker, -lijkst.
Vorstendeugd, V., -deugden.
Vorstendom, O., vorstendommen.
Vorstengunst, V.
Vorstenhuis, O., -huizen.
Vorstenkroon, V., -kronen.
Vorstenlanden (mv.), O.
Vorstentelg, M. en V., -telgen.
Vorstenzoon, M., -zonen en -zoons.
Vorstin, V., vorstinnen.
Vorstvrij.
Vos, M., vossen. Vosje, O., -jes.
Voskleurig.
Vossekop, M., -koppen.
Vossengat, O., -gaten.
Vossenhaar, O.
Vossenhol, O., -holen.
Vossenjacht, V., -jachten.
Vossenjager, M., -jagers.
Vossenkuil, M., -kuilen.
Vossenval, V., -vallen.
Vossestaart, M., -staarten.
Vossevel, O., -vellen.
Votiefmis, V., -missen.
Votum, O., votums.
Vouw, V., vouwen. Vouwtje, O., -jes.
Vouwbeen, O., -beenen; -beentje, O., -jes.
Vouwblind, O., -blinden.
Vouwdeur, V., -deuren.
Vouwdoos, V., -doozen.
Vouwen, vouwde, heeft gevouwen.
Vouwer, M., vouwers.