Woordenlijst voor de spelling der Nederlandsche Taal Met aanwijzing van de geslachten der naamwoorden en de vervoeging der werkwoorden

Part 60

Chapter 602,807 wordsPublic domain

Uitdoen, doet uit, deed uit, deden uit, heeft uitgedaan.

Uitdonderen, donderde uit, heeft uitgedonderd.

Uitdooven, doofde uit, heeft en is uitgedoofd.

Uitdooving, V.

Uitdorschen, dorschte uit, heeft uitgedorscht.

Uitdossen, doste uit, heeft uitgedost.

Uitdossing, V., -dossingen.

Uitdraagster, V., -draagsters.

Uitdraaien, draaide uit, heeft en is uitgedraaid.

Uitdragen, droeg uit, heeft uitgedragen.

Uitdrager, M., -dragers.

Uitdragerij, V., -dragerijen.

Uitdragerswinkel, M., -winkels.

Uitdrijven, dreef uit, dreven uit, heeft uitgedreven.

Uitdrijver, M., -drijvers.

Uitdrijving, V., -drijvingen.

Uitdringen, drong uit, heeft en is uitgedrongen.

Uitdrinken, dronk uit, heeft uitgedronken.

Uitdrogen, droogde uit, heeft en is uitgedroogd.

Uitdroging, V., -drogingen.

Uitdruipen, droop uit, dropen uit, heeft en is uitgedropen.

Uitdrukkelijk, -lijker, -lijkst.

Uitdrukken, drukte uit, heeft uitgedrukt.

Uitdrukking, V., -drukkingen.

Uitdruppelen, druppelde uit, is uitgedruppeld.

Uitduiden, duidde uit, heeft uitgeduid.

Uitduiding, V., -duidingen.

Uitduwen, duwde uit, heeft uitgeduwd.

Uitdweilen, dweilde uit, heeft uitgedweild.

Uiteen.

Uiteenbarsten, barstte uiteen, is uiteengebarsten; ook borst uiteen, is uiteengeborsten.

Uiteenbersten. Zie Uiteenbarsten.

Uiteendrijven, dreef uiteen, dreven uiteen, heeft uiteengedreven.

Uiteengaan, gaat uiteen, ging uiteen, is uiteengegaan.

Uiteengooien, gooide uiteen, heeft uiteengegooid.

Uiteengroeien, groeide uiteen, is uiteengegroeid.

Uiteenjagen, jaagde uiteen, heeft uiteengejaagd; ook joeg uiteen.

Uiteenloopen, liep uiteen, is uiteengeloopen.

Uiteenloopend, -loopender, -loopendst.

Uiteenrollen, rolde uiteen, heeft en is uiteengerold.

Uiteenslaan, slaat uiteen, sloeg uiteen, heeft en is uiteengeslagen.

Uiteensmijten, smeet uiteen, smeten uiteen, heeft uiteengesmeten.

Uiteenspatten, spatte uiteen, is uiteengespat.

Uiteenspringen, sprong uiteen, is uiteengesprongen.

Uiteenstuiven, stoof uiteen, stoven uiteen, is uiteengestoven.

Uiteentrappen, trapte uiteen, heeft uiteengetrapt.

Uiteenvallen, viel uiteen, is uiteengevallen.

Uiteenvliegen, vloog uiteen, vlogen uiteen, is uiteengevlogen.

Uiteenwerpen, wierp uiteen, heeft uiteengeworpen.

Uiteenzetten, zette uiteen, heeft uiteengezet.

Uiteenzetting, V., -zettingen.

Uiteinde, O., -einden.

Uiten, uitte, heeft geuit.

Uitenten, entte uit, heeft uitgeënt.

Uitenteren, enterde uit, heeft uitgeënterd.

Uitentreuren (bijw.).

Uiteraard.

Uiterlijk.

Uiterlijk, O.

Uiterlijkheid, V., -heden.

Uitermate.

Uiterst.

Uiterste, O.

Uiterton, V., -tonnen.

Uiterwaard, V., -waarden.

Uiteten, at uit, aten uit, heeft uitgegeten.

Uiteter, M., -eters.

Uitetteren, etterde uit, is uitgeëtterd.

Uitflappen, flapte uit, heeft uitgeflapt.

Uitflapper, M., -flappers.

Uitfluiten, floot uit, floten uit, heeft uitgefloten.

Uitfluiter, M., -fluiters.

Uitfluiting, V.

Uitfreezen, freesde uit, heeft uitgefreesd.

Uitgaaf en Uitgave, V., uitgaven. Uitgaafje, O., -jes.

Uitgaan, gaat uit, ging uit, is uitgegaan.

Uitgaand.

Uitgaansdag, M., -dagen.

Uitgaanskas, V., -kassen.

Uitgalmen, galmde uit, heeft uitgegalmd.

Uitgalming, V., -galmingen.

Uitgang, M., -gangen. Uitgangetje, O., -jes.

Uitgangspunt, O., -punten.

Uitgave. Zie Uitgaaf.

Uitgebreid, -gebreider, -gebreidst.

Uitgebreidheid, V., -heden.

Uitgediend.

Uitgeefster, V., -geefsters.

Uitgelaten, -gelatener, -gelatenst.

Uitgelatenheid, V.

Uitgeleefd.

Uitgeleerd.

Uitgeleide, O.

Uitgelezen, -gelezener, -gelezenst.

Uitgelezenheid, V.

Uitgemaakt.

Uitgenomen.

Uitgestreken, -gestrekener, -gestrekenst.

Uitgestrekt, -gestrekter, -gestrektst.

Uitgestrektheid, V., -heden.

Uitgestudeerd.

Uitgetogen (verl. deelw.).

Uitgeven, gaf uit, gaven uit, heeft uitgegeven.

Uitgever, M., -gevers.

Uitgeversfirma, V., -firma's.

Uitgeverszaak, V., -zaken.

Uitgewekene, M. en V., -gewekenen.

Uitgewerkt, -gewerkter, -gewerktst.

Uitgezocht, -gezochter, -gezochtst.

Uitgezonderd.

Uitgieren, gierde uit, heeft uitgegierd.

Uitgieten, goot uit, goten uit, heeft uitgegoten.

Uitgieting, V.

Uitgifte en Uitgift, V.

Uitgillen, gilde uit, heeft uitgegild.

Uitgilling (scheepsw.), V.

Uitgisten, gistte uit, heeft en is uitgegist.

Uitglijden, gleed uit, gleden uit, is uitgegleden.

Uitglijding, V.

Uitglinsteren, glinsterde uit, heeft uitgeglinsterd.

Uitglippen, glipte uit, is uitgeglipt.

Uitgooien, gooide uit, heeft uitgegooid.

Uitgorden, gordde uit, heeft uitgegord.

Uitgraven, groef uit, groeven uit, heeft uitgegraven.

Uitgraving, V., -gravingen.

Uitgroeien, groeide uit, is uitgegroeid.

Uitgroeisel, O., -groeisels.

Uitgroeven, groefde uit, heeft uitgegroefd.

Uitgulpen, gulpte uit, heeft uitgegulpt.

Uithaal, M., -halen.

Uithaaltafel, V., -tafels.

Uithaken, haakte uit, heeft uitgehaakt.

Uithakken, hakte uit, heeft uitgehakt.

Uithakking, V., -hakkingen.

Uithaksel, O., -haksels.

Uithalen, haalde uit, heeft uitgehaald.

Uithaler, M., -halers.

Uithaling, V., -halingen.

Uitham, M., -hammen.

Uithangbord, O., -borden; -bordje, O., -jes.

Uithangen, hing uit, heeft uitgehangen.

Uithangteeken, O., -teekens.

Uithebben, heeft uit, had uit, hadden uit, heeft uitgehad.

Uitheemsch.

Uitheemschheid, V.

Uithelpen, hielp uit, heeft uitgeholpen.

Uithelper, M., -helpers.

Uithijschen, heesch uit, heschen uit, heeft uitgeheschen.

Uithijsching, V.

Uithoek, M., -hoeken. Uithoekje, O., -jes.

Uithoesten, hoestte uit, heeft uitgehoest.

Uithollen, holde uit, heeft uitgehold.

Uithongeren, hongerde uit, heeft uitgehongerd.

Uithongering, V.

Uithooren, hoorde uit, heeft uitgehoord.

Uithoozen, hoosde uit, heeft uitgehoosd.

Uithouden, hield uit, heeft uitgehouden.

Uithouder, M., -houders.

Uithouwen, hieuw uit, heeft uitgehouwen.

Uithuilen, huilde uit, heeft uitgehuild.

Uithuizig, -huiziger, -huizigst.

Uithuizigheid, V.

Uithuwelijken, huwelijkte uit, heeft uitgehuwelijkt.

Uithuwelijking, V.

Uithuwen, huwde uit, heeft uitgehuwd.

Uithuwing, V., -huwingen.

Uitijzen, ijsde uit, heeft uitgeijsd.

Uiting, V., uitingen.

Uitjagen, jaagde uit, heeft en is uitgejaagd; ook joeg uit.

Uitjammeren, jammerde uit, heeft uitgejammerd.

Uitjanken, jankte uit, heeft uitgejankt.

Uitjouwen, jouwde uit, heeft uitgejouwd.

Uitjouwer, M., -jouwers.

Uitjouwing, V., -jouwingen.

Uitkaarden, kaardde uit, heeft uitgekaard.

Uitkaatsen, kaatste uit, heeft uitgekaatst.

Uitkaatser, M., -kaatsers.

Uitkakelen, kakelde uit, heeft uitgekakeld.

Uitkallen, kalde uit, heeft uitgekald.

Uitkammen, kamde uit, heeft uitgekamd.

Uitkankeren, kankerde uit, is uitgekankerd.

Uitkankering, V.

Uitkappen, kapte uit, heeft uitgekapt.

Uitkarnen, karnde uit, heeft uitgekarnd.

Uitkauwen, kauwde uit, heeft uitgekauwd.

Uitkauwing, V.

Uitkauwsel, O., -kauwsels.

Uitkavelen, kavelde uit, heeft uitgekaveld.

Uitkeeren, keerde uit, heeft uitgekeerd.

Uitkeering, V., -keeringen.

Uitkeeringsfonds, O., -fondsen.

Uitkepen, keepte uit, heeft uitgekeept.

Uitkermen, kermde uit, heeft uitgekermd.

Uitkerven, korf uit, korven uit, heeft uitgekorven.

Uitkiemen, kiemde uit, is uitgekiemd.

Uitkieming, V.

Uitkiezen, koos uit, kozen uit, heeft uitgekozen.

Uitkijk (uitzicht), M. Uitkijkje, O., -jes.

Uitkijk (uitkijker), M., -kijken.

Uitkijken, keek uit, keken uit, heeft uitgekeken.

Uitkijker, M., -kijkers.

Uitkippen, kipte uit, heeft uitgekipt.

Uitklagen, klaagde uit, heeft uitgeklaagd.

Uitklappen, klapte uit, heeft uitgeklapt.

Uitklaren, klaarde uit, heeft uitgeklaard.

Uitklaring, V., -klaringen.

Uitkleeden, kleedde uit, heeft uitgekleed.

Uitkleeding, V.

Uitkleien, kleide uit, heeft uitgekleid.

Uitkleiing, V., -kleiingen.

Uitkleinzen, kleinsde uit, heeft uitgekleinsd.

Uitklimmen, klom uit, klommen uit, is uitgeklommen.

Uitklinken, klonk uit, heeft uitgeklonken.

Uitklinker, M., -klinkers.

Uitkloppen, klopte uit, heeft uitgeklopt.

Uitklopper, M., -kloppers.

Uitknagen, knaagde uit, heeft uitgeknaagd.

Uitknijpen, kneep uit, knepen uit, heeft en is uitgeknepen.

Uitknippen, knipte uit, heeft uitgeknipt.

Uitknipsel, O., -knipsels.

Uitknoppen, knopte uit, is uitgeknopt.

Uitkoken, kookte uit, heeft en is uitgekookt.

Uitkomen, komt uit, kwam uit, kwamen uit, is uitgekomen.

Uitkomst, V., -komsten. Uitkomstje, O., -jes.

Uitkooksel, O., -kooksels.

Uitkoop, M., -koopen.

Uitkoopen, kocht uit, heeft uitgekocht.

Uitkoteren, koterde uit, heeft uitgekoterd.

Uitkotsen, kotste uit, heeft uitgekotst.

Uitkraaien, kraaide uit, heeft uitgekraaid.

Uitkrabben, krabde uit, heeft uitgekrabd.

Uitkramen, kraamde uit, heeft uitgekraamd.

Uitkrassen, kraste uit, heeft uitgekrast.

Uitkrijgen, kreeg uit, kregen uit, heeft uitgekregen.

Uitkrijten, kreet uit, kreten uit, heeft uitgekreten.

Uitkruipen, kroop uit, kropen uit, is uitgekropen.

Uitkruipsel, O., -kruipsels. Uitkruipseltje, O., -jes.

Uitkunnen, kan uit, kunnen uit, konde of kon uit, gij kondt uit, konden uit, heeft uitgekund.

Uitlachen, lachte uit, heeft uitgelachen.

Uitlacher, M., -lachers.

Uitladen, laadde uit, heeft uitgeladen.

Uitlading, V.

Uitlander, M., -landers.

Uitlandig.

Uitlandigheid, V.

Uitlandsch.

Uitlaten, liet uit, heeft uitgelaten.

Uitlating, V., -latingen.

Uitlatingsteeken, O., -teekens.

Uitleenen, leende uit, heeft uitgeleend.

Uitleener, M., -leeners.

Uitleeren, leerde uit, heeft uitgeleerd.

Uitleg, M.

Uitleggen, legde uit en leide uit, heeft uitgelegd en uitgeleid.

Uitlegger (persoon), M., -leggers.

Uitlegger (wachtschip), M., -leggers.

Uitleggershoofd, O.

Uitlegging, V., -leggingen.

Uitlegkunde, V.

Uitlegkundig.

Uitlegkundige, M., -kundigen.

Uitlegster, V., -legsters.

Uitleiden, leidde uit, heeft uitgeleid.

Uitleiding, V.

Uitlekken, lekte uit, is uitgelekt.

Uitleppen, lepte uit, heeft uitgelept.

Uitleven, leefde uit, heeft uitgeleefd.

Uitleveren, leverde uit, heeft uitgeleverd.

Uitlevering, V., -leveringen.

Uitleveringstractaat, O., -tractaten.

Uitlezen (doorlezen en uitzoeken), las uit, lazen uit, heeft uitgelezen.

Uitlichten, lichtte uit, heeft uitgelicht.

Uitliggen, lag uit, lagen uit, heeft uitgelegen.

Uitlikken, likte uit, heeft uitgelikt.

Uitlokken, lokte uit, heeft uitgelokt.

Uitlokking, V., -lokkingen.

Uitloodsen, loodste uit, heeft uitgeloodst.

Uitloogen, loogde uit, heeft uitgeloogd.

Uitloop, M., -loopen.

Uitloopen, liep uit, is en heeft uitgeloopen.

Uitlooper, M., -loopers. Uitloopertje, O., -jes.

Uitlooperij, V., -looperijen.

Uitloopster, V., -loopsters.

Uitloozen, loosde uit, heeft uitgeloosd.

Uitloozing, V., -loozingen.

Uitlossen, loste uit, heeft uitgelost.

Uitlossing, V.

Uitloten, lootte uit, heeft uitgeloot.

Uitloting, V., -lotingen.

Uitloven, loofde uit, heeft uitgeloofd.

Uitloving, V., -lovingen.

Uitluchten, luchtte uit, heeft uitgelucht.

Uitluiden en Uitluien, luidde en luide uit, heeft uitgeluid.

Uitluiding, V.

Uitmaken, maakte uit, heeft uitgemaakt.

Uitmalen, maalde uit, heeft uitgemalen.

Uitmaling, V., -malingen.

Uitmelken, molk uit, heeft uitgemolken.

Uitmelker, M., -melkers.

Uitmergelen, mergelde uit, heeft uitgemergeld.

Uitmergeling, V.

Uitmeten, mat uit, maten uit, heeft uitgemeten.

Uitmiddelpuntig.

Uitmiddelpuntigheid, V.

Uitmoeten, moet uit, moest uit, heeft uitgemoeten.

Uitmogen, mag uit, mogen uit, mocht uit.

Uitmonding, V., -mondingen.

Uitmonsteren, monsterde uit, heeft uitgemonsterd.

Uitmonstering, V.

Uitmoorden, moordde uit, heeft uitgemoord.

Uitmunten, muntte uit, heeft uitgemunt.

Uitmuntend, -muntender, -muntendst.

Uitmuntendheid, V.

Uitnemen, nam uit, namen uit, heeft uitgenomen.

Uitnemend, -nemender, -nemendst.

Uitnemendheid, V.

Uitnijpen, neep uit, nepen uit, heeft uitgenepen.

Uitnooden, noodde uit, heeft uitgenood.

Uitnoodigen, noodigde uit, heeft uitgenoodigd.

Uitnoodiger, M., -noodigers.

Uitnoodiging, V., -noodigingen.

Uitoefenen, oefende uit, heeft uitgeoefend.

Uitoefening, V.

Uitpakkamer, V., -kamers.

Uitpakken, pakte uit, heeft uitgepakt.

Uitpakker, M., -pakkers.

Uitpakking, V.

Uitpalmen, palmde uit, heeft uitgepalmd.

Uitpellen, pelde uit, heeft uitgepeld.

Uitpennen, pende uit, heeft uitgepend.

Uitpersen, perste uit, heeft uitgeperst.

Uitpersing, V., -persingen.

Uitpeuteren, peuterde uit, heeft uitgepeuterd.

Uitpeuzelen, peuzelde uit, heeft uitgepeuzeld.

Uitpikken, pikte uit, heeft uitgepikt.

Uitploegen, ploegde uit, heeft uitgeploegd.

Uitpluizen, ploos uit, plozen uit, heeft uitgeplozen.

Uitpluizer, M., -pluizers.

Uitpluizing, V., -pluizingen.

Uitplukken, plukte uit, heeft uitgeplukt.

Uitplunderen, plunderde uit, heeft uitgeplunderd.

Uitplundering, V.

Uitpoepen, poepte uit, heeft uitgepoept.

Uitpoetsen, poetste uit, heeft uitgepoetst.

Uitpoken, pookte uit, heeft uitgepookt.

Uitpompen, pompte uit, heeft uitgepompt.

Uitpooien, pooide uit, heeft uitgepooid.

Uitpoten, pootte uit, heeft uitgepoot.

Uitpraten, praatte uit, heeft en is uitgepraat.

Uitproesten, proestte uit, heeft uitgeproest.

Uitpuilen, puilde uit, heeft en is uitgepuild.

Uitpuiling, V., -puilingen.

Uitputten, putte uit, heeft uitgeput.

Uitputting, V.

Uitrafelen, rafelde uit, heeft en is uitgerafeld.

Uitrafeling, V.

Uitraken, raakte uit, is uitgeraakt.

Uitrammelen, rammelde uit, heeft uitgerammeld.

Uitrazen, raasde uit, heeft uitgeraasd.

Uitredden, redde uit, heeft uitgered.

Uitredder, M., -redders.

Uitredding, V., -reddingen.

Uitreeden, reedde uit, heeft uitgereed.

Uitreeder, M., -reeders.

Uitreeding, V., -reedingen.

Uitregenen, regende uit, heeft en is uitgeregend.

Uitreiken, reikte uit, heeft uitgereikt.

Uitreiker, M., -reikers.

Uitreiking, V., -reikingen.

Uitreis, V., -reizen.

Uitreizen, reisde uit, is uitgereisd.

Uitrekenen, rekende uit, heeft uitgerekend.

Uitrekening, V., -rekeningen.

Uitrekken, rekte uit, heeft en is uitgerekt.

Uitrekking, V., -rekkingen.

Uitrennen, rende uit, is uitgerend.

Uitrichten, richtte uit, heeft uitgericht.

Uitrijden, reed uit, reden uit, is en heeft uitgereden.

Uitrijzen, rees uit, rezen uit, is uitgerezen.

Uitroeien (verdelgen), roeide uit, heeft uitgeroeid.

Uitroeien (met een vaartuig), roeide uit, is en heeft uitgeroeid.

Uitroeier, M., -roeiers.

Uitroeiing, V.

Uitroep, M., -roepen.

Uitroepen, riep uit, heeft uitgeroepen.

Uitroeper, M., -roepers.

Uitroeping, V., -roepingen.

Uitroepingsteeken, O., -teekens.

Uitroepteeken, O., -teekens.

Uitrollen, rolde uit, heeft en is uitgerold.

Uitronken, ronkte uit, heeft uitgeronkt.

Uitrooken, rookte uit, heeft uitgerookt.

Uitrotten, rotte uit, is uitgerot.

Uitrukken, rukte uit, heeft en is uitgerukt.

Uitrukking, V.

Uitrusten (zijne rust nemen), rustte uit, heeft en is uitgerust.

Uitrusten (van 't noodige voorzien). rustte uit, heeft uitgerust.

Uitrusting, V., -rustingen.

Uitschakelen, schakelde uit, heeft uitgeschakeld.

Uitschateren, schaterde uit, heeft en is uitgeschaterd.

Uitschaven, schaafde uit, heeft uitgeschaafd.

Uitscheiden, scheidde uit, is uitgescheiden.

Uitschelden, schold uit, heeft uitgescholden.

Uitschenken, schonk uit, heeft uitgeschonken.

Uitscheppen, schepte uit, heeft uitgeschept.

Uitschepping, V.

Uitscheren, schoor uit, schoren uit, heeft uitgeschoren.

Uitschetteren, schetterde uit, heeft uitgeschetterd.

Uitscheuren, scheurde uit, heeft en is uitgescheurd.

Uitschieten, schoot uit, schoten uit, heeft en is uitgeschoten.

Uitschiften, schifte uit, heeft uitgeschift.

Uitschijnen, scheen uit, schenen uit, heeft uitgeschenen.

Uitschijnsel, O., -schijnsels.

Uitschilderen, schilderde uit, heeft uitgeschilderd.

Uitschitteren, schitterde uit, heeft uitgeschitterd.

Uitschoppen, schopte uit, heeft uitgeschopt.

Uitschot, O., -schotten. Uitschotje, O., -jes.

Uitschraapsel, O., -schraapsels.

Uitschrabben, schrabde uit, heeft uitgeschrabd.

Uitschrabbing, V., -schrabbingen.

Uitschrabsel, O., -schrabsels.

Uitschrapen, schraapte uit, heeft uitgeschraapt.

Uitschrappen, schrapte uit, heeft uitgeschrapt.

Uitschrapping, V., -schrappingen.

Uitschrapsel, O., -schrapsels.

Uitschreeuwen, schreeuwde uit, heeft uitgeschreeuwd.

Uitschreien, schreide uit, heeft uitgeschreid.

Uitschrijven, schreef uit, schreven uit, heeft uitgeschreven.

Uitschrijver, M., -schrijvers.

Uitschrijving, V., -schrijvingen.

Uitschrobben, schrobde uit, heeft uitgeschrobd.

Uitschudden, schudde uit, heeft uitgeschud.

Uitschudding, V.

Uitschuieren, schuierde uit, heeft uitgeschuierd.

Uitschuiven, schoof uit, schoven uit, heeft en is uitgeschoven.

Uitschuiving, V.

Uitschuld, V., -schulden.

Uitschulpen, schulpte uit, heeft uitgeschulpt.

Uitschulping, V., -schulpingen.

Uitschutten, schutte uit, heeft uitgeschut.

Uitsijpelen, sijpelde uit, heeft en is uitgesijpeld.

Uitslaan, slaat uit, sloeg uit, heeft en is uitgeslagen.

Uitslag, M.

Uitslapen, sliep uit, heeft en is uitgeslapen.

Uitslijpen, sleep uit, slepen uit, heeft uitgeslepen.

Uitslijten, sleet uit, sleten uit, heeft en is uitgesleten.

Uitslijter, M., -slijters.

Uitslijting, V.

Uitslobberen, slobberde uit, heeft uitgeslobberd.

Uitsloopen, sloopte uit, heeft uitgesloopt.

Uitslorpen en Uitslurpen, slorpte (slurpte) uit, heeft uitgeslorpt (uitgeslurpt).

Uitsloven (zich -), sloofde zich uit, heeft zich uitgesloofd.

Uitsluipen, sloop uit, slopen uit, is uitgeslopen.

Uitsluiten, sloot uit, sloten uit, heeft uitgesloten.

Uitsluitend.

Uitsluiting, V.

Uitsluitsel, O.

Uitslurpen. Zie Uitslorpen.

Uitsmeden, smeedde uit, heeft uitgesmeed.

Uitsmelten, smolt uit, heeft uitgesmolten.

Uitsmelting, V.

Uitsmijten, smeet uit, smeten uit, heeft uitgesmeten.

Uitsnappen, snapte uit, heeft uitgesnapt.

Uitsnellen, snelde uit, is uitgesneld.

Uitsnijden, sneed uit, sneden uit, heeft en is uitgesneden.

Uitsnijding, V., -snijdingen.

Uitsnijdsel, O., -snijdsels.

Uitsnorken, snorkte uit, heeft uitgesnorkt.

Uitsnuiten, snoot uit, snoten uit, heeft uitgesnoten.

Uitsnuiven, snoof uit, snoven uit, heeft en is uitgesnoven.

Uitsoppen, sopte uit, heeft uitgesopt.

Uitspanen, spaande uit, heeft uitgespaand.

Uitspannen, spande uit, heeft uitgespannen.

Uitspanning, V., -spanningen. Uitspanninkje, O., -jes.

Uitspanningsplaats, V., -plaatsen.

Uitspansel, O.

Uitsparen, spaarde uit, heeft uitgespaard.

Uitsparing, V., -sparingen.

Uitspatten, spatte uit, heeft en is uitgespat.

Uitspatting, V., -spattingen.

Uitspelen, speelde uit, heeft uitgespeeld.

Uitspellen, spelde uit, heeft uitgespeld.

Uitspinnen, spon uit, sponnen uit, heeft en is uitgesponnen.

Uitspitten, spitte uit, heeft uitgespit.

Uitspoelen, spoelde uit, heeft en is uitgespoeld.

Uitspoeling, V., -spoelingen.

Uitspoelsel, O., -spoelsels.

Uitspoken, spookte uit, heeft uitgespookt.

Uitsporig, -sporiger, -sporigst.

Uitsporigheid, V., -heden.

Uitspraak, V., -spraken.

Uitspreiden, spreidde uit, heeft uitgespreid.

Uitspreiding, V.

Uitspreken, sprak uit, spraken uit, heeft uitgesproken.

Uitspringen, sprong uit, heeft en is uitgesprongen.

Uitspruiten, sproot uit, sproten uit, is uitgesproten.

Uitspruiting, V.

Uitspruitsel, O., -spruitsels.

Uitspugen, spoog uit, spogen uit, heeft uitgespogen.

Uitspuien, spuide uit, heeft uitgespuid.

Uitspuiten, spoot uit, spoten uit, heeft uitgespoten.

Uitspuwen, spuwde uit, heeft uitgespuwd.

Uitspuwing, V.

Uitspuwsel, O., -spuwsels.

Uitstaan, staat uit, stond uit, heeft uitgestaan.

Uitstallen, stalde uit, heeft uitgestald.

Uitstalling, V., -stallingen.

Uitstamelen, stamelde uit, heeft uitgestameld.

Uitstampen, stampte uit, heeft uitgestampt.

Uitstap, M., -stappen. Uitstapje, O., -jes.

Uitstappen, stapte uit, is uitgestapt.

Uitsteeksel, O., -steeksels.

Uitstek, O., -stekken. Uitstekje, O., -jes.

Uitsteken, stak uit, staken uit, heeft uitgestoken.

Uitstekend, -stekender, -stekendst.

Uitstekendheid, V.

Uitstel, O.

Uitstellen, stelde uit, heeft uitgesteld.

Uitsterven, stierf uit, stierven uit, is uitgestorven.

Uitsterving, V.

Uitstoelen, stoelde uit, heeft uitgestoeld.

Uitstoffen, stofte uit, heeft uitgestoft.

Uitstooten, stiet uit, heeft uitgestooten; ook stootte uit.

Uitstooting, V.

Uitstorten, stortte uit, heeft uitgestort.

Uitstorting, V., -stortingen.

Uitstoven, stoofde uit, heeft en is uitgestoofd.

Uitstralen, straalde uit, heeft en is uitgestraald.

Uitstraling, V.

Uitstralingsvermogen, O.

Uitstrekken, strekte uit, heeft uitgestrekt.

Uitstrekking, V.

Uitstrepen, streepte uit, heeft uitgestreept.

Uitstrijken, streek uit, streken uit, heeft uitgestreken.

Uitstrooien, strooide uit, heeft uitgestrooid.

Uitstrooier, M., -strooiers.

Uitstrooiing, V.

Uitstrooisel, O., -strooisels.

Uitstrooister, V., -strooisters.

Uitstroomen, stroomde uit, heeft en is uitgestroomd.

Uitstrooming, V.

Uitstroopen, stroopte uit, heeft uitgestroopt.

Uitstudeeren, studeerde uit, heeft en is uitgestudeerd.

Uitstuiven, stoof uit, stoven uit, is uitgestoven.

Uitsturen, stuurde uit, heeft uitgestuurd.

Uitsullen, sulde uit, is uitgesuld.

Uittakelen, takelde uit, heeft uitgetakeld.

Uittanden, tandde uit, heeft uitgetand.

Uittanding, V., -tandingen.

Uittappen, tapte uit, heeft uitgetapt.

Uittarten, tartte uit, heeft uitgetart.

Uittarting, V., -tartingen.

Uitteekenen, teekende uit, heeft uitgeteekend.

Uitteezen, teesde uit, heeft uitgeteesd.

Uittellen, telde uit, heeft uitgeteld.

Uitteren, teerde uit, heeft en is uitgeteerd.

Uittering, V.

Uittieren, tierde uit, heeft uitgetierd.

Uittocht, M., -tochten.

Uittoeten, toette uit, heeft uitgetoet.

Uittrappen, trapte uit, heeft uitgetrapt.

Uittreden, trad uit, traden uit, heeft en is uitgetreden.

Uittrekken, trok uit, trokken uit, heeft en is uitgetrokken.

Uittrekking, V.

Uittreksel, O., -treksels. Uittrekseltje, O., -jes.

Uittrektafel, V., -tafels.

Uittrommelen, trommelde uit, heeft uitgetrommeld.

Uittrompetten, trompette uit, heeft uitgetrompet.

Uittrouwen, trouwde uit, heeft uitgetrouwd.

Uitvaagsel, O., -vaagsels.

Uitvaardigen, vaardigde uit, heeft uitgevaardigd.

Uitvaardiging, V.

Uitvaart, V., -vaarten.

Uitval, M., -vallen.

Uitvallen, viel uit, is uitgevallen.

Uitvalpoort, V., -poorten.

Uitvaren, voer uit, is en heeft uitgevaren.

Uitvasten, vastte uit, heeft uitgevast.

Uitveegsel, O., -veegsels.

Uitvegen, veegde uit, heeft uitgeveegd.

Uitveilen (verkoopen), veilde uit, heeft uitgeveild.

Uitveiling, V.

Uitvenen, veende uit, heeft uitgeveend.

Uitvening, V., -veningen.

Uitventen, ventte uit, heeft uitgevent.

Uitventer, M., -venters.

Uitventing, V.

Uitverkiezing, V.

Uitverkoop, M.

Uitverkoopen, verkocht uit, heeft uitverkocht.

Uitverkooper, M., -verkoopers.

Uitverkoren (bnw.).

Uitverkorene, M. en V., -verkorenen.

Uitvertellen, vertelde uit, heeft uitverteld.

Uitverzoeken, verzocht uit, heeft uitverzocht.

Uitveteren, veterde uit, heeft uitgeveterd.

Uitvetering, V., -veteringen.

Uitvezelen, vezelde uit, is uitgevezeld.

Uitvieren, vierde uit, heeft uitgevierd.

Uitviering, V.

Uitvijlen (met een vijl), vijlde uit, heeft uitgevijld.

Uitvijling, V.

Uitvinden, vond uit, heeft uitgevonden.

Uitvinder, M., -vinders.

Uitvinding, V., -vindingen.

Uitvindsel, O., -vindsels en -vindselen.

Uitvindster, V., -vindsters.

Uitvisschen, vischte uit, heeft uitgevischt.

Uitvlakken, vlakte uit, heeft uitgevlakt.

Uitvliegen, vloog uit, vlogen uit, is uitgevlogen.

Uitvlieger, M., -vliegers.

Uitvloeien, vloeide uit, is uitgevloeid.

Uitvloeiing, V.

Uitvloeisel, O., -vloeisels en -vloeiselen.

Uitvloeken, vloekte uit, heeft uitgevloekt.

Uitvlucht, V., -vluchten. Uitvluchtje, O., -jes.

Uitvoer, M., -voeren.

Uitvoerartikel, O., -artikelen.

Uitvoerbaar, -bare.

Uitvoerbaarheid, V.

Uitvoerder, M., -voerders.

Uitvoeren, voerde uit, heeft uitgevoerd.

Uitvoerhandel, M.

Uitvoerig, -voeriger, -voerigst.

Uitvoerigheid, V.

Uitvoering, V., -voeringen.

Uitvoerlijk.

Uitvoerlijkheid, V.

Uitvoerrecht, O., -rechten.

Uitvoerster, V., -voersters.

Uitvorschen, vorschte uit, heeft uitgevorscht.

Uitvorsching, V.

Uitvouwen, vouwde uit, heeft uitgevouwen.

Uitvraagster, V., -vraagsters.