Part 6
68. De vreemde woorden, die bij ons in gebruik zijn, moeten tot drie klassen gebracht worden. De eerste klasse bestaat uit dezulke, die hun vreemden vorm geheel hebben afgelegd en, in klemtoon zoowel als in klank, aan echt Nederlandsche gelijk zijn geworden; b. v. _ark_, _beest_, _bijbel_, _keten_, _bisschop_, _luipaard_ enz.--De tweede bestaat uit woorden, waaraan niets veranderd is, zoodat zij door ons juist of nagenoeg zoo als in de vreemde taal worden uitgesproken; b. v. _facto_, _incognito_, _cadeau_, _souspied_ enz.--De derde omvat die woorden, welke in de uitspraak wijzigingen hebben ondergaan, die niet voldoende waren om hun het uitheemsch voorkomen geheel te benemen; b. v. _advocaat_, _officier_, _president_, _resolutie_, _sigaar_ enz., die ieder op het gehoor af als vreemdelingen herkent. De zoodanige behooren als 't ware tot twee talen en heeten daarom _bastaardwoorden_.
69. De wijzigingen, waardoor vreemde woorden in bastaardwoorden overgegaan zijn, bepalen zich doorgaans tot de uitgangen. Deze zijn óf geheel aan Nederl. uitgangen gelijk geworden, b. v. in _arti-kel_ (_arti-culus_), óf zij hebben nog altijd een vreemd karakter behouden, maar worden, overeenkomstig de gewijzigde uitspraak, volgens de Nederl. spelregels geschreven; b. v. _majesteit_ (_majestat-is_). Door zulke gedeeltelijke veranderingen aan het einde der woorden zijn de zoogenaamde _bastaarduitgangen_ ontstaan, als -_age_, -_aat_, -_eeren_, -_ier_, -_ij_, -_ijn_ enz.
70. De uitgang -_age_ werd, overeenkomstig de vroegere uitspraak _aadzje_, in de gebruikelijke spelling met _dj_ (-_aadje_) geschreven. Nu deze spelling niet meer aan de uitspraak beantwoordt, hebben wij ons verplicht gerekend de _dj_ te vervangen door de _g_, en zoodoende de woorden als _bagage_, _kijvage_, _pelgrimage_, _slijtage_, _stoffage_ enz. in overeenstemming te brengen met de gewone spelling van _manege_, _logement_, _gelei_, _genie_, _horloge_ enz.
71. De woorden der eerste klasse worden geheel op Nederl. wijze geschreven; als _groep_, _troep_, _kleur_, _klooster_, _koor_, _sier_, _singel_, _troon_ enz. Uitgezonderd zijn: _cedel_ (_ceêl_), _ceder_, _cel_, _cent_, _cijfer_, _cijns_ en _cirkel_, die men steeds met _c_ heeft geschreven, en die met _s_ gespeld niet terstond zouden herkend worden.
_Cel_, _cent_ en _cirkel_ blijven hunne vreemde herkomst verraden door de onnederlandsch klinkende afleidsels cellulair, _centesimaal_, _circulaire_, _circulatie_;--_cijfer_ door zijne _f_, die in _v_ had moeten overgaan om aan het woord geheel het voorkomen der Nederl. woorden _drijver_, _ijver_, _kijver_ enz. te geven.
72. De woorden der tweede klasse behouden hunne oorspronkelijke spelling; b. v. _bougie_, _cadeau_, _catalogus_, _museum_, _savoir-vivre_, _vaudeville_ enz. Wanneer zij in de verbuiging een Nederl. uitgang aannemen, als _cadeau's_ (_cadeaux_), _catalogen_ (_catalogi_), _museën_ (nevens _musea_) enz., dan behooren zulke vormen tot de bastaardwoorden.
73. De woorden der derde klasse, de _bastaardwoorden_, moeten wederom in twee soorten onderscheiden worden. De eerste omvat die woorden, welke alleen in gebruik zijn bij hen, die de vreemde talen kennen; de tweede de dagelijksche woorden, bij lieden van allerlei stand in zwang.
74. Tot de eerste soort behooren de benamingen der voorwerpen van weelde, de uitdrukkingen van begrippen, alleen onder meer beschaafden gangbaar, en bepaaldelijk de termen, uitsluitend gebruikelijk in wetenschappen of in kunsten en beroepen, die eene wetenschappelijke opleiding vereischen; als _dejeuneeren_, _disputeeren_, _receptie_, _candelaber_, _lorgnet_, _categorie_, _syllogisme_, _scrupel_, _lancet_, _tachygraaf_ enz.
75. Ten aanzien der woorden dezer klasse hebben wij ons den volgenden regel gesteld:
Bastaardwoorden, ontleend uit talen die hetzelfde letterschrift bezigen als het Nederlandsch, worden op de oorspronkelijke wijze geschreven, voor zooverre hunne uitspraak onveranderd gebleven is. Waar deze is gewijzigd en de oorspronkelijke spelling tot eene ongewone uitspraak aanleiding zou geven, wordt de spelling zooveel noodig op Nederl. wijze veranderd. Zoo wordt b. v. _executio_ bij ons _executie_, _decanus_--_decaan_, _république_--_republiek_, _souverain_--_souverein_ enz.
76. Woorden, ontleend uit het Grieksch, dat een ander letterschrift heeft dan onze taal, worden op Latijnsche wijze uitgesproken, en daarom door ons, volgens oud gebruik, op Latijnsche wijze geschreven, met inachtneming evenwel van den regel, in de vorige § gesteld. Wij spellen derhalve: _logica_, _physica_, _hypotenusa_; doch, met verandering der uitgangen: _synode_ (_synodus_), _categorie_ (_categoria_), _geographie_ (_geographia_) enz.
77. De tweede soort bestaat uit de namen van zaken, voorkomende in allerlei beroepen en ambachten, en uitdrukkingen van denkbeelden, aan alle standen eigen; b. v. _penseel_, _vermiljoen_, _stukadoor_, _karkas_, _karakter_, _kapitaal_, _kastelein_, _kwartier_ enz.
78. Op de woorden dezer soort--die meest in de uitspraak eene veel sterkere verandering hebben ondergaan--is de vorige regel niet meer toepasselijk; het gebruik schrijft ze, zooveel doenlijk, op Nederlandsche wijze, b. v. _komfoort_ (schoenmakersterm, fr. _contrefort_), _penseel_ (_penicillum_), _travalje_ (hoefstal, fr. _travail_), _biljart_ (_billard_), _biljet_ (_billet_), _kapittel_ (_capitulum_), _kasteel_ (_castellum_), _sigaar_ (_cigarro_), _sjees_ (_chaise_) enz.
79. Niet alle tot deze soort behoorende woorden echter kunnen op Nederlandsche wijze gespeld worden; b. v. niet _horloge_, _diligence_, _machine_. De spellingen _horlozje_ of _horloozje_, _dilizjanse_, _masjine_ of _maasjine_ zouden al te wanstaltig zijn en toch de juiste uitspraak niet voorstellen. In zulke woorden moet de vreemde spelling--en wel geheel en al--behouden worden: _diligence_, _machine_, _chocolade_ enz., niet _diligense_, _machiene_, _chokolade_, welke noodelooze vermenging van tweeërlei orthographie tegen den goeden smaak zou aandruischen.
80. Tot deze soort moeten twee bepaalde klassen van woorden gebracht worden, namelijk:
_a._ Die vreemde woorden, welke ten onzent eene beteekenis hebben aangenomen, die hun in de vreemde taal niet eigen was. Dezulke behooren op Nederl. wijze geschreven te worden, ofschoon zij; in de oorspronkelijke beteekenis gebezigd wordende, de vreemde spelling geheel of gedeeltelijk behouden. Hiertoe zijn te brengen: _dokter_ in den zin van geneeskundige, nevens doctor als titel; _komedie_ (schouwburg) nevens _comedie_ (blijspel); _kommies_ (beambte bij de belastingen, fr. _douanier_), nevens _commies_ (ambtenaar aan een ministerie of bij de posterijen, fr. _commis_); _lokaal_ (vertrek, zaal) nevens het bijv. nw. _locaal_ (plaatselijk) enz.
_b._ De vreemde woorden, bij de dichters in gebruik, b. v. _nimf_, _porfier_, _saffier_, _zéfir_ of _zefíer_ enz. De poëzie, uit haren aard afkeerig van vreemde woorden en vormen, heeft de genoemde en dergelijke vreemdelingen, ofschoon zij tot eene hoogere klasse van denkbeelden behooren, sinds lang in Nederlandsch gewaad populair gemaakt.
81. Behalve de vreemde woorden, in de vorige § onder _a_ bedoeld, zijn er nog andere van Latijnschen of Griekschen oorsprong, die op tweeërlei wijze geschreven worden; t. w. dezulke, die onder twee vormen tot ons zijn gekomen, de eene rechtstreeks uit het Latijn of Grieksch, de andere middellijk, door tusschenkomst van het Fransch. De Latijnsche of Grieksche vorm is dan de meer wetenschappelijke of deftige, de Fransche de gewone en dagelijksche. Hiertoe behooren b. v. _praesens_ (tegenwoordige tijd) en _present_ (tegenwoordig), _subject_ (onderwerp) en _sujet_ (in de uitdrukking _een gemeen sujet_), _familie_ (Lat. familia) en het gemeenzame _famielje_ (Fr. _famille_), _dioecese_ en _diocese_, _nummer_ en _nommer_, _oeconomie_ en _economie_, _praeparaten_ en _preparatieven_, _fundament_ en _fondement_, _secunde_ en _seconde_.
82. De door ons aangenomen regels voor het schrijven der vreemde en bastaardwoorden zijn geheel in overeenstemming met de heerschende richting in ons spellingstelsel, waarin zich overal het streven openbaart om de uitspraak juist voor te stellen en de afleiding te doen uitkomen, voor zooverre deze het recht verstand der woorden kan bevorderen. Beide, de uitspraak en de afleiding der vreemde woorden, kunnen natuurlijk slechts door de oorspronkelijke spelling in het licht worden gesteld; doch, waar de uitspraak te zeer gewijzigd is en de kennis der etymologie geen nut kan doen, zou de oorspronkelijke spelling veeleer nadeelig werken, en is dus het volgen der Nederl. regels het rationeelst. Ook het erkennen van twee vormen nevens elkander is eene eigenschap van het Nederlandsch, dat een groot aantal woorden bezit, die twee, sommige zelfs drie vormen hebben, welke òf in gewijzigde beteekenissen òf in verschillende stijlsoorten gebruikelijk zijn. Men denke hier aan _het koord_, met zorg vervaardigd touw, _de koord_ der koordedansers, en _de koorde_ in de meetkunst; aan _het uur_ en _de ure_, aan _de ziel_ en _de ziele_, aan _kleeden_ en _kleederen_, aan _volken_ en _volkeren_ enz.
83. De hier voorgedragene spelling is bovendien voor hen, die zich het meest van vreemde en bastaardwoorden bedienen, namelijk voor allen, die de vreemde talen kennen, buiten tegenspraak de gemakkelijkste, vermits zij hen niet noodzaakt zich nog eene derde, afzonderlijke spelling eigen te maken, die zoowel van de vreemde als van de Nederlandsche verschilt. De eenige moeilijkheid, die zij ook voor dezulken heeft, is te bepalen of een bastaardwoord tot de eerste, dan wel tot de tweede soort gebracht moet worden. Intusschen is die zwarigheid niet zoo groot, als zij schijnt. Het aantal woorden, waarbij men werkelijk in twijfel kan staan, is betrekkelijk gering; en de vraag, die zich bij elk dier woorden voordoet, betreft niet nu deze, dan eene andere bijzonderheid, maar luidt onveranderlijk: _is het woord in gebruik bij het algemeen, of slechts in bepaalde kringen?_ Heeft men die vraag beantwoord, dan is de spelling door de regels in § 75-80 gegeven. In de weinige werkelijk twijfelachtige gevallen, waarin het antwoord van den tact des schrijvers afhangt, zal de beslissing niet bij ieder dezelfde zijn: de een zal een woord volgens den regel in § 75, de ander volgens den regel in § 78 behandelen, hetgeen dan twee verschillende spellingen van hetzelfde woord ten gevolge heeft. Doch niemand kan hierin eene groote ramp zien, wanneer men bedenkt, dat geene der beide schrijfwijzen, zoo slechts de regels goed zijn toegepast, eene taalfout heeten of tot andere verkeerdheden leiden kan.
84. Een ander bezwaar, namelijk dat niet allen, die zich van woorden der eerste soort bedienen, de oorspronkelijke talen (meestal het Fransch, Latijn of Grieksch) verstaan, zoodat er steeds zullen gevonden worden die tot een woordenboek hunne toevlucht moeten nemen, drukt evenzeer op het stelsel dergenen, die de vreemde woorden meer op Nederl. wijze willen gespeld hebben, en b. v. _fyzika_, _kritikus_, _katheder_, _kataloog_ enz. schrijven. Ook dezen moeten evengoed de vreemde talen kennen of eene woordenlijst raadplegen om te weten, dat--volgens hun stelsel--_fyzika_ eene _y_, maar _kritikus_ gewone _i's_, dat _katheder_ eene _th_, maar _kataloog_ eene _t_ hebben moet.
85. Is het bedoelde stelsel [1] niet in staat om de moeilijkheid weg te ruimen, voor welker opheffing het juist opzettelijk is uitgedacht, het bezwaar in § 83 vermeld is daarin veel grooter dan bij het onze. Dat stelsel toch past zijne regels niet slechts toe op bastaardwoorden, maar ook op geheel ongewijzigd overgenomen vreemde woorden, wier klank door de Nederl. spelling meer of minder juist kan voorgesteld worden. Men gaat daarbij echter geheel inconsequent te werk en laat sommige, waarop de regels streng genomen zeer wel toepasselijk zouden zijn, geheel onveranderd, zonder eene grens te kunnen aanduiden, waar de vreemde spelling ophouden en de Nederlandsche beginnen moet. Zoo schrijft men _botanikus_, _kritikus_, _logika_, _kreion_, _portefeulië_, _kompanion_, maar, geheel op Fransche wijze: _bouillon_, _bouilli_, _eau de Cologne_, _entrepot_, _coup d'état_, _bordeaux_ (wijn), terwijl het stelsel volstrekt _odekolonje_, _antrepo_, _koedeta_ of _koedeeta_, _bordo_ eischt: spellingen, die de uitspraak zeker niet minder juist zouden voorstellen dan _konsinië_, _sinialement_, _viniët_, _broeliëeren_, _akkeuliëeren_, gelijk sommigen willen, die van _consigne_, _signalement_, _vignet_, _brouilleeren_, _accueilleeren_. Er is voor dergelijke uitzonderingen geene andere reden te bedenken, dan dat de aangevoerde en meer zulke woorden, op Nederl. wijze geschreven, een al te gedrochtelijk voorkomen zouden hebben. Wij hebben gemeend een stelsel niet te mogen aannemen, dat voor zijne eigene toepassing terugdeinst en daarmede zich zelf veroordeelt, en dat, consequent gevolgd, tot spellingen als _soepjee_ (souspied), _swarree_ (soirée), _koeduilj_ (coup d'oeil) enz. brengt, gelijk het reeds het niet zeer fraai klinkende _ekwipaadje_ heeft doen ontstaan.
86. Daar men--en onzes inziens te recht--alle noodelooze inconsequentiën veroordeelt, en prijs stelt op regelmaat in alles, wat--gelijk de spelling eener taal--op den naam van _stelsel_ aanspraak moet kunnen maken, mogen wij geene vormen goedkeuren als _fyzika_ (_physica_), waarin de Nederl. _f_ en _z_ plaats nemen naast de Gr. _y_, of als _katalogus_ (_catalogus_), waar de Lat. uitgang _us_ in strijd is met de Gr. of Nederl. _k_. Schrijfwijzen, die twee of drie verschillende spellingen, zonder noodzaak en zonder eenig nut, op de willekeurigste wijze vermengen, kunnen niet ordelijk en regelmatig heeten. Wij behouden daarom niet slechts de Gr. _th_ en _y_, maar ook de _c_, _s_ en _ph_, waar de Latijnsch-Grieksche spelling die letterteekens medebrengt. Dat de _ph_ aanleiding kan geven tot eene verkeerde uitspraak bij minkundigen, geeft dezen het recht niet om te eischen dat de geheele natie te hunnen gerieve inconsequent zal handelen. Een onkundige moge _bedelen_ of _legeren_ uitspreken alsof er _bedeelen_ en _legeeren_ geschreven stond, of _bévingen_ met _bevìngen_ verwarren; maar die mogelijke vergissing van lieden, wier kennis zoo gebrekkig is, kan voor de taal geene reden zijn om haar spellingstelsel te veranderen, dat zij eenmaal op goede gronden heeft aangenomen.
Het verdeelen der woorden in lettergrepen.
(_Grondbeg._ § 257-270).
87. De spelling heeft ook het antwoord te geven op de vraag, tot welke lettergreep bij het afbreken van een woord de tusschenletters moeten gerekend worden, tot de voorgaande of tot de volgende. Te dien aanzien hebben wij de volgende regels aangenomen:
1. In samengestelde woorden blijft iedere letter in het woord, waartoe zij behoort; men breekt derhalve dus af: _kwab-aal_, _eer-ambt_, _mein-eedig_, _door-een_, _elk-ander_ enz.
Woorden met voorvoegsels, als _be_-, _ge_-, _her_- enz., en die met de achtervoegsels -_aard_ en -_achtig_, welke eigenlijk samenstellingen zijn, worden als samengestelde woorden behandeld. Men breekt dus af: _be-kleeden_, _her-overen_, _blauw-achtig_, _wreed-aard_ enz., met uitzondering van _grijn-zaard_ en _vein-zaard_: vergel. § 33.
2. Bij afgeleide woorden met achtervoegsels, die met éénen of meer medeklinkers beginnen, wordt het geheele achtervoegsel afgescheiden; b. v. _lief-de_, _hoog-ste_, _gedwee-ste_, _mee-ste_, _bak-ster_, _vlee-schelijk_ enz. Ter wille van de uitspraak moeten _naas-te_ en _bes-te_ worden uitgezonderd.
Ook de _t_ en _p_, die in de verkleinwoorden voor den uitgang -_je_ gevoegd worden, en evenzoo de _s_ voor -_ken_ of -_ke_, behooren bij deze achtervoegsels te blijven. Men breekt derhalve dus af: _stoel-tje_, _boon-tje_, _boom-pje_, _penning-ske_, _jong-ske_ enz.
3. In gevallen, die niet tot een der behandelde te brengen zijn, gaat men naar de volgende voorschriften te werk:
_a._ Eene alleenstaande tusschenletter behoort tot de volgende lettergreep; b. v. in _dee-len_, _ne-men_, _la-chen_, _li-chaam_.
_b._ Van twee tusschenletters behoort de eerste tot de voorgaande, de tweede tot de volgende lettergreep; b. v. in _ber-gen_, _lan-den_, _gan-zen_ enz., en zoo ook bij _ng_ in _lan-ger_, _bren-gen_, _zin-gen_.
_c._ Van drie en vier tusschenletters behooren er zooveel tot de volgende lettergreep, als zich gezamenlijk aan het begin van een woord gemakkelijk laten uitspreken. Men breke volgens dezen regel dus af: _vor-sten_, _kor-stig_, _ven-ster_ enz.; maar _amb-ten_, _erw-ten_, _art-sen_, _koort-sen_ enz.
_d._ In vreemde woorden en eigennamen gaat men naar de uitspraak te werk, b. v. in _le-proos_, _A-driaan_ enz.
Het gebruik der hoofdletters.
88. De hoofdletters of kapitale letters dienen om een woord van andere te onderscheiden en den lezer te waarschuwen, dat het tot eene bijzondere soort behoort. Zij worden daarom gebezigd om een woord te kenmerken als een eigennaam of daarmede gelijkstaande, of als het eerste eener reeks van woorden, die òf niet òf minder nauw met het voorafgaande samenhangen. Hieruit vloeien de volgende bijzondere regels voort:
89. Men schrijft met hoofdletters:
1. Het eerste woord van elken volzin en, in poëzie, van elken dichtregel.
2. Alle eigennamen van personen, als _Albert_, _Arend_, _Rubens_, _Wolf_ enz.
Wanneer zij uit de vereeniging van twee woorden bestaan, dan wordt ieder hoofddeel met eene kapitale letter geschreven; b. v. _Jan Steen_, _De Witt_, _Ter Horst_, _Van Erp_ enz.
Bij namen, die uit drie deelen bestaan, van welke het eerste een voorzetsel en het tweede een lidwoord is, behoudt het middelste de kleine letter, als _Van den Berg_, _Van der Horst_, _Van de Wall_, _Op den Heuvel_ enz.
Ook de bijv. nw., als toenamen achter eigennamen gevoegd, hebben eene hoofdletter; b. v. _Alexander de Groote_, _Karel de Vijfde._
3. Alle geographische eigennamen, als _Italië_, _Alkmaar_, _de Rijn_, _de Vesuvius_ enz. Zijn zij samengesteld, dan krijgt ook bij deze ieder hoofddeel eene kapitale letter; als _Nieuw-Holland_, _Noord-Brabant_, _de Middellandsche Zee_, _de Kust van Guinea_ enz.
4. De namen van maanden en van week- en feestdagen, als _Januari_, _Maandag_, _Kerstmis_, _Paschen_, _Allerheiligen_, _St.-Pieter_ enz.
5. De gemeene zelfstandige naamwoorden die als eigene gebezigd worden. Dit heeft plaats:
_a._ Met persoonsnamen, wanneer zonder nadere aanduiding alleen uit de omstandigheden moet blijken, welke persoon bepaaldelijk bedoeld wordt; b. v. in uitdrukkingen als: _de Koning_ (namelijk der Nederlanden); _de Burgemeester_ (der plaats, waar de schrijver zich bevindt), enz.
Dit is natuurlijk ook van toepassing op bijvoegl. woorden, die als zelfst. nw. gebezigd worden, en in hetzelfde geval verkeeren; b. v. _de Booze_, _de overzetting der Zeventigen_.
_b._ Met benamingen van zaken, wanneer zij iets aanduiden, dat in de rhetorische _apostrophe_ aangesproken en dus als een persoon voorgesteld wordt; b. v. in uitdrukkingen als: _U roep ik geenszins aan, Verbeelding! Gij, strenge Waarheid, gij alleen spoort me aan tot zingen._
6. Ieder hoofdwoord in titels, als: _de Heer A_, _Mijnheer_, _Mevrouw_, _Mijne Heeren_, _Dames_, _Weledelgestrenge Heer_, _de Staten-Generaal_, _de Hooge Raad_, _het Hof van Cassatie_ enz.
7. De bijv. nw. van eigennamen afgeleid, als _Amsterdamsch_, _Groningsch_, _Engelsch_, _Russisch_ enz.; evenzoo wanneer zulke woorden, als zelfst. nw. gebezigd, eene taal of een tongval beteekenen: _het Engelsch_, _het Groningsch_.
Het sedert eenigen tijd--in navolging van andere talen--opkomende gebruik om bijv. nw. als _Engelsch_, _Fransch_, _Duitsch_ enz. met kleine letter te schrijven, is volstrekt niet aan te bevelen. Het doel der kapitale letter is den lezer te waarschuwen, dat het woord niet een gewoon naamwoord, maar een eigennaam is, en daardoor alle mogelijke verwarring te voorkomen. Die aanwijzing is bij de bijv. nw. even noodzakelijk als bij de eigennamen zelve.
8. Die woorden, die in bijzondere gevallen, door den smaak en het oordeel van den schrijver te bepalen, eene opzettelijke aanwijzing vereischen of van het overige onderscheiden moeten worden, als b. v. _Hij_, _Hem_, _Zijn_, van God gezegd; _de Almacht_; _de Hemel_; _de Kroon_; _de Regeering_; _het Ik_; _in 't Voorleden ligt het Heden_, enz.
Het gebruik van het samentrekkingsteeken.
90. Het samentrekkingsteeken (^) dient om aan te duiden, dat eene lettergreep, ten gevolge van de uitlating eener _d_ tusschen twee klinkers, door de samensmelting van twee lettergrepen ontstaan is; als in _daân_, _gebeên_, _gebiên_, _geboôn_, _spoên_, _reên_, uit _daden_, _gebeden_, _gebieden_, _geboden_, _spoeden_, _redenen_. De woorden, waarbij zulk eene samentrekking heeft plaats gehad, zijn vrij talrijk, en--althans voor het groote publiek--niet altijd gemakkelijk te herkennen. Zoo zal niet iedereen gevoelen, dat de woorden _graag_, _kwee_, _kweelen_, _kiel_ (kleedingstuk), _door_ (van een ei), samentrekkingen zijn van _gradig_, _kwede_, _kwedelen_, _kedel_ of _kidel_ en _doder_. Zelfs wanneer het woord nog onveranderd in gebruik is, kan de samentrekking licht onopgemerkt blijven; als bij _weerlichten_ uit _wederlichten_ (hd. _wetterleuchten_), bij _builen_ (bakkerw.) van _buidel_, en andere. Daar derhalve het aanduiden van _alle_ samentrekkingen zeer lastig zou wezen en in de meeste gevallen volstrekt geen nut zou hebben, bezigen wij het samentrekkingsteeken alleen dan, wanneer de ineensmelting van twee lettergrepen, die in den gewonen stijl niet samengetrokken worden, opzettelijk, met bewustheid, plaats heeft ten behoeve van maat, rijm of welluidendheid, als b. v. _daân_, _leên_, _liên_, _doôn_, _voên_, _verneêren_ en dergelijke ongewone vormen, bij welke de opzettelijke aanduiding der samentrekking voor de duidelijkheid wenschelijk is. Bij samentrekkingen echter als _la_ voor _lade_, _mee_ voor _mede_, _slee_ voor _slede_, _leer_ voor _leder_, _neer_ voor _neder_, _veer_ voor _veder_, _weer_ voor _weder_ enz., die in het dagelijksch leven werkelijk zóó worden uitgesproken, achten wij het teeken geheel overtollig.
A
A, V., a's.
A (voorz.).
Aagt, V., aagten. Aagtje, O., -jes.
Aai, M., aaien. Aaitje, O., -jes.
Aaien, aait, aaide, heeft geaaid.
Aaiing, V., aaiingen.
Aak (vaartuig), V., aken.
Aak (boom), M., aken.
Aaks, ook Aks, V., aaksen.
Aakster. Zie Ekster.
Aal (priem), V., alen.
Aal (meststof), V.
Aal (bier), O., alen.
Aal (visch). Als voorwerpsnaam M., alen. Aaltje, O., -jes. Als stofnaam V.
Aalbes, V., -bessen.
Aalbesseblad, O., -bladeren.
Aalbesseboom, M., -boomen; -boompje, O., -jes.
Aalbessengelei, V.
Aalbessen-jam, V.
Aalbessenjenever, V.
Aalbessennat, O.
Aalbessenrist, V., -risten.
Aalbessensap, O.
Aalbessensaus, V., -sausen.
Aalbessentros, M., -trossen.
Aalbessenvla, V., -vlaas.
Aalbessenwijn, M.
Aalbessestruik, M., -struiken.
Aalbezie, V., -beziën.
Aalbezieboom, Aalbeziënjenever enz. Zie bij Aalbesseboom enz.
Aalelger, M., -elgers.
Aalfuik, V., -fuiken; -fuikje, O., -jes.
Aalgeer, M., -geeren.
Aalkaar, V., -karen; -kaartje, O., -jes.
Aalkast, V., -kasten; -kastje, O., -jes.
Aalkorf, M., -korven; -korfje, O., -jes.
Aalkubbe of Aalkub, V., -kubben.
Aalkwabbe of Aalkwab, V., -kwabben.
Aalmoes, V., aalmoezen. Aalmoesje, O., -jes.
Aalmoezenier, M., -nieren en -niers.
Aalmoezeniershuis, O., -huizen.
Aalmoezenierskamer, V., -kamers.
Aalreep, M., -reepen.
Aalschaar, V., -scharen.
Aalscholver, M., -scholvers.
Aalsgeweer, O., -geweren.
Aalshuid, V., -huiden.
Aalskruik, V., -kruiken.
Aalst. Zie Alst.
Aalstal, M., -stallen.
Aalsteek (recht), M.; (plaats), V., -steken.
Aalsteker, M., -stekers.
Aalsvel, O., -vellen.
Aalt (hetzelfde als Aal, meststof), V.
Aalvormig.
Aam, O., amen.
Aambeeld. Zie Aanbeeld.
Aambei, V., -beien.
Aambeienkruid, O.
Aamborstig, -borstiger, -borstigst.
Aamborstigheid, V.
Aamt, V.
Aamtig.
Aan.
Aanaarden, aardde aan, heeft aangeaard.
Aanaarding, V., -aardingen.
Aanaardploeg, M., -ploegen.
Aanademen, ademde aan, heeft aangeademd.